Nietzsche's Philosophie

Part 10

Chapter 103,736 wordsPublic domain

In het begin van de Europeesche beschaving ziet men telkens opnieuw het feit zich voordoen, dat die beide typen der moraal in het leven roept: een oorlogzuchtig geslacht, eene bloeddorstige bende valt een vreedzamer en minder strijdvaardig geslacht aan, onderwerpt het en gebruikt het ten eigen bate. Op die wijze ontstonden de Grieksche en de Romeinsche beschaving en vestigden zich in dagen van nog jongeren datum de Germaansche koninkrijken op de overblijfselen van het Romeinsche keizerrijk. De bloeddorstige mensch, de aristocraat, weet zelf de waarde van menschen en zaken te bepalen: hij weet wat voor hem op zichzelf nuttig of schadelijk, goed of slecht is en zijne moraal is niet anders dan het vreugdevol bewustzijn van zijne volmaaktheid en zijne kracht. Hij noemt "goed" al wie zijn gelijke is, den edelman, den meester, en "slecht" noemt hij zijn mindere, den boer, den slaaf, dien hij veracht. Het "goede" is in zijne oogen dus niet anders dan het totaal van de physieke en moreele hoedanigheden, die hij bij zichzelf en zijne gelijken hoogschat; hij is er trotsch op sterk en machtig te zijn, anderen en zichzelf te kunnen beheerschen en voor zichzelf en anderen hard te kunnen zijn; en daarom huldigt hij diezelfde hoedanigheden ook in anderen. Daarentegen veracht hij zwakheid en lafhartigheid onder welken vorm ook, hetzij bangheid, vleierij, laagheid, nederigheid en bovenal leugen; hij gevoelt niets voor medelijden of belangeloosheid, die deugden, die juist in onze dagen zoo hoog staan, want in zijn oogen zijn die gevoelens eenigszins misplaatst en zelfs in zekeren zin belachelijk in een meester of chef; maar kracht, stoutmoedigheid, list en zelfs wreedheid bewondert hij, omdat die hoedanigheden hem het overwicht in den strijd verzekeren, en wat het modern geweten het meest kwetst, is dat hij bovenal de vaste overtuiging bezit jegens niemand anders dan zijne gelijken plichten te hebben en tegenover den slaaf en den vreemdeling geheel naar willekeur te kunnen handelen en zonder eenig bezwaar zoo hard of zacht voor hem te kunnen zijn als hem goeddunkt. Daarentegen heeft hij strenge verplichtingen jegens zijne gelijken: hij moet zich in dankbaarheid, zoowel als in wraak getrouw betoonen en het goede, zoowel als het kwade in gelijke mate beantwoorden; hij is algeheele verknochtheid schuldig aan zijn vriend en aan zijn meester en moet toegevend zijn voor den ouderdom; eerbied voor de traditie is hem aangeboren en verre van in vooruitgang te gelooven, huldigt hij het verleden en ziet hij onwelwillend op de jongere geslachten neer. De aristocratische moraal is hard en onverdraagzaam, want daar de adel zich over het algemeen in de minderheid weet te midden van een stil vijandelijke omgeving, moet hij tot elken prijs die hoedanigheden van zijn geslacht, die hem de overwinning bezorgd hebben, in ongeschonden staat behouden; voor hem is dat eene quaestie van leven of dood. Daarom zijn ook gewoonten, die betrekking hebben op de opvoeding der jeugd, op het huwelijk en op de verhouding tusschen jongeren en ouderen zeer streng, want alles is er op berekend om ontaarding te voorkomen en het oorspronkelijk type van het ras zoo zuiver en zoo vast mogelijk in stand te houden. En eindelijk heeft een aristocratisch ras zijn god, die alle deugden verpersoonlijkt, waaraan het zijne macht te danken heeft en aan wien het door offeranden zijne dankbaarheid betoont voor hetgeen het geworden is. Die god, dien de aristocraat naar zijn eigen beeld schept, moet bijgevolg nuttig of schadelijk, vriend of vijand, slecht of weldoend zijn, want hij is in werkelijkheid de "wil tot macht", die de meesters ter overwinning heeft geleid en hen sterk en gelukkig heeft gemaakt, de eeredienst, dien zij hem wijden is dan ook de uiting van hunne vreugde om te leven, van hunne zelfvoldoening over hun schoonheid en macht.

Geheel verschillend is het tweede groote moreele type, het type van de slavenmoraal, de moraal van den zwakke, den overwonnene. Terwijl in den meester trots en vreugde over het leven de overheerschende gevoelens zijn, heeft juist de zwakke eene pessimistische neiging om het leven te wantrouwen en haat hij instinctmatig den machtige, die hem onderdrukt, want men moet inderdaad niet vergeten, dat de "edele" rassen voor de minderen verschrikkelijke vijanden zijn geweest; zoo vol ontzag en toegevendheid als zij voor elkander waren, zoo weinig erkenden zij een wet, zoodra het den vreemdeling gold; op hem wreekten zij de zelfbeheersching, die zij in acht moesten nemen tegenover hunne gelijken; tegen hem was alles geoorloofd, geweld, moord, plundering, pijniging; tegenover hem werden de edelen weer verscheurende dieren, grootsch en verschrikkelijk in hunne kracht, vroolijk en welgemoed terugkeerende van hunne bloedige tochten, overtuigd van den roem hunner daden, die waard waren door de dichters bezongen te worden. In de oogen van hunne slachtoffers waren zij afschuwelijke, vreeselijke monsters: "Die dwaze, belachelijke vermetelheid der edele rassen, die zich zoo plotseling openbaarde, het onverwachte en onwaarschijnlijke van hunne ondernemingen, hunne onverschilligheid en verachting voor alle veiligheid, voor hun leven en hun welzijn, hunne verbazende zielekalmte, hun groot genot om te vernietigen, te overwinnen en wreed te zijn, dat alles te zamen maakte voor de slachtoffers hunner ondernemingen het beeld uit van den "barbaar", "den boozen vijand", van den "Goth" of den "Vandaal" b.v. [82] Zoo wordt de sterke en machtige mensch, de "goede" in de meestermoraal, de "booze" in de slavenmoraal.

Het "booze" is in de oogen van den zwakke al wat gewelddadig en hard is, al wat schrik en vrees aanjaagt; het "goede" moet dus omgekeerd al die deugden in zich sluiten, die door de meesters veracht worden en voor de verdrukten en lijdenden het bestaan verzachten, als medelijden, zachtheid, geduld, nijverheid, nederigheid en welwillendheid; de "goede", die in de Herrnmoraal door den schrikwekkenden en sterken krijgsman wordt vertegenwoordigd, wordt in de slavenmoraal de vreedzame en zachtmoedige mensch, waarop men zelfs in zekeren zin neerziet, omdat hij al te onschadelijk en te goedhartig is.

III.

Wij zullen nu de waardetafel, die de slaven erkennen, van meer nabij bekijken, want in hun midden ontstonden de Christelijke moraal en godsdienst, waarop het geheele systeem der moderne waarden berust.

De bende slaven, de kudde zwakken en onterfden, alle soorten van ontaarden vinden hunnen natuurlijken meester in den priester. Wat nu is een priester?

De priester moet zelf een ontaarde zijn om de behoeften van zijne zieke stamgenooten te kennen en in hun midden te kunnen leven, maar hij moet zijn heerschersinstinct intact hebben gehouden om het vertrouwen der lijders te kunnen winnen, hun vrees in te boezemen en hun hoeder, hun steun, hun tiran en hun god te worden. In de eerste plaats dwingt zijn zending hem de zwakken tegen de sterken te verdedigen en dientengevolge wordt hij de gezworen vijand der meesters; tegenover hen maakt hij zonder gewetensbezwaren van alle middelen gebruik, in het bijzonder van de wapens der zwakken, list en leugen; hij wordt zelf een "verscheurend dier", dat bijna evenzeer te duchten is als dat, welk hij bestrijdt. Maar daarbij blijft het niet: hij moet ook de kudde tegen zichzelf, tegen de verkeerde gevoelens, die zich van zelf uit alle ophoopingen van zieken ontwikkelen, verdedigen; met wijsheid en hardheid moet hij alle begin van anarchie en elk teeken van ontbinding bestrijden; ook moet hij handig omgaan met den licht ontplofbaren wrok, die steeds te midden der scharen ontstaat en de ontploffing zoo leiden, dat zij kudde noch herder beschadigt. Dat is dus de historische zending van den priester: aan den eenen kant is zij nuttig omdat zij onheilen voorkomt door de menigte ontaarden aan tucht te gewennen, maar aan den andere is zij eigenlijk noodlottig, omdat zij den loop der natuurlijke evolutie belemmert. De natuurlijke haven voor zwakken, zieken en alle soort van pessimisten is de weldadige dood, die alle lijden verdooft, het vreedzaam rustoord, de onschendbare wijkplaats van alle onwelkome wezens; maar juist bij hen, wier levenskracht verminderd is, verdedigt de "wil tot macht" zich instinctmatig tegen vernietiging: door hun de werkelijkheid valsch voor te stellen, blaast hij hun nieuwe redenen tot leven in, hij geeft hun middelen aan om hun lijden te bedriegen en misleidt hen in de oorzaak van hunne kwaal. De priester nu maakt zeer handig gebruik van die natuurlijke neiging: hij leidt haar, spoort haar aan, overdrijft haar en maakt haar tot zijn heerscherstaf en zoo wordt hij de beschermer van eene bende tallooze zieken, maar tot welken prijs? Dat zullen wij verder zien.

Onder de Joden, dat priesterras, dat zich ondanks de kwade levensomstandigheden, waarin het verkeert, door wonderen van taaiheid staande heeft gehouden, is wat Nietzsche noemt de "slavenopstand" in de moraal begonnen. De Joden, zegt hij, zijn de ergste tegenstanders van de vereffening der aristocratische waarden geweest (goed = edel = machtig = schoon = gelukkig = godwelgevallig); met eene verbijsterende logica hebben zij getracht haar omver te werpen; zij hebben haar met de haken van den diepsten haat, den haat van den onmachtige aangegrepen en niet meer losgelaten. Alleen de ongelukkigen, zeggen zij, zijn goed, alleen de armen, de onmachtigen en de zwakken; en alleen de lijdenden, de ellendigen, de zieken en leelijken zijn vroom en godwelgevallig; hun alleen behoort het geluk. Maar gij, edelen en machtigen, die in alle eeuwigheid slecht, wreed, zinnelijk, onverzadigbaar en goddeloos zijt, gij zult ook te eeuwigen dage ongelukkig, verdoemd en verworpen blijven!" [83] Het Christendom heeft die nieuwingestelde waardetafel van het Jodendom geërfd: de Christelijke priester heeft niets anders te doen gehad dan het werk van den Joodschen priester voort te zetten en is nu, na een strijd van tweeduizend jaren, overwinnaar gebleven.

De eerste daad van de groote omkeering der waarden is de hypothese van de ziel en den vrijen wil geweest. In werkelijkheid bestaat er geen ziel afgescheiden van het lichaam, en ook geen vrije wil, evenmin als er trouwens een niet vrije wil bestaat; er bestaan alleen sterke willen, die zich in krachtige uitwerkingen openbaren en zwakke willen, wier handelingen minder krachtig zijn. Uitspraken als "de bliksem verplettert" of "de machtige overwint zijne tegenstanders" zijn eigenlijk noodelooze herhalingen, want de bliksem is geen wezen, dat al of niet kan verpletteren; hij is alleen bliksem op het oogenblik, dat hij verplettert; zoo ook bestaat de som der krachten, die zich in de daden van een machtig mensch openbaren, uitsluitend in en door die openbaringen zelve. Het algemeen bewustzijn heeft echter krachtens een volkomen willekeurige hypothese het wezen van het verschijnsel: den wil van zijne uitingen gescheiden; het veronderstelt achter de menschelijke daden, achter de zichtbare uitwerkingen van den wil tot macht, een wezen, eene ziel, die de oorzaak is van die uitwerkingen en die ziel wordt beschouwd als eene wezenlijkheid, aan wie het vrij staat zich naar willekeur te openbaren en zus of zoo te handelen. Toen nu eenmaal de illusie van den vrijen wil ontstaan was en erkend werd, kon de slaaf zich, in zijne verbeelding althans, gelijk stellen met den meester en kon hij dien zelfs overtreffen, want zoo de waarde van een mensch niet in de som zijner beschikbare krachten ligt, maar alleen in het gebruik, dat hij van zijn vrijen wil maakt, is er niets, dat den zwakke verhinderen kan het van den sterke te winnen en wel om de volgende reden: de machtige handelt als machtige, maar daarmee handelt hij verkeerd, want het is "slecht" als machtige te handelen; de zwakke wil als zwakke handelen (hij zou trouwens niet anders kunnen) en hij heeft gelijk, want het is "goed" als zwakke te handelen waaruit volgt, dat de zwakke beter is dan de sterke.

Met bewonderenswaardigen gloed heeft Nietzsche de geheimzinnige en bedriegelijke wijze beschreven, waarop de slaven in hun diepen wrok er in slaagden, in gedachte de meesters te verkleinen en zichzelve als martelaren en heiligen voor te doen:

"Wil iemand afdalen in den geheimzinnigen afgrond, waar men zien kan hoe op aarde een ideaal wordt gemaakt! Wie heeft er den moed toe!.... Komaan: van hier uit daalt de blik op die sombere werkplaats neer. Wacht even, gij vermetele: uw gezicht moet eerst wennen aan dat valsch en twijfelachtig licht!.... Zoo! nu is het goed! Spreek! Wat gebeurt daar in de diepte. Zeg mij nu wat gij ziet, gevaarlijk nieuwsgierig mensch, nu ben ik het, die luister.

"Ik zie niets, maar ik hoor des te meer. Uit alle hoeken en gaten komt een geheimzinnig, geniepig zacht gemurmel en gefluister. Het is alsof men er liegt, want eene honigachtige zoetheid omkleeft elk geluid. De zwakheid wordt er door een of anderen goocheltoer in deugd veranderd, daaraan valt niet te twijfelen, gij hadt wel gelijk."

En verder!

"En de onmacht, die zich niet verweren kan, wordt "goedheid", bange laagheid wordt "nederigheid"; onderwerping aan hen, die men haat, "gehoorzaamheid" (en die gehoorzaamheid, zoo zeggen zij, geldt een wezen, dat die onderwerping eischt en dat zij God noemen). De lijdzaamheid der zwakken, de lafhartigheid, waarvan zij overloopen, de gedweeheid, die aan de deur blijft staan en vreedzaam blijft wachten, worden bestempeld met den fraaien naam "geduld"--dat zeker ook al voor deugd doorgaat; hun "ik kan mij niet wreken" wordt "ik wil mij niet wreken", of zelfs "ik vergeef het hun" "(want zij weten niet wat zij doen--maar wij weten wel degelijk wat zij doen!") Zij spreken ook van "hunne vijanden liefhebben"--en zij zweten er van....

En verder!

"Zij gevoelen zich ongetwijfeld ellendig, al die kuipers en valschemunters, al houden zij elkander zoo warm mogelijk, maar zij vertellen mij, dat hunne ellende het teeken is, dat God hen heeft onderscheiden en uitverkoren, want slaat men niet juist de honden, waarvan men het meest houdt; misschien ook is die ellende slechts eene voorbereiding, een proeftijd, eene school.... misschien zelfs nog meer: iets, dat eenmaal met reusachtigen interest zal worden afgelost, niet met goud, maar met geluk. Dat noemen zij de "zaligheid".

En verder!

"Nu geven zij mij te kennen, dat zij niet alleen beter zijn dan de machtigen en de meesters der aarde, wier spuwsel zij moeten oplikken (niet uit angst, o neen, volstrekt niet uit angst, maar, omdat God beveelt alle oppermacht te eerbiedigen) maar dat zij veel beter bedeeld zijn of éénmaal althans beter bedeeld zullen zijn dan zij. Genoeg! genoeg! ik houd het niet langer uit. Geef mij lucht! lucht! Die kraam, waarin het ideaal gemaakt wordt, lijkt mij van leugenstank vervuld.

Neen! een oogenblik nog! Gij hebt ons niets verteld van het kunstwerk van die toovenaars, die alle zwart in wit, in melk en onschuld weten te veranderen. Hebt gij niet opgemerkt, waarin hunne grootste geslepenheid bestaat, wat hun brutaalste, gekste, leepste en kunstigste greep is? Let op! Die duizendpooten vol nijd en haat--wat maken die juist van nijd en haat? Hebt gij die woorden in hunnen mond gehoord? Zoudt gij, naar hunne gesprekken te oordeelen, vermoeden te midden van menschen vol wrok te zijn?....

"Ik begrijp u en nog eenmaal houd ik mijne ooren open (helaas! en mijn neus dicht). Nu begrijp ik eerst wat zij sedert lang reeds zeiden: "Wij, de Goeden, wij zijn de Rechtvaardigen"; wat zij vragen noemen zij niet wraak, maar "den triomf van het recht"; wat zij haten, heet niet hun vijand, neen! zij haten het onrecht, de goddeloosheid; het geloof, dat hen bezielt, is niet de hoop op wraak, de verrukking der zoete wraak ("zoeter dan honing", zeide reeds Homerus), maar de zegepraal van God, van "den rechtvaardigen God over de goddeloozen"; en zij, die zij liefhebben op aarde, zijn niet hunne broeders in den haat, maar "hunne broeders in de liefde", zooals zij hen noemen, "alle Goeden en Rechtvaardigen der aarde."

En hoe betitelen zij dat verdichtsel, dat hen troost over al het leed van het leven, hun zinsbedrog van een toekomstgeluk, waarop zij bij voorbaat reeds korting krijgen?

"Wat? Hoor ik goed? Dat noemen zij: het "laatste oordeel"; en de komst van hunne heerschappij: het "koninkrijk Gods"; in afwachting daarvan leven zij "in geloof", "in liefde" en "in hoop".

"Genoeg! genoeg!" [84]

Zoo wordt nu het ideaal van den slaaf gevormd en zijne tafel van moreele waarden opgesteld. Hij leeft al naar het uitkomt, opgehouden door de troostende verdichtsels, die hij verzonnen heeft, maar zijne physiologische depressie, de oorspronkelijke oorzaak van zijne zwakte blijft hem drukken en hij lijdt en mort over zijne kwaal. Dan treedt de priester op, niet om de ziekte, die hem plaagt, te genezen en evenals de medicus de ware, physieke oorzaak te bestrijden, maar uitsluitend om den patiënt de smart, die hij lijdt, te doen vergeten.

Met dat doel maakt hij eerst gebruik van narcotische middelen, die de pijn verdooven, maar niet de minste genezing aanbrengen voor de physiologische kwaal, waaruit die pijn voortvloeit. Hij behandelt den zieke hypnotisch en schrijft hem eene leefregel voor, die geschikt is om zijn physiek zoowel als zijn intellectueel leven tot een strict minimum terug te brengen; met behulp van ascetische middelen, van lichamelijke kastijding, van systematische "versuffing" brengt hij zijn patiënt in eene soort physieke en moreele verdooving, die hem minder gevoelig voor smart maakt en gelukt het somtijds zelfs hem tot bijna totale ongevoeligheid te brengen. Door die behandeling maakt hij van den ontaarde een fakir, een "heilige". In vele gevallen stelt de priester zich ook tevreden met den patiënt eene geregelde, machinale werkzaamheid voor te schrijven, die zijne aandacht in beslag neemt en hem in eene soort automaat verandert, die geen tijd heeft aan zichzelf te denken. Of wel hij schrijft hem eene gemakkelijk te verkrijgen aangename bezigheid voor, als "naastenliefde" in elken vorm: welwillendheid, barmhartigheid, wederkeerige hulp, enz. En eindelijk vindt hij nog een middel in het verzamelen van zijne zieken tot eene groote kudde, waarin zij door de vele kleine afleidingen, die in het maatschappelijk leven voorkomen, hunne persoonlijke kwalen vergeten.

Maar naast die onschuldige middelen gebruikt hij in zijne behandeling een geneesmiddel, dat even gevaarlijk als doeltreffend is, een vreeselijk vergif, dat den zieke zijne pijn doet vergeten, maar tegelijkertijd meer dan ooit zijn organisme vernielt. Dat vergif is het bewustzijn van "zonde".

Het begrip van zonde vindt zijn natuurlijken oorsprong in twee spontaan en buiten alle priesterlijke tusschenkomst ontstane gevoelens van het menschelijk hart: het "slechte geweten" en het geloof in eene "schuld", die de mensch aan de godheid heeft.

Het slechte geweten is, volgens Nietzsche, het gevolg van de diepe neerslachtigheid, die zich van den mensch meester maakte, toen hij van den staat van wilde, eenzame dierlijkheid, waarin hij oorspronkelijk verkeerde, overging tot eene georganiseerde maatschappij en deel van eene kudde uitmaakte. De staat is oorspronkelijk waarschijnlijk eene vreeselijke dwingelandij geweest, die eene bende roofzieke, machtige menschen, die slechts op plundering en oorlog uit waren, aan een vreedzaam ras hebben opgelegd. Op eenmaal werden de levensvoorwaarden der overwonnenen totaal verstoord en niet langer konden hen de natuurlijke neigingen, die zij tot nog toe gevolgd hadden, tot leiddraad in het leven strekken; voortaan moesten zij zelfbeheersching genoeg bezitten om zich geduldig te gedragen en hun wil te bedwingen, zoodra hij dreigde hunne meesters te mishagen; zij moesten nu met overleg en nadenken gaan handelen. Alle neigingen te zamen maken evenwel een totaal van kracht uit, dat zich noodzakelijk in uitingen openbaren moet; wordt die kracht nu zoodanig samengeperst, dat zij niet meer naar buiten werken kan door onmiddellijke reactie, zoo zal zij in eene latente kracht veranderen en haar bestaan door inwendige werking uiten. Door eene dergelijke metamorphose nu is het "slechte geweten" ontstaan; het is het gevolg van de drukking, die de natuurlijke neigingen van den mensch moesten doorstaan ten tijde van hunnen overgang van onafhankelijkheid tot slavernij. Evenals een wild dier, gemarteld door heimwee naar het vrije woestijnleven, zichzelf aan de traliën van zijne kooi pijnigt, zoo martelde de oorspronkelijke mensch zich in zijne dienstbaarheid en gevangenschap. Zijn levensinstinct, belemmerd in zijne uitingen naar buiten, openbaarde zich in eene soort innerlijke gisting, en van af dat oogenblik bezat de mensch een innerlijk leven, dat hem tot een veel belangwekkender wezen maakte dan de zegevierende, redelooze mensch maar dat hem tevens tot een zieke stempelde.

Het besef van een "schuld" jegens de godheid is aan den anderen kant eene der vroegste uitingen van den godsdienstigen geest. Oorspronkelijk meende elk geslacht, dat het zijn voorspoed aan de voorgaande geslachten te danken had, en dat de voorvaderen, die na hunnen dood machtige geesten geworden waren, een weldadigen invloed op het lot hunner nakomelingen bleven uitoefenen. Maar alle diensten moeten betaald worden en zoo kregen de menschen het gevoel dat zij eene schuld jegens hunne voorouders hadden aangegaan en hun, in ruil voor hunne bescherming, offeranden verschuldigd waren; vandaar de vereering der voorvaderen, die men in het begin van elke beschaving terugvindt. Langzamerhand echter nam die vereering, die de mensch oorspronkelijk voor al zijne voorvaderen gevoelde, een anderen vorm aan en gold zij weldra uitsluitend den eersten voorvader van zijn geslacht; daarna werd die eerste voorvader tot een god verheven en die god was des te machtiger en te meer te vreezen, naarmate het volk, dat hem vereerde, in voorspoed leefde. Naarmate nu, dat de grootheid van dien god steeg, moest ook het gevoel van de schuld jegens hem grooter worden en bijgevolg de angst om hem niet genoeg te geven, toenemen. Krachtens die logica steeg in den mensch het besef van afhankelijkheid van zijnen god tot het maximum van intensiteit, toen de eenige Christengod alle heidensche goden had overwonnen en zich als overheerscher van het grootste gedeelte van Europa deed gelden. Toen begon de mensch te denken, dat de schuld te groot was om ooit afgedaan te kunnen worden en dat hij tegenover zijnen God stond als een insolvent schuldenaar tegenover zijnen schuldeischer en bijgevolg blootgesteld was aan de hevigste straffen. In zijnen angst trachtte de mensch toen op alle wijzen de verantwoording van die schuld van zich af te schuiven; hij wierp hem op zijn eersten voorvader, die zich, volgens hem, den vloek van God op den hals gehaald had; hij vond "de erfzonde" en het dogma van "de voorbeschikking" uit; hij beschuldigde de natuur òm zich en de neigingen ìn zich en beschouwde hen als de oorsprong van het kwaad; hij vervloekte het heelal en verlangde naar het niet of naar een ander leven en ten slotte gaf hij aan het vraagstuk, dat hem vervolgde, de volgende paradoxale oplossing: De schuld, die de mensch aan God heeft, is te groot om ooit door hem afgelost te kunnen worden. God alleen kan God voldoen. In zijne liefde voor de menschheid nu heeft God zichzelf geofferd om zijnen insolventen schuldenaar te verlossen; hij is mensch geworden en heeft zich opgeofferd en door die liefdedaad heeft hij die menschen verlost, die hij zijner waardig achtte.