Nevelhekse een verhaal uit de Drentsche venen naar authentieke bescheiden medegedeeld

Part 5

Chapter 54,028 wordsPublic domain

»Of weet jonker Bentinck niet, dat ik Jansen heet?" was de spottende wedervraag van de ~Stroeve~, en, na een oogenblik zwijgens, vervolgde hij: »gij beseft nu te wel, dat ik niet van ~hooren zeggen~ spreek, wanneer ik verzeker, dat ik de trots der Bentinck's en van die tot hen behooren, ken. Maar ter zake!

»Ongeveer twintig jaren geleden, was ik Bastiaan[28] op eene plantage in Suriname. Die plantage was het eigendom van een Franschman, die zich »Marquis" noemde, en met de dochter getrouwd was van een Hollandschen planter--zekeren meneer Deleman.

[28] Slavenmeester.

De Franschman, mijn patroon--hij heette de Renneval--was een zeer lastig heerschap, en een wreed meester over zijne slaven.

Hij beschouwde en behandelde ze niet anders, dan als lastdieren, waarvan men 't meest mogelijke voordeel moet zien te trekken, tegen de minst mogelijke kosten van onderhoud.

Nu ben ik alles behalve een teederhartig man, en langdurige omgang met het ebbenhout, heeft mij niet vriendelijker gezind jegens hen gemaakt.

Het is een lui, morsig, dom en brutaal ras, en wanneer de patroon hun verwantschap met den mensch ontzei, en--meer of min ontwikkelde apen noemde--was dit een van de weinige punten, waarop ik het vrij wel met hem eens was.

Dat ik mijne onderhoorigen dus zachtmoedig behandelde, wil ik niet beweren, maar mijn streven was toch, om hen goed te voeden, en na den zwaren arbeid, behoorlijk rust te gunnen.

Dat de patroon gehaat was door de zwarten, behoef ik u niet te zeggen, en evenmin, dat zij zich op alle mogelijke wijzen op hem trachtten te wreken.

Nu was er onder de mannelijke slaven zekere Hanno, die pretendeerde van Arabischen stam te wezen, en die zich dan ook door lichteren tint, dunnere lippen en beschaafder manieren van het overige beestegoed onderscheidde.

Hij was de beschermeling van de meesteresse, en was ook bij den patroon, tot zekere hoogte althans, vrij wel gezien, toen het volgende geval alles deed verkeeren.

De meesteresse had een jonge quarteronne tot lijfmeid, die door den patroon met zooveel attenties bejegend wierd, dat zijne vrouw besloot haar uit te huwelijken, en wel aan niemand dan aan Hanno.

Dat geschiedde, maar in plaats van nu af te zien van verder pogen, vervolgde monsieur de Renneval met verdubbelden ijver zijn doel, en het gelukte hem, op een uur, dat Hanno buiten was, zijne jonge vrouw te verrassen.

Dit nu nam Hanno, die werkelijk iets hooger stond dan een gewonen nikker, zeer euvel op, en 't was niet heel lang daarna, dat hij de gelegenheid waarnam van eene visite, die de patroon aflei op een naburige plantage, om in de slaapkamer van mevrouw te sluipen, en van haar te nemen wat de patroon van zijne vrouw genomen had.

Wellicht ware deze zaak geheim te houden geweest, want de meesteres zou zich wel gewacht hebben, de haar aangedane beleediging ruchtbaar te maken, maar dat lag niet in de bedoeling van Hanno.

Toen na negen maanden, mevrouw de Renneval beviel van eene dochter, zond hij eene oude slavin naar den patroon, om hem bekend te maken met het gebeurde, en vluchtte daarop met zijne vrouw naar de bosschen.

Dat monsieur de Renneval in 't eerst meende te moeten twijfelen aan de waarheid der zaak, is licht te bevroeden, maar het verhaal van de negerin (bijna een ooggetuige) liet weinig twijfel over, en 't werd ten overvloede bevestigd, door de bekentenis van mevrouw--stervende uitgebracht--, want zij overleefde de geboorte van hare dochter maar een paar dagen!

In zijn toorn wilde de patroon het kind laten verhongeren, maar 't gelukte aan mijne vrouw, die de meesteresse als vroedvrouw had ter zijde gestaan, om hem diets te maken, dat het gestorven was.

Intusschen had zij het bij ons in veiligheid gebracht.

Toen een jaar daarna, de plantage wierd afgeloopen door Hanno, waarbij de patroon werd gedood, namen wij het hulpelooze schepsel mee naar Paramaribo, waar ik, het slavenranselen moede, van plan was mij als chirurgijn te vestigen.

Ik wist, dat daar eene zuster van mevrouw de Renneval woonde, en vond haar bereid, om zich het meisje aan te trekken.

Maar, zij wierd na een viertal jaren ziek en stierf.

Voor haar dood liet ze mij komen, en droeg mij het nu opnieuw verweesde kind op, voor welks onderhoud ze mij een klein kapitaal ter hand stelde.

Niet lang daarna werd ik weduwnaar, en daar 't mij op den duur te Paramaribo niet beviel, nam ik 't besluit mijne bezittingen te gelde te maken, en naar Holland terug te keeren.

Een gedeelte er van, op een ander schip vooruit gezonden, leed schipbreuk; het andere kwam behouden aan, en 't was met een deel daarvan, dat ik mij hier (waar ik in mijne jeugd woonde) grond kocht en er een huis op liet timmeren.

In 't eerst was ik van plan, om het meisje slechts tot zekeren leeftijd bij mij te houden, en haar dan bij lieden, waarbij zij iets beters kon leeren dan bij mij, op te doen voeden.

Maar"--en hier nam het gelaat van den verhaler eene zonderlinge uitdrukking aan--»maar.... ik ben van plan veranderd; waarom--dat gaat niemand aan!"

Hij zweeg.

»En is dat alles?" vroeg Allard.

»Dunkt het u niet genoeg?"

»Hebt ge mij den ~waren~ naam medegedeeld van de ouders van Cilie?"

»Haar vader noemde zich Hanno," sprak de ~Stroeve~ met een grijnzenden lach, »en zoo gij meent, dat hij dit ten onrechte deed, moogt gij het onderzoeken."

»En hoe heette de plantage, waar Cilie geboren wierd?"

»Tranquilité."

»Jansen!" sprak Allard, »gij tracht mij te misleiden. In uw verhaal is waarheid, dat is zeker! maar even zeker is het, dat sommige omstandigheden daarin, al zeer onwaarschijnlijk klinken."

»Wat!?" riep de ~Stroeve~ met een paar geweldige vloeken.

»Uw vloeken vervaart mij niet, en het is niet uit vrees er voor, dat ik mij ga verwijderen. Maar mijne kleederen zijn thans droog genoeg, om ze weer aan te trekken, en 't wordt meer dan tijd om huiswaarts te keeren. Morgen kom ik terug, en we zullen dan nader spreken."

»Als ik wil!" was het knorrige antwoord.

* * * * *

Dat het avontuur van Allard, den volgenden dag niet weinig besproken werd in de kolonie, en dat de held er van honderde vragen daarover had te beantwoorden, zal wel niemand verwonderen, en evenmin, dat het aan zijne nichten aanleiding gaf tot het maken van niet weinig bitterzoete commentariën.

Vooral nicht Alida kon niet nalaten, neef de opmerking te maken, dat zijn moed zeker zeer te bewonderen was, maar dat hij--naar haar oordeel!--toch beter gedaan had, zijn leven niet te wagen, om een ~schepsel~ als ~dit~, van den dood te redden.

Maar neef's repliek was zoo levendig, en de verdediging van het ~schepsel~ zoo warm, dat freule Alida er niet weinig van ontzet was, en begreep, beter te doen--~hier~ verdere opmerkingen te sparen, om ze later op eene plaats ter markt te brengen, waar zij geen effect zouden missen; eene manoeuvre, die--als men later zien zal--goed beraamd was, en niet zonder gevolgen bleef.

Wat Allard betreft, hij stoorde zich aan spot noch blaam.

De treffende gebeurtenis van den vorigen dag, had Cilie dierbaarder dan ooit gemaakt aan zijn hart, en hoe ook ~zij~ zich aan hem verbonden gevoelde,--de woorden, op de burrie hem toegefluisterd, bewezen het maar al te zeer.

Al wat naar weifeling geleek, was thans ook bij hem geweken. Gods vinger had hem verordineerd, haar ten beschermer te zijn, en wat er ook mocht gebeuren, wie zich tegen zijne vereeniging met haar mocht willen verzetten, hij zou haar niet verlaten, maar haar de zijne noemen, zoowel voor de menschen als voor God.

En het was met deze gedachten en voornemens, dat hij zich zoo schielijk hem maar eenigszins mogelijk was, naar 't huis aan 't meer spoedde.

Hij vond het arme kind wel wat bekomen van de angst en vermoeienissen, den vorigen dag geleden, maar toch pijnlijk, vooral op die plaatsen, waar het booze wijf haar met tanden en nagels had gehavend.

Maar de tegenwoordigheid van haar vriend, en vooral, wat hij, over hare peluw gebogen, haar herhaalde malen influisterde, oefende een zoo weldadigen invloed op haar uit, dat zij, alle leed vergetende, tegen den avond opstond en, door zijne armen ondersteund, nevens hem voor 't raam ging zitten.

Hier vertelde hij haar, wat haar voogd (deze was des morgens vroeg al uitgegaan) hem den vorigen avond betrekkelijk hare afkomst had medegedeeld. Zij hoorde hem met ingespannen aandacht aan, maar was verre van met alles in te stemmen, van hetgeen er in dat verhaal voorkwam.

Hoewel hare herinneringen, vooral op sommige punten, vrij vaag waren, was dit lang niet overal 't geval, en 't bleek Allard weldra, dat hij den ~Stroeve~ niet ten onrechte verdacht hield, van onjuiste voorstelling der feiten.

Haar vader, wien zij naar 't verhaal van Jansen niet zou gekend hebben, herinnerde zij zich vrij wel. Zij wist, dat zij menigmalen op zijne knieën gezeten had, dat hij haar geliefkoosd en »petite marquise" had genoemd.

En, in plaats van weinig meer dan een zuigeling geweest te zijn, toen zij bij hare tante kwam, was zij minstens zes of zeven jaar oud geweest.

Deze tante kon ook geene zuster van hare moeder geweest zijn, maar wel van haar vader, want zij was eene Française, en van haar had zij de liedjes geleerd, die zij gewoonlijk zong, en het Fransch, dat zij ook nu nog gemakkelijker sprak dan het Hollandsch, en waarin zij zich bij voortduring had kunnen oefenen, daar haar voogd, die uit Fransch Vlaanderen afkomstig was, die taal zeer goed kende, en er zich bij voorkeur van bediende, wanneer hij met haar sprak.

Intusschen heette deze tante niet: de Renneval, maar: de Cosse, als zij bewees uit een Catholiek gebedenboekje, dat haar eenmaal had toebehoord, en op welks schutblad met duidelijke letters geschreven stond: Desirée Louise Posada, née de Cosse, 1687.

De naam ~Cosse~ klonk Allard vrij bekend in de ooren, en bij eenig nadenken herinnerde hij zich, dat hij te Amsterdam, ten huize van een zijner kennissen, een refugié had ontmoet, die onder dien naam aan hem was voorgesteld.

Was hij nog in leven, dan zou er zeker wel gelegenheid bestaan om hem te spreken, en van hem te vernemen, of de tante van Cilie ook behoorde onder zijne bloedverwanten, en was dit laatste het geval, dan had men den draad in handen, om in dit labyrinth den weg te vinden. Ook kon daartoe dienen, de--zeker in een onbewaakt oogenblik--aan den ~Stroeve~ ontsnapte mededeeling: dat hij kort voor Allard's geboorte, in diens ouderlijk huis had gediend.

Hij deelde dat alles aan Cilie mede, en trachtte haar duidelijk te maken, dat zijn bespoedigd vertrek naar den Haag--hoe ongewenscht ook onder de tegenwoordige omstandigheden--noodig was, om den weg te effenen, die tot hunne vereeniging leidde.

Maar Cilie wilde daarvan niets hooren.

Te scheiden, en dat voor wie weet hoe lang; haar te verlaten,--nu al weer te verlaten, en dat terwijl zijn bijzijn haar zoo nameloos gelukkig maakte... het denkbeeld maakte het hartstochtelijk schepseltje zoo rampzalig, dat Allard zich haastte den storm te bedaren, door de verzekering te geven, dat hij vooreerst aan geen weggaan dacht, en althans zoo lang zou blijven, tot zij geheel hersteld was.

Eene belofte trouwens! die maar al te zeer instemde met de wenschen van zijn hart.

Want het waren dagen vol weelde, die hem wachtten aan de zijde van de teedergeliefde--vooral toen zij, als weldra 't geval was, slechts weinig letsel meer leed, van wat zij verduurd had op den schrikkelijksten dag van haar leven; den dag evenwel, waarvoor zij toch den goeden God niet genoeg kon danken, want na de doorgestane angsten en smarten, was haar geschonken, wat zij nooit had gedacht te zullen verwerven.

Bijna elken namiddag kwam Allard haar bezoeken, en, hing het schoone kopje mat en treurig neer, als eene bloem, die het aan water ontbreekt, het richtte zich op, wanneer het uur naderde, waarop de welbeminde gewoon was te verschijnen.

En, sloeg dat uur, 't was uit met mijmeren, en stond zij aan het hek van den hof, in gezelschap van den getrouwen hofhond, en omfladderd door hare duifjes.

Niet zoodra kreeg zij hem in 't oog, of in wilde vaart vloog zij hem tegemoet, drukte hem aan haar hart, en rustte niet voor hij haar evenals een kind op den arm nam, en huiswaarts droeg, gelijk hij gedaan had, toen hij haar, na haar uit het water te hebben getogen, naar de hut bracht waar zij de oogen had opgeslagen tot een nieuw leven.

Op die armen, en aan die borst, zeide zij, was zij veilig voor alle boozen en al het booze, dat in de wereld bestond, en--behoeft het gezegd te worden--dat de drager zich even gelukkig gevoelde als de gedragene, en onder de weelderige lokken, die zijn aangezicht omzwierden, de kus beantwoordde waarmede het schoone kind van tijd tot tijd haar gesnap afbrak?

Het zure gezicht van den ~Stroeve~ (die echter zelden thuis was) en de tegenwoordigheid van de huishoudster, die order scheen te hebben, op al de bewegingen van het jonge paar acht te geven, maakte het verblijf binnenshuis minder aangenaam, en daarom ging men--wanneer het weer het maar eenigszins toeliet--naar buiten, en bezocht, arm in arm, de plekjes, merkwaardig en veelal dierbaar geworden, door de gebeurtenissen, der laatste dagen.

Het hutje van den goeden arbeider, waarin men liefderijk was verpleegd; de plek op den dijk, waar Allard gestaan had, toen hij de geliefde aan de golven had ontrukt, en het boschje, waarbij hij gepoogd had, haar in 't leven terug te roepen, werden niet vergeten, maar 't liefst en 't langst verwijlde zij met hem, op het plekje, waar hij haar 't eerst had toegesproken, »en waar ik »petite folle"[29]--als zij zeide--wou ontvluchten, wat mij was toegezonden door den lieven God, om mijn alles te worden."

[29] Kleine zottin.

Maar.... als alle idyllen, was ook de hunne kort, en helaas! al te kort.

Eens op een morgen kwam Allard vroeger dan naar gewoonte, aan het schuthuis, en hoe verheugd Cilie ook was hem nu al te zien,--hare vreugde verkeerde aldra in angst, bij 't aanschouwen der donkere wolken, die er rustten op zijn voorhoofd.

En waarlijk niet zonder reden, stond zijn wezen zoo droef.

Hij had den avond te voren, bij zijne thuiskomst, een brief gevonden van zijn vader, met het bericht, dat zijne moeder vrij ernstig ongesteld was geworden, en dringend zijn terugkomst verlangde.

Zijn onmiddellijk vertrek was nu onvermijdelijk, en dienzelfden avond wilde hij zich te paard naar Meppel begeven, om daar met de beste gelegenheid de terugreis naar den Haag te aanvaarden.

Het arme meisje was radeloos, en waarlijk geen wonder!

De toekomst was zoo duister.

Bij wien zou zij thans haar toevlucht nemen?--waar zou zij bescherming zoeken, tegen de vijanden, die haar alom belaagden?

Haar voogd?... maar had zij het steeds verzwegen, wat zij nu wel zeggen moest: daar was in zijne gedragingen jegens haar in den laatsten tijd veel geweest, dat haar méér zijne vriendelijkheid, dan zijn wrevel moest doen duchten!"

Met schrik hoorde Allard de laatste mededeeling aan.

Zij voegde eene groote bekommernis bij de reeds bestaande, en hij dacht er een oogenblik aan, om het arme meisje bij vertrouwde lieden onder dak te brengen, maar.... Cilie was nog niet meerderjarig, en door welk middel zou hij, en dat vooral bij de korte oogenblikken, die hem restten, haar aan de macht van haar voogd onttrekken?

En bij wien zou de door de meesten verafschuwde heks, een onderkomen zoeken?

Haar vriend jonker Swaap lag gevaarlijk krank, en een ander, verre boven de vooroordeelen van het onzinnig gepeupel verheven en haar zeer toegenegen man, was met zijne gansche familie op reis.[30]

[30] Mr. Petrus Calkoen, aan wiens aanteekeningen verre weg het grootste deel van Cilie's geschiedenis is ontleend.

Duisternis dus waar hij het oog vestte, en toch moest hij zich sterk betoonen, moest hij woorden van troost en bemoediging spreken.

Maar, evenals Rachel, wilde Cilie niet vertroost worden, en hoe meer het oogenblik van afscheid naderde, hoe sterker het hartstochtelijke kind zich aan hem vastklemde, en hem bezwoer, bij haar te blijven, en haar niet aan den dood prijs te geven!

Met geweld moest hij zich eindelijk uit hare armen los maken!

Driemalen ging hij heen, en driemalen keerde hij weder, en 't was niet dan met inspanning van al zijne krachten, dat hij er eindelijk toe kwam, de halfbezwijmde in de armen der huishoudster neer te leggen, en zoo schielijk hij kon zich te verwijderen.

V.

Een paar weken zijn er verloopen sedert Allard's vertrek en de arme Cilie was reeds ten einde raad.

In de eerste dagen was 't haar ook zeer droef te moede geweest, maar bij nader inzien had zij toch begrepen, dat deze scheiding moest voorgaan aan hunne vereeniging, en dat de woorden, door den heengaanden vriend gesproken, toch ook veel troostrijks inhielden.

Hunne vereeniging, had hij gezegd, was in den hemel gesloten, en alzoo zou geen menschelijke macht er zich tegen kunnen stellen.

Voorts zou de scheiding slechts kort zijn, want slaagde hij niet, om het voorgenomen onderzoek naar hare familiebetrekkingen in korten tijd ten einde te brengen, en liet de ziekte zijner moeder het maar even toe,--hij zou haar komen afhalen, om haar in een of ander stil verblijf in veiligheid te brengen.

En in allen gevalle zou hij haar terstond na zijne aankomst ginds schrijven, en het beloofde bijbeltje toezenden; het Goddelijke boek, waaruit zij troost en bemoediging zou kunnen putten, wanneer het donker om haar heen wierd, en haar vertrouwen op de toekomst wankelde.

En thans was het veertien dagen geleden, sinds hij haar den laatsten kus op de lippen drukte, en zij had taal noch teeken van hem ontvangen.

Dag noch nacht had zij rust meer!

De nachten bracht zij wakende door, of--sliep zij--haar slaap was kort en vol van de ontrustendste en duisterste droomgezichten.

Des daags zwierf zij droevig en mistroostig om, en bezocht de plekjes, die zij nog zoo kort geleden, aan zijne zijde bezocht had, en die er nu somber en verlaten uitzagen, ook al bescheen de herfstzon ze met hare vriendelijke stralen.

Zelve had zij reeds tweemalen geschreven, en hoewel het haar veel moeite gekost had, hare gedachten in schrift te brengen--zij hanteerde zoo zelden de pen!--meende zij het toch duidelijk genoeg gemaakt te hebben, hoe vreeselijk angstig het haar om 't hart was, en hoe een enkele regel schrifts van zijne hand--slechts eene enkele!--haar tot rust zou brengen, en haar lot met onderwerping doen dragen.

En toch kwam er niets, letterlijk niets!

Elken Saterdag--de brieven uit Holland kwamen slechts eens in de week in de kolonie aan--elken Saterdag had zij haar vertrouwde gezonden naar den schatbeurder,[31] die belast was met het postbeheer voor de Velden, om te vragen of er iets was voor haar, maar--het meisje bracht haar steeds hetzelfde antwoord, en vergezelde dit met een zoo zonderlingen blik, dat zij niet wist, wat er van te moeten denken.

[31] Ontvanger.

En--zonk zij schreiend neder op haren stoel, dan lachten haar voogd en zijn bondgenoote de huishoudster schamperlijk, en beiden plaagden haar met hare onnoozelheid.

Dan verzekerden zij haar, dat zij dwaas deed met te hopen op iets, dat nooit zou verwezenlijkt worden.

De voorname heer had haar verlaten, en dat voor altijd! Hij had haar gepaaid met ijdele beloften, om op eene aangename wijze met haar den tijd te kunnen korten, en..... nu hij wellicht zijn doel bij haar had bereikt, had hij haar weggeworpen, als een speeltuig, dat men moede is geworden!

Met verontwaardiging wierp het jonge meisje deze beschuldigingen terug.

Nooit was haar iets gevergd, dat streed met de eerbaarheid!

Hunne verkeering was rein begonnen en rein gebleven, en...... bleef Allard weg, dan was dat niet uit ontrouw, niet omdat hij haar niet lief had als weleer, maar dan was hem het een of ander overkomen.

Dan was hij ziek.... ~te~ ziek om het haar te kunnen melden!

En dit laatste denkbeeld, vestigde zich voor goed in hare ziel.

Allard was ziek en kon dus, hoe gaarne hij ook wilde, haar zijn toestand niet melden, en--zijne bloedverwanten weigerden dit voor hem te doen.

En was dat zoo, wat dan aan te vangen?

Een oogenblik had zij er over gedacht naar Holland te reizen.

Maar.... zij had geen geld, en al ware dit wel het geval geweest, wat zou het gebaat hebben, want zij was zoo bijster onervaren!

Waar zou zij, ware 't haar ook al gelukt, de groote en gevaarlijke reize over zee te volbrengen, waar zou zij in de--in hare verbeelding ontzaglijk groote Hofstad--Allard vinden?

Uit hare kindsheid herinnerde zij zich nog, hoe zij, aan de hand van haar voogd, door de straten van Amsterdam had gezworven, en hoe angstig te moede het haar was geweest, toen zij--door het geweldig gedrang van de menigte van hem gescheiden--een korten tijd door den menschenstroom was weggesleept.

En ook deze stad zou zij thans--en dat alleen--moeten doorkruisen!

Dit ging alzoo niet, en toch, zij wilde en moest zekerheid hebben.

En om deze te verkrijgen, besloot zij naar »de Huizen" te gaan, en zich bij de familie Bentinck, waar Allard gelogeerd geweest was, aan te melden.

Wel wist zij--Allard had het haar meermalen gezegd--dat die familie haar zeer ongenegen was, maar zij wilde haar dan ook volstrekt geen overlast doen, en alleen maar vragen: wat men van den zieke wist, en.... of er eenige hoop op zijn spoedig herstel bestond?

't Was een moeilijke gang voor haar--dien gang naar het dorp, want zij wist, en maar al te vaak had zij het ondervonden! dat het volk in haar zag eene dienaresse des duivels, die men beleedigen mocht naar welgevallen.[e]

En thans..... nu men ook den dood van Marrije aan haar toeschreef..... wie kon haar zeggen wat haar stond te wachten!

De beide meisjes ten minsten, die haar vroeger plachten te vergezellen, weigerden thans met haar mede te gaan, en had zij weleer in het dorp twee haar toegenegen vrienden, bij wie zij toevlucht zou kunnen zoeken, dit was thans het geval niet meer.

Maar al die overwegingen hielden haar niet terug.

Haar onrust was zoo groot, dat zij haar niet langer kon verduren, en toen ook de derde Saterdag geen bericht bracht, aanvaardde zij den tocht, na langen tijd op hare knieën den goeden God te hebben gebeden om zijne bescherming, als Allard haar had aanbevolen te doen, bij alle bezwaren en nooden.

't Was tegen den avond, toen zij in het dorp aankwam, en daar zij, om niet zoo gemakkelijk herkend te worden, haar wit kleedje onder eene donkere falie hield bedekt, gelukte het haar onbemerkt het huis van den heer Bentinck te bereiken.

Met bevende hand klopte zij hier aan.

De deur werd geopend, en--ongelukkiger kon het niet--juist door de jonge dame, die ik vroeger vermeldde als hare bitterste vijandin.

Men kon denken, met welke oogen zij het rampzalig voorwerp van haar haat aanstaarde, en welk antwoord het bevende kind ontving op haar met nauwelijks hoorbare stem gedane vraag.

Ook was deze nog niet ten volle uitgesproken, of eene stortvloed van verwenschingen en scheldwoorden barstte los, gevolgd door de verzekering, »dat zij jonker Allard nooit weer zou zien, want dat hij God gedankt had, toen hij--thuis gekomen--zich buiten 't bereik gevoelde van de tooverijen en liefkozingen eener infame heks!"

Als vurige pijlen drongen deze bitse woorden in het hart der rampzalige maagd, en, niet in staat om een enkel woord te antwoorden, kruiste zij de armen op de borst, keerde zich wankelende om, en ging heen.

Onder de pijnlijkste gedachten vervolgde zij haar weg.

Verlaten.... verstooten door hem, die haar duizendmalen de verzekering had gegeven, dat zij zijn alles was, en voor wiens behoud zij haar laatsten droppel bloed zou veil gehad hebben! O, Vader in den Hemel! Waarom haar in gindsche ure niet tot u genomen? Waarom haar een korte wijle gespaard, om haar thans een dood te laten sterven, oneindig pijnlijker, dan die haar gewacht zou hebben in den schoot der golven?

Vreeselijk waren de martelingen geweest, die zij verduurd had, van de handen harer pijnigster op de heide, maar wat waren zij, vergeleken bij het knagen van het venijn, dat thans haar hart doorwoelde?

Verstooten! beschimpt... door hem.