Nevelhekse een verhaal uit de Drentsche venen naar authentieke bescheiden medegedeeld

Part 7

Chapter 72,609 wordsPublic domain

Ontving nu Allard geen antwoord op zijne brieven, 't zou hem wellicht eene welkome gelegenheid wezen, om zich langzaam van zijne aangegane verbindtenis los te maken, en tot zijne vroegere geliefde te doen terugkeeren, en wat Cilie betreft, hij twijfelde niet, of zij zou eindigen met geloof te slaan, aan de haar reeds zoo lang gegeven verzekeringen, en aannemen, dat, zoo zij al niet door den voornamen jongeling was misleid, de invloed zijner familie, en de macht der vooroordeelen, sterk genoeg waren geweest, om hem voor goed van haar te doen afzien.

En was men zoo verre gekomen, waren de banden, die Cilie aan Allard knoopten, op deze wijze losgemaakt, dan wilde hij opnieuw beproeven, wat met het meisje was aan te vangen, en of hij haar, 't zij door overreding of geweld, tot de zijne zou kunnen maken.

Maar.... al die zoo vernuftig gemaakte berekeningen faalden.

Cilie's geloof aan de trouw van den welbeminde werd er niet door aan 't wankelen gebracht. Zij zag maar al te wel in, dat er iets moest wezen, dat hem belette zich aan haar te openbaren, en om te ervaren wat dit was, ging zij tot den stap over, die aan alles een einde maakte.

Thans zag hij in, hoe deerlijk hij zich vergist had, en het lijden van het ook door hem beminde wezen, schudde zijn geweten wakker.

Ongekende wroegingen verscheurden hem het hart, toen de ziekte der naamloos gefolterde, uitliep op het verschrikkelijkst, wat een denkend wezen kan treffen--krankzinnigheid.

Een geneesmiddel, dat--onmiddellijk aangewend na haar terugkeer--gewis gunstig zou hebben gewerkt, beproefde hij toen het daartoe te laat was.

Hij lei het bijbeltje met den brief, dien het begeleidde, en die Allard terstond na zijne komst in den Haag aan Cilie had afgezonden, op het tafeltje voor haar bed, en zóó, dat beide voorwerpen haar in 't oog moesten vallen.

Ook zag zij ze, maar roerde ze niet aan.

Wat, eenige dagen geleden, haar gansche wezen met eene wonderbare vreugde zou hebben doortrild, trok thans hare aandacht niet.

En nu--geheel ten einde raad--besloot hij een brief naar den Haag te zenden, en daarin onbewimpeld zijn schuld te belijden.

Hij ontveinsde zich volstrekt niet, dat deze stap de noodlottigste gevolgen voor hem zelven zou hebben, maar de hoop, dat het wederzien van den geliefde, weldadig zou werken op het gemoed van de inmiddels bijna razend gewordene krankzinnige overwon alle vreeze en bedenkingen.

Maar.... toen deze brief zijne bestemming bereikte, was alles beslist.....

Drie dagen na het verdwijnen van Cilie kwam Allard in de kolonie aan, en zijne smart kende geene grenzen, toen men hem de laatste gebeurtenissen had medegedeeld.

Maar zich nog altijd vleiende met de hoop, dat het meisje zich hier of daar verscholen zou houden, doorkruiste hij dagen lang de omstreken van het groote meer, onder het uitroepen van den dierbaren naam.

Maar niets dan de echo antwoordde op zijn roepen.

Cilie's stem was voor eeuwig verstomd!

Eindelijk, overtuigd van het nuttelooze zijner pogingen, verliet hij het oord, hem eens zoo dierbaar--maar thans vol van de pijnlijkste herinneringen.

En--onder een grievend zelfverwijt! Want het stond thans bij hem vast, dat hij Cilie had kunnen redden, had hij, in tijds geluisterd naar de stem, die in zijn binnenste weerklonk, en hem gestadig had aangemaand alle bedenkingen ter zijde te stellen, en zonder verwijl naar haar terug te keeren, en dat vooral, toen hem gebleken was, dat hij de toestemming zijns vaders tot eene verbindtenis met haar niet zoude verwerven, ook al gelukte het hem te bewijzen, dat er op hare geboorte niet de minste smet kleefde.

Maar hij had deze goddelijke waarschuwingen in den wind geslagen.

Hij had, zich vleiende, zijne moeder althans naar zijne zijde te zullen overhalen, het onderzoek naar Cilie's betrekkingen begonnen, en was, vooral toen hij daarin boven verwachting slaagde, daarmede ijverig voortgegaan.

't Is waar, hij meende dit te kunnen doen in een zeer korten tijd, en, bleek het ook meer tijd te vorderen, dan hij aanvankelijk gehoopt had, hij had aan Cilie geschreven, zich over zijn uitblijven niet te verontrusten, en evenmin, wanneer zij niet geregeld brieven van hem ontving.

Vooreerst zou zijn onderzoek veel heen en weer trekken vergen, en ten andere was het licht mogelijk, dat zijn brieven onderschept wierden.

En vooral dit laatste vreesde hij, dat ook met hare brieven aan hem het geval kon worden, waarom hij haar aanraadde, weinig aan hem te schrijven, en alleen dan, wanneer zij begreep, dat dit ~volstrekt~ noodig was.

Een met de beste bedoelingen gegeven wenk, maar die de oorzaak werd van zijn en haar ongeluk!

Want in het vertrouwen, dat de gegeven raadgeving was opgevolgd, maakte hij zich over haar stilzwijgen niet alleen niet ongerust, maar achtte hij het een bewijs voor zijne opvatting: dat er niets was voorgevallen, 't geen zijne onmiddellijke overkomst noodig maakte.

Eerst later veranderde hij van gedachten en wel, toen een brief van hem, waarin hij haar dringend verzocht om een onmiddellijk antwoord, en dit onder een ander adres, dan van het huis zijns vaders, onbeantwoord bleef.

Het werd hem nu angstig om het hart, ja zóó, dat hij besloot de reis naar Drenthe geen oogenblik langer uit te stellen.

En juist was hij bezig zijn valies te pakken, toen hem een brief werd overhandigd, die uit het noorden kwam.

Was hij van Cilie? Hij hoopte, ja verwachtte het, en dat te vaster, daar het adres door eene weinig ervarene hand was geschreven, en gesteld in zeer gebrekkig Fransch.

Haastig brak hij hem dan ook open, maar.... hij was pas begonnen te lezen, toen eene doodelijke bleekheid zijn wezen overtoog.

Het was de straks vermelde brief van Jansen, en dat is genoeg gezegd!

Met een pijnlijken kreet zonk hij neer op zijn stoel, maar hopende, dat nog niet alles zou zijn verloren, sprong hij op, liet zijn paard zadelen, en ging nog voor den nacht op reis.

Wellicht was het nog niet te laat om haar van den dood te redden, en deze gedachte sterkte hem, den ganschen langen weg over.

Helaas, het was ook daartoe--te laat!

Te laat!

Voortaan zou dat woord hem op alle zijne wegen vergezellen.

Het klonk nevens hem, overal waar hij ging!

Hij las het op alles, wat hem omringde, ja op de wolken des hemels, die over zijn hoofd wegdreven!

Eene diepe, en door niets te verzetten melancholie maakte zich van hem meester.

Na een kort verwijl in den Haag, verliet hij het land zijner geboorte, om in een gestadig reizen eenige afleiding te zoeken.

Of hem dit gelukt is, weet ik niet, maar het is zeker, dat hij eenige jaren later overleed--verre van zijn Vaderland.

* * * * *

Het huis, waarin de arme Cilie leefde en leed, is met alles wat het omringde verdwenen, en men weet thans zelfs de plaats niet meer aan te wijzen, waar het eenmaal stond.

En wat haar zelve betreft, haar naam leeft zelfs niet voort in de Sage, anders zoo gereed het verledene mede te deelen, gehuld in het nevelachtig gewaad van haar wezen.

Maar eenige losse en half vergane bladen, geschreven door een haar toegenegen vriend, werden door het toeval in mijne handen gespeeld, en leerden mij haar kennen in al de liefelijkheid van haar wezen.

Ik heb met haar rondgewandeld langs paden, die sinds lang zijn verdwenen.

Ik heb haar vergezeld, droomend en peinzend bij het meer, waarvan niets meer bestaat dan een flauwe herinnering.

Ik heb hare stem gehoord, melodisch en zoet klinkend, als het gezang des leeuwriks, wanneer het opklimt tot den hoogen, en--schrikwekkend als zij klonk op den oogenblik, voor zij voor eeuwig gesmoord wierd in de diepte van een drabbigen poel.

En nu zeg ik haar vaarwel!

Vaarwel, Cecilia! arme, te midden van uw schoonsten bloei, deerlijk vertreden bloem!

Uw rein en edel hart is sinds lange, lange jaren tot stof vergaan, maar wat nood, wanneer we gelooven:

Ob das arme Herz in Staub zerfällt, Liebend lebt es fort in höhern Welt.

Dan zijn de wonden, u hier geslagen, geheeld en vergeten, en in plaats van in raadselen, als hier op deze, voor velen, en vooral voor u zoo droevige aarde, wandelt gij daarboven om, in eeuwige vrede, in een eeuwig licht!

EINDE.

AANTEEKENINGEN.

_a._ ~Woningen onder 't veen.~

Het vinden van overblijfselen van voorhistorische woonplaatsen onder het veen is, hoewel zeldzaam, niet ongewoon.

In de »Tegenwoordige Staat van Drenthe", stuk I, blz. 174 en 175, leest men daaromtrent het volgende:

»De zandgronden, waarop deze wijd uitgestrekte Veenen ontstaan zijn, schijnen in vroeger eeuwen, vóór de Veenwording zeer Boschrijk en door Vee en menschen bewoond te zijn geweest. Want, van waar zoo veele Overblijfselen? als bij voorbeeld: lederen Kolders, ruyge Mutsen, Schoenen, Potten, geplaveide Vuursteden, Heggen, Sloten, Wegen, hoorns van Ossen en Herten, Tanden van Dieren en andere Saacken, welke men onder de Veengronden vindt."

Ook te Hoogeveen is de vondst, in het verhaal vermeld, niet de eenigste van dien aard.

Nog in 't begin dezer eeuw werd er in tegenwoordigheid van den heer Warner de Jonge, in leven vrederechter, eene oude haardstede opgedolven, waarin nog asch en half verbrande houtskool was te onderkennen. Deze haardstede lag in het midden van eene erve, die met zwaar geboomte was omringd geweest, blijkens de nog aanwezige wortelen en boomstronken.

_b._ ~Stokleggingsbrief.~

De gerechtelijke overdracht van vaste goederen, geschiedde in die dagen, met in tegenwoordigheid van Schout en Keurgenooten (getuigen) een stok op den grond te doen leggen door den verkooper, die dan door den kooper werd opgenomen. De acte, van deze handeling door den Schout opgemaakt, heette »Stokleggingsbrief". (Zie hierover het Lantrecht van Drenthe 2de Boek, Art. 52).

_c._ Een wonderschoon, maar ook een wondervreemd meisje.

Maijo 10 1696. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Wat sijne Dogter aangaat, dat nu een Meysken sal wesen van 10 of 11 jaaren, men kan sigh beswaarlijck yct lieffelijkers voorstellen en denken.

Noijt sagh ik sulke groote donkere ooghen, sulck luisterlijck krullend Haar, sulcke fijn besneden en in allen dele schoon gevormde Aengesightstrekken, sulck een tengere en dog veelbeloovende vrouwengestalte.

Dit kind heeft bij haare schoonheijt ook wonderbaare talenten en die haar als aangeboren schenen te sijn, want hoewel hij, die hem haar Vader noempt, een Man schijnt te wesen, die niet sonder kennisse is, en haar gewisselijk den aard der kruyden, en 't koocken van dranken en Tisanen heeft konnen leeren, wie heeft haar onderwesen in 't snijderen van haar eijgen kleedije, dat sij seer uijtnement doet?

En van wie leerde sij de konste van speelen op diverse Instrumenten en daarbij te singen als sij 't verstaat?

Maijo 12 1702.

Mijne vrouwe bewonderde ook de fijne gestalte van dit vremde Kint; hare wonder losse bewegingen, haare nobele trekken, maar vooral haare Oogen, die--soals sij seijde, wel straelen schenen te schieten, en die alleen wel aanleydinge konden gegeven hebben tot de tooverkragt die men haar toeschreef, want sij ijder betooverde die zij er mede aansagh.

Ik was geheel van deselfde Opinie, en dagt bij mijn selve: komt dit Kint tot de Jaaren van Jonckvrouwe--die sij nu nog niet gantselijck bereikt heeft--sij sal gelijcken op de Armida van den Italiaansen Poeet Tasso, en daar sal geen Man haar konnen naaderen, sonder door hare blicken te worden geboeit.

(Notulen Mijner Daghen ofte Tijtsgetuijghenissen-Clapper van Arent Calkoen, j. u. d., en Petrus Calkoen, j. u. d., 1661-1709.)

~Cilies geloof.~

Daar hare tante, Made. Desirée Louise de Cosse, bij haar huwelijk met een Spaansch inwoner der colonie Suriname, tot het Catholicisme terugkeerde, is het zeer natuurlijk dat de gebeden en gedachten van het meisje een Roomsch tintje hadden verkregen.

_d._ ~Bloedregen.~

Ziehier wat Houttuin, in zijne bekende »Natuurlijk Historie, of Uitvoerige Beschrijving der Dieren, Planten en Mineraalen enz." verder over deze zaak schrijft.

Na gezegd te hebben, dat de vlinders, die zeer weinig voedsel gebruiken, ook weinig uitwerpselen hebben, voegt hij er bij: »uitgenomen wanneer zij zoo eerst uit de poppen gekomen zijn, of liever, zoodra zij in staat zijn om te vliegen; want dan spuiten sommigen een groote veelheid van een dik vocht uit, hetwelk aanmerkelijke Vlakken maakt op de Boomschors en Bladen, inzonderheid op Hout en Papier zeer zigtbaar en bestendig. Het Vogt, dat zij dus uitwerpen, is in velen bruin of witachtig, doch hoogrood in eenige Dagkapellen, gelijk die van gedoornde Rupsen komen, als de Aurelia, Nommervlinder, 't Pauwoog enz. De Bloedregen, die men somtijds zig wijs maakt, dat hier of daar gevallen zou zijn, wort niet ten onregte aan de Uitwerpselen van zoodanige Kapellen toegeschreven.[32]

[32] Zie Journal das Scavans, Febr. 1767, Art. 8.

_e._ Het geloof aan, en de afschuw van heksen was in die dagen algemeen, en dat niet alleen, als thans nog, onder de geringe klasse, maar ook onder de zeer beschaafde en ontwikkelde menschen. En geen wonder ook! want de geestelijkheid, destijds voor 't meerendeel behoorende tot de steil orthodoxe richting, stond vooraan bij de verspreiding van dit onzalig wanbegrip.

Het was nog niet zoo heel lang geleden, dat een geleerd Professor in de Theologie, de vermaarde Gijsbertus Voetius, de verklaring had afgelegd: »dat iemand, die aan den duivel geloofde--als hij van ganscher harte deed--noodwendig moest gelooven aan tooverije!"

Hij noemde dan ook het verschrikkelijk boek van Sprenger »de Heksenhamer" een voortreffelijk boek, en geloofde niet alleen aan de mogelijkheid van het vliegen der heksen door de lucht, maar ook aan het formeel sluiten van verbonden met den Booze. Schreef ook twee verhandelingen om deze gevoelens te verdedigen, en die zijn opgenomen in het 3de deel zijner »Disputationes Theologicae Selecta."

_f._ Uit eene korte aanteekening van den Clapper van de Heeren Calkoen blijkt, dat hij zich in de gevangenis van het leven beroofde.

+----------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: VAN CARRE TE ZEEN | | C: VAN CARRÉ TE ZEEN | | B: jonkman van voorbeldigen wandel, | | C: jonkman van voorbeeldigen wandel, | | B: steenen huis stond, Hier vereenigde | | C: steenen huis stond. Hier vereenigde | | B: algemeen, dat jonker Swaab onder | | C: algemeen, dat jonker Swaap onder | | B: toen 'Allard van Cilie | | C: toen Allard van Cilie | | B: aangetrokken. Zij was-niet alleen | | C: aangetrokken. Zij was niet alleen | | B: zou kunnen benminnen; dat Cilie, | | C: zou kunnen beminnen; dat Cilie, | | B: zwarten, omgekeerd een gulden. | | C: zwarten, omgekeerd een gulden." | | B: gloed van het weerlicht. dat | | C: gloed van het weerlicht, dat | | B: langzaam voortrollende donder volgde | | C: langzaam voortrollende donder volgde. | | B: huis van den Stroeve lag oostwaarts | | C: huis van den ~Stroeve~ lag oostwaarts | | B: uitzicht op de vlakte. die hem nog | | C: uitzicht op de vlakte, die hem nog | | B: het gezonken lichaaam weer naar boven, | | C: het gezonken lichaam weer naar boven, | | B: niet bedriegt?" vroege de ~Stroeve~ | | C: niet bedriegt?" vroeg de ~Stroeve~ | | B: het stilzwijgen deed bewarën. | | C: het stilzwijgen deed bewaren. | | B: wenkbrouwen op hem vestigde | | C: wenkbrauwen op hem vestigde | | B: Slavenmeester, | | C: Slavenmeester. | | B: mijn patroon--hij heettë de | | C: mijn patroon--hij heette de | | B: gezicht van den Stroeve (die echter | | C: gezicht van den ~Stroeve~ (die echter | | B: bij 't aanschouwen der dondere wolken, | | C: bij 't aanschouwen der donkere wolken, | | B: Cilie's geschiedenis is ontleend | | C: Cilie's geschiedenis is ontleend. | | B: zijde bezocht had. en die er | | C: zijde bezocht had, en die er | | B: vôcht, door kunstmatige opstuwing | | C: vocht, door kunstmatige opstuwing | | B: in korten tijd fortuin të | | C: in korten tijd fortuin te | | B: rein, haar aangebo en gevoel van | | C: rein, haar aangeboren gevoel van | | B: einde raad--be/sloot hij een brief | | C: einde raad--besloot hij een brief | | B: es fort in höhern Welt | | C: es fort in höhern Welt. | | B: singen als sij 't verstaat?" | | C: singen als sij 't verstaat? | | B: en Petrus Catkoen, j. u. d., | | C: en Petrus Calkoen, j. u. d., | | | +----------------------------------------------+

End of Project Gutenberg's Nevelhekse, by Albertus Alidus Steenbergen