Part 1
INTERNATIONALE BIBLIOTHEEK.
HENRI LICHTENBERGER Hoogl. aan de Universiteit te Nancy.
NIETZSCHE'S PHILOSOPHIE.
VERTALING VAN Mevr. M. FRANÇOIS-MERKUS.
MET VOORWOORD VAN Prof. Jhr. B. H. C. K. VAN DER WIJCK.
"Das schnellste Thier, das euch trägt zur Vollkommenheit, ist Leiden."
(Meister Eckhard.)
AMSTERDAM--S. L. VAN LOOY. 1903.
Dr. Möbius spreekt in zijn geschrift over Nietzsche van diens vreemd ooglijden en dementia paralytica op een toon, die doet vermoeden, dat volgens den genoemden arts Nietzsche misschien niet ten allen tijde het etherisch, zuiver geestelijk wezen is geweest als hoedanig hij door zijne zuster en ook door Prof. Lichtenberger op de elfde bladzijde van het hier bijgaande boek wordt afgeschilderd. Ook valt het te betwijfelen of een man zonder andere blakende passie dan die voor waarheid, zulke vlammende woorden en onvergelijkelijk schoone beelden voor zijne gedachten zou hebben gevonden als waarover Nietzsche steeds heeft beschikt. Neen, waarschijnlijk wist Nietzsche bij eigen ervaring wat "disharmonie der instinkten" beteekent en hoe zij, zooals hij het zelf zegt, "een ijzeren druk, besnijding van sommige onder hen noodig maakt."
In alle andere opzichten is Lichtenberger, naar ik meen, er in geslaagd zich van overdrijving vrij te houden. Dit is voorwaar geen geringe lofspraak. Om er zich van te overtuigen, hoore men hoe er op 25 Aug. 1900 bij het rouwfeest ter eere van Nietzsche door uitnemende mannen gesproken werd.
"Zijn leven," zei Dr. Ernst Horneffer, "werd de groote school van onafhankelijkheid voor alle tijden." Men vraagt verbaasd: hoe? "Hij brak iederen brug achter zich af," d.w.z. scheurde zich eerst van Schopenhauer, toen van Wagner los "en werd zoo een figuur als men heden elders niet te aanschouwen krijgt: een kluizenaar naar den geest. De trotsche koning in het rijk van het onzinnelijke is niet dood; bij hem vergeleken zijn wij, die om zijn lijkbaar staan, schimmen; ik zie hem hoog oprijzen uit zijn graf; aan zijne voeten werpt zich de wereld."
Een ander redenaar, Prof. Dr. Curt Breysig zeide: "Nietzsche heeft een nieuw proza geschapen voor onzen nieuwen tijd, die aan de marmeren plastiek van Goethe niet meer genoeg heeft...... Hij is de ziener, die aan de door Comte gestichte wetenschap der maatschappij nieuwe gedachten van wijde strekking heeft toegevoerd. Ook waar hij dwaalt in de détails, zoodat wij hem moeten bestrijden, staat hij toch boven ons, en trekt ons omhoog...... Hij is de wegwijzer naar een nieuwe toekomst voor ons geslacht. Slechts Buddha, Zarathustra en Jezus hebben even groote dingen gewild en bereikt voor geheele groepen van volken en voor aeonen." Zijn ideaal is niet "het slappe geluk, dat door toewijding en aaneensluiting der menschen in staat en maatschappij verkregen wordt," maar juist "het tegendeel" van wat door Christus werd gewild. "Enkele goddelijke menschen, die geheel op eigen voeten staan en om hun heerlijke onafhankelijkheid van alles, ook van den zinnenlust, waard zijn vergood te worden en de vereering te ontvangen, welke tot dusver aan den almachtigen Christengod werd bewezen: ziedaar het doel van het bestaan van ons geslacht, de reden waarom wij tot het leven JA moeten zeggen en ons verblijden over de "eeuwige wederkomst" op aarde."
Het is verkwikkend, na zulke buitensporigheden te hebben aangehoord, met het kalme, bezonnen boek van Prof. Lichtenberger kennis te maken. Lichtenberger werft geen adepten voor Nietzsche; door zijne onpartijdige beschouwingen bevrijdt hij eer hen, die reeds gevangen zijn. Uit de keuze van het motto voor zijn boek blijkt terstond, dat Lichtenberger er in geslaagd is de parel van blijvende waarde uit de geschriften van Nietzsche op te visschen. Dat motto, aan Meister Eckhard ontleend, luidt aldus: "Das schnellste Thier, das euch trägt zur Vollkommenheit, ist Leiden." Welnu, dezelfde gedachte keert telkens bij Nietzsche terug. Hij is er van overtuigd, dat de mensch zonder tegenspoed en ellende zijn hooge bestemming niet bereiken kan.
Het leven is een leelijk geschenk, waarvan de verstandige mensch liefst verschoond zou blijven, want er valt niet van te genieten. Zoo klaagt de genotzuchtige Schopenhauer. Alsof er geen hooger maatstaf dan lust denkbaar ware! Nietzsche verdedigt het leven en ook het lijden, dat het leven met zich brengt. "Weet gij niet," roept hij uit, "dat enkel de tucht van het leed, van het groote leed, de menschen tot dusver omhoog heeft gebeurd? Het bepaalt bijna den rang van een mensch, hoe diep hij lijden kan."
Als een fiere held droeg Nietzsche zijn eigen langdurig en dikwijls zwaar lijden, omdat hij waardeerde wat in het leven groot en machtig, wat verheffend is. Hij had van den mensch een hoogen dunk en wilde dat het leven zich in de hoogte zou bouwen, van trap tot trap stijgen tot het heerlijk bestaan van den "bovenmensch." Hij stelde zich voor, dat de vuile en harde slavenarbeid van duizenden steeds onontbeerlijk zou zijn en dat er niet licht een tijd zou komen, waarin allen alle vruchten der beschaving zouden plukken, maar troostte zich dan met de gedachte, dat een volk de omweg is, dien de natuur neemt om enkele koninklijke figuren voort te brengen.
De lectuur van Nietzsche heeft, vrees ik, velen in de laatste jaren op een dwaalspoor gebracht. Kwajongens lezen bij hem van "kuddedieren" en wanen zich genieën, als ze dien term overnemen en met minachting op den nijveren burger neerzien. Ook wekt het grof misverstand als Nietzsche zegt: handel volgens uwe instinkten. Zeker, zoo te handelen is het volle en gezonde leven, maar enkel dán, als de instinkten gezond zijn, niet, als zij een moeder verlokken om met haar minnaar huis en kroost te ontvluchten. Nietzsche's bewondering voor Cesare Borgia is zelfmisleiding: schoonheid, levensvreugde en kracht zonder een zweem van goedheid zijn voor iemand met een fijn besnaard gemoed eer een huiveringwekkend dan een aantrekkelijk schouwspel. Maar het is niet noodig Nietzsche tegen te spreken, daar hij op al deze punten zich zelf reeds heeft weerlegd en zijn geschriften naast het gif bijna overal het tegengif behelzen. Bij nauwkeurige vergelijking blijkt het, dat de immoralist, zooals Nietzsche dat wil zijn, op de keper beschouwd een man van den plicht is. Uit medelijden, om de "Gesammtentartung" te voorkomen, verwerpt hij de thans geijkte soort van medelijden.
Van Nietzsche's "Uebermensch" heeft Hartmann gezegd, dat hij niet ten dienste der menschheid werkt, maar, aan den beer van een menagerie gelijk, er enkel is om te toonen hoe verbazend groot hij is. Mag ik vragen of Hartmann ter wille der menschheid de philosofie beoefent, dan wel om aan zijn eigen intellectueele behoefte te voldoen? Laat mij hier herhalen wat ik vroeger reeds in een geschrift over Nietzsche zei: "De menschheid verstaat haar weldoeners verkeerd. Genie is opgegaarde kracht, welke zich ontladen moet: zij stroomt naar buiten, omdat het haar natuur is zich in daden om te zetten, niet omdat het zedelijke plicht is. Dat de gewrochten van het genie aan de menschheid ten goede komen, is een buitenkans, waarover men zich verheugen mag, maar die niet door een Shakespeare of Rafael bedoeld wordt, als zij hunne heerlijke kunstgewrochten tot stand brengen." (Mannen van Beteekenis. 1894 Afl. 5). Nietzsche's "Uebermensch" is de hoog begaafde, de ongewone persoonlijkheid, die niet door de massa getrokken wordt, maar haar tot zich omhoog trekt.
Zeker, Nietzsche's geschriften zijn gevaarlijk voor den onmondige naar den geest, maar werken als een versterkend staalbad voor hem die weet te onderscheiden.
Daarenboven kan men thans op ongevaarlijke wijze met Nietzsche kennis maken, door Lichtenberger's boek daartoe in staat gesteld.
VAN DER WIJCK.
Utrecht, Januari 1903.
HOOFDSTUK I.
NIETZSCHE'S KARAKTER.
I.
Men zou zich, dunkt mij, een zeer verkeerd oordeel vormen over Nietzsche, wanneer men zijne werken uitsluitend beschouwde als de beschrijving van een wijsgeerig stelsel. Even verkeerd zou het zijn als men zou willen trachten zelf een bepaald stelsel op te bouwen, geleid door de gedachten door hem in de acht deelen van zijne volledige werken neergelegd. Toch is het misschien noodig en zeker gewenscht te trachten de verschillende denkbeelden in een "systeem" te rangschikken, wil men Nietzsche juist leeren beoordeelen als denker en zich niet alleen tevreden stellen met hem oppervlakkig te bewonderen als een talentvol schrijver, een overtuigend moralist of als den schepper van schitterende "losse gedachten" of vernuftige aphorismen. Maar alvorens de leer van Nietzsche te bestudeeren, dient men doordrongen te zijn van de gedachte, dat die leer volgens Nietzsche's eigen bekentenis, niet is een geheel van abstracte waarheden, die bestemd zijn voor het algemeen begrip, maar bovenal het levend beeld van een persoonlijk karakter, een zeer bijzonder temperament; dat het in waarheid is de oprechte en hartstochtelijke bekentenis van eene zeldzaam fijn besnaarde ziel.
Nietzsche's philosophie is, om te beginnen, streng individualistisch: "Wat zegt u uw geweten? vraagt hij: gij moet worden die gij zijt." [1] De mensch moet dus bovenal zichzelf kennen, zijn lichaam, zijne neigingen, zijne vermogens; dan moet hij zijn levensregel vormen naar zijne persoonlijkheid, zijne eerzucht bepalen naarmate zijner erfelijke of verworven geschiktheid en zooveel mogelijk voordeel trekken zoowel van zijne natuurlijke gaven als van de uitwendige gebeurtenissen, die het leven hem geeft; ten slotte moet hij zoo goed mogelijk zijne natuur verbeteren door de kunst, wil hij stijl geven aan zijn karakter en aan zijn leven.
Een ieder volbrengt die taak naar eigen krachten; er zijn geen algemeene regels voor het zichzelf-worden. Nietzsche is vast overtuigd van de aangeboren ongelijkheid der individuën en volgens hem moet een ieder zijn eigen waarheid, zijn eigen zedeleer scheppen, want wat voor den een goed of slecht, nuttig of nadeelig is, behoeft het daarom voor den ander niet te wezen. Al wat de denker doen kan is dus, welbeschouwd, de geschiedenis zijner ziel meedeelen, zeggen op welke wijze hij zichzelf heeft ontdekt, in welke geloofsovertuigingen hij innerlijken vrede heeft gevonden, zijne tijdgenooten aansporen om te doen zooals hij deed: zichzelven zoeken en zichzelven vinden; hij houdt er echter geen eigenlijke leer op na, hij wil niet de leermeester zijn van eene gedweeë kudde leerlingen:
"Ik ga heen, mijne leerlingen, geheel alleen!" sprak Zarathustra tot zijne getrouwen. "En ook gij moet heengaan, geheel alleen! Zoo wil ik het.
In waarheid geef ik u dezen raad mee: gaat heen, verre van mij en maakt u los van Zarathustra! Of beter nog: schaamt u over hem! wellicht heeft hij u bedrogen....
Gij zegt dat gij in Zarathustra gelooft? Maar wat is u Zarathustra? Gij zijt mijne geloovigen: maar wat beteekenen alle geloovigen?
Gij zocht uzelven nog niet; toen hebt gij mij gevonden. Zoo doen alle geloovigen: en juist daarom beteekent alle geloof zoo weinig.
En nu beveel ik u mij te verliezen en uzelven te vinden; wanneer gij allen mij verloochend zult hebben, dan eerst zal ik tot u wederkeeren." [2]
En evenals Nietzsche zich onderscheidt van alle dogmatici door niet te beoogen de menschheid een nieuw credo, een geheel ineengezette verzameling leerstelsels te brengen, zoo ook verschilt hij van de meeste wijsgeeren en mannen van de wetenschap omdat hij zich niet uitsluitend tot het verstand van zijne lezers, maar tot den geheelen mensch wendt. Hij gevoelt niet veel voor de menschelijke rede, voor wat men noemt "ziel", "geest". Het sentiment en de rede zijn, volgens hem, de werktuigen en tegelijk de speelbal van eene verborgen macht, die hen beheerscht en hen gebruikt tot haar eigen doeleinden: "Achter uwe gevoelens en uwe gedachten, o mijn broeder, staat een machtige meester, een onbekende wijze--hij heet "Ik". Hij is in uw lichaam, hij is uw lichaam. [3] Het lichaam met zijne instincten, met den "wil van kunnen", die het bezielt: dat is volgens Nietzsche "de groote rede" van den mensch; terwijl de "kleine rede", waarop hij zoo gaarne trotsch is en wier oppermachtige onafhankelijkheid hij zoo dikwijls roemt, niets is dan een weliswaar waardevol, doch tevens zeer onvolkomen "en broos werktuig", dat die "Ikheid" dienen moet tot het uitstrekken van hare macht. Wil dus de eene mensch invloed uitoefenen op den ander, dan moet hij vóór alles zich doen begrijpen, zich doen gevoelen door die geheimzinnige "Ikheid"; al het overige telt niet mee. Niets is vruchteloozer dan bepaald logisch een philosophisch stelsel te willen afleiden en het verstand door redelijke bewijsgronden te willen overtuigen. De meeningen van hoogere orde, die ons leven, onze daden besturen, die ten slotte vaststellen wat Nietzsche noemt "de tafel van waarden", die bepalen wat goed of kwaad is, laten zich niet verklaren; de mensch "leeft" die, hoe ook; de beste er van zijn die, welke de ontwikkeling van den persoon of van de soort het meest bevorderen. Voor Nietzsche is een boek dus in de eerste plaats eene daad. Waar hij zijn invloed wil doen gelden op zijne tijdgenooten is dat niet door zijne kennis of wetenschap, door het algemeene en onpersoonlijke in hem, maar integendeel door zijne geheele persoonlijkheid, door zijn geheele wezen. Hij is niet alleen denker, maar tevens profeet; hij roept de menschheid niet toe: "Ik geef u de waarheid, eene onpersoonlijke, algemeene waarheid, onafhankelijk van mijn wezen, eene waarheid, waarvoor alle menschelijke rede buigen moet," maar integendeel: "Hier ben ik met mijne neigingen, mijne geloofs-, mijne waarheidsideeën en ongetwijfeld ook mijne dwalingen en zooals ik ben, zeg ik "ja" tot het bestaan, tot zijne vreugde en zijne smart; ziet of ook gij uw geluk kunt vinden in de denkbeelden, die het mijne schiepen." Waar de meeste wijsgeeren zich juist beroemen op het onpersoonlijk denken, het zich losmaken van hun "ik", "hun oog licht doen worden", volgens Goethe's schoone uitdrukking, maakt Nietzsche daarentegen zijne persoonlijkheid tot het middenpunt zijner philosophie; hij brengt zijn leven door met zichzelf te zoeken en ons den uitslag zijner onderzoekingen mee te deelen. Zijne philosophie is dus bovenal de geschiedenis zijner ziel. Zarathustra, dat ideaal type van denker en profeet, wiens moreel karakter hij zoo aangrijpend dichterlijk beschrijft in een van zijne beroemdste werken, is zoowel de verpersoonlijking van zijn streven en droomen als in zekeren zin het levend betoog van zijn leven. Het is dus met het onderzoek van Nietzsche's persoonlijkheid, zooals zij spreekt uit zijne werken en uit de herinneringen van zijne bloedverwanten en vrienden, dat deze studie dient te beginnen.
II.
Volgens eene vrij onzekere overlevering, die Nietzsche echter gaarne voor waar hield, stamden hij en de zijnen af van eene adellijke Poolsche familie, Niëtzky geheeten, die in het begin der 18e eeuw naar aanleiding van de vervolgingen tegen de Protestanten, naar Duitschland zou zijn uitgeweken; het komt ons trouwens zeer waarschijnlijk voor, dat door Nietzsche's aderen eenig adellijk bloed vloeide. Wellicht zou dat feit zelfs kunnen verklaren, dat bij hem juist die aristocratische gevoelens de bovenhand hadden, die, naar het schijnt, slechts zelden voorkwamen in de weliswaar achtenswaardige en ontwikkelde, doch vrij burgerlijke omgeving, waarin hij geboren was. Nietzsche was de zoon van een Pruisisch dorpspredikant. Volgens zijne zuster toonde hij van af zijne kinderjaren eene zeer bijzondere natuur. Tegelijk geestkrachtig, verfijnd en hartstochtelijk, eene natuur, die door menigen trek reeds deed denken aan het ideaal van de "Herrnnaturen", aan den man van goede geboorte, wiens neigingen en moreel geloof hij later zou beschrijven. Zoo jong als hij was, leerde hij zichzelf beheerschen, steeds meester van zichzelf blijven en stoïcijnsch alle physieke smarten trotseeren; hij had steeds eerbied voor anderen en eerbiedigde zichzelf, nam daarbij steeds nauwkeurig alle vormen en goede manieren in acht; ook zocht hij gaarne de eenzaamheid; dan scheidde hij zich af van zijne makkers, maar dwong toch hunne achting af door de vroegrijpe waardigheid in zijne houding en manieren. Daarentegen hechtte hij zich met hart en ziel aan enkele uitverkoren vrienden; ook treft bij hem een aangeboren weerzin tot alles wat gemeen is, de vrees voor allen twijfelachtigen omgang, de voortdurende, pijnlijkste zorg voor netheid tot in het overdrevene toe, zoowel physiek als moreel, en het verafschuwen van alle liegen en verbergen. "Een graaf Niëtzky moet niet liegen," zei hij als kleine jongen tot zijn zuster. Zijne aristocratische neigingen, die reeds zoozeer te voorschijn traden in zijne kinderjaren, ontwikkelden zich meer en meer in hem als volwassen man en teekenden zijn moreel karakter. Zoowel in zijn leven als in zijne geschriften toont Nietzsche een heldhaftigen en overheerschenden wil, een teeder en vurig hart en een fijnen geest, die onuitsprekelijk gevoelig is voor al wat schoon of gemeen is, voor harmonie of wanklank.
Nietzsche bezat dus bovenal eene zeldzame ziel. Hij verafschuwde alle zwakheid, uitstel of halfheid. Een van de meest grootsche en tragische figuren van Ibsen is zeker Dominé Brand, die, onfeilbaar trouw aan zijne trotsche leus: "Alles of niets", den weg volgt, dien hij gekozen heeft zonder zich ooit door eenige hindernis te laten ontmoedigen, onmeedoogend voor zich en voor anderen; die zonder sidderen zijn geluk, zijn naam, zijn leven en meer dan dat, het geluk en het leven van vrouw en kind opoffert aan zijn trotschen wil; die zonder weifelen, met een bloedend hart al zijn leed doorleeft; Dominé Brand, de zoo verheven en tevens vreeselijke held, die bewondering en angst verwekt tot het oogenblik dat zijne diepbedroefde en overspannen ziel verzinkt in de duisternis van waanzin en dood. En evenals Brand is Nietzsche de man van "alles of niets" evenals hij volgt hij zonder eenige weifeling zijn wil tot het einde toe. Maar daar hij geen man van handelingen is, doch een denker, is zijne heldhaftigheid wellicht minder zichtbaar of in het oog vallend.
Wij zijn te weinig gewoon het gedachteleven tragisch op te nemen om te begrijpen dat er gelijke waarde bestaat tusschen den heldenmoed van den krijgsman, den zendeling of den onderzoeker, van hen dus, die lijden en sterven voor hun vaderland, voor het geloof of de wetenschap, en dien van den wijsgeer, die aan de eischen van zijne overheerschende rede zijne liefste droombeelden opoffert en zichzelf dwingt zijne gedachten tot het laatste toe uit te denken en tot in den grond te onderzoeken. Onwillekeurig twijfelen wij aan de hevigheid van de smarten van het denken wanneer wij die vergelijken bij de physieke en gelooven wij nauwelijks aan de gevaren, die verbonden zijn aan het intellectueel zoeken wanneer wij denken aan die van het reëele leven. Toch geloof ik dat er bijzondere, wellicht abnormale naturen bestaan, die den stillen strijd tusschen hun denken en hun verborgen lijden met zijne onzichtbare gevaren even ernstig en smartelijk reëel doormaken als den strijd van het leven èn dat zij niet minder wilskracht moeten bezitten dan de krijgsman of de zeeman om die gevaren aan te durven en te bestrijden zonder bezwijken. Daarom ook was Nietzsche m.i. zonder in 't minst te pochen, gerechtigd tot opschrift van een zijner werken de volgende woorden van Turenne te kiezen: "Karkas, gij siddert! O, hoeveel erger nog zoudt gij sidderen zoo gij wist, waarheen ik u brengen ga."