Nietzsche's Philosophie

Part 13

Chapter 133,861 wordsPublic domain

Zoo is ook de wil, die dien God zoekt, niet anders dan de zucht naar het niet. Nu nog hebben de meest vooruitstrevende wijsgeeren, zij, die zich vrij van allen godsdienst en alle vooroordeel wanen, een onverzettelijk geloof in de waarheid en al die sceptici, die "objectieven", die agnostici, die zich op stoicynsche wijze alle onbewijsbare hypothesen ontzeggen, die zich aan het vaststellen van kleinigheden houden om alle haastige generalisatie en de daaruitvolgende fouten te vermijden, die geen "ja" of "neen" willen uitspreken over alle vraagstukken, die aan twijfel onderhevig zijn--al die goede geesten, die "nauwgezetten van geest" die de intellectueele en moreele keur der menschheid voorstellen, zijn eigenlijk asceten. Laten wij hun geloof slechts ontleden. De wil om tot elken prijs de waarheid te bereiken kan op twee manieren verklaard worden; het kan beduiden: "Ik wil onder geen enkele voorwaarde bedrogen worden," of: "Ik wil onder geen voorwaarde anderen of mijzelven bedriegen." De eerste verklaring nu is onwaarschijnlijk. De mensch zou zeker uit voorzichtigheid en uit vrees naar waarheid kunnen verlangen, zoo het hem duidelijk was, dat waarheid bovenal weldadig werkt; maar dat is niet zoo en wanneer ooit eene "waarheid" zich gaandeweg aan verlichte geesten opdringt, is het wel deze, dat illusie minstens even weldadig en even noodzakelijk voor de menschheid is als "waarheid." Voor Nietzsche is illusie en leugen wellicht de hoofdvoorwaarde van het leven. "Het verkeerde van een oordeel," zegt hij, "is voor ons niet een bezwaar tegen dat oordeel, en juist op dat punt klinkt onze taal wellicht het zonderlingst in moderne ooren. Voor ons is de quaestie als volgt: in hoeverre is dat oordeel nuttig voor het behoud en de ontwikkeling van het leven, voor het behoud of de verbetering van de soort? En in beginsel zijn wij geneigd te beweren, dat de meest onjuiste meeningen (in de eerste plaats behooren daartoe de synthetische meeningen) in onze oogen het onmisbaarst zijn; dat, wanneer de menschheid weigerde de verzinsels der logica aan te nemen, de werkelijkheid naar de zuiver denkbeeldige wereld van het onvoorwaardelijke, het absolute te meten en het leven voortdurend naar die waarde te vervalschen, zij niet zou kunnen leven; dat afzien van verkeerde begrippen zooveel als afzien van het leven, de ontkenning van het leven zou zijn." [98] Zoo evenwel leugen weldadig en waarheid noodlottig kan zijn--wat ook de moderne belijder van de waarheid tot elken prijs wel voelt--streeft de man der wetenschap dus niet naar waarheid uit eigenbelang of uit vrees, maar alleen, omdat hij onder geen voorwaarde zichzelf of anderen bedriegen wil. In zijne ziel en in zijn geweten kent hij de waarheid een zoo hoogen prijs toe, dat alles, tot zelfs het geluk en het bestaan der menschheid er aan onderworpen moeten worden. Hij gelooft in de waarheid als in eene absolute, metaphysische waarde, of om het duidelijk te zeggen: hij noemt "waarheid" wat de Christen "God" noemt. En Nietzsche besluit:

"Het lijdt geen twijfel, dat de waarheidlievende mensch, waarheidlievend in den uitersten, gevaarlijken zin, dien het geloof in de wetenschap veronderstelt, dat die mensch daardoor zijn geloof in eene andere wereld dan die van het leven, de natuur en de geschiedenis bevestigt; en van af, dat hij die andere wereld aanneemt, wat blijft hem dan over voor het tegenovergestelde, voor deze wereld, voor onze wereld--niet anders dan haar te ontkennen! Men begrijpt evenwel wat ik zeggen wil: n.l. dit, dat ons geloof in de wetenschap altijd op eene metaphysische overtuiging berust en dat ook wij, de hedendaagsche denkers, de atheïsten, de anti-metaphysici het vuur, dat in ons gloeit aan den brand ontleenen, dien eene veelduizendjarige overtuiging ontstoken heeft, aan het Christelijk geloof, dat ook Plato's geloof was, dat God waarheid is en dat waarheid goddelijk is." [99] De moderne apostel der waarheid heeft de hoogste waarden van onze oude waardetafel niet in twijfel durven trekken; hij heeft zich niet durven afvragen: "Wat is de waarde der waarheid?" of, wat op hetzelfde neerkomt: "Wat is de waarde van het categorisch imperatief, van de moraal, die ons gebiedt de waarheid te achtervolgen?" Op den drempel van het ontzettend probleem van Waarheid en Moraal is hij stil blijven staan; hij heeft zich niet afgevraagd: Waarom moet de mensch tot elken prijs die Natuur leeren kennen, waarin wij thans eene eeuwig blinde, domme kracht vermoeden, die volkomen ongevoelig voor goed of kwaad is en zeer vruchtbaar steeds nieuwe levens voortbrengt en dan weer opoffert, die hardvochtig is en zonder eenig verstand samenstelt.

Waarom inderdaad zou de mensch alles aan eene dergelijke godheid opofferen?

Van uit dat oogpunt gezien komt de zucht naar waarheid Nietzsche voor als de moderne vorm van die ascetische wreedheid, die den mensch te allen tijde gedreven heeft het kostbaarste dat hij bezat, aan zijnen God te offeren.

Oorspronkelijk bestonden die offeranden aan de godheid in menschelijke wezens, b.v. het offeren van den eerstgeborene; later, onder het Christendom offerde de asceet hem al zijne natuurlijke neigingen. En wat bleef er ten slotte nog over te offeren? Moest men niet eindigen met God alles te offeren wat troost geeft, wat heiligt en geneest, alle hoop, alle geloof in eene verborgen harmonie, in zaligheid en in toekomstige rechtvaardigheid?

Heeft men niet God zelf ten offer moeten brengen en uit wreedheid voor zichzelf den steen, het onverstand, de traagheid, het noodlot en het niet moeten aanbidden? God aan het niet offeren--voor het geslacht, dat in onze dagen tot rijpheid komt, was het weggelegd zich tot dat paradoxaal mysterie van uiterste wreedheid te verheffen.

En wij allen weten er iets van." [100]

Zoo is dus de apostel der wetenschap, "de nauwgezette van geest," die zich niet achter het scepticisme verschuilt, maar in waarheid gelooft, die den moed vindt een ideaal te scheppen en eene hooge intellectueele en moreele waarde vast te stellen, in den grond een asceet, die het menschelijk bestaan voor een onbekend hiernamaals negeert, een pessimist, die zich van het leven afkeert, omdat hij zich niet aan de illusie en de leugen, die voor alle leven noodzakelijk zijn, wil overgeven, een nihilist, die, evenals de Christen, in waarheid de menschheid in den afgrond des doods tracht te drijven.

HOOFDSTUK V.

NIETZSCHE'S SYSTEEM (VERVOLG).

POSITIEF GEDEELTE: DE "UEBERMENSCH".

I.

Ons modern Europa is, volgens Nietzsche, zeer ziek; overal doen zich teekenen van een niet te ontkennen verval voor; het is alsof eene drukkende moeheid zich van den hedendaagschen mensch heeft meester gemaakt en hij, na den langen weg, die van den aardworm tot den aap en van den aap tot den mensch voert, te hebben afgelegd, in den tegenwoordigen tijd bestendigheid en rust zoekt, hetzij in verachtelijke middelmatigheid of in den dood. Hier wil de gelijkheidlievende democraat hem tot het leelijk en verachtelijk dier der kudde maken; daar willen de Christelijke priester, de wijsgeer, de moralist hem van de aarde losmaken door hem een denkbeeldig hiernamaals voor te houden, waaraan hij zijn leven offeren moet. De democratische staat is een ontaarde vorm van den staat; de godsdienst van het lijden is eene ziekenmoraal en de Wagneriaansche kunst, die in onze dagen zegeviert, eene kunst van verval. Verdorvenheid en pessimisme komen op alle sporten, zelfs op de hoogste, der moderne beschaving voor en de exemplaren der hoogere menschheid, wien Zarathustra in zijne grot gastvrijheid verleent, zijn alle, zonder uitzondering, decadenten, onwelkome wezens, die om hun eigen bestaan lijden, verregaande walging gevoelen bij het zien van den modernen mensch, en zich zelve verachten. Zoo b.v. de "pessimistische profeet", die overal verschijnselen van dood ziet en zegt: "Alles is ijdelheid, niets dient tot iets meer, het is overbodig te zoeken, er zijn geen gelukzalige eilanden meer!" Voorts de "twee koningen", die hun koninkrijk verlaten hebben, omdat zij, waar zij niet de eerste onder de menschen waren, niet langer anderen wilden regeeren. Dan de "nauwgezette van geest", de "objectieve geleerde", die zijn leven offert aan de studie van de hersens van den bloedzuiger; en de "oude toovenaar", de eeuwige komediant, die alle rollen speelt en alle menschen bedriegt, maar zichzelf niet meer misleiden kan, die, het hart vol walging en droefheid, een echt genie zoekt; of de "laatste Paus", die zich niet troosten kan over Gods dood; voorts de "afzichtelijkste mensch", de moordenaar Gods,--want God is gestorven, van het diepste medelijden vervuld, toen hij de afzichtelijkheid en ellende der menschheid zag; dan de "vrijwillige bedelaar", die, van den overdreven beschaafden mensch walgende, het geluk zocht bij de koeien, die vreedzaam in hunne weide liggen te herkauwen; en eindelijk de "schaduw", de scepticus, die op zijn tocht door alle rijken der gedachten, zichzelf verloren heeft en voortaan doelloos door het heelal zwerft. Al die vertegenwoordigers der hoogste Europeesche beschaving lijden aan eene vreeselijke kwaal en kruipen onrustig, somber en ontdaan door het leven als een tijger, die zijn sprong gemist heeft of een dobbelaar, die een slechten worp gedaan heeft. Het "volk" en al wat het volk "geluk" noemt, staat hun tegen en aan den anderen kant bestaan al de hoogste waarden, die de menschheid vroeger onder den naam van "God", "Waarheid", "Plicht" vereerde, voor hen niet meer; materiëele voldoening bevredigt hen niet langer en zij gelooven aan geen ideaal meer. Zal dus de menschheid haren loop moeten staken, zich van het leven losmaken en tot het niet overhellen?

Neen, zegt Nietzsche, verval leidt niet noodzakelijk tot nietzijn; het kan ook de toestand zijn, die aan een nieuw leven en een hoogeren graad van gezondheid voorafgaat.

Het is natuurlijk onmogelijk terug te gaan en de menschheid terug te voeren tot hetgeen zij in vroegere tijden was: "men moet steeds vooruitgaan, d.w.z. stap voor stap verder in het verval doordringen". [101] Maar evenals de bladeren in den herfst geel worden en afvallen om in de lente nieuw groen te geven, kan ook het hedendaagsch verval het voorspel zijn van herleving en kan de menschheid door haren dood een hoogeren levensvorm doen ontstaan. Uit dat oogpunt kan men, volgens Nietzsche, de woorden "verval", "ontbinding," "verderf" wellicht beschouwen als onverdiend verachtelijke termen om den herfst der beschaving aan te duiden; de menschheid, die zwanger gaat van een nieuwe wereld, lijdt barenssmarten en daarom ook is het Zarathustra's doel niet het lijden der "hoogstaande menschen" te verzachten, want hij weet, dat de mensch steeds meer lijden moet, wil hij de hoogste toppen beklimmen, en dat de innerlijke droefheid van den verheven mensch en zijn afkeer van de menigte en van zichzelf noodig zijn om hem aan te sporen en hem hooger op te drijven. Dat hijzelf een gebrekkig voortbrengsel der menschheid is, doet er niet toe, want hoe kostbaarder van gehalte een voorwerp is, hoe zeldzamer het is en hoeveel te meer waardeverlies er noodig zal wezen om er een volkomen geslaagd exemplaar van te verkrijgen. De hoogere mensch is als eene vaas, waarin de toekomst der menschheid wordt bereid, waarin alle kiemen, die eenmaal in het volle daglicht zullen ontluiken, stil gisten, koken en werken,--en meer dan één van die kostbare vazen barst of breekt....

Maar dat zegt niets, want zoo die mensch mislukt is, behoeft de menschheid het nog niet te zijn--en wat nog, wanneer ook de menschheid mislukt is! De mensch is, volgens Nietzsche's beroemde vergelijking, een koord, dat tusschen het dier en den Uebermensch gespannen is; hij is geen doel, maar een brug, een doorgang. Dat de mensch dus verga, opdat de Uebermensch leve.

"Ik onderwijs u den Uebermensch, zegt Zarathustra tot het verzamelde volk. De mensch is iets, dat overtroffen moet worden. Wat hebt gij gedaan om het te overtreffen?

Alle wezens hebben tot nog toe iets hoogers geschapen dan zijzelve waren, en gij zoudt de ebbe van dat reusachtig getij willen zijn en liever tot het dier teruggaan dan den mensch overtreffen.

Wat is de aap voor den mensch? Een voorwerp van spot of van schaamte en smart. En zoo moet de mensch voor den Uebermensch een voorwerp van spot, schaamte en smart worden.

Ziet, ik leer u den Uebermensch kennen.

De Uebermensch is de reden van bestaan der aarde. Uw wil moet zeggen: "Dat de Uebermensch de reden van bestaan der aarde zij." [102]

II.

Wat is de Uebermensch en hoe zal de mensch hem kunnen verwekken?

Men kan den Uebermensch als volgt bepalen: als den staat, dien de mensch bereiken zal, wanneer hij van de tegenwoordige heerschappij der waarden, van het Christelijk, democratisch of het ascetisch ideaal, dat in geheel modern Europa gangbaar is, afstand gedaan zal hebben om tot die waardetafel terug te keeren, die door de edele rassen, de meesters, die zelve hunne waarden scheppen inplaats van haar van buiten af te ontvangen, erkend worden.

Dat wil zeggen, de bedoeling is niet achteruitgaan en na eene eeuwenlange beschaving het "blonde beest" dier oorspronkelijke tijden doen herleven; de mensch moet niets van de nieuwe kennis, aanleg en krachten, die hij in den loop zijner smartelijke ondervindingen verkregen heeft, verliezen, maar hij moet de oude waardetafels, die hem in zijn tegenwoordigen gang naar hooger belemmeren, te niet doen en er nieuwe geboden voor in de plaats stellen.

De mensch zal den Uebermensch doen ontstaan door auto-suppressie (Selbstaufhebung) zooals Nietzsche het meermalen uitdrukt. Die overgang van mensch tot Uebermensch kan in zekeren zin vergeleken worden bij de evolutie, die volgens Schopenhauer, den asceet voortbrengt. In de oogen van den grooten pessimist kan de smart den mensch ten eerste er toe brengen van zijn individueelen wil afstand te doen en bijgevolg tot zelfmoord voeren; maar dat is niet genoeg, want om gered te worden moet hij niet alleen van den individueelen levensvorm, die hem ten deel viel, afstand doen, maar tevens van het willen leven over het algemeen: alleen op die voorwaarde kan hij vrede vinden. In Nietzsche's ideeën nu is ook de smart de machtige prikkel, die den mensch tot gelukzaligheid voert: de mensch lijdt in de eerste plaats om hetgeen hij is als individu; hij kent den hevigen, smartelijken afkeer van zijn eigen ik en die afkeer drijft hem tot ascetisme en pessimisme; in dien zielstoestand verkeeren de "hoogere menschen," die Zarathustra in zijn hol verzamelt. "Maar, zegt de profeet, gij lijdt nog niet genoeg naar mijnen zin! Want gij lijdt om wat gij zijt, maar gij hebt nog niet geleden om wat de mensch is, ihr leidet an euch, ihr littet noch nicht am Menschen." [103] Eerst wanneer hij dien hoogsten graad van smart en afkeer bereikt heeft, zal de mensch in de overmaat zelve van zijne smart de noodige geestkracht vinden om den laatsten stap te doen en zichzelf op te offeren voor de geboorte van den Uebermensch.

Als het pessimisme zijn toppunt bereikt heeft, zal het het zegevierend optimisme voortbrengen.

Wij zullen verder zien, waarin volgens Nietzsche, de Uebermensch van den bestaanden mensch verschillen zal.

Een der meest kenmerkende verschillen tusschen de moraal van den Uebermensch en de algemeen erkende moraal van onzen tijd, is wel, dat de laatste alle menschen zonder onderscheid geldt, terwijl de eerste juist door haar hoogeren inhoud voor slechts enkele verheven geesten kan weggelegd zijn.

Het hedendaagsch Europa is, zooals wij hebben opgemerkt, beslist democraat en gelooft aan de natuurlijke gelijkheid der menschen; Nietzsche daarentegen gelooft aan de natuurlijke ongelijkheid der menschen en wil eene aristocratische maatschappij, verdeeld in bepaalde klassen, die elk afzonderlijk hunne voorrechten en hunne plichten hebben. De lagere kaste bestaat uit de mindere soort, de middelmatige menschen, uit hen, die uit natuurlijke roeping tot het raderwerk van de groote sociale machine behooren, want niet alleen landbouw, handel en nijverheid, maar ook wetenschap en kunst eischen werklieden, die voldoening vinden in het nauwkeurig volbrengen van eene bijzondere taak, waartoe zij de noodige geschiktheid bezitten, en die zich bescheiden tevreden stellen met gehoorzaam en gedwee aan den gezamenlijken arbeid mee te werken. Dat zijn blijkbaar slaven ofwel "geëxploiteerden", want zij onderhouden de hoogere kasten ten koste van zichzelve en zijn hun gehoorzaamheid verschuldigd; ontberingen en lijden kunnen hun dan ook niet bespaard worden, want de werkelijkheid is hard en slecht. In een goed geregelden staat evenwel moeten juist die middelmatigen een betrekkelijk veiliger, rustiger en vooral gelukkiger bestaan hebben dan hunne meerderen, daar zij geen verantwoording dragen en zich maar behoeven te laten leven. Voor hen is het godsdienstig geloof een onschatbare weldaad, want het werpt een gouden zonnestraal op de ellende van hun half dierlijk bestaan en leert hen in alle nederigheid tevreden over zichzelve zijn, het geeft hun zielevrede en veredelt in hunne oogen de harde noodzakelijkheid van een anders wil te moeten dulden; het schenkt hun de weldadige illusie, dat er eene wereldorde voor alle dingen heerscht en dat ook zij hunne aangewezen plaats, hun nuttigen werkkring in die wereldorde hebben gekregen. "Aan u behoort geloof en slavernij!" dat is het deel, dat Zarathustra hun in zijne ideale maatschappij toedenkt. Boven hen staat de kaste der leiders, der beschermers van de orde en der krijgslieden en aan hun hoofd staat de koning, hun aller chef. Zij oefenen in zekeren zin het materieel gedeelte van de macht uit en vormen het tusschenliggend raderwerk, dat den wil der werkelijke heerschers aan de menigte overbrengt. En de hoogste kaste, die der meesters, der wijzen en "scheppers van waarden" zet ten slotte het geheele sociale organisme in beweging en moet op aarde en onder de menschen dezelfde rol spelen als God volgens het Christelijk idee in het heelal doet. Het is dus voor de meesters en voor hen uitsluitend, dat de moraal van den Uebermensch geschapen is.

Die moraal onderscheidt zich niet alleen van de traditionneele moraal door hare qualiteit van aristocratische wet "for the happy few", maar zij wederlegt haar volkomen, omdat zij anti-idealist is. Volgens de Christelijke of ascetische moraal is die mensch deugdzaam, die zijn leven naar een ideaal vormt en zijne "zelfzuchtige" neigingen aan den dienst van Waarheid en Goed opoffert. De wijze daarentegen is, volgens Nietzsche, boven alles een "schepper van waarden" en ziet daarin zijn levenstaak. Niets heeft in werkelijkheid op zich zelf eenige waarde, want de wereld is eene onverschillige materie, die geen ander belang heeft dan dat, wat wij haar geven; de ware wijsgeer is dus de mensch, die in zijne persoonlijkheid macht genoeg bezit om "de wereld, waarin de menschen belang stellen" [104] te scheppen; hij is de geniale dichter, in wiens ziel de waardetafel ontstaat, waarin de menschen, die tot een gegeven tijd behooren, gelooven, en die bijgevolg al hunne daden bepaalt. Hij is een "overpeinzer", maar zijn visioen is niet anders dan de hoogste wet, die geheele geslachten in beweging brengt en alle groote daden der menschheid zijn slechts de zichtbare en concreete uiting van zijn denken. Hij schept volkomen vrij en onafhankelijk zonder acht te slaan op goed of kwaad, op waarheid of dwaling; hij schept zijne waarheid, zijne moraal. Hij is een onversaagd beproever (Versucher), die voortdurend nieuwe levensvormen zoekt en in den loop van zijne gevaarlijke proeven, onbevreesd zoowel zijn eigen leven en geluk als die van alle mindere schepselen, die hij achter zich aan sleept, in de waagschaal stelt. Hij is een vermetel en grootsch speler, die met het noodlot eene reusachtige partij speelt, om leven of dood.

Volgens Nietzsche heeft dus de wijze geen vreedzame natuur; hij belooft den menschen geen vrede en rustig genot van de vruchten van hunnen arbeid, maar spoort hen aan tot den krijg en spiegelt hun hoop op zege voor.

"Gij zult uwen vijand opzoeken," zegt Zarathustra, "gij zult uwen strijd strijden, gij zult voor uw denkbeeld vechten! En zoo uw denkbeeld valt, moet uwe rechtschapenheid zich over zijn val verheugen!"

"Gij zult den vrede liefhebben, omdat hij een middel is tot nieuwen strijd; en korte vrede zal u liever zijn dan lange. Ik raad u niet aan te werken; ik raad u geen vrede aan, maar overwinning. Dat uw arbeid strijd en uw vrede overwinning zij!....

"Gij zegt, dat eene goede zaak zelfs den oorlog heiligt, maar ik zeg u, dat de goede strijd elke zaak heiligt....

"Tot vijand moet gij slechts te haten, maar niet te verachten tegenstanders hebben, want gij moet trotsch zijn op uwe vijanden, dan zal het succes van uw vijand ook uw succes zijn!" [105]

De oorlog, de openlijke strijd tusschen mededingende en tegenstrijdige krachten is, volgens Nietzsche dan ook het machtigst instrument van vooruitgang; hij toont aan, waar kracht en waar zwakheid, waar physieke en moreele gezondheid en waar ziekte zich bevinden; hij is een van die gevaarlijke proeven, die de wijze onderneemt om het leven te bevorderen en de waarde van een denkbeeld of eene gedachte met het oog op de ontwikkeling van het leven, te beproeven. Oorlog is dus weldadig en goed op zichzelf en Nietzsche voorspelt dan ook zonder de minste spijt of aandoening, dat Europa een tijd van groote oorlogen tegemoet gaat, een tijd, waarin de volken onderling zullen vechten om de opperheerschappij der wereld.

Waar de oude waardetafel het medelijden onder de eerste waarden rangschikte, leert Zarathustra daarentegen, dat de wil de hoogste deugd is: "Dit, mijne broeders, is de nieuwe wet, die ik u verkondig: Wordt hard!" [106]

De schepper moet inderdaad hard zijn als de diamant of als de schaar van den beeldhouwer om het vormloos blok van het toeval naar zijn zin te modelleeren, om nieuwe waarden in te voeren, op gansche geslachten zijn indruk na te laten, den wil van de toekomstmaatschappij zelfs te kneden en er als in ijzeren tafels zijn eigen wil in te griften.

Voor hem is medelijden geen deugd, maar eene sterke verzoeking en het grootste aller gevaren; de "laatste zonde" van Zarathustra, de ergste aanval, dien hij te doorstaan heeft, is die van het medelijden. Van uit zijn eenzaam hol hoort hij in de diepte van zijn dal de wanhoopskreten van de "hoogere menschen" weerklinken; smeekend roepen zij hem toe: "Kom! kom! kom! het is tijd, hoog tijd!" [107] Zoo hij deernis voor hunne ellende voelt en hem het hart week wordt bij het zien van hun lijden, is het met hem gedaan; dan is hij overwonnen. Zarathustra heeft al zijne geestkracht noodig om de verzoeking te weerstaan. Terwijl hij door zijn rijk trekt om de wanhopenden te zoeken, die hem aanroepen, dringt hij door in een zoo verlaten oord, dat het aan het rijk des doods doet denken. Daar staken zwarte en roode rotspunten uit; geen grasje, geen ster, geen vogelenzang. Het was een dal, dat alle dieren ontvluchtten en waar alleen afschuwelijke, dikke, groene slangen kwamen sterven als zij oud waren geworden; daarom noemden de herders dat dal "de slangendood." In dat dal stuit hij plotseling tegen eene aan den weg liggende, onnoembare, afschuwelijke, nauwelijks menschelijke gedaante en op het oogenblik dat hij, overmand door schaamte bij het zien van zooveel afzichtelijkheid, dat vervloekte oord zoo spoedig mogelijk wil verlaten, dringt een stem tot hem door als de hik van een stervende of als het water, dat 's nachts in eene verstopte leiding opborrelt: "Zarathustra! Zarathustra! Raad mijn raadsel! Spreek, spreek! Wat is de wraak tegen den getuige?.... Zeg mij nu wie ik ben!"--En op eenmaal, door diepe deernis getroffen, zakt Zarathustra ineen als een eik, die, na lang den bijl des houthakkers te hebben weerstaan, plotseling zwaar ter aarde stort en door zijn val juist hem doet schrikken, die hem neer wilde vellen. Maar weldra herrijst hij en zijn gelaat teekent hardheid: