Nevelhekse een verhaal uit de Drentsche venen naar authentieke bescheiden medegedeeld

Part 4

Chapter 43,925 wordsPublic domain

Dat Allard zoo schielijk mogelijk de kolonie trachtte te verlaten, zal ik na het aangevoerde, wel niet behoeven te verzekeren; maar wèl, dat hij niet terstond een geschikt voorwendsel vond, om dit gansch onverwacht vertrek bij zijne bloedverwanten te bewimpelen. Overigens noopten hem de gebrekkige reisgelegenheden nog eenige dagen te vertoeven, en om gedurende dat tijdsverloop alle verzoekingen af te snijden, elke weifeling te voorkomen, droeg hij de zorg voor zijne patiente op aan den dorpschirurgijn, wien hij eene ruime schadeloosstelling voor zijne diensten ter hand stelde, en tevens eenig geld voor de zieke en hare ouders, met verzoek dit ten huize van den sluiswachter te overreiken, met de boodschap, dat hij vroeger dan hij dacht naar Holland moest terugkeeren, maar eerlang dacht weder te komen.

En na al deze beschikkingen te hebben gemaakt, dacht hij verre te zullen blijven van wat hij 't liefst wenschte te naderen.

Zoo dacht hij, maar hoe gansch anders zou het uitkomen!

»De mensch, dus zegt men-- Is Schepper van zijn eigen noodlot; zelf Weeft hij aan 't weefgetouw des tijds, het weefsel Van zijn lotgevallen. Voor een deel is 't waar: De mensch weeft eigen toekomst, maar verborgen hand, Schiet somtijds vreemde draden door het weefsel, En knoopt aan gulden draad een zwarten vast, Of, aan een zwarten, omgekeerd een gulden."

Er zijn oogenblikken in het leven, waarin de omstandigheden met al onze berekeningen den spot drijvende, ons dwingen te gaan, waar wij niet wenschen te wezen; oogenblikken waarin een dusgenaamde toevalligheid eene gansche omkeering in onze beschouwingen te weeg brengt, en een golfslag doet ontstaan, die voortrolt tot, en mogelijk--verre over het graf!

»Zij is dood!" dus klonk het Allard in de ooren, toen hij, van eene wandeling teruggekeerd, thuis kwam,--»de arme Marrije is dood!"

't Was kort voor zijn vertrek naar Holland was bepaald, en de barbier, die op zijn verzoek de zieke behandelde, bracht hem deze tijding--trouwens niet geheel onverwacht.

Haar toestand was verergerd in de laatste dagen.

Wel stond de wonde niet slecht, maar de patient had gestadig hartkloppingen, en de koorts was in hevigheid toegenomen.

Het meisje had nooit tot de sterksten behoord en het bleek nu, dat hare krachten niet toereikend geweest waren, de door de werking van het venijn voortgebrachte ziekte te wederstaan.

Den laatsten nacht had zij ijlende doorgebracht, en in dien toestand--als haar moeder zeide--dingen geopenbaard, die zeer bezwarend waren voor den ~Stroeve~ en zijn pupil, en eene algemeene verontwaardiging onder het volk hadden verwekt, niet verminderd door de toespraak, die de catechiseermeester Greve tot de omstanders had gehouden, even voor haar dood.

't Werd Allard droef te moede bij het ontvangen van dat bericht, en hij maakte zich in hooge mate ongerust over de gevolgen, die dit overlijden, onder dergelijke omstandigheden, voor de arme Cilie kon hebben.

De vreeselijke bedreigingen van de moeder van Marrije klonken hem nog schril in de ooren, en hoewel de ~Stroeve~ zich volstrekt niet ongerust betoond had, toen hij ze hem mededeelde, en lachend had aangemerkt: dat deze lieden gewoon waren geweldig te blaffen, maar niet te bijten, en dat hij, ook wanneer zij dit mochten willen doen, volstrekt niet voor hen vervaard was, bleef hij van een heel ander gevoelen.

Eene niet te miskennen dweepzucht bezielde de oude vrouw, en maakte van hare droefheid en toorn vreeselijke wapens.

En was zij ook al onmachtig om daarmede den sluiswachter te treffen, hoe licht was het weerlooze kind er door te bereiken!

Hij begreep niet beter te kunnen doen, dan aan den Schout mede te deelen, wat hij gehoord had, en hem aan te bevelen, den sluiswachter op het gevaar, dat hem en zijne pupil dreigde, opmerkzaam te maken.

Maar deze was geen vriend van den ~Stroeve~, en wat het meisje aanging, hij begreep dat zij schrander genoeg was, om zich niet binnen het bereik van hare vijandin te wagen. Intusschen beloofde hij toch haar persoonlijk te gaan waarschuwen, en dat binnenkort.

Allard bleef echter de drie dagen, die er nog moesten verloopen, voor hij met den Coevordschen postwagen naar Zwartsluis zou vertrekken, onrustig en gejaagd, ja zóó, dat zijne nichtjes, die--ik vergat het te zeggen--verre waren van hem met onverschillige oogen aan te zien, begrepen, dat hier meer in 't spel was, dan verdriet over den dood van Marrije, en allerlei pogingen aanwendden om achter het fijne van de mis te komen.

* * * * *

In den nacht, die den dag voorging, waarop zijn vertrek was bepaald, sliep hij zoo onrustig, dat hij bij 't aanbreken van den morgen zijn leger verliet, om in de buurt rond te zwerven.

Haast zonder het zelf te weten, waar hij zich bevond, had hij het pad langs de vaart ingeslagen dat naar de Riegshoogte geleidde.

Een paar zwaar geladen vaartuigen, nog vochtig van den nachtdauw, en met moeite voortgesleept door een drietal vrouwen, kwam het kanaal langzaam afzakken.

Vol medelijden met deze arme schepsels, aldus gedoemd tot een werk, geheel ongeschikt voor hare sekse en verre hare krachten te boven gaande[27], stapte Allard haastig voorbij, maar vertraagde zijne schreden aldra opnieuw, bij het aanschouwen van wat deze vaartuigen onmiddellijk volgde.

[27] Nog in onze dagen kan men getuige zijn van dit onhebbelijk misbruik.

't Was een klein schuitje, langzaam voortgetrokken door twee mannen.

Daarin stond een doodkist, en op deze zat, in voorover gebogen houding, en geheel gedoken in zwarte faliën, een viertal vrouwen.

Van hare gelaatstrekken was niets te zien, want evenals de Grieksche treurvrouwen, hielden zij met hare mantels het hoofd bedekt; maar de hooge statuur, en de eigenaardige vormen van eene van haar, maakte gissing naar haar persoon overbodig.

Het was de moeder van Marrije, en de kist bevatte het lijk van het arme meisje.

Een lange sleep van donker uitziende mannen en vrouwen volgde het schuitje, en het geheel van deze aan de begrafenisplechtigheden der oude Egyptenaren herinnerende lijkstaatsie, maakte een zoo diepen indruk op het bewogen gemoed van Allard, dat hij met ontbloot hoofd bleef staan, nog lang nadat de laatste der lijkvolgers hem waren voorbijgegaan.

Toen hij een uur daarna in de kolonie terugkeerde, hoorde hij, dat de gansche gemeente in rep en roer was geweest, en dat ds. Curtenius op het kerkhof eene rede had gehouden, die meer getuigde van zijne bekrompenheid en onverdraagzaamheid, dan van Christelijke liefde.

Algemeen voorspelde men nu, dat het ginds wel niet rustig zou blijven, en dat de schutbaas en zijne pupil het hard zouden te verantwoorden hebben tegenover het volk.

* * * * *

Op den avond van dienzelfden dag, was Allard opnieuw uitgegaan, om in de eenzaamheid te overwegen, wat hem nu te doen stond, en, bewogen door de meest strijdige gedachten en plannen, bleef hij besluiteloos rondstappen, toen een ongewoon gedruisch in de lucht boven hem, hem in zijne overpeinzingen stoorde en verschrikt deed opzien.

Eene witte duif, waarop een sperwer een mislukten raam had gedaan, deed haar best om aan diens verdere vervolgingen te ontkomen, en stortte, na twee- of driemalen dicht over 't hoofd van Allard te zijn gevlogen, voor zijne voeten neder, als wilde zij zijne bescherming inroepen.

Zonderling getroffen, nam hij het dier op, dat, als zich bewust, hier niets te vreezen te hebben, zich gewillig liet vangen.

Er was niets ongewoons in dit geval.

Blijkbaar was het duifje afkomstig van een til, dat door vriendelijke menschenhanden wierd verzorgd, en welker bewoners, hunne gewone schuwheid hebbende afgelegd, het gezelschap van den mensch eer zochten, dan vermeden.

Maar Allard zag daarin iets geheel anders, en de stemming, waarin hij verkeerde, was maar al te geschikt, om hem zijne opvatting aldra als zekerheid te doen aannemen:

De witte duif was Cilie; Cilie, die, aldus door een vijand vervolgd, een beschermer zocht, maar..... niet zoo gelukkig als het duifje--dien niet zou vinden!

Niet zou vinden?.....

En was hij er dan niet?

Was hij er dan niet? en had hij niet begrepen wààrom de witte duif bij hem haar toevlucht had gezocht, en...... was dit gansche geval niet een vingerwijzing van Hooger Hand?

Vertoonde het hem niet--klaar als in een spiegel--wat het lot der arme duive ginds zou worden, wanneer hij, in zijne onmannelijke berusting volhardende, haar overliet aan hare vijanden?

Had hij dan zoo weinig zelfbeheersching, eene zoo geringe gedachte van zijn wil, dat hij meende zich niet te kunnen vrijwaren voor het aangaan eener overijlde verbindtenis, dan door het zich volstrekt onthouden van alle bijeenzijn met het voorwerp zijner min?

Neen! het was besloten! de witte duif zou hem niet te vergeefs zijn toegezonden!

Hij wilde Cilie opzoeken, en dat onmiddellijk, want wie wist, hoe zeer ze zijne hulp behoefde!

Lang was de sperwer verdwenen, toen Allard nog met de duif aan zijne borst gedrukt voortschreedt.

Eindelijk liet hij haar vrij.

Hoog steeg zij op in de lucht, zeker om de plaats te verkennen waar zij zich bevond en vloog toen met snelle vaart oostwaarts.

Oostwaarts lag het Riegmeer.... was het niet een nieuwe wenk?

* * * * *

Het begon reeds te schemeren, toen Allard het veld bereikte, gelegen tusschen Alberts-Holtien en het groote Riegmeer.

In 't zuiden broeide een onweer, en het bruine water van den grooten plas, die kalm en bewegingloos tusschen zijne donkere oevers lag, weerspiegelde van tijd tot tijd de rosse gloed van het weerlicht, dat tusschen de samenpakkende wolken speelde, terwijl eenige oogenblikken later, eene doffe, langzaam voortrollende donder volgde.

Het huis van den ~Stroeve~ lag oostwaarts verscholen achter de boschaadiën, die het omringden, en de vlucht witte duiven die er boven zweefde, deed zijn hart sneller kloppen, daar ze hem levendig herinnerde aan hetgeen pas was geschied.

Juist stond hij gereed het pad, dat er heen leidde in te slaan, toen een zonderling geluid, dat van de zijde van het meer kwam, zijne ooren trof.

In 't eerst dacht hij, dat het veroorzaakt wierd, door een vlucht eendvogels, die, beducht wellicht voor het naderend onweer, eene schuilplaats zocht, maar weldra overtuigde hij zich, dat het noodkreten waren, en wel van een menschelijk wezen.

Een kind of vrouw scheen in doodsangst te verkeeren en riep dan eens met gesmoorde stem, dan eens met een luid gegil om hulp.

In een oogenblik had Allard het kreupelbosch, dat zich tusschen hem en de plaats vanwaar de kreten klonken, bevond, omgetrokken.

Niets belemmerde thans zijn uitzicht op de vlakte, die hem nog van het meer scheidde, en zoo zag hij dan ook, dat niet ver van den dijk, die het aan deze zijde beteugelde, eene donkere gestalte iets onder zich uitgestrekt hield, dat zich aan haar poogde te ontworstelen.

Door een, met al de kracht zijner longen voortgebrachten kreet, kondigde hij zijne tegenwoordigheid en aanstaande tusschenkomst aan, en dat deze niet onopgemerkt gebleven was, bleek uit de gevolgen.

Want, de donkere gestalte, die nu duidelijk bleek van eene vrouw te zijn, en wel van niemand anders dan van de moeder van Marrije, rees op, en balde de vuist naar de zijde van den snel naderenden, maar zich nog altijd op een tamelijken afstand bevindenden Allard.

Maar in plaats van te vluchten, greep zij plotseling op, wat zij onder haar hield neergestrekt, wrong het vast in hare armen, en rende er mee naar den dijk.

Opnieuw stiet Allard een geweldigen kreet uit, terwijl hij zijn vaart verdubbelde, want het witte gewaad der aldus weggevoerde, en de klank van hare stem liet hem geen twijfel over, of het was Cilie die zich in de macht harer vijandin bevond en die door haar naar het meer werd gesleept, met een licht te bevroeden, afgrijselijk doel.

En dit laatste--meestal zoo kalm, en als sluimerende, vertoonde op dit oogenblik een gansch ander karakter.

Een felle bliksemstraal, gevolgd door een ratelenden donderslag, scheen den stormwind te hebben ontketend.

Met wilde vaart vloog hij over het water en joeg het met geweldige golven tegen den dijk.

De moeder van Marrije, eene met buitengewone lichaamskracht begaafde vrouw, was het kinderspel geweest met een zoo lichten last als Cilie was, den dijk op te schrijden, en lang voor het Allard gelukt was, dien te bereiken, stond zij daarop, met den eenen arm het nog altijd kermende en gillende meisje tegen zich aanklemmende, en met den anderen allerlei bewegingen makende, terwijl zij al krijschende de afschuwelijkste verwenschingen uitbraakte.

»Moed, Cilie! moed!" riep Allard, terwijl hij niet ver van de plaats, waar het wijf stond, den dijk opsprong.

Maar het arme kind had geen tijd om te antwoorden, want op hetzelfde oogenblik, omvatte de reuzin met de eene hand haar den nek, met de andere de enkels, hief haar hoog boven haar hoofd, en wierp haar daarop in de bruischende diepte!

Wel woelde het water het gezonken lichaam weer naar boven, en zag Allard het vlak aan den dijk, maar in 't volgende oogenblik was het verdwenen.

Er was geen tijd te verliezen--hij sprong het meisje na in de diepte.

Nog eenmaal, maar al veel verder weg, zag hij haar witte gewaad schemeren, en met forsche slagen zwom hij naar die plaats.

Maar de golfslag van het hier, gelukkig! niet zeer diepe meer, had haar al weer naar den dijk teruggevoerd, en na een paar vruchtelooze pogingen, gelukte het hem de drenkelinge te grijpen, en op een met riet en gagel begroeide plek, die glooiend van den dijk in 't meer afdaalde, vasten voet te krijgen.

De krampachtig om zijn hals geslagen arm van het meisje overtuigde hem, dat zijne hulp nog niet te laat gekomen was, en dit bewustzijn schonk hem nieuwe krachten tot de worsteling met de elementen, die nu nog overbleef, om weer op den dijk te geraken.

De plek toch, waarop hij stond, was niet alleen met allerlei struikgewas begroeid, maar zij werd ook gestadig overstroomd door het water, dat, door den meer en meer aanwakkerenden stormwind voortgezweept, met hooge golven er over kwam rollen.

Tweemalen struikelde hij dan ook, en was op het punt neer te storten, maar eindelijk kreeg hij vasten voet, en stond, met de geredde in zijne armen, op den dijk, niet verre van de plaats, waar de veroorzaakster van al dat leed nog toefde, om allerlei verwenschingen uit te braken, en den redder zoo goed als de geredde te vervloeken.

Allard was echter veel te ijverig bezig met zijne pogingen, om Cilie het ingezwolgen water te doen overgeven, en haar tot bewustzijn te brengen, om veel op haar te letten.

Alleen toen hij zag, dat de enkels van het arme meisje door een breeden band van russchen waren saamgebonden, kon hij eenige woorden van toorn niet bedwingen, terwijl hij haar met de vuist dreigde.

Een onbeschaamd gebaar, en een nieuwe stroom van vuile scheldwoorden, was haar antwoord.

Kort daarop verwijderde zij zich echter.

Het onweer was intusschen in hevigheid toegenomen.

Rusteloos flitste de bliksem door de lucht, en ratelde de donder, terwijl de regen, die in stroomen neerdaalde, het oog weldra belette zelfs de meest nabijzijnde voorwerpen te onderscheiden.

En wat nu te doen?

Gedaald van het gestadig door de golven overspoelde dijkje, zocht hij naar een plek, waar hij eenigermate beschutting kon vinden voor wind en regen, want om naar eene meer afdoende schuilplaats om te zien, was onder de tegenwoordige omstandigheden onmogelijk.

Met het meisje in zijn eenen arm, tastte hij met de andere rond, en vond eindelijk een kreupelboschje, waarachter hij zich met haar kon nederzetten.

Pas was hij daar gezeten, toen hij opnieuw een noodkreet meende te hooren. Het kletteren van den regen en het gedruisch van donder en wind beletten hem echter, waar te nemen, van welke zijde het geroep kwam, en daarbij was hij te bekommerd over den toestand van Cilie, om er bijzonder op te letten.

Want nog altoos lag zij bewusteloos in zijne armen, en licht te denken was het, dat er geene beterschap kon worden verwacht, bleven dezelfde ongunstige omstandigheden voortduren.

En dit was het geval. De regen stroomde met voortdurend geweld neder, en al werd hij ook minder, wat dan nog te beginnen? Want het was zoo donker geworden, dat er geen denken aan was, een pad te zoeken door het drassig geworden terrein.

Maar hoor! nogmaals het geroep van daareven!

Het klonk nu echter dichter bij, en 't werd Allard dra duidelijk, dat het niet was van iemand die hulp zocht, maar van een die hulp zocht te verleenen.

Mogelijk was het wel de ~Stroeve~, die--Cilie missende--haar kwam zoeken.

Hij stond dus op, en, zijne stem met alle kracht verheffende, riep hij eenige malen achter elkander: »Hier!"

En niet zonder gevolg!

Weldra schemerde het licht van een lantaarn in de nabijheid, en verscheen er een man, die inderdaad bleek de ~Stroeve~ te zijn, en die niet weinig verrast scheen, toen hij haar, die hij zocht, in de armen van Allard zag rusten.

Met een enkel woord verklaarde deze de toedracht der zaak, en drukte den man tevens op 't hart, geen oogenblik te zuimen, wilde hij het meisje in het leven behouden.

De ~Stroeve~ ging nu met den lantaarn voor, en wees Allard, die Cilie droeg, den weg naar een arbeidershut in de nabijheid, en die men--echter niet zonder veel moeite en struikelingen--weldra bereikte.

Er was, als licht te denken is, weinig gemak in dit berookt verblijf, maar de lieden, die het bewoonden, waren gul en dienstvaardig.

Terwijl de ~Stroeve~ naar huis liep, om brandewijn en de noodige kleedingstukken te gaan halen, stak Allard zich onder een afdak in 't Zondagspak van den arbeider. De vrouw hield zich met Cilie bezig, kleedde haar uit, rolde haar in de eenige deken die zij bezat, en bereidde haar daarna een leger, vlak bij het inmiddels levendig opflikkerende vuur.

Weldra begon de warmte weldadig te werken en tot innige vreugde van Allard sloeg het meisje de oogen op.

Een teug brandewijn, haar door haar pleegvader ingegeven, bracht haar langzamerhand tot bewustzijn, en na het gebruik van de andere voor haar medegebrachte middelen, look zij weldra zóó op, dat men het wagen kon, haar, in warme dekens en mantels gewikkeld, op eene burrie te leggen, en naar huis te brengen.

Toen Allard zich onder 't voortgaan over haar heenboog, om haar te vragen hoe 't haar ging, fluisterde zij hem toe: »Zoo gij weggaan van mij--ik sterven!"

Een welsprekende handdruk was zijn antwoord.

FOOTNOTES:

IV.

Ziehier, wat Cilie--met moeite en afgebroken woorden evenwel--verhaalde van hare ontmoeting met hare booze vijandin:

Ze had voor een ziek kind in de buurt iets gekookt, en was, nadat zij dit had aangereikt, in gedachten verzonken, naar het meer gewandeld.

Niet ver van den dijk was haar een jongen tegemoet gekomen, die haar zeide, dat Caro (de hond van den ~Stroeve~, en waarmee zij veel ophad) door een jager was aangeschoten, en achter een boschje, dat hij haar aanwees, lag te sterven.

IJlings was zij daarheen gesneld, maar in plaats van den hond, vond zij de moeder van Marrije, en wel bezig met russchen te vlechten.

Hevig ontsteld, wilde zij vluchten, maar met een sprong had het wijf haar bereikt, en onder zich neer geworpen.

Nadat zij haar handen en voeten had vastgebonden, met de banden die zij bezig geweest was van de russchen te vlechten, had zij de nu gansch en al weerlooze, het lichaam ontbloot, om daarin met tijgerwellust te knijpen, onder de verzekering, dat haar schreeuwen zoo min als hare duivelskunstenarijen, haar iets zouden baten, want dat zij op die plak zou sterven.

Daar zij waarschijnlijk vreesde, dat het luide gekerm van haar slachtoffer, toch zou kunnen gehoord worden, wilde zij haar een doek voor den mond binden, en het was op dat oogenblik, dat Allard verscheen en verdere marteling deed ophouden.

Het bewustzijn van naderende hulp, had Cilie nieuwen moed en kracht gegeven, en zoo was het haar gelukt hare handen vrij te maken, en daarmee den strop te grijpen, waarmede de moordenares haar den hals wilde dichtsnoeren.

Onder tranen en pijnlijke bewegingen bracht het arme kind dit verhaal ten einde, en zoo levendig trof het Allard, dat hij, de tegenwoordigheid van den »voogd" vergetende, haar handen greep en die overdekte met kussen.

Maar de ~Stroeve~, die met een zeer donkeren blik deze daad aanschouwde, maakte kortweg aan alle verdere betuigingen van sympathie een einde.

Met de verklaring, dat het meisje voor alle dingen rust noodig had, wenkte hij de huishoudster, voor haar bed plaats te nemen, en verzocht Allard hem te volgen.

Er bleef dezen dan ook niets anders over, dan een vluchtig afscheid van de zieke te nemen, echter niet, dan na haar toegefluisterd te hebben, dat hij den volgenden morgen zoo vroeg mogelijk weer bij haar zou zijn.

Hij dacht nu huiswaarts te keeren, maar de schutbaas verzocht hem, nog eenige oogenblikken te vertoeven.

»Uwe kleeren," zeide hij, »zijn nog niet droog genoeg om ze te kunnen aantrekken, en--terwijl zij drogen, willen we een ernstig woordje met elkander wisselen."

Allard wenschte niets liever, en nadat hij zich verkwikt had aan een glas sterk gekruiden heeten wijn, door den schutbaas in der haast gereed gemaakt, zette hij zich tegen hem over bij het helder brandende vuur.

»Mijnheer!" dus begon de ~Stroeve~, terwijl hij een doordringenden blik op zijn' gast vestigde--»wat is uwe bedoeling met uwe herhaalde bezoeken aan mijne pupil? Ik weet, dat gij behoort tot eene familie, die eene wettige verbintenis van een harer leden met een ~burgermanskind~, als eene diepe vernedering zou aanmerken, en dat gij dus betrekkelijk Cilie plannen moet koesteren, die..... niet overeenkomen met de verwachtingen, die uwe aanzoeken bij haar zullen hebben opgewekt."

»Jansen!" sprak Allard met verontwaardiging, »ik verzoek u voorzichtig te zijn met uwe uitdrukkingen, want ik ben nooit gewoon geweest, dergelijke voor mijne eer en karakter honende uitdrukkingen ongestraft te aanhooren!"

»Ik sprak als ik denk, jonker Allard! en heb te lang in de wereld verkeerd, om niet te weten, wat gewoonlijk de gevolgen zijn van dergelijke..... hm! verbindtenissen."

»Maar wanneer ik zeg, dat uwe onderstellingen ten mijnen opzichte geheel valsch zijn!....."

»Wil dat zeggen, dat jonker Allard Bentinck, in alle oprechtheid de hand zoekt te verkrijgen van een meisje--zonder vermogen, zonder stand, zonder godsdienst, en......"

»Spreek uit!"

»Zonder naam!" sprak de ~Stroeve~ met een vloek.

»Zonder naam? dat is: zonder een naam, dien de wereld acht en eerbiedigt? En, zoo ik nu eens zeide, dat ik voor mij, vrij ben van alle vooroordeelen, aan lieden van mijne geboorte en stand gewoonlijk eigen, en dat ik, bij het zoeken naar eene vrouw, alleen te rade denk te gaan met de wenschen van mijn hart?"

»En hoe weet gij, dat uw hart u hier niet bedriegt?" vroeg de ~Stroeve~ schamper. »Maar," voegde hij er eenigszins zachter bij, »al waart gij overtuigd, dat Cilie is, wat zij u toeschijnt te zijn, dan zoudt gij u toch driemalen bedenken, om toe te slaan."

»Dat dunkt u, maar uwe onderstelling is valsch."

»Ik zal oprecht jegens u wezen! Ik zal u het geheim van Cilie's geboorte onthullen, en ik twijfel volstrekt niet, of gij zult daarna erkennen, dat een meisje als zij, nooit deel van uwe familie kan uitmaken, en dat, zoo ge haar zoudt willen trouwen, gij genoodzaakt zoudt wezen, met uwe ouders en àl uwe bloedverwanten te breken."

Daar was iets in de laatste opmerking, dat Allard pijnlijk aandeed, en dat hem een oogenblik het stilzwijgen deed bewaren.

De man had met ruwe hand eene gevoelige plaats in zijn gemoed aangeraakt, en de donkere blik, dien hij van onder zijne borstelige wenkbrauwen op hem vestigde, getuigde maar al te zeer, dat hij des bewust was.

»Zie," vervolgde hij na een oogenblik zwijgens, en nadat hij opnieuw de glazen gevuld had, »ik kèn uwe familie, en dat van zeer nabij, want--ik heb in 't huis uws vaders eenigen tijd gewoond als bediende. Maar dat was vóór uwe geboorte."

»En hoe is uw naam?"