Nietzsche's Philosophie

Part 11

Chapter 113,805 wordsPublic domain

Wanneer men nu in gedachte dat tragisch besef van eene schuld jegens de godheid samensmelt met het gevoel van een "slecht geweten", verkrijgt men de "zonde". De mensch, die een "slecht geweten" heeft, ondervindt eene ziekelijke behoefte om zichzelf leed te bezorgen; hij ziet natuurlijk niet in, dat de ware oorzaak van die behoefte in de hevige en plotselinge samenpersing van zijnen wil tot macht, van zijne natuurlijke neigingen ligt, maar hij weet daarentegen wel, dat hij jegens de godheid eene groote schuld draagt en nooit in staat zal zijn die af te lossen; daaruit volgt vanzelf, dat hij die schuld als de reden beschouwt, waarom hij zichzelf die smarten oplegt, want hij wil door pijnen zijne vertoornde schuldeischers vermurwen en zijne "zonde" boeten.

Dat besef van zonde, dat nu was ontstaan, werd de staf, waarmee de priester de zielen beheerschte. Door dat besef had hij vat op de ongelukkige menigte en maakte hij zich meester van alle lijdende schapen, die hij op zijnen weg ontmoette. Hij ging naar de ontaarden, die, ten prooi aan eene physieke kwaal, waarvan de aard hun onbekend was, angstig naar de reden er van, of meer nog naar den schepper zochten, die voor de depressie, waarin zij verkeerden, verantwoordelijk was, en hij schonk al dien ongelukkigen de overtuiging, dat zijzelve de eigenlijke oorzaak van hun lijden waren, dat dat lijden beschouwd moest worden als eene geringe boete voor al de "zonden", waaraan zij schuldig waren en dat zij het bijgevolg niet met gelatenheid, maar met vreugde, als zijnde eene door God gezonden beproeving, moesten aanvaarden. De ongelukkigen geloofden het; in hunne wanhoop namen zij de verklaring aan, die hij hen van hun lijden gaf en lieten zij zich gedwee het verschrikkelijk vergif van het geloof in de zonde inenten. Toen heerschte er door vele eeuwen heen eene sombere theorie van boetvaardige "zondaren", die door een langdurig martelaarschap den dood tegemoet gingen met een ziek lichaam, verslapte zenuwen en een kranken zielstoestand, die ten prooi waren aan hevige buien van wanhoop of aan waanzinnige vervoering, naar martelingen dorstten en door het vaste beeld van zonde en eeuwige vervloeking werden vervolgd.

Wat ten slotte volgens Nietzsche het Christendom kenteekent, is, dat het als godsdienst en als zedelijk ideaal eindigt in het nihilisme. Het heeft eene geheele wereld van zuivere hersenschimmen in het leven geroepen: het heeft denkbeeldige oorzaken, als "God", "de ziel", "de geest", "de vrije wil", denkbeeldige gevolgen, "de zonde", "de genade" en verhoudingen tusschen denkbeeldige wezens, "God", de "geesten", de "zielen" verzonnen; het heeft eene denkbeeldige natuurlijke wetenschap uitgevonden, gegrond op de miskenning der natuurlijke oorzaken; eene fictieve psychologie, die eene onjuiste verklaring der physiologische verschijnselen (als de verklaring van het lijden als gevolg der zonde) tot basis had en eene denkbeeldige theologie, het "koninkrijk Gods", het "eeuwige leven". Terwijl de Christen zijne denkbeeldige wereld schiep, vervloekte hij het werkelijk heelal en stelde hij de "natuur", als bron van alle kwaad, tegenover "God", bron van alle goed. De oorsprong van de Christelijke illusie laat zich dus gemakkelijk verklaren: die illusie ontstond uit den haat tegen de werkelijkheid en is de vrucht van eene ontaarde menschheid, die meer smart dan vreugde kent, van eene vermoeide, lijdende menschheid, die naar pessimisme en ontkenning van het leven overhelt, die naar terugkeer tot het niet verlangt.

IV.

Het voornaamste feit in de geschiedenis van Europa is de tegenwoordig bijna algemeene triomf van de slavenmoraal op de heerenmoraal: bijna overal erkent de mensch de waardetafel, die ontstaan is uit den wrok der slaven, uit het physiologisch en psychologisch bederf der ontaarden en uit de bewuste of onbewuste leugen van hunne natuurlijke hoofden, de ascetische priesters. Gedurende tweeduizend jaren heeft er een verwoede strijd geheerscht tusschen Rome, de erfgename van de Grieksche traditie en haar aristocratisch ideaal, de bakermat van het sterkste en edelste ras, dat ooit bestaan heeft, en Judea, het land van wrok en haat, het vaderland van den priesterlijken geest. Judea overwon. De Renaissance, die in hare vlucht door Luther en het Protestantisme wordt tegengehouden; het Fransch aristocratisch en klassiek ideaal, dat na twee eeuwen van grootheid in de bloedige Revolutieplaag ten onder gaat; Napoleon, dat eenig, bovenmenschelijk en wellicht onmenschelijk heerschertype, die door het Heilig Verbond overwonnen wordt; dat zijn de opeenvolgende feiten, die het ideaal der slaven ter overwinning hebben geleid. Heden ten dage verkeert Europa geheel in verval: overal doen zich onweerlegbare verschijnselen voor van verminderende levenskracht en het staat te vreezen, dat het menschelijk geslacht zal ophouden te groeien en langzamerhand tot eene verachtelijke middelmatigheid zal vervallen.

De slavenmoraal beheerscht in onzen tijd het modern geweten onder den weidschen naam van "godsdienst der lijdende menschheid". Laat ons eens van nabij zien wat die naam in werkelijkheid inhoudt.

De psychologische analyse van het medelijden toont ons in de eerste plaats, dat dat gevoel, dat door onze tegenwoordige moralisten zoo hoog geroemd wordt, volstrekt niet zoo belangeloos en zoo bewonderenswaardig is als het ons voorkomt, want in werkelijkheid schuilt in medelijden eene groote mate van zelfzuchtig genoegen. Wij doen anderen goed zooals wij hun kwaad doen, uitsluitend om ons het gevoel van onze macht bewust te zijn en hen om zoo te zeggen aan onze heerschappij te onderwerpen. De mensch, die sterke, edele neigingen heeft, zoekt zijnen gelijke op om tegen hem te strijden en hem door zijne kracht het hoofd te doen buigen voor zijne overmacht; daarentegen ziet hij neer op een al te gemakkelijke prooi en verwijdert hij minachtend hen, die hij niet waard acht zich met hem te meten. De zwakke echter stelt zich juist tevreden met eene middelmatige prooi en eene gemakkelijke overwinning; nu is een zieke of een ongelukkige niet erg te duchten en daarbij neemt de mensch altijd liever eene weldaad dan eene smart aan; bijgevolg weet de barmhartige zeker, dat hij een minimum van weerstand zal ontmoeten en zonder het minste gevaar eene overwinning zal behalen. Het medelijden is dus eene deugd voor middelmatige zielen en levert trouwens geen enkel bezwaar op, zoolang het ook slechts op middelmatige zielen wordt toegepast; daarentegen wordt het een gebrek aan achting en bijna eene laagheid, zoodra het zich tot eene edele ziel wendt, want eene edele ziel verbergt haar verdriet, hare smart en hare gebreken en verdedigt zich zoowel tegen welwillendheid als tegen kwaadwillendheid; de lijdende, misdeelde, afzichtelijke mensch heeft dus het recht de onbescheiden getuigen van zijne ellende en leelijkheid te haten en hen te verfoeien, die zich niet schamen naar iets, dat voor aller blik verborgen moest blijven, te kijken en den ongelukkige met een medelijden te overstelpen, dat hij niet gevraagd heeft.

Maar dat niet alleen: het medelijden is niet enkel een weinig belangrijk gevoel, maar het is tevens een neerdrukkend gevoel. Laten wij ons eens den godsdienst van het lijden der menschheid algemeen voorstellen onder de menschen. Wat zal er dan gebeuren? De totale som van leed zal verre van minder te zijn geworden, juist vermeerderd zijn, daar een ieder bij zijne eigen smarten nog een deel der smarten van anderen zal moeten dragen. Zoodoende is het medelijden een beginsel, dat de levenskracht verzwakt, want het verergert het verlies aan krachten, dat het leed reeds meebrengt en maakt de smart aanstekelijk.

Een nog ernstiger nadeel van den godsdienst van het medelijden is, dat hij de normale wet der uitkiezing, wier doel het is de misdeelde wezens, die weinig kans hebben als overwinnaar uit den strijd om het bestaan te komen, te doen verdwijnen, tegenwerkt. Alle godsdienst van het medelijden, als b.v. het Christendom, strekt tot bescherming van het bestaan der ontaarden, en daarin ligt trouwens de voornaamste reden van het succes, dat die soorten van godsdienst te allen tijde behaald hebben, want zwakken en zieken komen in overvloed voor, terwijl de volkomen gezonde mensch, die in alle opzichten goed geslaagd is, eene uitzondering maakt. Bij alle hoogere diersoorten vindt men eene meerderheid van misdeelde, ontaarde wezens, die noodlottig tot lijden gedoemd zijn en het menschelijk geslacht maakt daarop geen uitzondering, eer het tegendeel, want daar de mensch op de ladder van het bestaan een hooger type is, wel voor volmaking het meest vatbaar, maar dat nog licht verandert en nog geen vasten, beslisten vorm heeft aangenomen, staat juist hij in het bijzonder aan het toeval blootgesteld en is bij zijne soort de verhouding tusschen de mislukte en de goed geslaagde exemplaren nog grooter dan bij alle andere diersoorten. De godsdienst van het medelijden begaat dus de fout van eene menigte onnutte levens, die door de wet der uitkiezing veroordeeld zijn, te verlengen; hij behoudt en vermeerdert de ellende dezer wereld, maakt dientengevolge het heelal leelijker en het leven waard "ontkend" te worden; en is eigenlijk niet anders dan een practische vorm van het nihilisme. Die godsdienst is daarbij gevaarlijk voor het bestaan van de moreele gezondheid van de schoone exemplaren der menschheid, want het zien van ellende, misvorming en afzichtelijkheid is het meest te duchten gevaar voor den hoogstaanden mensch: het leidt hem tot afschuw van het leven hetzij door verregaande walging of door diep medelijden. Het medelijden kan eene verwoestende ziekte worden, die eene edelmoedige natuur, die de noodige hardheid mist om het te weerstaan, geheel verdelgen kan.

Het Christendom en de godsdienst van het medelijden hebben met goed gevolg het verval van het Europeesch ras bevorderd en de voortbrenging van verheven menschen, de evolutie van de menschheid naar den Uebermensch belemmerd.

Zoo wij nu den godsdienst van het lijden niet langer naar zijn gevolgen beoordeelen, maar als een symptoom beschouwen, begrijpen wij onmiddellijk wat de beteekenis er van is. Dat overvloeien van medelijden van den tegenwoordigen tijd is een duidelijk bewijs, dat de mensch de smart hoe langer hoe meer vreest, dat hij verweekt en verwijfd is en dat hij, beheerscht door zijn instinct als lid der kudde, steeds banger wordt voor al wat zijne veiligheid en rust zou kunnen verstoren. Hij ontvlucht niet alleen eigen smart maar kan ook niet langer de gedachte aan smart bij anderen verdragen en zelfs durft hij niet eens meer in naam van het recht doen lijden, wat wel degelijk aan de zwakheid van zijn karakter en volstrekt niet aan zielegrootheid of aan edelmoedige minachting van het geleden onrecht is toe te schrijven. De barmhartige strekt zijn medelijden uit tot over schuldigen en misdadigers. "In het leven der volken komt een oogenblik, waarop de maatschappij zoodanig gezonken en ontzenuwd is, dat zij zelfs partij trekt voor den mensch, die haar schendt, voor den misdadiger en dat nog wel met de meeste ernst. Straffen! het feit op zichzelf van straffen houdt voor hem iets onrechtvaardigs in; en zeker is het, dat de gedachte aan "straf" en aan de "noodzakelijkheid van straffen" hem pijn doet en vrees aanjaagt; zou het niet voldoende zijn den misdadiger onschadelijk te maken? Waarom dan hem straffen!.... "Straffen is zoo pijnlijk!" [85] Het ideaal, dat het lid der kudde najaagt, is, dat een ieder de zekerheid van een klein deel geluk met zoo min mogelijk smart verkrijge; het leed wordt beschouwd als "iets, dat afgeschaft moest worden." [86] Nietzsche daarentegen--en dat is misschien eene der schoonste zijden van zijne leer--heeft de overtuiging, dat lafhartigheid, de vrees voor smart eene der verachtelijkste hoedanigheden ter wereld is, want de smart is juist de groote opvoedster der menschheid en heeft haar hare schoonste titels bezorgd: "Gij zoudt zoo mogelijk"--en dat "zoo mogelijk" is de grootste dwaasheid--de smart willen afschaffen. En wij? Wij willen, naar het schijnt, het leven harder en slechter zien worden dan het ooit geweest is! Het welzijn zooals gij het opvat, is geen doel--neen, in onze oogen is dat een einde; een toestand, die den mensch onvermijdelijk tot een belachelijk, verachtelijk wezen en zijne vernietiging wenschelijk zou maken! In de levensschool der smart, der groote smart--weet gij het niet?--onder dien harden leermeester alleen heeft de mensch al zijne vorderingen gemaakt. De spanning van de ziel, die zich onder het gewicht der smart stram zet en sterk leert worden, de siddering, die zich van haar meester maakt als zij voor groote rampen staat, hare vindingrijkheid en haar moed om het ongeluk te dragen, om het uit te staan, het te verklaren en het zich ten nutte te maken, al hare diepte, hare geheimzinnigheid, hare geveinsdheid, hare wijsheid, list en grootheid: heeft zij die niet alle te danken aan de leerschool der smart, gevormd en gefatsoeneerd door de groote smart. In den mensch woont een schepsel en een schepper; er is in hem iets, dat materie, fragment, overbodig, klei, modder, onzin en chaos is; maar er is ook in hem een schepper, een beeldhouwer, de hardheid van den hamer, de bespiegeling van den kunstenaar, de vreugde van den zevenden dag: begrijpt gij die tegenstelling? En ook, dat uw medelijden tot het schepsel in den mensch gaat, tot dat, wat gevormd, gebroken, gesmeed, verscheurd, verbrand, door het vuur gehaald en gezuiverd moet worden, tot dat wat noodzakelijk lijden moet en tot lijden is geschapen? En ons medelijden--begrijpt gij niet, waarheen juist ons medelijden gaat als het zich verzet tegen uw medelijden als zijnde de grootste zwakheid en lafhartigheid? Voortaan dus: medelijden tegen medelijden." [87]

Een tweede ernstig teeken van verval is de bijna algemeene triomf van het democratisch ideaal in Europa. Ondanks de oogenschijnlijke tegenstelling tusschen dat ideaal en het Christelijk godsdienstig ideaal staan die beide door hunne hoofdstrekking in werkelijkheid gelijk. In het Christendom, den godsdienst van het menschelijk leed, zoowel als in den godsdienst der gelijkheid vindt men de volgende zelfde hoofdtrekken: haat van den zwakke tegen den sterke en verlangen naar een leven zonder smart. Het Christendom maakt alle menschen gelijk voor God en belooft hen een volkomen geluk aan de andere zijde van het graf; de democraat wil de gelijkheid der menschen voor de wet en spoort hen aan op aarde hun droom van volkomen geluk te verwezenlijken; zijn doel is eene maatschappij te vormen, waaruit alle ongelijkheid gebannen zou zijn en waarin alle menschen dezelfde rechten, dezelfde plichten en een gelijk aandeel in het geluk zouden hebben, waarin geen heerschappij meer zou bestaan en niemand meer te gehoorzamen of te bevelen had, waarin geen meesters of slaven, geen rijken of armen meer zouden voorkomen, maar enkel eene vormlooze massa geheel gelijkstaande "burgers". Dat is het eenige ideaal van alle democraten, onverschillig of zij zich republikeinen, socialisten of anarchisten noemen. Zij streven er alle naar elke hoogere autoriteit te verdrijven, "God noch heer" te erkennen en alle voorrechten af te schaffen; de anarchisten zijn op dat punt alleen logischer dan de socialisten en toonen meer haast om hun doel te bereiken. Zij allen verbroederen zich in een zelfden afkeer van het straffend recht en zijn geneigd alle straffen als onrechtvaardig te beschouwen; ook deelen zij dezelfde gevoelens omtrent den godsdienst van het medelijden, den afschuw van alle smart en de overtuiging, dat het leed afgeschaft moet worden. Zij gelooven alle in de kudde "zelve" en meenen, dat elk individu zijn eigen, bijzonder geluk kan en moet vinden in het geluk van het geheele maatschappelijke lichaam en dat dat maatschappelijk geluk alleen te bereiken is door het medelijden van elk afzonderlijk voor allen en door algemeene verbroedering. Die ideeën hebben zoo vasten voet gekregen in het modern geweten, dat Europa reeds bijna geen menschen meer voortbrengt, die in hooge mate het heerschersinstinct bezitten; zoo is het karakter van een echten meester als Napoleon een hoogst zeldzame uitzondering in onze dagen en het heeft dan ook eene buitengewone bewondering gewekt bij de menschheid, die zich van zelve altijd tot de meesters wendt, die in staat zijn haar te leiden.

Over het algemeen voeren de regeerende personen van den tegenwoordigen tijd hunne macht slechts met eene soort stille wroeging uit, zoo algemeen worden de waarden der slavenmoraal erkend. Om zich tegen hun slecht geweten te waarborgen, zoeken zij hunne toevlucht in huichelachtige sophismen en trachten zij hunne bevoorrechte positie met de voorschriften der heerschende moraal overeen te brengen: zij beschouwen zich als de uitvoerders van bevelen, die van eene hoogere macht uitgaan (de traditie, de wet, God), als de "eerste dienaren van het land" of als de "werktuigen van het algemeene goed." [88]

Dezelfde neiging tot gelijkmaking uit zich ook in de wijze, waarop de hedendaagsche Europeaan de verhouding tusschen man en vrouw beschouwt.

Voor Nietzsche is de natuurlijke ongelijkheid der geslachten eene noodzakelijke wet, want volgens hem is de oorzaak dier ongelijkheid, dat de liefde voor den man van minder belang is dan voor de vrouw. Liefde is in het leven van den man slechts eene episode; zijn sterkste neiging is het verlangen naar macht, de wil om zijne heerschappij steeds verder uit te strekken; een onafgebroken strijd tegen de krachten der natuur en tegen den wedijverenden wil van anderen, de voortdurende bevestiging van zijne persoonlijkheid--ziedaar de groote taak, waaraan hij zijne krachten wijden moet. Zoo hij zich alleen aan liefde overgaf en zijn geheele leven, al zijne gedachten en werkkracht aan de vrouw zijner liefde offerde, zou hij niets meer zijn dan een slaaf en een lafaard, die niet waard was man te heeten en de liefde eener vrouw te bezitten. In het leven der vrouw daarentegen zijn de liefde en het kind alles." Alles in het leven der vrouw is een raadsel, leert Zarathustra, en alles in de vrouw heeft slechts ééne oplossing, die baring heet.

De liefde is in haar bestaan dus de beslissende gebeurtenis. In tegenstelling met den man moet zij haar eer en roem er in leggen de "eerste in de liefde" te zijn en zich geheel en volkomen naar lichaam en ziel te geven aan den meester, dien zij gekozen heeft; in die verloochening van haar eigen wil moet zij haar geluk zoeken en zij zal des te meer bewondering verdienen en des te volkomener zijn naarmate zij zich meer volkomen en beslist geeft. "Het geluk van den man, zegt ook Zarathustra, heet: ik wil. Het geluk van de vrouw heet: hij wil." De vrouw, die liefheeft, moet zich geheel aan den man geven en hij moet die gave mannelijk aanvaarden: zoo is de wet der liefde, die tragische en somtijds smartelijke wet, die beide geslachten tot een niet op te heffen antagonisme dringt. De vrouw is geschapen om te beminnen en te gehoorzamen, maar wee haar zoo de man uit verveling of onbestendigheid genoeg van zijne verovering krijgt, de gave, die zij hem offerde, gering vindt en nieuwe liefde, nieuwe aandoeningen zoekt! De man moet heerschen en beschermen; hij moet rijk en machtig genoeg van aard zijn om zoo te zeggen twee levens te leven, om zijn eigen geluksdeel te veroveren en tevens haar, die alle hoop op hem gevestigd heeft, gelukkig te maken; wee hem, zoo die zware taak hem te veel wordt en zoo hij, waar liefde tot hem kwam de kracht miste om de vlam dier liefde aan te wakkeren; bedrogen liefde gaat over in verachting en de vrouw draagt hem, dien zij harer onwaardig vindt en dien zij beschuldigt haar haar doel te hebben doen missen, een onverzoenlijken haat toe.

De tegenwoordige tijd neemt even ongaarne dat natuurlijk antagonisme tusschen man en vrouw als de even natuurlijke tegenstelling tusschen man en slaaf aan, en evenals men getracht heeft den slaaf te verheffen, zoo tracht men de vrouw te vergoden. Nietzsche nu is verre van den eeredienst van het "ewig weibliche" als wettig te erkennen en in de vrouw een hooger wezen met meer verfijnde neigingen en een juister moreel gevoel te zien, een wezen, dat de macht heeft de menschheid tot haar hoogste doel te voeren. Volgens hem behoort den man de hoofdrol; hij moet de meester en de gevreesde meester zijn, want hij heeft de grootste physieke kracht, het meest ontwikkeld verstand, het edelmoedig hart en den vasten, energischen wil. De vrouw is "bedachtzaam"; zij bezit in hoogere mate dan de man een zeker practisch verstand, dat haar de dingen naar waarde doet schatten en haar vlug de middelen doet vinden om het gegeven doel te bereiken; maar haar aard is minder rijk en minder diep dan die van den man; zij blijft meer aan de oppervlakte der dingen, is beuzelachtig en somtijds bekrompen en pedant. "De man moet voor den strijd worden opgeleid, leert Zarathustra, en de vrouw voor de ontspanning van den strijder; al het overige is dwaasheid." [89] De vrouw is geen afgod; zij is slechts een breekbaar en kostbaar stuk speelgoed, dat evenwel ook gevaarlijk is en daardoor voor den man des te meer waarde heeft. Zij is te duchten zoodra hartstocht, hetzij liefde of haat, haar verteert, want in haar meer dan in den man bleef de oorspronkelijke ongebondenheid der neigingen behouden; men vindt bij haar de sluwe lenigheid van de kat, den klauw van den tijger, die zich plotseling onder den fluweelen poot doet gevoelen, de naïeve zelfzucht, de onhandelbare, tegenstrevende natuur en de verwarrende, onlogische zonderlingheid van hartstochten en verlangens. Daarom heeft zij een sterken meester noodig, die in staat is haar te leiden en zoo noodig hare buitensporigheden tegen te gaan. Maar al boezemt zij aan den eenen kant vrees in, aan den anderen kant kan zij ook betooveren door hare teere, fijne bevalligheid, door de gave om zich te tooien, zich physiek en moreel onder duizend verschillende vormen te vertoonen; en bovenal boezemt zij medelijden in, heel veel medelijden, omdat zij meer blootgesteld schijnt te zijn aan smart, omdat zij lichter te treffen is, meer liefde behoeft en tot meer ontgoocheling is gedoemd dan alle andere schepselen.

Het is trouwens niet de verafgoode vrouw, die Nietzsche's toorn het meest gaande maakt; hij verfoeit bovenal en vervolgt met zijn wreedst sarcasme de "geëmancipeerde" vrouw, de vrouw, die geen vrees meer voor den man gevoelt, die er niet meer aan denkt zich te geven, maar met hem op gelijken voet wil staan, de vrouw, die de hulde en het ontzag van het sterke geslacht voor de zwakkere vrouw bijna als eene beleediging beschouwt en in den strijd om het bestaan met den man wil wedijveren. Geen vrouw staat hem zoozeer tegen als de pedante blauwkous, die het waagt zich met litteratuur, wetenschap of politiek te bemoeien, zoo niet nog erger de vrouwelijke "ambtenaar", die in de moderne maatschappij, waarin de geest van nijverheid den aristocratischen geest van strijd heeft overwonnen, naar juridische en economische onafhankelijkheid streeft, luidruchtig tegen de slavenrol opkomt, die men haar opdringt en drukke veldtochten organiseert om dezelfde rechten als de man te verkrijgen. Nietzsche waarschuwt de vrouw, dat zij op den verkeerden weg is, zoo zij zich met den man wil meten en dat zij bezig is haren invloed te verliezen en in de publieke achting hare eigen waarde te verminderen. Haar belang bestaat daarin, dat zij den mannen verschijnt als een wezen van eene geheel andere orde, als een verafstaand, moeilijk te bereiken, te begrijpen en te regeeren wezen, dat flauw te vreezen en tevens zeer teer is, dat medelijden opwekt en ontzien moet worden.