Part 12
En daarentegen berooft zij zichzelve van dien stralenkrans van geheimzinnigheid en ontwent zij het vrouwelijk schaamtegevoel, dat bij de minste aanraking van het leelijke en gemeene siddert; zij begeeft zich vrijwillig onder de menigte en tracht er zich doorheen te wringen en haar weg te banen door het gedrang der egoïste begeerten. De vrouw verliest hare poëzie! zij brengt onder den naam van kunstcultuur, vooral door het misbruik van Wagneriaansche muziek, haar zenuwgestel in de war en wordt hare natuurlijke roeping, het ter wereld brengen van schoone kinderen, ontrouw.
Om kort te gaan: gansch Europa wordt leelijk; het dreigt een groot ziekenhuis te worden, waarin eene weinig belangwekkende menigte wemelt, die geen groote smart, maar ook geen groote vreugde kent, die in middelmatigheid en onmacht gelijk staat en op aarde een doodsch, hopeloos en doelloos bestaan voortsleept.
"Ziet! zoo leert Zarathustra, ik toon u den laatsten mensch.
"Wat is liefde, schepping, begeerte? Wat is eene ster?" Zoo vraagt de laatste mensch en hij knipoogt.
De aarde is klein geworden en op de aarde huppelt de laatste mensch, die alles verkleint. Zijn geslacht is even onuitroeibaar als de bladluis; de laatste mensch leeft het langst.
"Wij hebben het geluk ontdekt," zeggen de laatste menschen en zij knipoogen.
Zij hebben de streken, waar men een moeilijk leven leidt, verlaten, want zij hebben behoefte aan warmte. Men heeft ook zijnen buurman lief en drukt zich tegen hem aan, omdat men behoefte aan warmte heeft.
Ziek worden en wantrouwen is in hunne oogen eene zonde: men loopt er voorzichtig. Wel dwaas, die over steenen of menschen struikelt.
Een weinig vergif van tijd tot tijd: dat geeft schoone droomen. En veel vergif tot slot om aangenaam te sterven.
Men werkt nog wel, want werken geeft afleiding, maar men zorgt er voor, dat die afleiding geen inspanning wordt.
Armoede of rijkdom duldt men niet langer, want beide geven te veel zorgen. Wie zou nu nog willen bevelen? En wie gehoorzamen? Beide kosten te veel moeite.
Geen herder en éene groote kudde! Allen willen hetzelfde; allen staan gelijk en wie anders denkt, begeeft zich vrijwillig in het krankzinnigengesticht.
"Wij hebben het geluk ontdekt," zeggen de laatste menschen en zij knipoogen. [90]
V.
De slavenmoraal, het ascetisch ideaal, de priesterlijke heerschappij berusten, de een zoowel als de ander, op een waarlijk grootsch geheel van leugens, wat niet zeggen wil, dat Nietzsche daarin eene wederlegging van het Christendom ziet, want de waarheid op zichzelve heeft voor hem geen waarde; maar hij ziet er een gevaar en een dreigenden ondergang in. De kudde ontaarden en haar herder, de ascetische priester immers zijn gedwongen voor de duidelijkheid der feiten de oogen te sluiten, willen zij tegenover de herhaalde logenstraffingen der werkelijkheid hunne valsche waardetafel en hunne fantastische verklaring van het heelal staande houden; want zoo de zieke zich zijnen werkelijken toestand bewust werd en leerde inzien waar gezondheid schuilt, zoo hij bemerkte, dat de geheele geneeswijze van den priester daarin bestaat, dat hij hem misleidt omtrent den waren aard zijner ziekte door hem eene kunstmatige opwekking te geven, die in werkelijkheid de kwaal verergert in plaats van haar weg te nemen, dan zou het geheele Christelijk gebouw onmiddellijk instorten; de ontaarde zou werkelijke genezing zoeken bij den medicus of in den dood. De priester vermoedt nu instinctmatig dat gevaar en daarom tracht hij steeds het "geloof" staande te houden onder zijne volgelingen, d.w.z. de onberedeneerde, instinctmatige overtuiging, die met feiten geen rekening houdt. Dat geloof is eigenlijk niets anders dan de wil om, tot elken prijs, eene illusie, die men voor het leven noodig acht, te behouden; het is de vrees, dat de werkelijkheid wellicht slecht mocht zijn en, dat zij zich den mensch mocht openbaren, voordat hij sterk genoeg is haar te dragen. Te allen tijde heeft de priester dus de leekenwijsheid, de positieve wetenschap, die de wereld buiten alle godsdienstgeloof om wil bestudeeren, als zijn ergsten vijand beschouwd en alle middelen kwamen hem veroorloofd voor om den mensch te verhinderen zich zonder eenige vooringenomenheid tegenover de dingen te plaatsen, de werkelijkheid, zooals zij is, hare macht op hem te laten uitoefenen en oprecht en waar tegenover zichzelf te zijn. Dat juist is wat Nietzsche hem niet vergeven kan. Wil men den bitteren toon vol haat begrijpen, die uit elke bladzijde van de Antichrist spreekt en zich niet tevreden stellen met een symptoom van naderenden waanzin in de vinnige woorden van dat heftig requisitoir te zien, (wat trouwens eene gemakkelijke, maar misschien wat korte manier is om zich van een moeilijk vraagstuk af te maken) dan moet men nagaan, hoezeer Nietzsche in zijne diepste gevoelens getroffen werd door den geest van het Christendom, zooals hij het zag. Hij vergeeft het Christendom gaarne al het leed, dat het de menschheid berokkend heeft, want, waarom zou de mensch niet lijden, zoo het leed hem veredelt en het is trouwens een feit, dat het godsdienstig geloof menige bijzonder belangwekkende ziel gevormd heeft. Ook erkent hij zonder eenig bezwaar, dat over het geheel genomen de opstand der slaven in de moraal het menschelijk type noemenswaardig verrijkt heeft en het voornaamste feit, het aangrijpendst drama der wereldgeschiedenis blijft, en gaarne zelfs bewondert hij de meesterlijke logica, die uit de leugens van den Christelijken priester spreekt en de ongeloofelijke dosis geestkracht, die hij bezitten moest om gedurende twee duizend jaren eene denkbeeldige waardetafel staande te houden, en nog meer zou hij hem bewonderen, zoo hij in hem een verdorven, maar zich daarvan zelfbewusten wil kon zien, die zich geen illusies maakt omtrent het doel, dat hij beoogt, noch omtrent de middelen, die hij daartoe te baat neemt. Wat Nietzsche evenwel tegenstond en hem geheel in opstand bracht, zoodra hij het beeld, dat hij zich van het Christendom gevormd had, aanschouwde, was die gansche omgeving van onoprechtheid, die het omhult, die dubbelzinnige mengeling van bedrog en verblindheid, die leugenachtige onschuld, die, volgens hem, den geloofsmensch kenteekent. De diepste gevoelens van zijn aristocratischen aard, zijn onhandelbaar geweten, zijne liefde voor physieke en moreele "netheid", zijn moed om zijne gedachten tot het einde toe uit te denken, kwamen op tegen die dubbelzinnigheid; vol walging keerde hij zich af van die menschen, wier vrijwillige illusie zulk een integreerend deel van hun bestaan is geworden, dat zij zelve niet meer onderscheiden, wanneer zij zich bedriegen of wanneer zij oprecht zijn, die in alle onschuld, zonder zich eenig kwaad bewust te zijn, liegen en vrijwillige of meerendeels onvrijwillige gevangenen zijn van de illusie, waarin zij leven, en hij verklaarde dan ook plechtig het Christendom schuldig aan de vergiftiging van de intellectueele en moreele atmosfeer in Europa. Ondanks al hare pogingen heeft de Kerk evenwel de wetenschap niet kunnen verhinderen zich te ontwikkelen en het menschelijk denken niet kunnen weerhouden de werkelijkheid der dingen in het gelaat te zien.
In Europa bestaat tegenwoordig een geheel leger van geleerden, bijna alle materialisten, positivisten of atheïsten, die buiten alle geloof leven en dikwijls zelfs op alle godsdienstgevoel minachtend neerzien. Die schijnen ons op het eerste gezicht de natuurlijke tegenstanders van de priesterlijke heerschappij toe en hoe komt het dan, dat hunne levensopvatting, die op de waarneming der werkelijkheid berust, niet reeds lang een einde aan de christelijke illusie heeft gemaakt? hoe komt het, dat de vrienden van natuur en gezondheid er niet in geslaagd zijn den bijna algemeenen triomf van de door het Christendom vastgestelde waarden te beletten?
Nietzsche's antwoord is vindingrijk en origineel. De mannen der wetenschap, zegt hij, gelooven niet in de wetenschap en stellen dus tegenover het godsdienstig ideaal geen nieuw ideaal; of, wanneer zij wel in de wetenschap gelooven en het levensprobleem willen oplossen, ontleenen zij de stof voor die oplossing aan het ascetisch ideaal. Met andere woorden: de mannen der wetenschap zijn of middelmatige werklieden, die niet in staat zijn eene nieuwe waardetafel te maken, of geraffineerde, verheven asceten, wier ideaal eigenlijk niet verschilt van dat van den priester.
Zoo om te beginnen de "gewone" geleerde, de eerzame werkman in de wetenschap. Nietzsche vergelijkt hem oneerbiedig met eene oude jongejuffrouw, want evenals zij is hij onvruchtbaar, hoogst eerbaar, eenigszins belachelijk en in zijn hart weinig ingenomen met zijn lot. "Laten wij eens van nabij zien, voegt hij er bij, wat de man der wetenschap beduidt. In de eerste plaats behoort hij tot een niet edel geslacht, dat de deugden der niet edele geslachten bezit, m.a.w. de deugden der geslachten, die niet heerschen, die geen macht hebben en zichzelve niet kunnen bevredigen; hij is een arbeider, die zich gewillig laat indeelen, weet altijd zijn evenwicht te bewaren en overschrijdt de middelmaat niet, in kunde noch in behoeften; hij ontdekt instinctmatig zijne gelijken en begrijpt wat zij noodig hebben, als b.v. het kleine hoekje onafhankelijkheid, waar buiten men niet rustig werken kan, de noodige schatting van eerbetoog en goedkeuring, den zonnestraal van roem en de voortdurende toewijding van eigen waarde en nut, die onvermijdelijk is, wil men het zelfwantrouwen, dat diep in het hart van alle afhankelijke menschen, van alle "dieren eener kudde" schuilt, steeds opnieuw bedwingen. De geleerde heeft billijkerwijze ook de kwalen en gebreken van een niet edel geslacht: hij is vervuld van kleinzieligen nijd en ontdekt met den blik van den lynx al wat laag is in eene natuur wier grootheid voor hem onbereikbaar is. En wat bovenal den geleerde slecht en gevaarlijk maken kan is zijn geheim bewustzijn van de middelmatigheid van zijn geslacht, dat jezuïtisme der middelmatigheid, dat instinctmatig den ondergang van den uitzonderingsmensch bevordert en steeds elken gespannen boog tracht te breken of eigenlijk te ontspannen, wel heel voorzichtig met zorgzame hand en een indringerig medelijden, maar niettemin te ontspannen, want het jezuïtisme houdt er de bijzondere kunst op na steeds het uiterlijk van den godsdienst van het medelijden aan te kunnen nemen." [91] De geleerde is, over het algemeen, ongetwijfeld geheel los van alle positief geloof en vooral den Duitschen geleerde kost het moeite het probleem van den godsdienst ernstig op te vatten; hij is geneigd neer te zien op den godsdienst en ondervindt een natuurlijken afkeer van de intellectueele onoprechtheid, die hij bij alle geloovigen veronderstelt; alleen door de geschiedenis te bestudeeren wordt het hem mogelijk zich tot een zekeren eerbied, vermengd met vrees of dankbaarheid voor het werk, dat de godsdienstige mensch verricht heeft, te verheffen, maar die eerbied blijft geheel intellectueel, want zijne eigen gevoelens maken hem alle sympathie voor den persoon onmogelijk en doen hem in de practijk den godsdienstigen mensch en zijns gelijken ontwijken; in den grond van zijn hart is hij doordrongen van het idee, dat de geloofsmensch een "lager" menschelijk type is, dat verre wordt overtroffen door den man der wetenschap.
Hoe groot is zijne dwaling! welk een afgrond scheidt niet dat schoone type, den godsdienstmensch met zijn sterken wil, den mensch, die weliswaar ziek is, maar dank zij dien wil zegerijk tegen zijne ziekte strijdt, dien schepper van waarden, die zich zeker voelt van het doel, waarnaar hij streeft--en den braven geleerde, "den verwaanden dwerg," die in zichzelf noch in wetenschap gelooft en werktuigelijk, mechanisch werkt om zich te bedwelmen, om niet tot nadenken te komen en alle lastige problemen van zich af te schuiven, die weliswaar een geschikt arbeider, nuttig in zijne soort als landman, metselaar of schrijnwerker, maar tevens door en door middelmatig blijkt te zijn, goed om door anderen geleid en gedrild te worden, maar volkomen de kracht missende om eene nieuwe waarde te scheppen en lang en krachtig een wil te willen. [92] En zelfs wanneer wij ons dat middelmatig type in zijne hoogste volkomenheid denken en ons de verwezenlijking van den objectieven mensch, in wien zich het zuiverste wetenschappelijk instinct, geheel onbezoedeld ontwikkeld heeft, voorstellen--wat verkrijgen wij dan nog? Niets meer dan eenen spiegel, d.w.z. een werktuig en geen wil. "De objectieve mensch, zegt Nietzsche, is een spiegel, steeds klaar staande om den indruk op te vangen van al wat gekend wil worden; voor geen andere vreugde toegankelijk dan kennen en "weerspiegelen", wacht hij, totdat de dingen naar hem toe komen en dan ontplooit hij zich tot eene zoo effen, gevoelige oppervlakte, dat de lichtste voetstappen en het schuiven van een spook zelfs eenen indruk moeten achterlaten op de zachte huid. Wat hij dan nog overhoudt aan "persoonlijkheid" komt hem toevallig, willekeurig en dikwijls lastig voor, zoozeer is hij er aan gewoon geraakt niets meer te zijn dan eene halte, waar vreemde vormen en dingen hunnen indruk achterlaten. Hij heeft geen wil en geen tijd meer om zich met zijn eigen ik bezig te houden en hij is kalm, niet bij gebrek aan zorgen, maar omdat hij zijne persoonlijke zorgen niet durft aanraken en behandelen. Eischt men van hem liefde of haat,--ik bedoel liefde of haat, zooals God, de vrouw en het dier die opvatten,--dan doet en geeft hij wat hij kan, maar het moet u niet verbazen zoo het niet veel is en zoo hij, juist op dat punt, "zwak getint", broos, raadselachtig en onstandvastig blijkt te zijn. Zijne liefde is gewild en zijn haat is een kunstmatig product, eene handigheid, iets ijdels en overdrevens. Hij is alleen "juist getint", naarmate hij objectief kan blijven en alleen in zijn kalm universalisme is hij nog "natuur" en "natuurlijk". Zijne steeds effen gladgestreken ziel kan geen "ja" of "neen" meer zeggen; hij beveelt niet en vernietigt evenmin: "Ik veracht bijna niets," zegt hij met Leibniz." [93] Kortom, de objectieve mensch is ook niets meer dan een werktuig, een zeldzaam zuiver, fijn, zeer verstelbaar en zeer kostbaar werktuig, maar, evenals de arbeider der wetenschap "eene soort slaaf," want hij heeft een meester noodig, die hem voor een of ander doel gebruikt. Door zichzelf is hij niets, "bijna niets"; hij is het doel niet, dat de menschheid beoogt en evenmin het uitgangspunt van eene nieuwe beweging; hij is geen eerste oorzaak en evenmin een meester, maar alleen een leege, buigzame vorm, die zich naar elke soort inhoud kan wijzigen, een veronpersoonlijkt mensch "in het geheel niet iemand voor eene vrouw, tusschen twee haakjes," eindigt Nietzsche ironisch.
Al even onmachtig, maar om eene andere reden zijn alle soorten van sceptici. De mannen der wetenschap zijn werkers, betere of mindere werktuigen, maar de sceptici zijn temperamenten, die verzwakt zijn door eene overdreven cultuur, zielen, die geen kracht meer bezitten om te willen, bijgevolg decadenten. Er bestaan trouwens ontelbare variëteiten van sceptici, van af den middelmatigen verwaande, den liefhebberijdenker, die de voordeelige en "gedistingeerde" houding van den dilettant tracht aan te nemen, tot de smartbewogen ziel, die het geheim van het heelal heeft willen ontcijferen en die op hare zwerftochten door het rijk van den geest zoodanig verwelkt, afgesleten en verminderd is, dat er niets van haar overbleef dan eene ijdele schim zonder eenige vastheid. Zarathustra, de profeet van den Uebermensch, sleept ook een van die arme, zwervende schimmen achter zich aan; zij heeft hem op al zijne wetenschappelijke tochten vergezeld en hem volgend, alle troostend geloof afgezworen, alle afgoden vernield, het geloof in alle groote namen en groote woorden prijsgegeven en ten slotte haar doel uit het oog verloren; nu dwaalt zij zonder liefde, zonder verlangen of vaderland, droef en zwijgend rond in het heelal. En de anders zoo harde profeet slaat jegens haar een zacht medelijdenden toon aan:
"Gij zijt mijne schim," zegt hij treurig.
"Het gevaar, dat gij loopt, is niet gering, gij vrije geest, gij reiziger! Gij hebt een slechten dag gehad; pas op, dat de avond niet nog slechter voor u worde! Voor lichtzinnigen als gij wordt ten slotte eene gevangenis nog eene weldaad. Zaagt gij ooit, hoe opgesloten misdadigers slapen? Zij slapen rustig, want zij genieten van hunne nieuwe veiligheid.
"Waak vooral, dat gij niet eindigt met u gevangen te geven aan een bekrompen geloof, aan een harde en strenge illusie! Want voor u is voortaan al wat klein en hecht is, eene verzoeking, eene verleiding.
"Gij hebt uw doel verloren!.... En zoo hebt gij ook uwen weg verloren!
"Arme, dwalende, fladderende ziel, arme vermoeide vlinder!...." [94]
De wetenschap brengt echter niet alleen "objectieve" menschen en sceptici voort--zij heeft ook hare geloovigen. En niet altijd stelt zij zich tevreden met feiten te constateeren en te zeggen: wat weet ik er van? Zij wil ook somtijds eenen wil doen gelden en eene waardetafel uitschrijven. Op welke wijze gaat zij dan te werk? In elke wijsbegeerte, zegt Nietzsche, komt een oogenblik, waarop de overtuiging van den wijsgeer voor den dag komt of, om het in de woorden van een oud mysterie uit te drukken:
Adventavit asinus pulcher et fortissimus. [95]
M.a.w. elk wijsgeer tracht zijn systeem als eene zuiver logische schepping, als het werk van de zuivere rede voor te stellen. Dat nu is eene illusie, want het bewust leven wortelt bij elk mensch in zijn onbewust leven en zijne begeerte om de waarheid te leeren kennen, hoe belangeloos zij ook schijnen moge, staat in werkelijkheid slechts ten dienste en onder den invloed van eene machtiger en meer verborgen neiging. In elk systeem, hoe onpersoonlijk en meetkundig juist ook voor het oog, schuilt eene geloofsbekentenis; de theorieën van een wijsgeer zijn zooveel als zijne biecht en zijn gedenkschrift. In waarheid is hij niet een zuiver intellectueel, maar een listig advokaat, die de zaak van zijne vooroordeelen, en meestal van zijne moreele vooroordeelen bepleit; en zelfs is hij een weinig nauwgezet advokaat en bezit hij minder eerlijkheid dan de priester, daar hij zijne "overtuigingen" voor vastgestelde "waarheden" wil laten doorgaan. Die "overtuigingen" nu, die op den bodem van elk philosophisch systeem voorkomen en er om zoo te zeggen het levensbeginsel van uitmaken, zijn eenvoudig aan het ascetisch ideaal ontleend en de priester en de wijsgeer zijn doorgaans zonder het te weten, geen vijanden, maar bondgenooten.
Neemt b.v. Kant, den vader der Duitsche philosophie: Kant is voor Nietzsche slechts een nauwelijks vermomd Christen. Hij staaft, dat zijn geheele philosophische arbeid tot strekking heeft twee der gevaarlijkste dwalingen van de menschheid voor een aanval der rede te vrijwaren, t. w. het begrip van eene werkelijke wereld in tegenstelling met de schijnwereld, en het geloof in de absolute waarde van de moreele wet, van het categorisch imperatief. Die beide begrippen nu zijn eigenlijk niets anders dan de metaphysische verklaring der voornaamste leerstellingen van het Christendom. Want wat is, om te beginnen, het geloof in eene werkelijke wereld afgescheiden van eene schijnwereld? Niets anders immers dan het philosophisch equivalent van het grondbegrip van alle theologie: God is de eerste oorzaak van het heelal, dat de zinnen waarnemen en het ware leven van den mensch is het leven in God.
In het brein der metaphysici heeft het bestaand begrip van den goeden God, den God der lijdende menschheid, eene fijne, hooge en minder gekleurde gedaante aangenomen; zij hebben het veranderd in een reusachtige spin, die uit eigen stoffen de wereld weeft; zij hebben er het ideaal, den zuiveren geest, het absolute, het wezen op zichzelf van gemaakt. [96] Dat wezen op zichzelf, die wezenlijke wereld nu zijn eenvoudig het niet, eene illusie, wier heengaan Nietzsche in de volgende woorden vertelt:
Hoe de echte wereld eindelijk een sprookje werd.
Geschiedenis eener dwaling.
1. De ware wereld, die voor den Wijze, den Vrome en den Deugdzame toegankelijk is, leeft in hem, hij is die wereld.
(De oudste vorm van dat begrip, die betrekkelijk vernuftig, eenvoudig en overtuigend is. Omschrijving van dat axioma: Ik, Plato, ben de waarheid).
2. De ware wereld, die nu nog ontoegankelijk is, maar den Wijze, den Vrome en den Deugdzame ("den berouwhebbenden zondaar") beloofd werd.
(Voortgang van dat idee: het wordt fijner, misleidend, onbegrijpelijker, het wordt vrouw, het wordt Christin).
3. De ware wereld, ontoegankelijk, onbewijsbaar, raadselachtig, die evenwel, in gedachten slechts bestaand, toch eene troost, eene verplichting, een gebod is.
(Op den achtergrond nog steeds de oude zon, maar nu gezien door den nevel van de critiek; het begrip fijn, bleek, noordelijk, "Königsbergsch" geworden).
4. De ware wereld, ontoegankelijk? In ieder geval nooit bereikt, en omdat zij nooit bereikt werd, is zij onbekend. Haar verdwijnen geeft ons troost noch verlossing of verplichting, want waartoe zou iets onbekends ons kunnen verplichten?
(Morgenschemering. Eerste geeuw der rede. Gekraai van den haan van het positivisme).
5. "De ware wereld," een begrip, dat nergens toe dient en niet eens eene verplichting oplegt, een onnut en overbodig geworden begrip: in zijn verdwijnen een wederlegd begrip: laten wij het afschaffen.
(Klaarlichte dag. Ontbijt: terugkeer van gezond verstand en vroolijkheid; ontsteld blozen van Plato; sabbath van alle vrije geesten).
6. Wij hebben de "ware wereld" afgeschaft: welke wereld houden wij nu over? Zal het de schijnwereld zijn? Welneen! Tegelijk met de ware wereld hebben wij de schijnwereld afgeschaft.
(Middag, oogenblik van de kortste schaduw; einde van de langste dwaling; toppunt der menschheid: Incipit Zarathustra). [97]
De Christengod was, zooals wij gezien hebben, de God van al wat lijdt en tot den dood overhelt. In plaats van evenals de heidensche goden de vreugdevolle toejuiching van het bestaan, den wil tot macht, die "ja" zegt tot al wat het leven geeft te verpersoonlijken, stelde hij al datgene voor, dat in het hart van den ontaarden mensch wrok tegen het werkelijk leven en hoop op een denkbeeldig bestaan hiernamaals aanwakkert. De "ware wereld" der metaphysici is eigenlijk geheel hetzelfde: zij is een klank zonder eenigen reëelen inhoud. De Christengod is het symbool van eene negatie, die der wijsgeeren is het zuiver Niet.