Nietzsche's Philosophie

Part 2

Chapter 23,737 wordsPublic domain

Nietzsche's moreele geestkracht werd, zooals het geval is bij vele heldhaftige naturen, getemperd door zijn groote behoefte aan vriendschap, bewondering en teederheid. Hij had innig behoefte aan eene sympathieke omgeving, waarin hij zich geheel geven kon; te allen tijde vond hij dan ook vrienden, die hij hartstochtelijk liefkreeg, maar enkele dier vriendschapsbanden werden helaas op droevige wijze verbroken. Nietzsche had n.l. de gevaarlijke gewoonte zijne vrienden van de ideale zijde te bezien: vrij als hij was van allen nijd, werd hij onmiddellijk getroffen door al het opmerkelijke in de personen van zijne omgeving en was het hem eene behoefte in gedachte hun wezen te verfraaien; hij dichtte hun meer schoonheid, grootheid en stijl toe dan hun eigenlijk toekwam. In de opwinding en geestdrift zijner liefde sloot hij de oogen voor hunne gebreken en menschelijke zwakheden en zag hij uitsluitend hunne volkomenheden; vandaar dat hij zich van zijne vrienden wel een goedgelijkend, doch steeds geïdealiseerd beeld vormde. Zoo b.v. heeft hij gedweept met Schopenhauer en Richard Wagner, die in zijne vurige verbeelding het ideaal van den philosoof en van den kunstenaar voorstelden, en zelfs met Paul Rée, een achtenswaardig, oordeelkundig denker van den tweeden rang, wiens werken hij verre boven hunne waarde schatte. Wel heeft die behoefte tot idealiseeren van zijne vrienden Nietzsche, gedurende de oogenblikken in hun bijzijn doorgebracht, van een intenser geluk vervuld, maar tevens werd zij de bron van wreede teleurstellingen. Een mensch, die, zooals hij, nooit de werkelijkheid uit het oog verloor en zijne onveranderlijk geestelijke eerlijkheid nooit prijsgaf aan een droombeeld, moest eenmaal ontdekken hoe groot het onderscheid was tusschen den werkelijken mensch, dien hij liefhad en het geïdealiseerde beeld, dat hij zich had geschapen. Vandaar die onvermijdelijke ontgoochelingen en verkoelingen tot zelfs een volkomen verbreken van teedere vriendschapsbanden. Verderop zullen wij de geschiedenis nagaan van zijne verhouding tot Wagner, eene periode, die juist dien ommekeer in vriendschap treffend weergeeft. Maar laat ons bovenal opmerken dat juist die onstandvastigheid in zijne vriendschap, die hun, die er het slachtoffer van waren, zooveel leed bezorgde en die zoo streng en zoozeer ten onrechte veroordeeld werd door de critiek--dat juist dat gevoel zijn oorsprong heeft gevonden in zijne edelmoedige behoefte aan bewonderen en achten. Nietzsche behoorde niet tot de afgunstige of critiseerende menschen, die van een groot man alleen de slechte zijde willen zien en onwillekeurig alles wat zij waarnemen trachten te verkleinen; in zijne aangeboren liefde voor al wat schoon en grootsch was, bleef hij zoolang mogelijk blind voor de onvolkomenheden van zijne vrienden en weefde hij daarentegen eene schoone legende om hun beeld; hij overdreef hunne waarde en vond het steeds nog tijd genoeg om van inzichten te veranderen. Zeer zeker was dat eene dwaling, maar tevens de dwaling van eene edele ziel. Zoodoende werd voor Nietzsche de vriendschap een bron van groote vreugde, maar eveneens van onnoemelijke droefheid; aan die vriendschap heeft hij wellicht de schoonste momenten van zijn leven te danken gehad, maar de wreede teleurstellingen, die zij hem baarde, leerden hem ook het volslagen alléénstaan kennen. Veel heeft hij geleden omdat hij begreep hoe hij zich nooit volkomen aan zijne vrienden zou kunnen uiten en dat hij juist door zijne bijzondere natuur, zijn hooger staan, onvermijdelijk tot geestelijke eenzaamheid gedoemd was. "De onmogelijkheid om zich te uiten is wel het toppunt van zich alléén gevoelen, schreef hij aan zijne zuster, het verschil tusschen twee naturen is gelijk een masker, dat ondoordringbaarder is dan een ijzeren: alleen tusschen gelijken kan eene ware, algeheel volkomene gemeenschap bestaan. Tusschen gelijken! Bedwelmend woord vol troost, hoop en zaligheid voor hem, die steeds eenzaam moest blijven, die nooit den mensch heeft mogen vinden, die volkomen bij hem paste, hoe en waar hij ook heeft gezocht; voor hem, die in den dagelijkschen omgang steeds de man van zachte, welwillende toegefelijkheid was en steeds bereid om in te schikken; voor hem, die door moeilijke ervaringen geleerd had zich steeds in te houden en hoffelijk te blijven, maar tevens voor hem, die ze bij oogenblikken heeft gekend, die gevaarlijke en smartelijke uitbarstingen van het intiemste leven, die momenten, waarin zijn verborgen wanhoop, zijne gesmoorde verlangens, zijne wild opbruischende liefde weer bovenkwamen, die momenten van plotselingen waanzin, waarin de eenzame den eerste den beste beschouwt als een vriend, hem door den hemel toegezonden, als een onschatbaar geschenk, en een oogenblik later hem vol walging van zich afstoot, zichzelf diep verachtend, omdat hij voelt hoe hij het slachtoffer werd van een vernederenden, innerlijken val, hoe hij aan zijn eigen ik ontrouw werd, aan dat ik niet langer genoeg had. "Een diepvoelend mensch heeft vrienden noodig tenzij hij nog een God bezit!" [4]

Nietzsche's fijne en teedere geaardheid blijkt ook uit zijne verhouding tot de vrouwelijke sexe, alhoewel ook op dat punt zijn karakter somtijds gruwelijk miskend is. Er wordt van hem gezegd dat hij, evenals zijn meester, Schopenhauer, een diep en onbeschaamd verachter van de vrouw was en telkens worden enkele harde woorden van hem aangehaald, als: "Gaat gij met vrouwen om? vergeet dan de zweep niet!" of: "Eene geleerde vrouw heeft natuurlijk eene of andere physiologische abnormaliteit." Men komt echter tot andere gedachten zoodra men Nietzsche's werken nader leert kennen; dan begrijpt men, wat ons ook verderop duidelijk wordt, dat hij alleen neerziet op de geëmancipeerde vrouw, die zich met den man wil meten op litterarisch, wetenschappelijk of economisch gebied.

Waar hij echter opkomt tegen de vrouw als schrijfster of als beambte, toont hij tevens een aangeboren en kinderlijke achting, een diep medelijden en eene oprechte teederheid voor het Eeuwig-Vrouwelijke zooals hij het opvat. In zijn particulier leven schijnt Nietzsche dan ook die aangeboren achting gevoeld te hebben voor alle vrouwen, die hij goed leerde kennen. Hoe weinig ons tot nog toe ook bekend moge wezen van zijn leven, zoo weten wij toch, dat hij meer dan eens zijne volle vriendschap en zijn volle vertrouwen aan eene vrouw geschonken heeft, zoo o.a. aan zijne zuster, Mevrouw Förster-Nietzsche, die nog maar kort geleden zijne kinderjaren en zijne academische loopbaan zoo treffend heeft beschreven; aan Mejuffrouw Malvida van Meysenburg, de schrijfster van de "Gedenkschriften eener Idealiste"; Mevrouw Lou Andreas-Salomé, wie hij gedurende eenigen tijd zijn intellectueelen en moreelen strijd toevertrouwde en dan de jonge vrouw, met wie hij te Bayreuth kennis maakte en aan wie hij brieven schreef, die van zeldzame bekoring en fijn gevoel spraken [5]. Uit het weinige dus, dat wij weten van zijne verhouding tot de vrouw, wordt het ons duidelijk, dat zoo hij nooit de overweldigende passie en hare stormen heeft gekend, hij des te dieper de teerdere bekoring van de vrouwelijke aanhankelijkheid heeft ondervonden. Nietzsche's zuster, de vertrouwde vriendin van zijne jonge jaren, zegt dat haar broeder geen passioneele liefde kende en onbekend bleef met alle lagere hartstochten. Zijn eenige hartstocht bestond in het zoeken naar de waarheid--al het overige maakte slechts een voorbijgaanden indruk op hem. Later heeft hij het meermalen betreurd nooit de eigenlijke passieliefde te hebben gekend, maar zijne sympathie voor elke vrouw, hoe bekoorlijk zij ook mocht zijn, ging altijd spoedig over in eene zachte hartelijke vriendschap [6]. "Het is waarlijk alsof Nietzsche enkel met zijne ziel heeft liefgehad en dat die liefde, vrij van alle sensueele en pathologische elementen, zich heeft opgelost in eene bijna geheel onzelfzuchtige teederheid. En daarom ook moet die denker, die zoo gesloten van karakter was, vooral in de dagen van zijn lijden en zijne ziekte, in de dagen van zijne eenzaamheid, de zachte, stille bekoring gevoeld hebben, die voortvloeien uit de vriendschap der vrouw. Naar onze meening is Nietzsche's gevoelsleven zeer verschillend geweest van dat van Goethe (den dweeper) of van Schopenhauer (den realist) in de liefde, maar tevens was het rijker en vruchtbaarder dan men zou denken. Voor ons wordt hij de idealist in liefde en in vriendschap en dat teere, verfijnde idealisme, dat in eene middelmatige natuur slechts een bewijs van zwakheid zou wezen, verleent aan zijn mannelijk, onafhankelijk karakter daarentegen eene bekoring te meer.

Wat Nietzsche bovenal teekent als aristocraat is wel zijne duidelijke voorliefde voor al wat schoon van lijnen, wat zuiver, wat sierlijk en hoffelijk van vormen is, evenals zijn groote tegenzin in alle gemeenheid, vuilheid en slordigheid. Die aangeboren verfijnde smaken, hem alleen eigen, maakten, dat hij reeds in zijne kinderjaren zich afzonderde van zijne schoolmakkers en dat hij later het Duitsche studentenleven met zijn weinige vormelijkheid, zijne burgerlijke hartelijkheid en al te materialistische bierfuiven verfoeide; die zelfde smaken waren hem als aangeboren, zoo elementair sterk spraken zij uit zijn geheele wezen en zoo duidelijk deden zij zich gevoelen in al zijne werken, terwijl zij tevens de meeste zijner sympathieën en antipathieën verklaarden. Want juist zijn gevoel voor schoone vormen verklaart zijne liefde voor de beschaving der Oudheid, voor de Renaissance en voor den Franschen geest van de XVIIde, de XVIIIde en zijn eigen eeuw; en juist die afschuw van alle plebeïsche burgerlijkheid doet hem zulk een streng oordeel vellen over de apostelen van den christelijken godsdienst, in wie hij eene slavenziel vermoedt, over Luther, wiens lompen boerenaard hij verfoeit, over de Fransche revolutie, over de geheele democratische, feministische, socialistische en anarchistische beweging van dien tijd, over het Duitsche keizerrijk en de actueele Duitsche beschaving. En bovenal ziet hij neer op alle gebrek aan physieke, intellectueele of moreele "distinctie" op gebrek aan tact en goede vormen; op dat punt waren zijne smaken zeer veeleischend en verfijnd. De meesten zijner analysen besluit hij met het constateeren van het al of niet voorname in een of ander gevoelen. Hij veracht alle ijdelheid, omdat hij den aard van den minderen man ziet in hem, die, om zichzelf te kunnen hoogachten, de goedkeuring van anderen noodig heeft. Hij veroordeelt het medelijden, omdat hij van eene edele ziel eischt, dat zij haar leed in zichzelve opsluit en dientengevolge niet tracht het leed van anderen te doorgronden, maar zelfs terugschrikt zoo zij het bij toeval ontdekt; medelijden vragen is volgens hem een gebrek aan waardigheid en medelijden schenken een gebrek aan tact. Zelfs de waarheid, die hij met hart en ziel zoekt, mag, volgens hem, niet onbescheiden of ruw reëel wezen; hij vindt haar geen waarheid meer wanneer men haar den sluier afrukt en het komt hem niet welvoegelijk voor alles te willen begrijpen, te willen zien en aanraken. In verband daarmee haalt hij de volgende woorden aan, die een kind tot zijn moeder sprak: "Is het waar, dat onze Lieve Heer overal is? Dat vind ik toch niet behoorlijk." In plaats dus van een cynicus te zijn, waarvoor men hem zoo dikwijls heeft gehouden, begreep hij juist de fijnste en meest kiesche gevoelens van de ziel. Zoo geeft hij b.v. als volgt de psychologische analyse van dat instinctief voelen, dat in elke diepgevoelende ziel de behoefte doet leven zich aan den blik der menigte te onttrekken door een sluier die haar eigenlijk wezen verbergt:

"De trots en de intellectueele walging van een ieder, die veel geleden heeft... de trots van den uitverkorene in de wetenschap, van den ingewijde, die reeds gedeeltelijk ten doode is gedoemd, moet telkens een nieuw masker zoeken om alle aanraking te ontwijken van de onbescheidenheid en het medelijden van hen, die zijn leed niet kunnen begrijpen. Diepgevoelde smart veredelt: zij schept hoogere dingen. Een van hare beste maskers is wel het epicurisme samengaande met een zichtbaren overmoed om alle lijden licht op te nemen en zich zoo min mogelijk gevoelig te toonen voor alle droefheid en diepte van het leven. Er zijn menschen met een helder verstand, die door dat verstand miskenning weten te verwekken, die menschen willen miskend worden. Er zijn "mannen van de wetenschap," die zich door die wetenschap een schijn van opgeruimdheid weten te geven, omdat, volgens hun oordeel een "wetenschappelijke geest" samengaat met een oppervlakkig zieleleven; die menschen verbergen hun zieleleven achter die valsche gevolgtrekking. En ook zij zijn er, die menschen vol geestelijke vrijheid en moed, die aan de geheele wereld trachten te verbergen, dat hun hart zoo hoog trotsch en ach, toch zoo ongeneeslijk gebroken is (zoo b.v. het cynisme van Hamlet, de geschiedenis van Galiani). Zelfs de waanzin is somtijds het middel om het zelfbewust pessimisme te verbergen. De plicht van de verfijnde menschenliefde is dus alle "maskers" te ontzien en niet zonder gegronde redenen het menschelijk leed te onderzoeken en te ontleden [7]."

Zoo ook het volgend aphorisme, dat dezelfde gedachten weergeeft:

"Sterveling, wie zijt gij? Gij volgt uw levensweg zonder te kunnen spotten of te kunnen liefhebben; uw blik is ondoorgrondelijk en droefgeestig, als peilde hij steeds opnieuw den diepen afgrond der ziel: wat zoekt gij daar? Uw boezem kent geen zuchten, uw mond tracht zijne walging te verbergen, uwe hand geeft zich niet. Sterveling, wie zijt gij? Wat hebt gij misdreven? Zoek hier uwe rust: hier is gastvrijheid voor allen! Wie gij ook moogt wezen--wat verlangt gij op dit oogenblik? Wat kan ik u geven om u op te beuren? Zeg het mij: al wat ik bezit, bied ik u aan!"

"Om mij op te beuren? O, nieuwsgierige, weet gij wat gij zegt? Geef het mij dan--in vredesnaam!" "Wat dan? Spreek!"--"Wat? O, nog een masker! een nieuw masker!" [8]

Die fijne ontledingen van een wellicht bijzonderen, maar tevens zoo in-waar gevoelden zielstoestand, geven zeker niet het werk van een cynicus weer, maar daarentegen wel den zieletrots, die ook spreekt uit Zarathustra's antwoord tot de menigte: "Gij vraagt mij, waarom? Maar ik behoor niet tot hen, die het waarom van hunne ziel kunnen verklaren." [9] Daaruit blijkt wel de trots van den wijzen, zelfstandigen mensch, die alleen van zijn eigen wil afhangt, die de smart heeft overwonnen, van den mensch, die zich boven het noodlot heeft verheven; en juist die mannelijke trots van den zelfbewusten mensch is wel de hoofdtrek in Nietzsche's karakter; hij geeft dien weer in zijne schoone inleiding tot Zarathustra:

Toen de zon zijn hoogste punt had bereikt, zag hij vragend omhoog--want hij hoorde den krijschenden kreet van een vogel. Toen zag hij een arend, die in groote bogen het luchtruim doorkliefde en eene slang met zich voerde--niet als prooi, maar als vriend, want om den nek van den arend had de slang zich zacht gekronkeld.

"Dèze zijn mijne dieren," sprak Zarathustra vol innige vreugde.

"Het meest trotsche en het wijste dier, die ooit geschapen zijn, moeten de wereld verlichten!

Zij wilden zien of Zarathustra nog leefde, en waarlijk, leef ik nog wel?

Ik heb onder de menschen veel meer gevaren ontdekt dan onder de dieren; en de gangen van Zarathustra zijn vol gevaren. O, mochten mijne dieren mij den juisten weg wijzen!"

Toen hij dat gezegd had, zuchtte Zarathustra en fluisterend sprak hij tot zichzelf:

"O, dat ik wijzer ware, zoo wijs als mijn slang.

Maar dat kan niet: ik vraag het onmogelijke: laat ik dan maar trachten mijnen trots steeds samen te doen gaan met mijn verstand.

En mocht ooit mijn verstand mij verlaten--want, ach, hoe licht ontvlucht het ons!--moge dan mijn trots nog één worden met mijnen waanzin!" [10]

III.

De eenige groote passie in Nietzsche's leven is het zoeken naar de waarheid geweest. Laten wij dus trachten na te gaan hoe hij tot dien drang is gekomen en op welke wijze hij daaraan uiting heeft gegeven.

Nietzsche behoorde tot eene van die vrome en ontwikkelde families, waarin een hoog godsdienstig gevoel samengaat met de behoefte aan wetenschap. Zijn vader en zijn grootvader waren beide dominé geworden na eene grondige academische studie en ook zijne moeder en grootmoeder sproten voort uit een predikantsgezin. Het lag daarom in den aard der zaak, dat de jeugdige Nietzsche bestemd werd voor de loopbaan zijner vaderen. Zijne speelmakkers hebben hem niet anders gekend dan ernstig, bescheiden en zacht, gesloten van karakter en hoogst godsdienstig, niet alleen in woorden, maar ook in daden; op zesjarigen leeftijd werd hij door zijne klassegenooten reeds de kleine dominé genoemd. Tot den dag zijner bevestiging--hij was toen zeventien jaar oud--kende hij geen twijfel in zijn geloof en toen hij drie jaren later, bij het verlaten van het gymnasium van Pforta, waar hij zijn graad behaalde, volgens een oud gebruik aan die instelling eigen, schriftelijk den leeraren, die hem tot het leven hadden ingeleid, dank zei, waren zijne eerste woorden gericht tot God: "Hem, wien ik bijna alles verschuldigd ben, zeg ik bovenal dank; door welke daad kan ik Hem mijne innige dankbaarheid meer betoonen dan door Hem met hart en ziel te aanbidden in het levendig besef van zijne groote liefde--van eene liefde, die mij het schoonste uur mijns levens heeft geschonken? Moge God mijn trouwe steun zijn en mij steeds behoeden!" [11]

Toch was sedert enkele jaren reeds in Nietzsche's ziel eene omwenteling gaande, die Mevrouw Förster-Nietzsche ons duidelijk maakt in hare documenten. De protestant, die flauw overhelt tot een liberaler geloof, zal nooit de wetenschap doen afhangen van den godsdienst, maar hij is daarentegen wel overtuigd, dat het godsdienstig geloof en de vrije wetenschap samengaan; bij alle studie, hetzij zij de natuur, de geschiedenis of de wijsbegeerte betreft, mag en moet hij dus de "waarheid" zoeken, zonder eenig voorbehoud, zonder vooruit den wil in zich te hebben in de wetenschap de verdediging van den godsdienst te vinden. Het vrije zoeken naar de waarheid in de overtuiging dat juist dat vrije onderzoek onwillekeurig dwingt tot godsdienst, is een van de kenteekenen van het Protestantisme en vooral van het modern Duitsch Protestantsch geloof. De liefde voor God en de overtuiging dat die liefde de leiddraad moet zijn van ons geheel bestaan, vereenigen zich in zijne oogen--in theorie althans--met de liefde voor de waarheid en de overtuiging dat juist die liefde voor wat waar is ons geheele leven moet beheerschen. Tot die gedachten kwam Nietzsche in zijne studiejaren. Van af dat oogenblik gevoelde hij "een sterk verlangen in zich om alles te weten, alles te begrijpen," toen kwam hij er toe een uitvoerigen catalogus te maken van alle verschillende wetenschappen, waaraan hij zich zou willen wijden, maar toch besloot hij met de woorden: "Bovenaan staat de godsdienst, die vaste basis van alle wetenschap." [12] Toch verloor hij gaandeweg en zonder hevige schokken dat vaste geloof aan het éénzijn van godsdienst en wetenschap. In 1862, het jaar na zijne bevestiging, schreef hij een merkwaardig philosophische studie over "het Noodlot en de Geschiedenis", eene studie, die ons verraadt hoe hij reeds dien "onmetelijken oceaan van denken" in zich gevoelde, hoe hij ze reeds vermoedde, die zeeën van twijfel, maar hoe hij tevens begreep dat het dwaasheid was voor een nog zoo weinig zelfbewusten geest, zich op eene dergelijke reis te wagen zonder kompas of loods. En van af toen werd het hem duidelijk, "dat het geheele Christelijk geloof op hypothesen berust; dat het bestaan van God, de onsterfelijkheid, het gezag van den Bijbel, alle ingeving, enz. te allen tijde raadselen zullen blijven. Ik heb getracht alles te ontkennen, maar ach, het is zoo gemakkelijk alles af te breken; maar daarna moet men weer opbouwen! En zelfs het afbreken is moeilijker dan men denken zou; onze overtuigingen zijn zoo geheel voortgesproten uit de indrukken van onze kinderjaren, uit den invloed van onze ouders en onze leermeesters dat die ingewortelde vooroordeelen niet licht worden uitgeroeid door logische argumenten of een eenvoudig willen. De macht der gewoonte, de behoefte aan een ideaal, het breken met de begrippen van de bestaande wereld, het te loor gaan van alle maatschappelijke vormen, de twijfel, die ons bang doet vragen of de menschheid gedurende tweeduizend jaren het slachtoffer is geweest van eene hersenschim, het besef van eigen vermetelheid en gewaagde gissingen, al die verschillende gewaarwordingen strijden onophoudelijk in ons tot de ure aanbreekt, waarin ons arm hart door bittere ervaring of droeve ondervinding gedwongen wordt opnieuw in het oude, kinderlijk geloof zijne toevlucht te zoeken." [13] Hij blijft een Christen, maar zijn Christendom wordt zuiver symboliek. Zoo schreef hij: "Het Christendom is bovenal eene zaak van het gemoed; eerst, wanneer het Christendom om zoo te zeggen één is geworden met ons geheele wezen en tot ons gemoedsleven behoort, zijn wij ware Christenen. De voornaamste leerstellingen van het Christendom houden niets anders in dan de waarheid van het menschelijk hart; zij zijn slechts symbolen, en zoo moet eene hoogere waarheid weer tot zinnebeeld dienen van eene waarheid, die nog hooger staat. Gelukzalig worden door het geloof beteekent niets anders dan wat neergelegd is in de overoude waarheid, dat alleen het hart en niet de kennis ons het ware geluk kan schenken. Het geloof, dat God als mensch tot ons is gekomen, leert ons, dat de mensch zijn geluk niet zoeken moet in de oneindigheid, maar op de aarde zijn koninkrijk Gods moet weten te stichten... Te midden van bitteren twijfel en inwendigen strijd bereikt de menschheid haar rijpen leeftijd: zij ontdekt in eigen boezem "de geboorte, de kracht en het einde van den godsdienst" [14] Eer nog drie jaren waren verloopen had Nietzsche den beslissenden stap gedaan. Het was hem duidelijk geworden, dat de mensch de keus heeft tusschen twee overtuigingen: hij moet òf het godsdienstig geloof kiezen en zonder onderscheid alle ideeën aannemen, die zijne voorvaderen hem nalieten: alleen dus in het subjectief wezen van het geloof zijn geluk en zijnen zielevrede zoeken (wat trouwens geen enkel bewijs is van de objectieve waarheid van dat geloof); of hij moet den moeilijken, eenzamen weg van den onderzoeker inslaan en niet alleen geluk en vrede willen vinden, doch bovenal de waarheid, hoe pijnlijk en verschrikkelijk die ook wezen moge; zoo gaat hij voort, menigmaal met onvasten tred en de ziel vervuld van angst, met een ongerust geweten en een bloedend hart naar "het eeuwig doel, het Ware, het Schoone, het Goede." [15] Zoodra Nietzsche vóór het groote kruispunt stond was hem slechts ééne keuze mogelijk, want hij zou aan zijne sterkste neigingen ontrouw zijn geworden en tegen zichzelve in hebben gehandeld, zoo hij niet het geleidelijk pad van het geloof vaarwel had gezegd om met "heldenmoed" den moeilijken weg van het vrije onderzoek in te slaan. Toen Nietzsche zich van het Christendom afscheidde, kende hij ten volle het gewicht van de daad, die hij volbracht. In al zijne werken noemt hij den "Dood van God" de voornaamste gebeurtenis in de geschiedenis der menschheid, de grootste omwenteling in 's menschen bestaan, eene omwenteling, die eerst nu begint zich te laten gevoelen en nog eeuwen noodig zal hebben om haar doel te bereiken. In "Die Fröhliche Wissenschaft" gaf hij op treffende wijze deze gedachte weer in de woorden van een waanzinnige, die bij helder daglicht, met eene aangestoken lantaarn God loopt te zoeken: