Nevelhekse een verhaal uit de Drentsche venen naar authentieke bescheiden medegedeeld

Part 3

Chapter 33,897 wordsPublic domain

Dezen werd het vreemd te moede; ja, als het iemand zou zijn, die, gewoon te wandelen in een naar de regelen der kunst aangelegden tuin, zich plotseling verplaatst ziet in een landschap, waarin de natuur alleen heerscheresse is, en waarin alles verrast door zijn verrukkelijken eenvoud.

Geheel buiten de wereld opgevoed, was Cilia vreemd gebleven van de kunstenarijen en geveinsdheden der samenleving.

Zij vertrouwde ieder te zijn gelijk zij zelve was, en sprak uit wat zij dacht.

Met al de oprechtheid van een kind, sprak zij over zich zelve en hare omstandigheden, en haar stamelen in de taal die zij sprak, verhoogde nog het kinderlijke in haar wezen.

Maar was zij onwetend in veel, wat meisjes van haar leeftijd, in de stad en op het platte land, zeer goed weten, zij was daarentegen bedreven in veel, wat dezulken--vooral in die dagen--nimmer trachtten te leeren.

Van haar »Vooge"--als zij hem noemde, die gewoonlijk voor haar vader doorging, had zij een tamelijk uitgebreide kennis van de kruiden en hunne krachten en werkingen opgedaan, en was tevens niet onervaren in 't gereedmaken van geneesmiddelen.

Ook kon zij vrij goed lezen en schrijven, en de weinige boeken, die de ~Stroeve~ bezat, en die meerendeels bestonden uit reisbeschrijvingen, had zij met aandacht gelezen.

Maar ook zij was uit een vreemd en ver land, en een wonderland tevens, verzekerde zij. Als een jong kind had zij het verlaten, maar de schitterende zon er van, straalde nog met warmen naglans in hare verbeelding.

Wonderbaar hooge boomen groeiden er; prachtige en met duizend kleuren getooide bloemen, vlinders en vogelen, bloeiden en zweefden er, en de liefelijkste geuren doorbalsemden er de lucht.

Suriname heette het, dat wist zij, en ook, dat zij er eenmaal gewoond had in een landhuis te midden van tuinen--groot, ja, zoo groot, als zij er hier nooit een gezien had.

Van hare ouders wist ze weinig van te vertellen. Hare moeder herinnerde zij zich bijna niet meer, maar haar vader wel, »ah qu'oui"! Menigmalen had zij op zijn schoot gezeten, en had hij haar wonderliefelijke vruchten gegeven, en haar genoemd: Petite Marquise. Ook had hij met haar gesproken in de taal, waarin zij hare liedjes zong--Fransch uit 't zuiden van Frankrijk, als 't Allard voorkwam, toen zij op zijn verzoek een liedje aanhief, en met verwonderlijk heldere en welluidende stem zong:

Para loulou, pti ota Para loulou! Para loulou, qu'imposta La voi douna! Para loulou, qu'imposta Lou mouton![9]

[9] Wacht u voor den wolf, kleine! Wacht u voor den wolf, die het lam rooft! Wacht u voor den wolf, die het schaap rooft! (Landtaal van Auvergne).

Deze liedjes had zij echter niet geleerd van haar vader, maar van een »ma tante", in welker huis zij later, toen hare ouders overleden waren, gewoond had, en dat »veel tijd wel".

Maar deze »ma tante, si belle et si bonne"[10]--en hier schreide het arme kind--was ook overleden, en toen was zij afgehaald door den man, die thans haar »vooge" was, en met hem gereisd over die groote zee, »heel lang naar hier."

[10] Tante, zoo schoon en zoo goed.

Deze »Vooge" nu, was altijd zeer goed voor haar geweest, en zij had ook wel veel van hem gehouden, maar in den laatsten tijd was hij geworden »étrange"[11] en was zij hem daarom minder genegen.

[11] Vreemd.

En dat was er niet op verbeterd, sedert den dood van de goede oude huishoudster. Want toen had hij eene vrouw in hare plaats genomen, die zij niet mocht, en geen wonder ook, want zij sprak »vele boosheden" en vertelde niet zelden »liegens".

Over hare afkomst en familie was haar »Vooge", secret, bien secret"[12], en nu onlangs had hij haar zeer bedroefd gemaakt, met haar te zeggen: dat de man, wien zij altijd papa noemde, eigenlijk haar papa niet was, en toen zij hem schreiende gevraagd had: waarom hij haar dat ~nu~ eerst zeide? had hij eerst gezwegen, maar haar later toegevoegd: dat hij niet voor hare meerderjarigheid aan hare nieuwsgierigheid kon voldoen, maar dat zij wel zou doen naar dat tijdstip niet te zeer te verlangen.

[12] Geheimzinnig.

Van godsdienst bleek zij weinig of geen besef te hebben.

Haar voogd sprak daarover nooit, en wanneer zij hem vroeg--waarom hij niet als andere menschen naar de kerk ging? lachte hij smadelijk, en zeide, dat de dominé's en pastoors bedriegers waren, die de menschen wat voorlogen, om daardoor gemakkelijk en aangenaam te kunnen leven.

Zij dacht echter, dat hij dit maar zei, om ook haar uit de kerk te houden, want hij wilde haar niet onder de menschen zien, en daarin had hij dan ook wel wat gelijk, want de menschen waren zeer slecht, en »deden veel boosheid aan haar".

Van haar »ma tante" had zij echter een rozekrans gekregen en ook bidden geleerd.

Alle morgen riep zij dan ook »Notre Dame du bon sécours[13] aan", en dankte des avonds »Ons Heer en le doux Jesus"[14] voor hunne bescherming.

[13] Onze lieve Vrouwe de goede helpster.

[14] De lieve Jezus.

Maar zij deed dat nooit in tegenwoordigheid van haar »Vooge", want die spotte ook met zulke dingen.

»Mijnheer Allard zou er mogelijk anders over denken?"

Gewis dacht »mijnheer Allard" er anders over en terwijl hij haar sprak over God, den Schepper van hemel en aarde, en Zijn eenig geboren Zoon Jezus Christus, den Heiland der Wereld, en zich daarbij het hoofd ontblootte, zonk Cilie op hare knieën voor hem neer, vouwde de handen, en luisterde met ingespannen aandacht en half geopenden mond naar hem, terwijl zij van tijd tot tijd lispte: »Ah que c'est sublime"![15]

[15] Ach, wat is dat mooi.

En, evenals een kind doet na eene vertelling, riep zij, toen hij ophield met spreken: »meer nog! meer nog!"

»Ik begrijp, Cilie, dat je geen Bijbel hebt?"

Ze wist niet eens wat dat was.

»In den Bijbel staat dit alles te lezen, en zoo oneindig veel meer, wat ons stervelingen onmisbaar is, om hier beneden zóó te leven, dat we ginds de eeuwige zaligheid kunnen beërven. En daar ik begrijp, dat het je bezwaarlijk zal vallen zulk een boek aan te schaffen, zal ik, zoodra ik in Holland ben teruggekomen, u er een toezenden, en wel een met gouden haken."

Op vloog het meisje in kinderlijke verrukking, sprong en danste eenige malen in 't rond, plukte daarop eenige veldbloemen en takjes bloeiende heide, en vlijde zich toen weer bij Allard neer.

»Je vous ferai un petit bouquet!"[16]

[16] Ik zal u een ruiker maken.

Met vlugge vingeren en aangeboren smaak schikte zij de eenvoudige bloemen, bond ze met een biesje bijeen, en bood ze hem aan.

»En gij zult komen hier--nog weer?"

»Zeker, Cilie!"

»Ah quel bonheur!"[17]

[17] Ach, welk een geluk.

»En laat ik u nu eene gedachtenis geven van onze kennismaking, in ruil voor uw boeket."

Hij nam de struisveer met het met diamanten ingelegde gespje, dat zijn hoed versierde, er af, en maakte die vast op den strooien hoed van het meisje.

En een blos van verrassing en.... genoegen kleurde hare wangen, toen hij, na dit verricht te hebben, eene kus op hare lippen drukte.

Nog lag zij op de knieën voor hem, toen er een schot in de buurt knalde.

»Deja?"[18] riep Cilie met eene beweging van verdriet, en terwijl zij opsprong.

[18] Nu reeds.

Het was het sein, verklaarde zij, dat haar »Vooge" was teruggekeerd, en dat hij haar thuiskomst verlangde.

Daar hij ongaarne vreemdelingen ontving, wilde zij hem gaan voorbereiden op Allard's bezoek, en een liedje, dat zij zou aanheffen, zou het sein wezen, dat hij verwacht wierd.

Met een vriendelijken blik, en na een vertrouwelijk tikje op zijn arm te hebben gegeven, snelde de bekoorster voort, en liet hem alleen.

Droomend wandelde hij op en neer, terwijl hij zich afvroeg.... of hij werkelijk wel waakte? Of zij, die hem daareven verliet, wel bestond? Of zij niet zou blijken te zijn een beeld zijner phantasie, of een lichtgeest, die zich zou oplossen in nevelen?

Maar hoor! daar klonk weer de liefelijke stem!

Lou cuoer dé ma mie, ly fait tant de maou; Quand io vaz, quand io vaz la vir, la soulage au paou.[19]

[19] Het hart van mijn liefje doet--o zoo zeer; Wanneer ik bij haar kom, troost ik haar teer.

Geen droom--werkelijkheid! Cilie bestond; Cilie riep hem, en..... zoo snel hij maar kon, gehoorzaamde hij aan hare liefelijke roepstem.

Bij het tuinhek wachtte zij hem op, in gezelschap van den nog altijd brommenden, maar--op haar bevel--niet meer dreigenden hofhond.

Haar »Vooge" was binnen, zeide zij, en..... was ook niet heel boos geweest, maar toch »gebrom wat".

Terwijl zij hem noodigde naar binnen te gaan, floot zij een paar witte duiven, die op het dak zaten, tot zich. Beide kwamen zich op haar arm en schouder neerzetten, en fladderden rondom haar, toen zij schaterlachende in wilde vaart door den tuin vloog, gevolgd door den luid blaffenden hond.

* * * * *

Allard werd door den ~Stroeve~, in het bekende vertrek met de doodshoofden verbeid, en vrij koeltjes, zoo niet norsch, ontvangen.

't Was een man van een kleine zestig jaren, wellicht, en van een alles behalve vriendelijk en aangenaam voorkomen.

Met een somberen blik ontving hij Allard's mededeelingen, en hoewel hij zeide, de beleefdheid en belangstelling op prijs te stellen, die een »zoo aanzienlijk heer" (met zekeren nadruk sprak hij die woorden uit!) in hem, en ~vooral~ in zijn pupil stelde, was deze dankbetuiging, niet weinig in strijd met den toon er van.

Intusschen werd hij een weinig spraakzamer, toen het gesprek viel op de Natuur en hare wonderen, waartoe Allard, in 't geen hem omringde, gereede aanleiding vond.

»Wat gij hier ziet", zeide hij, »is maar eene kleinigheid, vergeleken bij 't geen ik eenmaal bezat. Het grootste gedeelte mijner verzameling is verongelukt bij een schipbreuk, niet verre van Paramaribo, waar ik destijds nog gevestigd was."

Zijn voorkomen betrok echter weder, toen Allard van Cilie gewaagde, en hare wonderschoone stem prees, en nog donkerder werd zijn blik, toen het meisje binnenkwam, en hij bemerkte, dat niet alleen het oog van zijn bezoeker met welgevallen op haar rustte, maar dat alles in zijne pupil den grooten indruk verraadde, door den jongen en knappen vreemdeling op haar gemoed gemaakt.

Zij bracht brood, kaas en bier binnen, en een keteltje met de destijds, in deze streken vooral, nog zeldzame koffie.

Nadat Allard op hare dringende uitnoodiging, er een kopje van gedronken had, nam hij afscheid van den barren sluiswachter.

Wat Cillie betreft, zij was op dit oogenblik niet in het vertrek, maar Allard vond haar bij het hek staan, en wel met tranen in de oogen.

Zij reikte hem hare hand, terwijl zij het kopje afwendde, en zacht fluisterde: »Et vouz reviendrez?"[20]

[20] En gij zult terugkomen?

»Bientôt, cher enfant!"[21] en hij deed meer dan hare hem toegestoken hand te kussen.

[21] Spoedig, mijn lief kind.

III.

Gewis was Allard van plan, om den volgenden dag, zoo vroeg mogelijk, aan eene uitnoodiging te voldoen, die maar al te zeer strookte met zijne wenschen. En toch verliepen er verscheiden dagen voor Cilie hem wederzag.

Verscheiden dagen, die hij doorbracht in gestadige onrust, in pijnlijke zelfkwelling, in een voortdurenden strijd, tusschen zijne levendige begeerte, en--hetgeen hij achtte zijn plicht te zijn.

En wat was er dan voorgevallen, dat hem tot dit zonderlinge gedrag noopte; dat er hem toebracht, te handelen in strijd met zijne beloften, en de hoogste wensch van zijn hart?

Het manuscript, waaraan deze geschiedenis ontleend is, gewaagt van een visioen, dat zich op zijn terugkeer naar de kolonie aan zijne oogen vertoonde, en dat een zoo geweldigen indruk op zijn gemoed maakte, dat hij besloot ~voorshands~ alle verkeering met Cilie af te breken, en, zoodra 't hem maar mogelijk was, naar Holland terug te keeren.

Ik wil de getuigenis van mijn oorkunde niet volstrekt wraken.

Allard Bentinck was iemand, die, hoewel in menig opzicht van een verlichte denkwijze, ook op godsdienstig gebied, niet te min wel een weinig besmet was met het »bevindelijke geloof", in die dagen door zoovele, overigens heldere koppen aangekleefd.[22]

[22] Men denke aan van Beuningen en Swammerdam en, hoewel in mindere mate, aan Defoe.

Hij geloofde--en later zal dat overtuigend blijken, hoe dit geloof van invloed was op zijne handelingen--dat de Godheid dikwijls, hetzij door uitwendige teekenen, hetzij door geheime intuitie, den mensch het pad aanwees, dat hij moest bewandelen, om tot de bestemming te komen, die hem was gezet, en dat het dus plicht was op deze teekenen te letten, en de stemmen, die zoo vaak wonderbaar in 't gemoed weerklonken, niet te smoren.

Had hij dus werkelijk in de meening verkeerd, zulk een visioen te hebben aanschouwd; het plotseling afbreken van zijne aangeknoopte betrekking met Cilie, zou volstrekt niet in strijd geweest zijn met zijne denkwijze, maar ik meen toch (en mijne opvatting wordt gewettigd door den verderen loop der gebeurtenissen), dat hier niets dergelijks in 't spel was en dat zijn vreemd gedrag, niets dan een gevolg was van redeneering--eene levendige voorstelling van wat noodwendig moest volgen, ging hij voort op den ingeslagen weg.

Een weg gansch en al een anderen, dan men had gehoopt, dat hij zou inslaan, en een handelwijze geheel in strijd met beloften, die hij--ofschoon gedwongen--had afgelegd.

Een kleine terugtred naar zijn verleden, en 't geen er was voorgevallen, voor hij het ouderlijke huis verliet, zal noodig zijn om 't een en ander in 't ware licht te stellen.

Er bestond zekere spanning tusschen hem en zijne bloedverwanten, of meer bepaald tusschen hem en zijn vader en zuster, want zijne moeder deelde niet in alle opzichten, de zienswijze van echtgenoot en dochter.

Zijn vader, die een aanzienlijk ambt bij de Thesaurie bekleedde, was een man »ganschelijk gevangen" in den kring van hoogheid en voornaamheid, dien hij begreep, dat tot zijn stand in de maatschappij behoorde.

Trotsch op zijn geld, zijne betrekking, en voornamelijk zijn adel, zag hij met minachting neer op al wat burgerlijk was, en kende geen grooter vergrijp, dan wat hij noemde »deroger a la noblesse".[23]

[23] Te kort doen aan den adeldom.

De Hofstad met haar leven »au grand ton",[24] en hare thans meer en meer buitenlandsche, of meer bepaald op Fransche leest geschoeide vermakelijkheden, was zijn lust en ofschoon de jaren der jeugd al lang voorbij--hij ontbrak nooit er een levendig deel aan te nemen.

[24] Op voornamen voet.

Zijn zoon daarentegen was van gansch andere natuur. Hij had de oude vaderlandsche manieren en zeden lief; noemde de gestadig veldwinnende buitenlandsche levenswijze en levensbeschouwingen een ondergang van 't land; had alleen eerbied voor adel, verkregen door verdienste, en zou, had zijne moeder vooral, het niet tegengehouden, de Hofstad al lang vaarwel gezegd hebben, om ergens in een vergeten hoek van 't land te gaan wonen, en zich aan de studie te wijden, aan de zijde van eene vrouw, die hij lief had, en die, evenals hij, haar geluk zocht in een stil huiselijk leven.

Maar zijne moeder had steeds de opkomende stormen bezworen, en door haar invloed den huisvrede zooveel mogelijk gehandhaafd.

Allard beminde zij als haar oogappel, en zij kon het denkbeeld niet verdragen, verre verwijderd van hem te moeten leven.

Intusschen had ook zij hare grieven tegen hem. Haar Alceste, als zij hem schertsenderwijze noemde--naar den held van Molières beroemde comedie, die destijds in den Haag werd opgevoerd--haar Alceste, anders zoo gereed aan hare minste wenschen toe te geven, bleef weigeren haar wil te volgen, in één, en wel een kardinaal punt.

Zij kon hem niet bewegen, zich te verloven met het meisje, dat zij hem tot vrouw had toegedacht, en wel van zijn vroegste jeugd af.

En dit huwelijk was de wensch van haar hart!

Niet alleen toch, zou het de kroon zetten op een door haar aangegane verbintenis met de liefste vriendin harer jeugd, maar het beantwoordde tevens aan alle eischen van stand en familie-belangen.

Daarbij geloofde zij vast, dat freule Elisabeth Dubois eene uitmuntende vrouw voor haar zoon zou wezen, en volkomen geschikt tevens, om hem te genezen van zijne ~mesquine~[25] begrippen betrekkelijk de samenleving, die hem zelven, zoowel als zijne familie, steeds zooveel onaangenaamheden hadden berokkend, en gewis nog verder zouden berokkenen.

[25] Minder voorname.

Maar het waren juist deze ~mesquine~ begrippen, die hem terughielden, aan de wenschen van zijne teederbeminde moeder--althans, voor als nog--toe te geven, want of hij niet eindigen zou, met te handelen naar hare begeerte, het tegendeel stond allesbehalve bij hem vast.

In menig opzicht toch voelde hij zich door Elisabeth Dubois aangetrokken. Zij was niet alleen schoon en lieftallig, maar onderscheidde zich ook door haar verstand en geest van de meeste harer Haagsche zusteren, en men mocht haar niet rekenen onder de »Jofferschap, die den tijd met »caerte en taerling" zoek bracht."

Maar..... voor 't overige ging zij zoo goed als alle anderen, geheel in 't leven der Hofstad op, bezocht geregeld den Franschen schouwburg, en ontbrak nooit op de bals in 't Mauritshuis, waar de dames van 't corps diplomatique, als Coenraad Droste zegt:

»Te zamen om den prijs der grootste schoonheid stonden".

Werd hij de echtgenoot van freule Dubois, hij zou genoodzaakt zijn in den Haag te blijven wonen niet alleen, maar ook om met haar deel te nemen aan vermakelijkheden, en eene levenswijze, die niets aantrekkelijks voor hem hadden, en hem op den duur zouden walgen.

En daar de laatste overwegingen, de eersten geregeld overwogen, bleef de kwestie hangende.

Maar zijne moeder rustte niet, en maakte alle omstandigheden cijnsbaar aan haar doel.

Zelfs huiselijke twisten!

Vader en zoon hadden geruimen tijd in tamelijk goede harmonie geleefd, maar eene aanmerking, die de laatste zich veroorloofd had te maken, op het gedrag van zeker hooggeplaatst, maar naar ziel en lichaam zeer wormstekig bezoeker zijner salons, deed diens toorn ontbranden, en gaf aanleiding tot nieuwe onaangenaamheden.

Er werd nu besloten, dat Allard een poosje op reis zou gaan, en zijne moeder maakte van deze gelegenheid gebruik, om hem nogmaals, en met grooten aandrang, haar beschermelinge aan te prijzen, en zijne argumenten tegen eene verbintenis met haar te weerleggen.

En zij deed dit met zooveel warmte, en zoo overtuigend, dat zij er in slaagde, Allard over te halen, om voor zijn vertrek afscheid van haar te nemen, en wel in hare tegenwoordigheid en die van de moeder van het jonge meisje.

Deze afscheidsvisite--behoorlijk door de beide moeders gearrangeerd--had plaats gevonden, en was naar 't oordeel der geallieerden zeer wel geslaagd.

Freule Elisabeth--door Allard gewoonlijk zijne Celimène genoemd--had haar bijnaam bij deze gelegenheid doen vergeten.

Ze was natuurlijk aanminnig geweest, ja was zelfs zoo ver gegaan het leven op het land--altijd onder zekere voorwaarden--te prijzen, en had, zoowel door 't een als 't andere, een zoo gunstigen indruk op het gemoed van den nog altijd weerbarstigen Alceste gemaakt, dat hij onder 't huiswaarts keeren aan zijne moeder beloofde, na zijn uitstapje ernstig het hof te zullen maken aan haar lieveling, thans fraaitjes op weg ook de zijne te zullen worden.

Haar beeld toch had hem gestadig vergezeld op zijne reis, en was nog sterker op den voorgrond getreden na de kennismaking met zijne nichten, de freules Alida en Coosje.

Maar thans was dat geheel anders geworden.

Het liefelijke wezen van Cilie, vervulde zijn gemoed zoo geheel, dat hij aan niets anders denken kon.

Evenals Romeo, die na het ontmoeten van Julia, zich plotseling bewust wierd, dat zijne liefde voor Rosalinde niets was dan zelfbedrog, had zich ook in zijne ziel de overtuiging gevestigd, dat hij niemand dan Cilie zou kunnen beminnen; dat Cilie, en zij alleen, beantwoordde aan het ideaal, dat hij zoo lang in zijn hart had gekoesterd, maar zonder hoop, het ooit anders dan in droomen te zullen aanschouwen.

En thans, hij had het aanschouwd, hij had in werkelijkheid gezien een wezen, dat hooger stond dan het beeld zijner phantasie.

En--wilde hij--hij zou haar de zijne mogen noemen.

Maar!......

En de herinnering van wat er gebeurd was, en dat nog zoo kort geleden, rees op als een spook en stelde zich tusschen hem en zijne wenschen.

Mocht hij alleen met de begeerte van zijn hart te rade gaan?

Kon hij het voor God en zijn geweten verantwoorden, wanneer hij geheel buiten zijne ouders om, zich verbond aan het meisje zijner keuze?

Zou het niet zijne moeder het harte breken, wanneer hij tot haar kwam met de verklaring--dat hij niet alleen de hem toegedachte bruid van onberispelijke geboorte en stand verwierp, maar in plaats van haar, eene voorstelde--zonder geboorte, zonder opvoeding, zonder fortuin en--zonder godsdienst: een kind gekomen van wie weet waar, en eene dochter van wie weet wie?

Neen! dat kon hij niet, en daarom wilde hij zijn hart geweld aandoen, en zich wachten onmiddellijk eene verbindtenis te sluiten, die de noodlottigste gevolgen na zich zoude kunnen slepen.

En daarom wilde hij Cilie niet wederzien voor hij alles had aangewend, om zijne keuze door zijne ouders, of althans door zijne moeder te doen billijken.

Want, naderde hij haar nogmaals, hij zou zich zelven niet meester kunnen blijven.

Waagde hij het nog eenmaal naar de liefelijke klanken van deze volle betooverende stem te luisteren, nog eenmaal in deze donkere oogen te staren, nog eenmaal zich te verlustigen in de uitingen van dit zoo rein, kinderlijk, en van alle onoprechtheid vervreemd gemoed--de teerling zou voor goed zijn geworpen.

Hij zou moeten spreken.... aan zijn hart drukken wat hem met zoo onweerstaanbare macht tot zich trok.

En tot terugtreden of liever om stil te blijven staan op den ingeslagen weg--daartoe was het nog niet te laat.

Er was geen woord van liefde tusschen hem en het meisje gewisseld, er was geene belofte gedaan, ja zelfs geen wensch anders dan tot wederzien uitgesproken, en keerde hij dus niet terug, Cilie kon hem ontrouw, noch misleiding verwijten; een oogenblik aangenomen, dat zijn wezen op haar gemoed een indruk gemaakt had, groot genoeg, om anders dan met een voorbijgaand gevoel van belangstelling aan hem te denken.

Neen! het was besloten!

Hij wilde zoo schielijk mogelijk naar den Haag wederkeeren, en er beproeven of hij de vooroordeelen zijner ouders zou kunnen overwinnen.

En eenig uitzicht daarop bleef er.

Voorondersteld eens--dat Cilie een spruit was van even goede familie als de zijne, zou dat niet al zeer veel gewonnen wezen?

Hare herinneringen pleiten levendig voor deze opvatting.

Schitterde het verleden niet in hare verbeelding als een gouden droom?

Had ze niet in een groot landhuis gewoond, en klonk niet nog in hare ooren, het woord van haar vader: »petite marquise?"[26]

[26] Kleine markiezin.

En bleek trok het tegendeel eens waar te wezen, zouden zijne ouders, en vooral zijne moeder, zich op den duur kunnen verzetten tegen het huwelijk huns eenigen zoons, met de vrouw zijner keuze?

En zouden zij, leerden zij Cilie kennen, die keuze niet moeten billijken, in weerwil van hunne vooroordeelen, en tevens niet moeten erkennen, dat het een vreemde weg geweest was, die hem tot haar geleid had, en geen gewone drang, die hem genoopt had, haar te naderen?

En--maar genoeg--hij wilde geen middel onbeproefd laten, om tot zijn doel te geraken, en--faalden al zijne pogingen; waren zijne ouders onredelijk genoeg, de hoogste wensch van zijn hart te weerstreven, hij zou... maar hij huiverde het uit te spreken, wat hem bij dit rampzalig uiterste te doen zou staan.

En na deze lange uitweiding--noodig niettemin--om het vreemde gedrag van den jongen man tegenover Cilie op natuurlijke wijze te verklaren, kan ik den draad van het verhaal weder opvatten.

* * * * *