Part 16
Weinig denkers hebben zoo sterk als hij den mensch weten te dwingen zichzelf te zien zooals hij is en geheel oprecht jegens zichzelf te zijn; weinig moralisten hebben zoo wreed al die kleine leugens ontmaskerd, die de ziel noodig heeft om hare zwakheid, hare lafhartigheid, haar onmacht en middelmatigheid te verbergen, weinig psychologen hebben de armzalige, kleingeestige of gemeene werkelijkheid, die zoo dikwijls onder de schoone woorden "medelijden," "naastenliefde," "belangeloosheid," schuilgaat, scherper aan het licht gebracht. Nietzsche blijkt een onmeedoogend zieledokter te zijn: de leefregel die hij voorschrijft, is streng en gevaarlijk te volgen, maar versterkend: hij schenkt geen troost aan hen, die hem hun leed komen klagen, hij laat hunne wonden bloeden, maar hardt hen tegen smart; hij geneest zijne zieken òf volkomen--òf hij doodt hen. De menigte gevoelt eenige vrees voor hem en ziet hem wantrouwend en angstig aan; zij vraagt zich af of hij niet een slecht mensch is en mompelt zelfs den naam van "beul"; zij gaat hem uit den weg en zoekt liever genezing bij den geneesheer, die haar met zachte hand behandelt en haar vertroostend toespreekt, die haar een minder gevaarlijken leefregel oplegt en minder forsch in zijne behandeling is, en misschien heeft zij geen ongelijk, maar aan den anderen kant bezit hij ook eene groep getrouwen, die juist op zijne ruwheid, zijne onhandelbare oprechtheid, zijn geheele karakter gesteld zijn en de zekerheid zijner wetenschap en de uitnemendheid zijner methode hoog roemen.
Ook zij, geloof ik, dwalen niet in hunne bewondering en liefde, want zij begrijpen terecht, dat hij niet uit gevoelloosheid of omdat hij geen smart kent, zoo hard is voor de lijdende menschheid, en weten, dat het leven integendeel voor hem buitengewoon hard is geweest; daarom vinden zij, dat zijn tragisch lot hem wellicht het recht heeft geschonken minder toegevend te zijn voor menschelijke ellende en zwakheid en zij nemen vol eerbied den hoed af voor den moedigen, trotschen denker, die ondanks de martelingen van eene ongeneeslijke kwaal er nooit toe gekomen is het leven te vervloeken en die, met dood of waanzin steeds voor oogen, tot het einde toe zonder eenige zwakheid zijnen lofzang op het eeuwig jong en vruchtbaar leven heeft volgehouden en staande is gebleven trots de smart, die zijn verstand heeft kunnen vernietigen, maar zijn bewusten wil niet heeft doen buigen.
AANHANGSEL.
Zeer merkwaardig is het, dat de zoo karakteristieke en oogenschijnlijk geheel oorspronkelijke leer van het Eeuwig Wederkeeren, die hypothese, die voor Nietzsche als de kroon op zijn werk en als eene soort mysterie was, wier openbaring de geheele menschheid beroeren moest, tezelfder tijd door twee Fransche denkers is uitgedacht en uitgewerkt, n.l. door Blanqui in 1871 en door Dr. Gustave Le Bon in 1881, hetzelfde jaar, waarin zij te Sils Maria plotseling aan Nietzsche's denkershorizon verrees. En het merkwaardigst van alles is, dat die omstandigheid geheel toevallig was, want Le Bon had geen flauw vermoeden van het bestaan van Blanqui's theorie toen hij L'Homme et les Sociétés schreef en van Nietzsche kan met zekerheid gezegd worden, dat hij zijne voorgangers niet gekend heeft; mevrouw Förster-Nietzsche heeft haren broeder nooit over een van beiden hooren spreken en hunne werken komen in zijne bibliotheek niet voor; daarbij is 1881 een der jaren, waarin Nietzsche's ziekte het ergst is geweest en zijne hoofdpijnen en zijne zwakke oogen hem bijna alle nieuwe lectuur onmogelijk maakten. Wij moeten dus wel aannemen, dat de drie denkers, onafhankelijk van elkander, tot de hypothese van het Eeuwig Wederkeeren zijn gekomen.
Blanqui's theorie vinden wij in l'Eternité par les Astres, een soort prozagedicht, dat de groote drijver in 1871 gedurende zijne gevangenschap in het fort Le Taureau gemaakt heeft, en dat begin 1872 gedeeltelijk in de Revue Scientifique en in zijn geheel als boek verscheen.
Men vindt er een overzicht van in Geffroy's l'Enfermé (Parijs 1897) pag. 389-481, terwijl de overeenkomst tusschen Blanqui's cosmogonische ideeën en Nietzsche's theorie niet lang geleden door Retté in een artikel van La Plume is aangetoond. Evenals Nietzsche neemt Blanqui aan, dat aan den eenen kant ruimte en tijd onbepaald zijn en dat aan den anderen kant de combinaties, die de natuur door middel van al hare elementen voortbrengen kan, een beperkt getal niet overschrijden; voor al hare werken bezit zij een honderdtal gewone lichamen en een wereldgietvorm, het stello-planetenstelsel. Het getal mogelijke combinaties van die gewone lichamen is reusachtig groot, maar toch eindig en met behulp van al die combinaties moet de dubbele oneindigheid van ruimte en tijd gevuld worden; naast de origineele, de type combinaties moeten dus herhalingen zonder tal voorkomen om de oneindigheid te vullen; bijgevolg ontwikkelen zich op alle mogelijke wijzen ontelbaar vele exemplaren van deze aarde en alle denkbare verscheidenheden van onze planeet bestaan ergens en herhalen zich onbepaald.
Zoo gaat ook het bestaan van elk individu tot een onbepaald getal exemplaren: "Hij heeft volledige dubbelgangers en variaties van dubbelgangers, die zijne persoon voortdurend vermenigvuldigen en vertegenwoordigen, maar slechts brokken van zijn lot afscheuren. Al wat men hier op aarde had kunnen zijn, is men ergens anders en buiten het geheele leven, van de geboorte tot den dood, dat men op tal van aarden doormaakt, doorleeft men er op andere tienduizend verschillende vormen van...."
"Wat ik op dit oogenblik in een kerker van het fort de Stier schrijf, heb ik geschreven en zal ik in alle eeuwigheid schrijven op eene tafel, met eene pen en gekleed, onder geheel dezelfde omstandigheden.... Tevergeefs zou men den stroom der eeuwen op kunnen gaan om een enkel oogenblik te vinden, waarin men niet geleefd heeft, want het heelal is niet begonnen en bijgevolg de mensch evenmin.... Op dit huidige oogenblik herhaalt zich dag aan dag het geheele leven van onze planeet van zijne geboorte af tot zijn dood toe, in al zijne bijzonderheden met al zijne misdaden en ellenden, op tallooze sterren. Wat wij vooruitgang noemen ligt in elke planeet opgesloten en verdwijnt met haar. Altijd en overal in het aardsche kamp hetzelfde drama, dezelfde tooneelversiering op hetzelfde nauwe tooneel; eene woelende menschheid, van eigen grootheid doordrongen, zich wanende het heelal te zijn en in een kerker levende als in eene oneindigheid, dan zinkende met den aardbol, die met de diepste verachting den last van haren hoogmoed gedragen heeft. En dezelfde eentonigheid, dezelfde onbewegelijkheid in de vreemde sterren. Het heelal herhaalt zich eindeloos en trappelt fier op de plaats, en de eeuwigheid speelt onveranderlijk in het oneindige dezelfde voorstellingen af." Zooals men ziet bestaat er eene bijna volledige overeenkomst tusschen de hypothesen, die Blanqui van de "Spectrale analyse en de cosmogonie van Laplace" meende te kunnen afleiden en "de theorie van het Eeuwig Wederkeeren," die Nietzsche door moreele beschouwingen vond en die hij door wetenschappelijke onderzoekingen wilde staven. Nietzsche komt meer op de onbepaalde opeenvolging der zelfde phenomenen in de oneindigheid van tijd, terwijl Blanqui meer het tegelijkbestaan van dezelfde phenomenen in de oneindige ruimte op het oog heeft, maar in den grond vindt het idee van den gevangene van de Stier zich bijna volkomen terug in dat van den eenzame te Sils-Maria.
Niet minder treft ons de overeenkomst tusschen de redeneering van Nietzsche en die van Dr. Le Bon.
Laatstgenoemde zegt in L'Homme et les Sociétés (Paris 1881) t. II pag. 420: "Maar de tijd is eeuwig en de rust kan niet eeuwig zijn. Die stilzwijgende, doode bol zal niet altijd als eene koude massa door de ruimte voortrollen. Wij kunnen ons slechts in gissingen verdiepen omtrent zijne verre toekomst, maar geen enkele dier gissingen geeft ons het recht te zeggen, dat hij eeuwig traag zal blijven.
Hetzij hij door de aantrekkingswet, die ons zonnestelsel naar onbekende streken in de ruimte voert, zich met andere stelsels vereenigt; hetzij de schok van een ander hemellichaam zijne temperatuur zoozeer verhoogt, dat hij in damp opgaat, hij is zonder eenigen twijfel bestemd om eene nieuwe nevelster te vormen, waaruit door eene zelfde serie evolutieën als de door ons beschrevene, eene nieuwe wereld zal voortspruiten, die ook weer bestemd is éénmaal bewoond te worden, totdat ook zij op hare beurt vergaat, en dat zoo voort zonder dat wij een einde kunnen voorzien aan die eeuwige serie van geboorte en vernietiging. Want, hoe zou zij kunnen eindigen zoo zij nooit begonnen is? "Zoo het evenwel dezelfde elementen van elke wereld zijn, die na haar vergaan tot de vorming van andere werelden dient, spreekt het vanzelf, dat dezelfde combinaties, d.w.z. dezelfde werelden, door dezelfde wezens bewoond, zich vele malen herhaald hebben, want, daar een gegeven aantal atomen slechts een beperkte hoeveelheid combinaties kan vormen en de tijd onbeperkt is, zijn natuurlijk alle mogelijke ontwikkelingsvormen reeds lang tot stand gekomen en kunnen wij slechts vroegere combinaties herhalen. Vele malen moeten reeds beschavingen en werken als de onze ons heelal zijn voorafgegaan en zooals Sisyphus steeds hetzelfde rotsblok voortrolt, herhalen wij voortdurend dezelfde taak, zonder dat iets ooit een einde aan dat noodlottige altijd kan maken. Welke onbekende oorden der hemelen zou het hoogste nirwana, de laatste rust, die zich de oude Indische godsdiensten voorstellen, kunnen herbergen? Schimmen van vergane tijden, die voor eeuwig in de mist der eeuwen schijnt verzonken te zijn en die de tooverstaf der wetenschap willekeurig aanroept, hoopt niet op rust, gij zijt onsterfelijk."
Zonder verdere commentaren leg ik den lezers van Nietzsche die overeenkomsten voor. Het spreekt van zelf, dat men er zeer verschillende gevolgtrekkingen uit maken kan: sommigen zullen er een nieuw bewijs voor Nietzsche's "gebrek aan oorspronkelijkheid" in zien, maar anderen zullen het integendeel verdienstelijk van hem vinden, dat hij aan eene astronomische beschouwing en zuiver wetenschappelijke hypothese de diep tragische poëzie en verheven moreele beteekenis gegeven heeft, die zij miste of althans niet in die hooge mate bezat bij de Fransche denkers, die haar het eerst uitvonden. Ik voor mij vind die toevallige overeenkomst daarom vooral van belang, omdat zij ons aantoont, dat een der oogenschijnlijk meest paradoxale ideeën van Nietzsche niet eigenlijk de zuiver persoonlijke schepping is van eene abnormale en ziekelijke verbeelding, maar dat het in zekeren zin tusschen 1871 en 1881 in de lucht gezweefd heeft, getuige, dat drie zoo verschillende denkers als Nietzsche, Blanqui en Le Bon het langs verschillende wegen gevonden hebben en, dat Nietzsche dus, zelfs in zijne mystieke theorie van het Eeuwig Wederkeeren de vertegenwoordiger is van eene bestaande strekking der moderne ziel. [127]
INHOUD.
Bladz.
Voorwoord V I. Nietzsche's karakter 1 II. Nietzsche's intellectueele emancipatie (1869-1879) 27 III. Nietzsche als philosoof (1878-1888) 71 IV. Nietzsche's systeem. Negatief gedeelte: De Mensch 88 V. Nietzsche's systeem (vervolg). Positief gedeelte: De "Uebermensch" 129 VI. Besluit 147 Aanhangsel 162
AANTEEKENINGEN
[1] Deel V, 269. Wij zullen Nietzsche aanhalen uit de eerste uitgave zijner Werken, die uit 12 deelen bestaat (Leipzig, 1895-97).
[2] D. VI, 114 s.
[3] D. VI, 47.
[4] Aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche in een artikel der Zukunft, 2 Oct. 1897, pag. 12.
[5] Uitgegeven in Cosmopolis, Mei 1897, pag. 470.
[6] Mevr. Förster-Nietzsche, Das Leben Fr. Nietzsche's, I. 180.
[7] D. VII, 258.
[8] D. VII, 262.
[9] D. VI, 186.
[10] D. VI, 290.
[11] Mevr. Förster-Nietzsche. Das Leben Fr. Nietzsche's, I, 194.
[12] Intiem dagboek 25 Oct. 1859. Mevr. Förster-Nietzsche. Das Leben Fr. Nietzsche's, I, 125.
[13] Mevr. Förster-Nietzsche. Als boven, I, 314.
[14] Id. Ibid, I, 321.
[15] Brief van Juni 1865; Mevr. Förster-Nietzsche Aangeh. W. I. 216.
[16] D. V, 163.
[17] Mevr. Lou Andreas-Salomé. F. Nietzsche in seinen Werken, s. 48.
[18] D. V, 302.
[19] D. VI, 115.
[20] D. V, 245.
[21] D. V, 276.
[22] D. IV, 167.
[23] D. V, 201.
[24] "Die Geburt der Tragödie" werd zeer heftig aangevallen door Wilamowitz-Möllendorf ("Zukunfts-philologie! eine Erwidrung auf F. Nietzsche's Geburt der Tragödie" Berlijn 1872); zij werd door R. Wagner verdedigd in een open brief aan Nietzsche die 23 Juni 1872 verscheen in de Norddeutsche Allgem. Zeitung (gereproduceerd in Ges. Schriften van Wagner, t. IX, 350) en door een der intieme vrienden van Nietzsche, Erwin Rohde (Afterphilologie-Sendschreiben eines Philologen an R. Wagner, 1872). Daarop antwoordde Wilamowitz zijne tegenstanders (Zukunft-Philologie! 2tes Stück. Eine Erwidrung auf die Rettungsversuche für F. Nietzsche's "Geburt der Tragödie" Berlijn, 1873).
[25] Dagboek van 1865, en een brief van 1868 aan Erwin Rohde. Mevr. Förster-Nietzsche. Aangeh. W. D. I, 190, 211, 270.
[26] W. V, 319.
[27] D. IV, 10.
[28] D. IX, 23.
[29] Die voorbereidende en aanvullende werken zijn in deel IX van de volledige werken, blz. 25 e. v., verschenen. De vergelijking tusschen die studieën en den definitieven tekst toont duidelijk aan, dat "Die Geburt der Tragödie" eigenlijk slechts een fragment is van een uitvoeriger werk dat Nietzsche voor oogen had en dat hij om verschillende redenen vereenvoudigd heeft.
[30] Een opgave van de cursussen en lezingen, die door Nietzsche te Bazel gehouden zijn, vindt men in het werk van Mevr. F.-N. I, 324.
[31] D. I, 73.
[32] D. I, 76.
[33] D. VIII, 173.
[34] Nietzsche werd gaandeweg steeds vijandiger tegen Socrates; later zelfs zag hij in hem het type van den plebejer en den decadent, de volmaakte tegenstelling van den aristocratischen en van levenskracht overvloeienden Griek van het tragische tijdperk. Het nihilisme spreekt uit het oogenblik van zijn sterven als hij tot Creton zegt: "Ik ben Esculapus een haan schuldig," want daarmee bekende hij het leven te beschouwen als eene ziekte en dus in den grond een pessimist te zijn ondanks zijn schijnbaar optimisme. Zie D. V, 264 en VIII, 63.
[35] D. X, 285.
[36] D. IX, 6.
[37] D. X, 376.
[38] D. I, 427.
[39] D. IX, 47.
[40] D. I, 442.
[41] D. I, 443.
[42] D. IX, 375.
[43] D. IX, 98.
[44] D. IX, 99.
[45] D. I, 390.
[46] Buiten de vier "Unzeitgemäszen", die hij van 1873 tot 1876 uitgaf, ontwierp Nietzsche er nog tal van andere, die gedeeltelijk niet af zijn gewerkt en gedeeltelijk zijn overgegaan in "Menschliches Allzumenschliches". In Deel X van zijne "Werken" vindt men schetsen voor de "Unzeitgemäszen", getiteld: "Die Stadt", "Der Weg zur Freiheit", "Der Staat", "Lesen und Schreiben" en eene zeer ver gedreven studie over "Wir Philologen" waarin reeds de kiem verschijnt van ideeën die later in Zarathustra tot ontwikkeling kwamen.
[47] D. I, 337.
[48] D. I, 364.
[49] Mevr. Förster-Nietzsche. I, 231.
[50] D. I, 398.
[51] D. I, 128.
[52] D. IX, 365.
[53] D. I, 398.
[54] D. I, 429.
[55] Brandes. Menschen und Werke. Frankfort, 1895, p. 139.
[56] Mevr. Förster-Nietzsche.
[57] D. III, 4.
[58] Fragment einer Kritik der Schopenhauerischen Philosophie, aangeh. door Mevr. Förster-Nietzsche, I, 343.
[59] Ueber Wahrheit und Lüge im aussermoralischen Sinne.--Der Philosoph.--Die Philosophie im Bedrängniss. W. X, 161; zie ook pag. 204, enz.
[60] Brief van 11 Oct. 1866, aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche, I, 250.
[61] D. IX, 137.
[62] D. IX, 155.
[63] D. X, 397-425.
[64] D. X, 286.
[65] Zie het dagboek van 1888 (Ecce homo) aangeh. door Mevr. Förster-Nietzsche, II, 1, pag. 106 en 259.
[66] D. VIII, 2.
[67] D. V, 212.
[68] Dagboek van 1888 (Ecce homo) en brief van 14 Januari 1880, aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche, II, 1, p. 327 en 336.
[69] M. Nordau.
[70] Brandes, Menschen u. Werke, p. 140.
[71] Dagboek van 1888 (Mevr. Förster-Nietzsche, II, 1, pag. 328); brief van 10 April 1888 (Brandes, Menschen u. Werke, pag. 140).
[72] Brandes heeft de brieven, die hij van Nietzsche ontvangen had, uitgegeven in Menschen u. Werke, p. 213 enz. De brief van 4 Jan. 1889 is met groote letters geschreven op papier, dat als voor een kind met potlood gelinieerd is, en bevat het volgende: Dem Freunde Georg.--Nachdem du mich entdeckt hast, war es kein Kunststück mich zu finden: die Schwierigkeit ist jetzt die, mich zu verlieren.... Der Gekreuzigte.--Eenigszins valt hieruit nog te begrijpen wat Nietzsche bedoeld heeft met die vreemde woorden, waarin hij zich verbeeldt één te zijn met Jezus Christus.
[73] D. III, 188.
[74] D. II, 52.
[75] D. II, 267.
[76] D. V, 4.
[77] D. III, 9.
[78] D. VI, 157.
[79] Brandes. Menschen und Werke, p. 223.
[80] D. VIII, 68, 88.
[81] D. VII, 239.
[82] D. VII, 322.
[83] D. VII, 313.
[84] D. VII, 329-331.
[85] D. VII, 134.
[86] D. VII, 64.
[87] D. VII, 180.
[88] D. VII, 130; D. VI, 248.
[89] D. VI, 96.
[90] D. VI, 19.
[91] D. VII, 148.
[92] D. VII, 82.
[93] D. VII, 150.
[94] D. VI, 398.
[95] D. VII, 16.
[96] D. VIII, 235.
[97] D. VII, 82.
[98] D. VII, 12.
[99] D. V, 275.
[100] D. VII, 79.
[101] D. VIII, 155.
[102] D. VI, 13.
[103] D. VI, 421.
[104] D. V, 231.
[105] D. VI, 67.
[106] D. VI, 312.
[107] D. VI, 351.
[108] D. VI, 384.
[109] D. VI, 382; D. V, 260.
[110] D. VI, 167.
[111] D. V, 204.
[112] D. VI, 65.
[113] D. VI, 64.
[114] D. V, 245.
[115] D. VI, 35.
[116] D. VI, 428, 430.
[117] D. VII, 80.
[118] D. V, 265.
[119] Mevr. Lou Andreas-Salomé, F. Nietzsche in seinen Werken, p. 224.
[120] D. VI, 461.
[121] D. VI, 332, 471.
[122] Brandes. Menschen u. Werke, 199.
[123] D. VI, 91.
[124] Waar wij Nietzsche voorstellen als den vijand van de altruïstische moraal, wil dat niet zeggen, dat wij in hem een verstokt "egoïst" zien zonder medelijden of liefde want zijn egoïsme spruit juist voort uit overmaat van gevoeligheid en is in den grond niet anders dan een verheven en verfijnd altruïsme, dat door "auto-suppressie" in individualisme veranderd is. Nietzsche staat dus naast den grooten medelijdende en lijnrecht tegenover den "arrivist," en zooals hij atheïst is door den godsdienst en immoreel door zijn diep moreel geweten, is hij egoïst door altruïsme.
[125] A. Tille, de schrijver van "Von Darwin bis Nietzsche" (Leipzig 1895), ziet in Nietzsche den eersten moralist, die uit de evolutionistische theorie en uit de leer van de natuurlijke uitkiezing practische gevolgtrekkingen heeft gemaakt voor den gedragslijn van het leven. Darwin beschouwde de leer, die naar hem genoemd werd, vereenigbaar met "de humanitaire en democratische christelijke ethica" en Tille nu toont aan hoe die opvatting door eene serie Engelsche en Duitsche denkers afgebroken werd en hoe eindelijk het "ja" van Darwin een beslist "neen" werd bij Nietzsche. Aan Nietzsche komt volgens Tille de eer toe de algemeene grondslagen voor de moderne wetenschappelijke moraal te hebben gelegd en het is verder aan de specialisten om de practische toepassing van zijn grondstellingen op alle takken der moreele wetenschap te bestudeeren.
[126] R. Steiner is de schrijver van "Wahrheit und Wissenschaft" en van "Die Philosophie der Freiheit" (Weimar 1894) en in laatstgenoemd werk vult hij Nietzsche's theorie op een belangrijk punt aan. Nietzsche n.l. die den mensch vrij naar zijne instincten wil doen handelen, zet alle menschelijke instincten op eene lijn, zoowel die, welke zijn materieele leven als die, welke zijn geestelijk leven leiden; daardoor kan men hem tegenwerpen dat zijn "Uebermensch" niet vrij is, maar daarentegen de slaaf van zijne instincten, want het kan voorkomen dat zijn lagere instincten de hoogere de baas zijn. Steiner nu voorkomt die tegenwerping door te leeren dat de mensch, wil hij waarlijk vrij zijn, niet alleen geheel gezonde natuurlijke instincten moet hebben, maar tevens, wat hij noemt een "moreele verbeeldingskracht," die hem in staat stelt voor zichzelf redenen tot handelen te scheppen.
[127] Het spreekt van zelf dat de theorie van het "Eeuwig Wederkeeren" lang vóór de 19de eeuw bestaan heeft en om haren oorsprong te vinden zou men terug moeten gaan tot de wijsbegeerte van de oude Grieken. Bij de aangehaalde voorbeelden wil ik nog een merkwaardige getuigenis uit de 19de eeuw meedeelen, een schets van de geheele theorie voorkomende in hoofdstuk XX van Heine's "Reis van München naar Genua." Weet dan, dat de tijd oneindig is, maar dat de dingen in den tijd eindig zijn; zij kunnen zich oplossen in oneindig kleine deelen, maar die deeltjes, die atomen zijn eindig in getal evenals de vormen, die God met die deeltjes scheppen kan, zoodat volgens de eeuwige combinatiewetten van dat eeuwig weer beginnen, alle vormen, die reeds op aarde zijn voorgekomen, op nieuw zullen verschijnen en elkander weer zullen ontmoeten, aantrekken, afstooten, omhelzen en weer verliezen, telkens weer als vroeger...." Hierin mag men echter niet de bron zoeken voor Nietzsche's theorie want in de oude uitgaven van Heine komt die passage niet voor en Nietzsche heeft haar dus niet gekend. Men heeft hier weer te doen met een "ontmoeting" evenals tusschen Nietzsche, Blanqui en Le Bon.
End of Project Gutenberg's Nietzsche's Philosophie, by Henri Lichtenberger