Nietzsche's Philosophie

Part 14

Chapter 143,642 wordsPublic domain

"Ik herken u," zegt hij met ijzeren stem: "Gij zijt de moordenaar Gods! Laat mij mijn weg vervolgen. Gij hebt hem niet kunnen dulden, die u voortdurend en in al uw leelijkheid zag, gij afschuwelijkste aller menschen! En gij hebt u op dien getuige gewroken." [108]

Zoo is Zarathustra overwinnaar gebleven in de beproeving, die Gods dood was. De God der liefde is dood, verstikt door het medelijden, dat hij gevoelde bij het zien van al de onreinheid, van de diepst verborgen bezoedeling der menschheid; zijn medelijden kende geen kieschheid: hij heeft de duisterste, de onreinste hoeken der menschelijke ziel doorzocht en daarom is hij gestorven, want de mensch kon zulk een getuige van zijne laagheid niet dulden. Zarathustra daarentegen is vervuld van diepe schaamte; hij heeft den blik neergeslagen voor het afschuwelijk gezicht van menschelijke ellende en zijns weegs willen gaan, omdat hij besefte, dat het edeler en waarlijk grootscher is zijnen weg te vervolgen dan zijn leven te verspillen en zichzelf te verliezen door hulp te verleenen bij een ongeluk, dat door niemand meer goed te maken is. En zoodoende heeft hij niet alleen den dood afgewend, maar hij heeft ook de liefde van den afzichtelijksten mensch gewonnen, want door zijn stilzwijgen en zijne onthouding heeft hij de diepe ellende, de groote leelijkheid, die hem voor oogen kwam, "eerbiedigd"; hij heeft hem zijn medelijden bespaard. De monsterachtigste mensch, die God en de barmhartigen haatte, buigt vrijwillig het hoofd voor de "hardheid" van Zarathustra en neemt zijne gastvrijheid aan. [109]

De wijze moet, volgens Nietzsche, dus hard zijn voor zichzelf en voor anderen. Hij doet, wat hemzelf betreft, afstand van alle welvaart, rust en vrede, want hij weet, dat de menschheid zich niet tot een bepaald doel ontwikkelt, maar dat alles in eene voortdurende wording verkeert en dat het leven iets is, "dat zichzelf steeds opnieuw moet overtreffen" [110]; en daarom weet hij ook, dat het individu zich nooit vleien kan de haven bereikt te hebben, maar dat alle vrede voor hem "het middel tot een nieuwen strijd" is en zijn leven een onafgebroken reeks van gevaarlijke avonturen moet zijn. Hij zoekt dus geen geluk, maar alleen de opwinding van het spel en zoo hij een mooien worp doet, vraagt hij zich dadelijk af: "Speel ik niet met valsche dobbelsteenen?" Ook weet hij, dat vreugde en smart steeds samengaan; wel kan de mensch zonder groote vreugde of diepe smart door het leven gaan, maar daarmee brengt hij zijne levenskracht tot het minimum, want hij, die groote vreugde wil kennen, moet ook noodzakelijk diepe smart ondervinden en elke slingering naar eene zijde wordt onmiddellijk vereffend door eene tegenovergestelde slingering. De "schepper van waarden", die in het leven gelooft en het leven zoo vol en krachtig mogelijk wil, verlangt dus ook de grootst mogelijke slingeringen om het evenwichtspunt: hij wil zoowel het hoogste toppunt der vreugde als dat der smart, de meest bedwelmende overwinningen en de vreeselijkste nederlagen leeren kennen; hij moet zijne diepste smart en zijne hoogste verwachting tegelijk tegemoet gaan en zoowel naar zege als naar vernietiging verlangen. [111] Zarathustra sterft als hij het toppunt van zijn bestaan bereikt. De Uebermensch is zoowel de hoogste overwinning als het einde van den mensch.

Evenals de wijze hard voor zichzelf moet zijn, moet hij het ook voor anderen zijn, want er zijn ellenden, waarvoor verlichting onmenschelijk is en er zijn mislukten, wier dood men niet moet voorkomen. "Overal," zegt Zarathustra, "weerklinkt de stem van hen, die den dood prediken en de aarde is vol menschen, wien de dood gepredikt moet worden, of zoo men wil het "eeuwige leven", mits zij maar spoedig verdwijnen." [112]

Tot de pessimisten, de ontmoedigden, de melancholieken, de barmhartigen, kortom tot alle soorten van asceten, die overal verkondigen: "Het leven is slechts lijden," moet de wijze zeggen: "Zorgt dan, dat gij aan een leven dat slechts lijden is, spoedig een einde maakt! Dat uwe moraal zij: "Gij moet uzelve dooden! Gij moet spontaan uit het leven treden!" [113] Want de wereld moet geen gasthuis vol zieken en moedeloozen worden, waarin de gezonde mensch uit walging en medelijden sterft.

Om aan de geslachten der toekomst het neerdrukkend schouwspel van ellende en afzichtelijkheid te besparen, moeten wij hen, die rijp voor den dood zijn, dood laten gaan en den moed bezitten om hen, die vallen, niet tegen te houden, maar hun val te bevorderen. De wijze moet dus het lijden van anderen dulden en zelfs moet hij doen lijden zonder aan medelijden toe te geven, evenals de chirurg met vaste en zekere hand zijn insnijmes hanteert zonder zich aan de martelingen van den patiënt te storen. Dat alleen is wat de meeste ware zielegrootheid eischt. "Wie," zegt Nietzsche, "zal ooit iets groots bereiken, zoo hij de kracht en den wil mist om groote smarten te veroorzaken? Smart kunnen dragen zegt niet veel; zwakke vrouwen en zelfs slaven zijn meesters in die kunst; maar niet toegeven aan innerlijke wanhoop en verscheurenden twijfel als men een groote smart veroorzaakt en de kreten dier smart hoort, dat is groot, dat is eene voorwaarde voor alle grootheid." [114]

Eindelijk moet ook de wijze onder alle levensomstandigheden de kalmte van den goeden speler, de vroolijke onschuld van het dartelend kind, de blijde bevalligheid van den danser toonen. In de parabel van de "Drei Metamorphosen des Geistes" leert Zarathustra, dat de menschelijke ziel eerst gelijk de kameel moet zijn, die gedwee de zwaarste lasten draagt: zij doorstaat geduldig de ergste beproevingen en onderwerpt zich vrijwillig aan de ruwste tucht om eene zware last van ondervinding op te doen.

Daarna moet zij worden als de leeuw, die "Ik wil" zegt en al wie zijne vrijheid bedreigt, met zijne klauwen neervelt; zij moet den grooten draak der Wet overwinnen, die op elk zijner gouden schubben in vlammende letters heeft staan: "Gij moet" en zich gewelddadig losmaken van het juk van het ideaal, van waarheid en goed, dat hem vroeger zulk een lieve last was. En wil zij ten slotte vruchten dragen en nieuwe waarden scheppen na de oude vernietigd te hebben, zoo moet zij worden als het spelend kind: "Het is al onschuld en vergetelheid; het is een steeds opnieuw beginnen, een spel, een rad, dat uit zichzelf draait, eene eerste impulsie, een heilig "ja". [115] Zoo moet ook de ziel, die zich tot de hoogste toppen verheffen wil, leeren spelen en zich in alle onschuld vroolijk vermaken; zij moet luchtig en zorgeloos worden, den demon der traagheid in welken vorm ook, overwinnen en afzien van pessimisme en melancholie, van deftige manieren en tragische standen, van stuursche ernst en onverdraagzame stijfheid: "Wee hen, die lachen!" zei de oude Wet en dat is volgens Zarathustra de grootste godslastering. De wijze moet juist het goddelijke lachen leeren: hij moet zijn doel niet met loome schreden en als met weerzin naderen, maar al "dansend" en "vliegend", want als hij lachen kan, zal hij zich over zijne nederlagen troosten en als hij dansen en vliegen kan, zal hij vroolijk en lustig als de onweerswindvlagen over de moeras der melancholie heenstrijken. De mensch moet "buiten zichzelf leeren dansen" en "buiten zichzelf leeren lachen," m.a.w. hij moet zich boven zijn eigen ik verheffen en zichzelf overvleugelen op de wieken van den lach en den dans. Dat is de hoogste raad, dien Zarathustra's wijsheid ons geeft:

"Dien krans van lachen, dien krans van rozen heb ik mijzelf op het hoofd gezet; zelf heb ik mijn vroolijk lachen geheiligd.

"Dien krans van lachen, dien krans van rozen werp ik u, mijne broeders, toe. Ik heb het lachen geheiligd: verheven menschen, leert lachen!" [116]

III.

"Hij, die evenals ik, door eene of andere raadselachtige nieuwsgierigheid gedrongen, getracht heeft de hypothese van het pessimisme tot in zijne uiterste gevolgen uit te denken, heeft zichzelf wellicht meteen de oogen geopend voor het tegenovergesteld ideaal, dat n.l. van den vroolijken, levendigen mensch, die zich gelukkig gevoelt te leven, die niet alleen geleerd heeft zich te onderwerpen en het verleden en het tegenwoordige te dulden, maar opnieuw het verleden en het tegenwoordige, zooals het was en zooals het is, wil doorleven tot in de eeuwigheid toe, die zonder ophouden da capo roept, niet alleen tot zijn eigen leven, maar tot de geheele wereldcomedie, en dat niet alleen tot die comedie, maar in waarheid tot het Wezen, dat die comedie verlangt en haar noodzakelijk maakt, omdat het zichzelf steeds opnieuw wil en zichzelf zoodoende noodzakelijk maakt.

Welnu, zou dat niet zijn circulus vitiosus deus?" [117]

Het was in Augustus 1881 te Sils Maria, dat in Nietzsche's brein als een bliksemflits de hypothese van het "Eeuwig Wederkeeren" ontsproot, die de basis en tevens de bekroning der leer van den Uebermensch is. Men kan haar als volgt samenvatten:

De som der krachten, die het heelal vormen, blijkt vast en bepaald te zijn. Het is ten minste niet denkbaar, dat zij afneemt, want in dat geval, hoe gering de afname ook zij, zou zij zijn verzonken in den oneindigen tijd, die den tegenwoordige is voorafgegaan; evenmin kunnen wij ons voorstellen, dat zij onbepaald toeneemt, want om als organisme voort te groeien zou zij gevoed moeten worden en wel zoodanig, dat zij een overschot van krachten verkreeg; vanwaar dan zou dat voedsel, die groeistof voortkomen? Een onbepaald toenemen van de krachten van het heelal veronderstellen is dus zooveel als in een voortdurend wonder gelooven. Er rest dus niets dan de hypothese der vaste en bepaalde som van krachten, van eene niet oneindige som dus. Stellen wij ons nu die krachten voor als volkomen bij toeval op elkander reageerende, een zuiver combinatiespel, waarin de eene combinatie noodzakelijk de volgende doet ontstaan; wat zal er dan in de eeuwigheid der tijden gebeuren? In de eerste plaats moeten wij aannemen, dat die krachten nooit den evenwichtstoestand hebben bereikt en dien ook nooit zullen bereiken, want zoo die combinatie--die op zichzelf ons niet onmogelijk toeschijnt--ooit voorkwam, zou zij er reeds geweest zijn in den oneindigen tijd, die den onzen is voorafgegaan en de wereld zou voor goed stil staan, daar het onmogelijk is zich voor te stellen, dat het eenmaal verkregen evenwicht ooit weer verbroken zou worden. Wij staan dus voor het feit, dat eene vaste som van krachten eene onafgebroken reeks van combinaties voortbrengt. Daar nu de tijd oneindig en de som van krachten bepaald is, moet er een oogenblik komen, dat, hoe groot men ook de som dier krachten stelle en hoe reusachtig men zich het getal combinaties ook denke, de natuurlijke en onberekenende kansrekening eene reeds voorgekomen combinatie zal doen ontstaan, maar die combinatie zal tengevolge van het algemeen determinisme de geheele serie der reeds voorgekomen combinaties meeslepen, zoodat de wereldevolutie tot in het oneindige dezelfde phasen terugbrengt en eeuwig een reusachtigen cirkel doorloopt.

Elk afzonderlijk leven is slechts een onmerkbaar fragment van den geheelen cirkel en elk individu heeft dus reeds oneindig vele malen hetzelfde leven doorleefd en zal het eeuwig opnieuw herleven.

"Alle toestanden, waarin de menschheid verkeeren kan, heeft zij reeds doorgemaakt en niet éénmaal maar ontelbare malen. Zoo ook dit oogenblik: het was al eens en al vele malen en zoo zal het ook terugkomen zoodra alle krachten weer verdeeld zijn evenals nu; en evenzoo gaat het met het oogenblik, dat het tegenwoordige voortbracht en met het oogenblik, dat het tegenwoordige zal voortbrengen. Mensch! uw geheele leven zal als een zandlooper steeds omgekeerd worden en zal steeds opnieuw verloopen, daar elk een dier levens van het andere slechts gescheiden wordt door de groote minuut, die noodig is om al de toestanden, die u deden ontstaan, in den wereldcirkel weer te doen voorkomen. Dan zult gij elke smart en elke vreugde, elken vriend en elken vijand, elke verwachting en elke dwaling, elken grashalm en elken zonnestraal en de geheele regeling aller dingen terugvinden. Die cyclus, waarvan gij een korrel zijt, schittert opnieuw en in elken cyclus van het menschelijk bestaan komt altijd een uur, waarin eerst bij een individu, vervolgens bij velen en eindelijk bij allen de machtigste gedachte, die van het "Eeuwige Wederkeeren van alle dingen ontwaakt--dat is voor de menschheid telkens weer het middaguur."

Die hypothese omtrent de wereldevolutie vervulde tegelijk Nietzsche, van af het oogenblik, dat zij aan zijn denkershorizon verscheen, van groot enthousiasme en onbeschrijfelijken afschuw. Eerst hield hij die gedachte voor zich en een algemeen overzicht van zijn nieuwe leer, het Eeuwig Wederkeeren, dat hij in den zomer van 1881 reeds geschetst had, bleef onafgemaakt. In een aphorisme van Die fröhliche Wissenschaft sprak Nietzsche voor het eerst het denkbeeld van een Eeuwig Wederkeeren uit als eene soort verontrustend paradox. Hij veronderstelt daarin, dat een demon in een eenzaam uur die hypothese in het oor van den denker komt fluisteren. "Zoudt gij u niet ter aarde werpen," zoo besluit hij, "zoudt gij niet tandenknarsend den demon vervloeken, die zoo tot u gesproken had? Of hebt gij het onbeschrijfelijk oogenblik doorleefd, waarin gij hem antwoorden kondt: "Gij zijt een god en nooit vernam ik goddelijker woord!" Zoo die gedachte zich meester maakte van u, zooals gij zijt, zou zij u vervormen en wellicht verpletteren. De vraag: "wilt gij dat nog eens en eeuwig?" op elk oogenblik van uw leven gesteld, zou als een loodzware last op geheel uw werkvermogen drukken, tenzij gij uzelf en het leven zoozeer liefhadt, dat gij niets anders meer dan die hooge en eeuwige wijding en bevestiging verlangdet!" [118] Nietzsche dacht er in dien tijd aan tien jaar van zijn leven te wijden aan de studie der natuurlijke historie te Weenen of Parijs om voor zijn hypothese een wetenschappelijke basis te vormen en na een jarenlang stilzwijgen als de profeet van het Eeuwig Wederkeeren weer ten tooneele te verschijnen. Al heel spoedig echter besloot hij dat plan op te geven om verschillende redenen, waaronder voornamelijk deze, dat een oppervlakkig onderzoek van het vraagstuk van uit een wetenschappelijk oogpunt hem dadelijk deed inzien, dat het onmogelijk was zijne leer van het "Eeuwig Wederkeeren" volgens de atomische theorie te verklaren; [119] maar zijne onverklaarde en onverklaarbare hypothese bleef toch het middenpunt van zijn denken en het Eeuwig Wederkeeren is het grootsche denkbeeld, dat Zarathustra in bedekte termen en met eene soort heiligen afschuw aan de menschheid verkondigt.

Het is inderdaad te begrijpen, dat een vreeselijke angst zich van Nietzsche's ziel meester maakte, zoodra hij in het Eeuwig Wederkeeren geloofde en de volle beteekenis van die hypothese begreep, want men kan zich geen oplossing van het levensprobleem denken, dat op het eerste gezicht zoo ontmoedigend is. De wereld beteekent niets; zij is het werk van het blinde noodlot en spruit voort uit het mathematisch en zinneloos spel der krachten, die zich onderling combineeren en bij toeval een zeker getal mogelijke groepeeringen vormen; de wereldevolutie leidt tot niets, maar gaat oneindig voort, zich steeds bewegende in denzelfden cirkel, en het leven dat wij thans leiden, zullen wij eeuwig opnieuw beginnen zonder hoop op eenige verandering; elk oogenblik van droefheid, smart of walging zullen wij ontelbare malen juist zoo opnieuw doorleven. Denkt eens aan welk eene uitwerking die openbaring op ontaarden, zieken, pessimisten, op al diegenen moet hebben, wier smarten werkelijk veel meer zijn dan hunne vreugden? Voor de meeste menschen is weliswaar een denkbeeld als dat van het Eeuwig Wederkeeren, zelfs wanneer het niet a priori verworpen wordt, volkomen onschuldig, daar het een zuiver abstract en intellectueel iets blijft, omdat onze verbeelding niet sterk genoeg is om het te verwezenlijken en de begrippen, die ons verstand opneemt ons gevoelsleven over het algemeen weinig of niet aandoen. Nietzsche daarentegen "leefde" zijne theorieën; hij philosopheerde met zijn geheele wezen en dan is het te begrijpen, dat het Eeuwig Wederkeeren hem bij oogenblikken als eene nachtmerrie was, die hem het bloed in de aderen deed stollen en het hart deed stilstaan. En nu ook zien wij zijn "hardheid" voor de ongelukkigen en onterfden van het leven onder een geheel ander daglicht; nu begrijpen wij, dat hij bij de gedachte aan die ongelukkigen uitriep: Mogen zij gauw sterven! mochten zij zich dooden of gauw gedood worden, die ongelukkigen, voordat zij de algeheele diepte van den lijdensafgrond, die hen wacht, gepeild hebben en het monsterachtig lot, dat hen dwingt eeuwig en zonder mogelijke verlossing hun kruis mee te slepen, hebben leeren kennen! En men begrijpt ook, dat hij zich afgevraagd heeft of de menschheid in haar geheel in staat zou zijn zich die leer eigen te maken zonder plotseling in eene duizeling van wanhoop en afschuw ten onder te gaan en dat hij het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren beschouwd heeft als een toetssteen, die door zijne aanraking allen zou vernietigen, wier levenskracht niet sterk genoeg is om de openbaring van zulk eene waarheid te dragen.

Er is inderdaad eene bijzondere mate van zielskracht, eene zeldzame levensenergie noodig om zonder angst het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren te verdragen en hij alleen heeft daartoe de macht, wiens persoonlijkheid sterk genoeg is om te kunnen zeggen: zoo het leven op zichzelf geen beteekenis heeft, weet ik er een aan te geven. Ik ben een stukje van de natuur, die zichzelve steeds opnieuw wil en zonder ophouden eeuwig denzelfden cirkel doorloopt: ik wil mij dus verheffen tot het punt, waarop ik als kunstenaar van de onvergelijkelijke pracht van het vruchtbare leven genieten kan als van het schoonste aller schouwspelen. Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgesproten, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat éénmaal wellicht den Uebermensch zal voortbrengen. Met hart en ziel wil ik wenschen, dat het blind toeval eenmaal moge slagen in de schepping van een of ander wonderbaar, verblindend, boven den mensch staand wezen; in die verwachting wil ik althans leven en mijn geheele bestaan zal door die ééne gedachte geleid worden; ik wil, dat de cirkel, waarin het leven zich eeuwig beweegt, een zoo schitterend en wonderbaar diadeem zij als mogelijk is en zal dus in vreugde en vol bewustzijn mijn leven op het spel zetten, hopende, dat mijn worp eene mooi resultaat moge opleveren en zoo ik verlies, zal ik mij troosten met de gedachte, dat een ander ten minste den mooien worp gooit of zal gooien, dien ik verwachtte en dat zoodoende de pracht van het leven niet verminderen zal. Door dat visioen verblind en koortsig opgewonden door de reusachtige partij, die hij met het toeval speelt, zal de mensch al zijn nederlagen, zijne smart en ellende leeren beschouwen als het noodige losgeld voor zijne overwinningen en zijne vreugde, als den prikkel, die hem dwingt steeds vooruit te streven, zichzelf te overtreffen en de verwezenlijking van hoogere combinaties na te jagen. En wanneer hij dan het totaal van zijn bestaan opmaakt, zal hij zien, dat de som zijner vreugden die zijner smarten overtreft en zal hij de gedachte aan het eeuwig weer doorleven van het reeds doorleefde vol geestdrift aannemen.

Tot die gevolgtrekking komen de verheven menschen, die Zarathustra in zijn hol heeft verzameld. Nadat hij hun zijne nieuwe waardetafel heeft voorgehouden en hun de ware schoonheid en grootheid van het leven heeft aangetoond, nadat hij hen van hun pessimisme genezen heeft en hunne ziel, die onder den last van walging en droefheid dreigde te bezwijken, heeft verlicht, vereenigt hij hen bij het vallen van den avond voor zijne grot onder den schitterenden sterrenhemel.

"En zij stonden stilzwijgend bij elkander--allen waren oud, maar hun hart was getroost en vol moed en elk voor zich was verbaasd, dat het op aarde zoo goed was. En het stilzwijgen van den geheimzinnigen nacht sprak steeds duidelijker tot hun hart. Toen geschiedde het grootste wonder van dien dag zoo rijk aan wonderen; de afzichtelijkste mensch begon nog eens, en nu voor het laatst, te blazen en te borrelen en toen hij eindelijk woorden kon uiten, ontvloeide eene ronde, zuivere, eene juiste, diepe vraag aan zijne lippen--en allen, die haar hoorden, voelden hun hart in den boezem kloppen.

"O gij allen, mijne vrienden, zeide de afzichtelijkste mensch, wat dunkt u er van? Uit liefde voor dezen dag gevoel ik mij voor de eerste maal gelukkig het leven geleefd te hebben.

En het is niet genoeg die getuigenis af te leggen. Het doet goed op aarde te leven; een enkele dag, een enkel feest met Zarathustra heeft mij de aarde leeren liefhebben.

"Is dàt het Leven?" zal ik aan den Dood vragen. "Welnu--dan nog eens!"

Mijne vrienden, wat dunkt u er van? Wilt gij niet met mij tot den Dood zeggen: "Is dat het leven? Dan, uit liefde voor Zarathustra--nog eens!" [120]

Zarathustra is dus geslaagd; de afzichtelijkste mensch, het afschuwelijk monster, wiens haat God vermoord heeft, de vertegenwoordiger van alle ellenden, van alle nederlagen en afzichtelijkheden der menschheid, heeft de schoonheid van het leven ontdekt, hij heeft begrepen, dat de smart het noodige losgeld is voor alle geluk en heeft "ja" gezegd tot het bestaan.

Terwijl de profeet, door zijne discipelen omringd, het hooge genot van dat uur der overwinning smaakt, slaat een oude klok met zware stem langzaam middernacht; plechtig uur, waarop de scheidende en de aanbrekende dag elkander ontmoeten en de dood het leven de hand reikt; middernacht, uur van diep stilzwijgen, waarin de ernstige ziel zich aan diepe, innerlijke overpeinzingen overgeeft en de meest verborgen geheimen ontcijfert. En terwijl de oude torenklok, de stille vertrouweling van alle smarten en vreugden der menschheid, met hare twaalf slagen het oogenblik verkondigt, waarop opnieuw de geheimzinnige overgang van den dood in het leven plaats vindt, openbaart Zarathustra in raadselachtige verzen als eene soort mystieke psalm, het grootsch denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren aan de hoogere menschen:

Eins! O Mensch! Gieb Acht! Zwei! Was spricht die tiefe Mitternacht! Drei! "Ich schlief, ich schlief,-- Vier! "Aus tiefem Traum bin ich erwacht:-- Fünf! "Die Welt ist tief, Sechs! "Und tiefer als der Tag gedacht. Sieben! "Tief ist ihr Weh--, Acht! "Lust--tiefer noch als Herzeleid: Neun! "Weh spricht: Vergeh! Zehn! "Doch alle Lust will Ewigkeit-- Elf! "--Will tiefe, tiefe Ewigkeit!" Zwölf! [121]

HOOFDSTUK VI.

BESLUIT.