Part 3
"Waar is God?" riep hij uit, "ik zal het u zeggen! Wij hebben hem vermoord,--gij en ik. Wij allen zijn zijne moordenaars! Hoe toch konden wij dat doen? Hoe hebben wij den oceaan leeg kunnen drinken? Wie gaf ons de spons, waarmee wij den geheelen horizon konden uitvegen? O, waarom hebben wij de aarde losgemaakt van de zon? Waarheen drijft zij nu, waarheen drijven wij allen? Verre van alle zonnen? Want vallen wij nu niet in een eeuwig onverbroken val, dan achteruit, dan zijwaarts, dan vooruit, naar alle, alle kanten? Bestaat er nog hoogte en diepte of dwalen wij door eene oneindige leegte? Gevoelen wij niet de kilheid van die ledige oneindigheid? Wordt het niet steeds kouder en wordt de nacht niet steeds duisterder? Moeten wij niet op het middaguur licht ontsteken? O, hoort gij ze niet, de schreden van de doodgravers, die God gaan begraven? O, ruikt gij hem niet, den stank van den verrottenden God? Want ook Goden vergaan! God is dood! God zal dood blijven en wij zijn het, die hem hebben vermoord! Welke troost rest ons nog, ons, de vreeselijkste aller moordenaars? Aan onze messen kleeft het bloed van het heiligste en het machtigste, dat de wereld bezat; wie zal ooit die bloedvlekken uitwisschen? Welke wateren kunnen ons ooit zuiveren? Welke feesten van boetedoening of heilige spelen zullen wij moeten uitvinden? Gaat, in waarheid, de grootheid van deze daad niet boven onze krachten en zullen wij niet zelve Goden moeten worden, alleen reeds om waardig te schijnen zulk eene daad te hebben volbracht? O, nooit te voren geschiedde zoo iets grootsch--die daad maakt, dat allen, die nà ons zullen komen tot eene wereldperiode van hoogere wijding zullen behooren dan alle geslachten ooit te voren."
De waanzinnige zweeg en zag opnieuw zijne toehoorders aan en zij beantwoordden zijn blik stilzwijgend en angstig. Toen plotseling wierp hij zijne lantaarn neer; zij brak en het licht ging uit: "Ik kom te vroeg," riep hij, "de dagen zijn nog niet gekomen. Die verschrikkelijke gebeurtenis is nog in wording: zij nadert, maar nog heeft de menschheid geen juist besef van hare nadering. De bliksem, de donder en het sterrelicht, maar evenzoo de daad hebben tijdruimte noodig om het gezicht en het gehoor te bereiken, ook al zijn zij geschied. Deze daad is verder van u dan het verste gesternte--en toch hebt gij die daad volbracht!" [16]
Doch, al was Nietzsche zich volkomen bewust van de ernst der daad, die hij beging, zoo maakte hij zich toch zonder groote schokken of geestelijken strijd los van het Christendom, want hem bracht die stap niet in opstand, omdat het traditioneele Christendom één was met zijne aangeboren neigingen; het kostte hem evenmin moeite of strijd om zijne Christelijke plichten te vervullen als om die aangeboren neigingen te volgen [17], en omgekeerd behoefde ook zijn verstand niet den minsten dwang uit te oefenen op die neigingen om hem er toe te brengen zich van zijn geloof af te scheiden. Nietzsche heeft later nooit den drang in zich gevoeld om vrijwillig de oogen te sluiten voor den "Dood van God" of om het stilzwijgen op te leggen aan zijne rede en zijn toevlucht te zoeken in de armen van den godsdienst. Hij scheidde zich van het Christendom af, niet alleen omdat hij het bestaan van God logisch weerlegd oordeelde, maar in de eerste plaats omdat zijn godsdienstig gevoel hem niet toeliet zich te blijven hechten aan een bedriegelijk en denkbeeldig geloof.
Nietzsche werd atheïst door den godsdienst; vandaar dat de overgang hem geen moreele angst of wanhoop kostte. "Het wordt ons duidelijk," zegt hij, "hoe in waarheid de God der Christenen werd overwonnen door de Christelijke zedeleer zelf, door het steeds strenger toegepast begrip van eerlijkheid, door het Christelijk geweten, dat, verscherpt door den biecht, een anderen en hoogeren vorm aannam in het wetenschappelijk geweten, in die intellectueele "zuiverheid", waarnaar men boven alles streefde." [18]
Zoodoende begrijpt men de wonderlijke overgangen in Nietzsche's ziel. Als goed Protestant had hij steeds geloofd èn in de waarheid èn in den traditioneelen God, zonder in zijne aanbidding het eene begrip van het andere af te scheiden. Toch behoorde zijn godsdienst in werkelijkheid aan den "God van waarheid" en toen het hem gaandeweg duidelijk werd dat hij kiezen moest tusschen "God" en de "Waarheid", bleef hij ook in werkelijkheid getrouw aan zijn godsdienstzin door het historisch en traditioneel geloof op te offeren aan zijne innerlijke diepste overtuiging. Zoo werd Nietzsche's leven en denken voortaan uitsluitend geleid door die overtuiging, wier juisten oorsprong wij hebben leeren kennen, want Nietzsche kon zijn leven niet afscheiden van zijn denken en leefde zijn atheïsme evenals hij zijn Christendom had geleefd.
Gedrongen door dien almachtigen drang naar wetenschappelijke eerlijkheid, heeft Nietzsche stuk voor stuk het geheele gebouw afgebroken, dat de vroegere menschheid op het geloof aan God als fundament, had opgericht. Hij geloofde niet meer aan het idee van goedheid en orde in de natuur door de Voorzienigheid daarin gelegd, hij zag in de geschiedenis niet langer het bewijs van de goddelijke leiding of de aanduiding van een moreelen wil, die het lot der menschheid bestuurde; hij beschouwde de gebeurtenissen in ons leven niet meer als beproevingen, die God ons oplegde om ons tot gelukzaligheid te voeren. Hij onderzocht alle soorten van geloof, die in den loop der eeuwen de menschheid troost hadden geschonken en de waarde, die zij daaraan hadden gehecht. En vast besloten zijne denkbeelden tot het uiterste toe door te denken, trok hij de zedeleer en zelfs den waarheidszin in twijfel; hij vroeg zich af hoe ver men gaan mag met goed boven kwaad en waarheid boven dwaling te stellen; en naarmate zijn drang tot ontkennen grooter werd, zag hij het positief doel van zijn streven helderder opdoemen en werd hij zich meer en meer bewust van zijn persoonlijk oordeel over het raadsel van het bestaan; het luidt: "Alle goden zijn dood, nu moet de "Uebermensch" leven." [19]--Toen Nietzsche zijn God verloor, vond hij zichzelf.
Terecht heeft men meermalen de vele wijzigingen in Nietzsche's denken gedurende de verschillende perioden van zijn leven besproken, de veranderingen in zijne ideeën bestudeerd en heeft men de opeenvolgende punten nagegaan, waarlangs het begrip van zijn ideaal zich gaandeweg tot rijpheid ontwikkelde. Hij was zichzelf geheel bewust van die overgangen en vergeleek ze bij het vervellen van een slang.
Hij wist het, dat bij het verlaten van de heilige wijkplaats van het geloof hem niets anders wachtte dan een onnoembaar aantal moeilijkheden, maar het leven was voor hem niet langer eene plicht, een feit of een droombeeld; het werd in zijne oogen een object, dat de onderzoeker behoeft [20]. Hij gevoelde zich als een zoekend, onvermoeid strijder, die zoowel uit zijne nederlagen als uit zijne overwinningen eene nuttige les weet te trekken, of als de rotsbeklimmer, die, steeds bereid zijn leven te wagen, tegen de steilste hellingen opgaat en zonder rust of weifelen van top tot top stijgt, die den horizon steeds ziet veranderen, maar vast besloten zich niet te laten ontmoedigen, de strengste koude, de diepste afgronden, de grootste eenzaamheid en de guurste sneeuwstormen trotseert om hooger, steeds hooger te stijgen.
Zoo vond Nietzsche, die het leven beschouwde als "iets, dat telkens opnieuw zichzelf moet overtreffen," dat voortdurend veranderen een hoofdelement in zijn bestaan, wat niet wegneemt, dat zijn leven ook van eene grootsche eenheid getuigde, want het werd geheel en al beheerscht door eenzelfden drang, den wil om altijd en ten koste van alles trouw aan zichzelf te blijven. Hij heeft zijn geheele leven gewijd aan dat ééne groote vraagstuk: "Wat is voor den mensch, wat dus voor mij, het doel van het leven, wanneer God niet bestaat?" Aan de oplossing van dat vraagstuk heeft Nietzsche zijne volle, mannelijke geestkracht geschonken: "Onpersoonlijkheid heeft op aarde noch in den hemel eenige waarde," schreef hij, "voor alle groote vraagstukken is de groote liefde noodig en die liefde kan alleen bestaan in den machtigen, sterken geest, die door een vaste basis zeker is van zichzelf. Er bestaat een groot verschil tusschen den denker, die "persoonlijk" staat tegenover zijn vraagstuk en in de oplossing er van zijne bestemming ziet, zoowel in zijne diepste droefheid als in zijn hoogste geluk, en hem, die in een geheel "onpersoonlijk" onderzoek, alleen met de voelhorens van het koel en nieuwsgierig denken te werk gaat. De laatste vindt niets--dat is zeker--want moge een groot vraagstuk zich al eens laten vatten, toch laat het zich niet door de koudbloedigen en lafhartigen vasthouden." [21]
Nietzsche vond werkelijk in het groote vraagstuk, dat hem aan den ingang van het leven wachtte, zijne bestemming, zijn geluk en zijn ongeluk; hij vatte het aan met vollen moed en streed er tegen met onbedwingbare kracht, evenals Israël tegen God. En toen de waanzin zijn bewust leven afsneed, juichte hij over zijne overwinning.... Was niet dat het bewijs van eene schoone bestemming?
IV.
Nietzsche was niet slechts denker, maar ook artiest en zijne liefde voor de kunst ontwikkelde zich al even vroegtijdig en even diep als zijne liefde voor wetenschap en godsdienst. Bovenal trok hem de muziek aan, eene liefhebberij, die erfelijk was in zijne familie; als kind reeds was hij vol geestdrift voor de groote klassieken der Duitsche Toonkunst, voor Bach, Beethoven, Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn en later ook voor Wagner, die reeds spoedig een zijner geliefkoosde meesters werd. Op zijn negende jaar componeerde hij kleine stukjes, waarna spoedig zijne aangenaamste uitspanning bestond in fantaiseeren en in zoet gedroom de vingers over de toetsen te doen glijden; toch verwaarloosde hij de ernstige studie der muziek niet, doch met de nauwgezetheid, die hem in alles eigen was, legde hij er zich grondig op toe en bracht het vrij ver op de piano; vooral las hij veel muziek en later beoefende hij ook samenspel en bestudeerde hij compositieleer. Hij schijnt er zelfs een oogenblik aan gedacht te hebben zich geheel aan de muziek te wijden; in een dagboek, dat van 1869 dagteekent, schreef hij dat hij, ingeval de omstandigheden er mee toe hadden geleid, wellicht de muzikale kunst tot levensdoel had gekozen. Daar hij echter gevoelde dat zijne krachten niet hoog genoeg stonden, zag hij van de kunstenaarsloopbaan af, maar zijne liefde voor de muziek bleef hem zijn leven lang bij en nooit begaf hem die bijzondere gave van fantaiseeren, die Mevrouw Cosima Wagner in verrukking bracht en nog in 1877 te Rosenlaui de bewondering opwekte van den keizer en de keizerin van Brazilië. En het sterkst gevoelde hij zich aangetrokken tot de duistere vraagstukken in de muzikale aesthetica, die hij trachtte te doorgronden zoowel met het oog van den wijsgeer als met dat van den kunstenaar.
Ook de dichtkunst trok Nietzsche reeds in zijne jonge jaren aan; zijne zuster heeft verscheidene gedichten uit zijne jeugd bewaard, waarvan de meesten behoorden tot de jaren 1858-1864; die gedichten spreken van een diep, fijn gevoel en eene groote gemakkelijkheid in versbouw.
Later, in verschillende tijdperken van zijn leven, vooral in 1877, 1882, 1884 en 1888 schreef hij een vrij groot aantal gedichten, meestal van philosophischen aard, die hier en daar uitnemend schoon zijn. Maar, al mocht zijne liefhebberij tot dichten nooit geheel hebben opgehouden, zoo heeft hij toch vooral aan de beoefening der poëzie zijne kracht als prozaschrijver te danken. Ik weet wel dat sommige Duitsche critici tegen Nietzsche als stylist opkomen en ik erken dat een vreemdeling niet de meest bevoegde persoon is om den stijl te beoordeelen van een werk, dat niet in zijne moedertaal is geschreven; toch meen ik dat in onze dagen de Duitsche kritiek bijna algemeen de hooge litterarische waarde van Nietzsche's werken erkent. Voor den Franschman althans is het een genot zijne geschriften zoo vol kleuren en toch zoo juist, zoo krachtig en tevens zoo buigzaam, zoo rijk aan schilderachtige uitdrukkingen en heldere zegswijzen te lezen. Zijn zinnebouw getuigt dat een fijnvoelend penkunstenaar, met nauwkeurige zorg en kunstvaardigheid, zichzelf bewust van zijne wijze van arbeiden, aan het werk is geweest, en toch blijft hij natuurlijk en frisch, los en levendig, zooals men zelden vindt in Duitsch proza, dat juist door zijn zwaren, omvangrijken bouw den Franschman dikwijls onaangenaam klinkt. Nietzsche's stijl is door en door waar gevoeld en lyrisch; men ziet in zijne teerste psychologische analysen, in zijne meest abstracte redeneeringen, dat hij niet alleen met de menschelijke rede, maar met zijn geheele wezen denkt, en dat hij in elk zijner gedachten een deel van zichzelf heeft gegeven. Hij is dus niet alleen een schitterend moralist, zooals b.v. Amiel, die meester in het scheppen van aphorismen, maar kan ook, waar het noodig is, zich verheffen tot de meest gevoelvolle lyriek. Toch is het zeer zeker overdreven het prozagedicht Zarathustra te vergelijken bij Goethe's Faust; Nietzsche's werk is veel minder begrijpelijk voor de menschheid dan dat van Goethe en ik geloof niet dat het ooit ten volle in den smaak kan vallen van anderen dan hen, die tot den beknopten kring behooren van verfijnde--wellicht zelfs eenigszins "fin de siècle" geesten. Daarentegen dunkt mij dat de lezer, die vertrouwd is geraakt met zijn symbolieken, dithyrambischen stijl en met de, op het oog onsamenhangende taal van dat werk, dat zoo eenig in zijne soort is, zich niet zal kunnen onttrekken aan eene vreemd intense, bijna physieke ontroering, aan eene aandoening, die ook sommige orkestwerken in ons verwekken. In dit dichterlijk proza gevoelt men de hartstochtelijke liefde voor muziek van den schrijver en het is te begrijpen, dat een van de meesters der jongere Duitsche school, Richard Strauss, Nietzsche's Zarathustra koos tot onderwerp van een zijner meest bekende symphonische gedichten.
V.
Nietzsche, de aristocraat van natuur, vol liefde voor waarheid en kunst, Nietzsche, zoowel intellectueel ontwikkeld als fijngevoelend, vol wilskracht en hartstocht, Nietzsche de denker, de geleerde, de muziekliefhebber en de dichter geeft ons een buitengewoon rijk en gecompliceerd wezen te aanschouwen. Maar die verscheidenheid van gevoelens, neigingen en bekwaamheden bederven in hem niet, zooals in zoovele moderne geesten, zijne eigenlijke persoonlijke éénheid.
Het is b.v. geheel onjuist hem te vergelijken met Heine, die zijn leven lang geslingerd werd tusschen de macht van het gevoel en die van het verstand, die atheïst was naar zijne rede en toch behoefte aan godsdienst gevoelde, die somtijds in de liefde geloofde en dan weer sceptisch er tegenover stond en die, hoewel zijn abstract redeneeren hem tot democratie en socialisme bracht, toch in zijn hart aristocraat bleef.
Nietzsche had een juisten blik op de ingewikkelde samengesteldheid der hedendaagsche ziel. "Hoe eenvoudig," schreef hij, "was de mensch van het oude Griekenland, in het beeld, dat hij van zichzelf vormde! Hoeveel verder zijn wij in onze kennis van den mensch! Maar daarentegen, hoe ingewikkeld en vol bochten is onze ziel en de voorstelling, die wij er ons van maken wanneer wij onszelven vergelijken bij de Grieken. Zoo wij een beeld wilden en durfden maken naar onze eigen ziel (maar daartoe zijn wij te laf) zouden wij een labyrinth moeten kiezen als model." [22] Hij wist trouwens te goed van hoeveel waarde juist die gecompliceerdheid van de ziel van onzen tijd voor den wijsgeer is, die de waarheid zoekt, want naarmate zijne gevoelens eene grootere verscheidenheid en meerdere ontwikkeling bezitten en de doolhof zijner ziel uit diepere en duisterder dwaalgangen bestaat, vindt hij in zichzelf een rijker bron voor studie. Daarom ook gevoelde Nietzsche de behoefte om zijn onderzoekingsveld steeds verder uit te breiden en krachtig gaf hij dien drang weer in een aphorisme getiteld: De Zucht van den Zoeker. "O, hoe groot is mijn dorst naar weten! Mijne ziel kent geen belangeloosheid, want in haar is eene "ik-heid", die naar alles vraagt, die niet alleen met eigen oogen en handen, maar ook met die van anderen zou willen zien en vasthouden, eene "ik-heid", die niets wil prijsgeven van wat haar zou kunnen toebehooren! O, hoe verbrandt die dorst mijne ziel! Kon ik mezelven slechts terugvinden in honderden andere wezens! Hij, die niet bij ondervinding eene zucht als deze heeft gekend, weet ook niet wat de zucht, de passie naar waarheid beteekent!" [23]
Maar al moet de mensch al zijne gevoelens, zoowel de goede als de kwade dienstig weten te maken aan het zoeken naar de waarheid, al beschouwt hij zijn leven en zijn wezen als objecten tot proefnemingen, zoo moet hij toch zorgen dat zijne persoonlijke éénheid daar niet onder lijdt. Want zoodra de centrale kracht, de wil verflauwt en niet ten koste van alles, in volle gestrengheid alle neigingen beheerscht, zoodra de ziel het tooneel wordt van den strijd tusschen de vele verschillende neigingen, die blindelings om den voorrang vechten zonder weerhouden te worden door eene of andere leidende macht, dan moet de mensch onherroepelijk vallen. De anarchie der instincten is een van de ernstigste teekenen van verval en komt alleen voor bij die ontaarde wezens, wien eigenlijk niets rest dan de dood.
In Nietzsche, die een buitengewoon sterken wil bezat, bestond geen vrees voor het verlies der harmonische éénheid van zijne persoonlijkheid; hij kende geen inwendigen strijd, geen twijfelen of schipperen; ondanks zijne gecompliceerdheid was hij een man "uit één stuk" waar hij denken en handelen moest want voor hem waren denken en handelen één: zijn geheele wezen denkt en handelt; al wat in hem is, zijne bekwaamheid, zijn wil, zijn denken, zijn gevoel, zijn kunstzin, alle vereenigen zich onwederstaanbaar tot één geheel om hem tot het verlangde doel te brengen. Zijne levensgeschiedenis zal ons de ontwikkeling toonen van eene persoonlijkheid, die even machtig als rijk was en die, zichzelve reeds vroeg bewust van het doel, dat hij voor oogen had, zonder weifelen dat doel najoeg; hij zal zich wel eens hebben vergist en zich hebben laten misleiden door een of anderen invloed van buiten, maar de zekerheid van zijne overtuiging voerde hem steeds terug naar zijn eigen juist gekozen pad; hij wist de groote verscheidenheid van de bijzondere gaven en bekwaamheden, die hem ten dienste stonden, te onderwerpen aan zijn doel, te leiden tot de verovering van zijn ideaal en samen te doen werken tot de vervulling van de groote taak, die hij voor oogen had, tot den dag, waarop hij na lange jaren van strijd en inspanning, volkomen zelfkennis en zelfbeheersching had verkregen en toen gaf hij in de ingewikkelde en toch harmonische ziel van Zarathustra de vele verlangens van zijn eigen aristocratische, profetische en artistieke natuur weer.
HOOFDSTUK II.
NIETZSCHE'S INTELLECTUEELE EMANCIPATIE. (1869-1879).
I.
Nietzsche's uiterlijk leven is niet rijk aan bijzonderheden geweest en kan in weinig woorden vermeld worden. Op 15 October 1844 werd hij geboren te Röcken, waar zijn vader dominé was; op zijn vijfde jaar was hij een wees en volgde hij zijne familie naar Naumburg, waar hij zijn eerste onderwijs ontving. Op veertien jaar (Oct. 1858) ging hij in den kost op de oude bekende school van Schulpforta, waar tal van beroemde geleerden, o.a. Klopstock, Fichte, Schlegel, Ranke hunne studiën hadden begonnen. Zes jaren later (Sept. 1864) verliet hij die school met zijn einddiploma en begon hij zijne academische studie. De keuze van een loopbaan was moeilijk voor hem omdat zijn drang tot algemeene ontwikkeling hem verre hield van alle speciale richting. Een oogenblik helde hij over tot de muziek, maar daarna besloot hij de klassieke philologie te bestudeeren. Hij bracht een jaar door aan de universiteit te Bonn (1864-65) en toen twee jaren te Leipzig (1865-67) waar hij zich voornamelijk toelegde op de Grieksche philologie en een der lievelingsleerlingen werd van Ritschl, destijds de grootste Duitsche philoloog. Daarna vervulde hij zijne militaire plichten, die echter na eenigen tijd werden onderbroken door een ongeluk te paard, dat eene langdurige behandeling eischte. Vervolgens keerde hij naar Leipzig terug om zich voor zijn doctoraal te bekwamen. Maar na korten tijd, in Februari 1869, nog vóór zijne promotie, werd hij tot professor benoemd aan de universiteit van Basel en de Leipzigsche faculteit verleende hem zonder examen den doctorstitel.
Tien jaren lang leidde Nietzsche het vreedzame, doch veeleischend professorale leven; hij gaf zijne colleges zooveel zijne steeds verminderende gezondheid hem toeliet en doceerde tevens Grieksch in de hoogste klasse van het Baselsche Pädagogium (eene inrichting, die den overgang vormde van het gymnasium tot de universiteit). Gedurende het schooljaar leefde hij zeer teruggetrokken, maar toch werd hij hoog gesteld door zijne geheele omgeving, al bewoog hij zich slechts in een kleinen kring van intieme vrienden, waartoe in de eerste plaats behoorde de kunsthistoricus Jacob Burckhardt; voorts bezocht hij dikwijls Richard Wagner en zijne vrouw, Mevrouw Cosima Wagner, in hun buitenverblijf Tribschen bij Lucern, waar hij steeds als een vriend des huizes werd ontvangen; in de jaren 1869-1872 (waarna de Wagners naar Bayreuth vertrokken) logeerde hij er drie en twintig keeren. Gedurende zijne Paasch-, Pinkster-, of groote vacanties maakte Nietzsche doorgaans eene reis door het Oberland, naar het meer van Genève of de Italiaansche meren. Het eenig belangrijk feit in zijn kalm bestaan is de oorlog van 1870 geweest, waaraan hij deelnam als vrijwillig ziekenverpleger, maar zijn gestel bleek niet bestand te zijn tegen de aangrijpende vermoeienissen en binnen korten tijd keerde hij ernstig ziek huiswaarts. Dit treurig intermezzo daargelaten, bepalen de groote gebeurtenissen in Nietzsche's leven zich tot het scheppen van zijne letterkundige en philosophische werken, die hoofdzakelijk over de volgende twee onderwerpen handelen: de studie van de Grieksche oudheid en de kritiek over de moderne beschaving. Zijn eerste groote werk "Die Geburt der Tragödie" (1872), dat vrij veel naam maakte en eene levendige polemiek [24] in het leven riep, gold in de eerste plaats het Helleensche probleem en gaf een schets van de algemeene philosophie, die de Grieksche beschaving in zich sloot. Zijne volgende werken als zijne "Unzeitgemäsze Betrachtungen" zijn gewijd aan de studie van hedendaagsche vraagstukken."
De beide eerste Unzeitgemäszen "David Strausz" (1873) en "Vom Nutzen u. Nachtheil der Historie für das Leben" (1874), zijn gedurfde aanslagen op de tegenwoordige Duitsche beschaving en het overdreven beoefenen van de geschiedenis. In de beide laatste werken "Schopenhauer als Erzieher" (1874) en "Richard Wagner in Bayreuth" (1876) schetste Nietzsche de beide genieën, die hem waardig schenen de meesters te worden van het jongere geslacht en dat geslacht te leiden tot een hooger doel "dan dat van den modernen Philister."