Nevelhekse een verhaal uit de Drentsche venen naar authentieke bescheiden medegedeeld
Part 2
Tot groote verbazing van de buurt stond dit meisje den morgen na hare aankomst in de herberg »De vliegende Visch," waar de vreemdeling voorloopig zijn intrek genomen had, op het rieten dak van het huis te zingen, maar in eene taal, die heel vreemd in de ooren klonk en wel iets had van vogelgezang.
Ook sprong en wipte zij op onder het zingen en maakte bewegingen met de armen, als een klapwiekende vogel doet, die zóó, zóó weg zal vliegen.
Wat den man betreft, hij was stuursch tegen ieder, behalve tegen dit kind, en er gingen dagen om, waarin hij een bijna volstrekt stilzwijgen bewaarde.
Zijn tijd bracht hij door met tochten in de venen en vreemd was het daarbij, dat hij, hoewel een vreemdeling, den weg in de omstreken zeer wel wist te vinden en de gevaarlijke plekken in het moer te vermijden, zoo goed als een geboren veldrot.
Niet lang na zijne komst in de kolonie was hij in onderhandeling getreden met Piet Warries--alias slimme Piet--over den koop van een hoek gronds aan den Riegsdijk, de plek waar thans het steenen huis stond, dat Allard in de verte had gezien.
't Was een plek van niet zeer groote geldelijke waarde, maar overigens merkwaardig genoeg, daar, hetgeen men er op vond bij de wegneming van het veen dat het bedekte, ten klaarste bewees, dat er vóór de veenvorming, in deze streken menschen gewoond hadden, die de Nomadische levenswijze der Germaansche volksstammen niet volgden of--alree hadden vaarwel gezegd.
De arbeiders toch, die hier 't veen afgroeven, ontdekten op eene diepte van vier of vijf voet een steenen vuurhaard en daar om heen de wortels van zware boomen en later nog de overblijfselen van een uit flinten opgestapelden muur, die een erf van groote uitgestrektheid had omsloten.[a]
Dit alles was echter sinds lang opgeruimd, en nagenoeg vergeten ook, maar toen de vreemdeling er zoo op stond om juist dit plekje gronds te willen koopen, begreep »slimme Piet" dat dit was om de daarop gevondene oudheden, en hield zich dus op een afstand.
Dit duurde echter niet lang, want toen de man een bod deed, zóó hoog boven de waarde, dat de lui die er bij tegenwoordig waren naar hunne voorhoofden wezen, als wilden zij zeggen: niet pluis hier bij den bieder en nog minder pluis bij den eigenaar, zoo hij geen gebruik maakt van de gelegenheid,--sloeg hij toe.
Intusschen--onder borgstelling voor betaling op kort termijn.
De ~Stroeve~--want zóó werd de vreemdeling aldra in 't Carspel genoemd--de ~Stroeve~ antwoordde met een schamperen grijnslach: dat hij betere borgen in zijn kist had, dan er in de gansche kolonie te vinden waren, en wierp daarop een zoo zwaar met groote goudstukken gespekte beurs op de tafel, dat »slimme Piet" er anders van wierd.
Ja, zijne begeerlijkheid werd zoodanig opgewekt, dat hij het uiterste wilde wagen, om meer nog dan het bepaalde aantal van den gelen buit machtig te worden, en hij veinsde dus berouw te gevoelen over den gesloten koop. Zijne vrouw, zeide hij, hechtte bijzonder veel aan dit lapje gronds, en zou hare toestemming nooit geven, om dit voor een appel en een ei van de hand te doen.
't Was daarom maar beter--voegde hij er bij--den gesloten koop te beschouwen als een grap.
De gansche vergadering schudde het hoofd bij deze verklaring, want zij doorzag Piet's spel niet.
De ~Stroeve~, daarentegen, zooveel te beter, maar hij was geen man, om zich door een Veenkluit te laten vangen.
Na al de aanwezigen als getuigen te hebben opgeroepen, begon hij zoo vreeselijk uit te varen, zoo geweldig zijne tanden aan »slimmen Piet" te laten zien, dat deze bang werd en verklaarde--in Gods naam te berusten in de zaak, mits de kooper eenige mutsjes brandewijn als zoenoffer plengde.
Deze liet zich aan zulk een kleinigheid volstrekt niet kennen, maar stond er op, dat de Schout, die aanwezig was, oogenblikkelijk den Stokleggingsbrief gereed zou maken.[b] Deze voldeed aan dat verzoek, en zoo kon de Stoklegging, naar Landrechts eisch, nog denzelfden avond geschieden.
Niet lang daarna, liet de nieuwe bezitter de noodige bouwmaterialen voor een huis komen, dat in 't voorjaar verrees en wel, geheel van steen en met een pannen dak.
Ook omheinde hij het geheele terrein met wilgenstekken, man aan man gezet, en plantte daaromheen eiken hakhout, en in den tuin allerlei fijne vruchtboomen.
Het eerste jaar was de opbrengst van den zorgvuldig omgespitten grond reeds zeer voldoende, en in het tweede jaar stond alles, wat de »Stroeve" verbouwde, schooner dan de wilde veldrotten, die in zijne buurt hunne hutten en holen hadden, ooit hadden gezien.
En jaar op jaar werd dit beter, en wat het vreemdst was: wanneer bij ieder de oogst schraal uitviel, had de ~Stroeve~ geen reden van klagen, maar mocht zich verheugen in een goed beschot.
Men begreep er niets van, en omdat men er niets van begreep, lag het voor de hand--niet aan meerdere kennis, en zorgvuldiger behandeling van den voor eeuwen al bebouwden grond te denken, maar aan geheel iets anders.
De ~Stroeve~ (hij zelf noemde zich Jansen) de ~Stroeve~--dus fluisterde men--deelde in de gunst van zeker iemand, wiens naam men maar liefst niet noemen wou, maar die te zijner tijd wel het loon voor de betoonde bescherming zou komen opvorderen.
In 's Heeren zegen, dat was zeker! deelde hij niet, want hij zette nooit een voet in kerk of kluis, en had bij zijne komst in de kolonie zelfs geweigerd zijne lidmaatsattestatie in te dienen.
Maar dat was nog lang niet alles.
Hij had den vromen predikant der gemeente, die met zijn ouderling, Amos Grootendost, hem in 't belang zijner onsterfelijke ziele, en die van zijn onschuldig kind, waren komen bezoeken, op eene zoo onhebbelijke wijze bejegend, dat zij het huis hadden verlaten, schuddende het stof van hunne voetzolen, en onder luide bedreigingen, met den toorn en het oordeel des Heeren!
En ook dit was nog niet alles!
De man bewaarde in een zijner vertrekken zeer verdachte dingen.
Men zag er flesschen staan met vreemde gedrochten, en daartusschen, dito met menschelijke ledematen, ja zelfs volslagen kinderen, aan den nek opgehangen aan roode draden!
Voorts stond er naast een boekenkast, een volledig menschelijk geraamte, en grijnsden er op die kast, mogelijk wel tien doodshoofden!
Kwam nu een van zijne buren hem 't een of ander vragen, dan had hij de gewoonte, hem door Cicilie, zijn dochtertje, in dit vertrek te doen brengen, en hem daar een poos alleen te laten.
De meesten echter, wachtten daar niet zoo lang tot de heer des huizes verscheen, maar verkozen liever onverrichter zake te vertrekken.
Niet alleen toch bevond men zich hier te midden van de opgenoemde verschrikkingen, maar..... er leefde en bewoog zich iets in die kamer, dat zonder den minsten twijfel reden had zich niet te laten zien.
Oude ~Haasoor~, de vermaarde strooper, en een kerel, die voor geen kleintje vervaard was, verklaarde, na een minuut of tien deze proef te hebben doorgestaan--dat hij liever een heelen dag wilde zitten, tegenover tien koddebeyers en vier scholten, dan een uur door te brengen in de spookkamer van den ~Stroeve~.
De doodshoofden op de kast had hij hooren knarsetanden, en het geraamte, dat daar naast stond, deed zijn best, om zich den kop af te schudden; en het had rondom hem gepiept, en getikt, en geknetst, en geduiveljaagd, dat het er den Satan zelf te benauwd zou geworden zijn!
Nu waren er wel lui, die de waarheid van deze bevindingen eenigszins in twijfel trokken en 't grootste deel er van op rekening stelden van Haasoor's overprikkelde verbeelding, en zijn niet al te zuiver geweten. Maar..... dat het overigens niet pluis was bij den ~Stroeve~, zie! dat stond ook bij hen vast.
Waren deze bevindingen en verhalen meer dan voldoende, om alles wat er vreemds en noodlottigs in de buurt voorviel, aan den boozen invloed van den vreemdeling toe te schrijven, de eigenschappen van zijne dochter, die--ik behoef het wel niet te zeggen--de zangster was, welker lied jonker Allard zoo had bekoord, droegen niet weinig bij, om de vrees, die men voor den bewoner van het »steenen huis" had, te vermeerderen.
't Was, als de verhalers het om strijd verzekerden, een wonderschoon, maar ook een wonder vreemd meisje.[c]
In 't dorp zag men haar maar zelden, maar in de »velden", en dat dikwijls ver van 't huis haars vaders, zwierf zij gansche dagen, en, naar sommigen verzekerden, halve nachten om.
Velen hadden haar in den maneschijn, of in de nevelen van den avond of vroegen morgen zien dansen, en hooren zingen, en 't was daarom, dat men haar den naam van Nevelhekse gegeven had.
Maar wanneer men haar poogde te naderen, verwijderde zij zich schielijk, en alleen een paar jonge meisjes uit de buurt kenden haar persoonlijk, en gaven breed op van hare gaven en van de lichtheid van haren tred, die, zeiden zij, het gras nauw neêrdrukte, dat zij betrad.
Alles, wat anderen met moeite moesten leeren, scheen zij uit zich zelve te kunnen en te kennen.
Want, om van lezen en schrijven niet te spreken, dat zij van haar vader kon hebben geleerd, wie had haar zoo meesterlijk leeren breien, naaien en strijken als zij kon?
De ~Stroeve~ noch zijne eenvoudige huishoudster had haar ook kleedjes kunnen leeren maken, en ziet! alles wat zij aan had zat haar even keurig, al was 't ook waar, dat het zeer afweek van de gewone kleederdracht, en 't meestal van zuiver witte of van ongewoon kleurige stoffen was vervaardigd.
En dan haar muziek! haar zang!
Daar was inderdaad iets betooverends in, want zong of speelde zij--wat somtijds gebeurde--op eene fluit, men moest er naar luisteren, of men wilde of niet!
Nauw klonk dan ook hare muziek, of--evenals vroeger om Orpheus de dieren--verzamelden zich de veldrotten om haar heen, en luisterden (op een eerbiedigen afstand altijd!) naar hare tonen en melodiën.
Intusschen was deze zucht in de laatste tijden merkelijk verflauwd.
En geen wonder ook!
Tweemalen toch was er onder het spelen en zingen van Nevelhekse een ongeluk in den kring van hare toehoorders voorgevallen.
Marren-Diene, een meisje van veertien jaren, onder den toover der fluit rondspringende, was plotseling neergevallen, en bleek zich den enkel zoodanig verstuikt te hebben, dat zij niet anders kon doen dan hinken, en dat veertien dagen lang.
Verder had Haasoor's-Benne--een jongen van vijf jaar--er »termienen", d. i. stuipen, van gekregen en het er ternauwernood afgebracht. Daarbij had men opgemerkt, dat er onweer volgde op haar gezang, en eens was het gebeurd, dat er onder haar spelen, zich een zwerm pennevogels (vlinders) vertoonden, en dat men daarop druppels bloed op 't gras had gevonden![d]
Een kwaad gerucht maakt weinig vrienden!
De ~Stroeve~ en zijn dochter hadden ze dan ook niet, straksgenoemde meisjes uitgezonderd, en een invloedrijk burger in de kolonie--jonker Swaap genoemd.
Nooit was deze in de Velden, of hij ging bij den ~Stroeve~ aan, en jonker Swaap's huis was dan ook bijna het eenigst in 't dorp, dat deze en zijne dochter somwijlen bezochten.
De jonker wilde dan ook van heksen en tooverijen niets weten, en sprak men er van, dan riep hij: »Papperlepap! allemaal gekheid! De kerel is een knappe kerel, en weet meer dan alle veenbazen hier met hun allen, en 't kind is een engel! Was ik dertig jaar jonger, en had ik geen huiskruis, ik ging naar haar vrijen, zoo waar als ik een oude zeebonk ben!"
Intusschen fluisterde men dan ook vrij algemeen, dat jonker Swaap onder den geheimzinnigen invloed van Nevelhekse stond, en dat het alleen door haar toedoen was, dat hij den ~Stroeve~ had benoemd tot schutbaas van het sluisje, waarmee hij de wateren van het groote meer in zijn bedwang hield.
Maar anderen waren wijzer, en begrepen zeer wel, dat niet de invloed van Nevelhekse, maar de invloed van zijn eigenbelang, den doorslag had gegeven bij het benoemen van den alom gevreesden Jansen tot bewaker van een verlaat, dat door de aangelanden gestadig bedreigd wierd.
En het ~waarom~ zal ieder duidelijk wezen, die weet, hoe de vork daarbij aan den steel zat, iets wat ik niet duidelijker kan maken dan door eene aanhaling uit het geschrift van dr. P. Calkoen te schuiven in het relaas, dat de jongelieden aan het Riegmeer gaven, aan Allard Bentinck.
Bedoelde aanteekening luidt als volgt:
»Jonker Swaap, die namens de aangelanden, gelegen tusschen 't Grote Riegmeer en 't Hollandse Veldtse Opgaande (Vaart) en den Heere v. Echten, (die dese lose vos maar al te veel vertrout) 't beheer uitoefent over de waateren van 't meer, is deser daghen (1699) met buren, bontgenoten en vijanden, tegelijckertijd (geraakt) in dispuyt.
»In plaatse oock van dese waateren te gebruycken en aan te wenden als sulx behoort, en ook ampel bedongen, besteede hij deselve bijna gantselijck ten eygen profijte.
»Is er te veel, dan tragt hij de Suydwoldingers (sijne speciale vijanden) er mee te versuypen, en is er te weynigh, hij stuwt 't meer op tot de hoogte dat hij 't kan bevaren met de sponturfbakken, waarmee hij de sponturf, uyt sijne Trekkerijen, aan de suydoostelijke kant van 't Meer gelegen, afvaart na 't Opgaande, en gerijft de Compagnie alleen met 't overschot, en 't gunt dat door 't schutten vrij komt.
»Want in plaatse van een Vallaat, voldoende om de waateren te keeren of door te laaten, heeft hij een schutje laten timmeren, met een keerdeure daarvoor, geschickt om sijne bokken (turfschuitjes) bequamelijck te konnen schutten.
»En voorsiende dat sommige Luyden met geweldt dit vallaat souden willen openen, heeft hij tot schutmeester aangestelt, een man die yder vreest en ontsiet, en die vlack aan dat schut woonende, bij uytnementheyt geschikt is om sijne belangen te dienen, en zijne ordres te executeren.
»En dat is niemand anders als Jansen, . . . . . . . . . . . . . . . . . . die bij naest allen ontsien, sij 't niet om Sijn roep van swarte konste, dan ten minste om sijne extravagante brutaliteit."
Men ziet, niet Nevelhekse, maar het eigenbelang van den zeer zelfzuchtigen jonker Swaap, had hem bewogen, »den ~Stroeve~" op eene plaats te stellen, waar hij hem bij uitnemendheid konde dienen.
Dat echter ook de roep, die van de bovennatuurlijke vermogens van het meisje uitging, medewerkte in het belang van den jonker, is zeker, en was ~hij~ eerlijk genoeg, er voor zich zelven geen gebruik van te maken, de schutbaas dacht er anders over, want hij trachtte op alle mogelijke wijzen het geloof aan de buitengewone krachten, die het publiek haar toeschreef, te versterken.
Maar--en dit moet ik er bijvoegen--hij deed dit niet alleen in 't belang van zijne veiligheid, maar ook, en meer nog, in 't belang van die van 't meisje zelve, dat, gewoon, geheel alleen in 't veld rond te zwerven, daarbij niet veilig zoude geweest zijn, ware de onbeschoftheid niet in 't begrip, dat eene onzichtbare macht hare schreden vergezelde.
* * * * *
Jonker Allard vond zich ten zeerste geboeid door deze verhalen, en een wonderbaar verlangen, het meisje te zien, waarvan hij zooveel vreemds gehoord had, vervulde hem zoo zeer, dat hij om bijna niets anders dacht.
Hij werd dan ook zoo stil en afgetrokken, dat zijne metgezellen er hem mede plaagden. Zij noemden hem betooverd door het gezang van Nevelhekse, en terwijl hij dit lachend toegaf, verlangde hij steeds meerdere bijzonderheden betrekkelijk haar en haren vader te vernemen.
Maar, wat men wist, had men verteld, en daar slechts een paar van de jongelieden het meisje gezien hadden, en dat nog wel van verre, konden zij van haar uiterlijk niet anders dan in zeer onbepaalde termen spreken.
't Was intusschen schemeravond geworden, en hoewel Allard plan had nog eens naar het meisje te gaan zien, dat door de adder was gebeten, liet hij dit voornemen varen, toen hij hoorde, dat hij daartoe nog wel een minuut of tien hooger op zou moeten wandelen, en keerde dus met zijn gezelschap naar huis.
FOOTNOTES:
II.
Het was, als licht te begrijpen is, niet het meest, de begeerte om zijne patiente te zien, die Allard reeds vroeg in den morgen van den volgenden dag naar »de Velden" dreef.
Zeer zeker stelde de arts belang in zijne zieke, en wenschte hij de gevolgen van zijne behandeling waar te nemen, maar...... de wensch, om opnieuw iets van Nevelhekse te hooren, en de hoop haar zelve te zullen zien, hadden hem den ganschen nacht bezig gehouden, en hem reeds voor 't rijzen van de zon ten bedde uitgedreven.
En zie! hij zou niet terugkeeren, zonder zijn wensch te zien vervuld.
Wat de zieke aanging, zij was niet bijzonder wel. De arm en een deel van den hals waren gezwollen. Ze had pijn in de keel, een droge tong, drukking op de hersenen, en klaagde over groote zwaarte in de leden.
De ouders van het meisje zaten bij haar leger,
»~Een bed van stroo, wel half bedorven~,"
en wisselden hunne betuigingen van angst af, met bedreigingen tegen haar, welke zij niet twijfelden, de veroorzaakster te zijn van deze ellende.
Vooral de moeder, eene vrouw van meer dan gewone lichaamslengte en krachten, drukte zich zeer hevig uit, en verzekerde, terwijl zij met gebalde vuist op de tafel sloeg: »dat zij--zoo Marrije mocht komen te bezwijken--wel wist wie haar gezelschap zou houden!"
Allard deed zijn best, om aan deze onwetende lieden het dwaze hunner vooronderstellingen onder 't oog te brengen, maar, als te denken is, zonder het minste gevolg.
Het meisje alleen, was redelijk genoeg, aan de mogelijkheid van dwaling te willen denken, maar hare ouders bleven stijf en strak volhouden, dat niet alleen dit, maar genoegzaam alle ongelukken, die er in de buurt voorvielen, aan den schutbaas en zijne dochter waren te wijten, en dat de man, die het land van deze pesten verloste, verdienen zou, door allen te worden gezegend.
Na het arme meisje iets ingegeven te hebben van den drank, dien hij had medegebracht, kroop Allard de donkere van turf en leem gebouwde hut uit, waarin de lijderes lag, en richtte zijne schreden naar den dijk, die naar 't huis van den ~Stroeve~ geleidde.
Bij de begeerte, om met de geheimzinnige bewoners er van kennis te maken, voegde zich thans eene andere beweegreden. Hij wilde hun mededeelen, wat hij gehoord had, en raden op hunne hoede te zijn voor de betrekkingen van Marrije, wanneer deze, onverhoopt, mocht komen te bezwijken.
Weldra stond hij tegenover het gezochte huis, waarvan hij echter weinig meer dan het pannen dak kon zien, daar een welig plantsoen het aan alle zijden omringde.
Intusschen overtuigde hem een blik op het meer, dat zich, van de sluis daarnevens gezien, in al zijne uitgestrektheid aan hem vertoonde, dat hij den man, dien hij wenschte te spreken, niet te huis zou vinden.
In de verte toch zag hij iemand, wiens voorkomen aan dat des sluiswachters beantwoordde, in een roeiboot zich van den wal verwijderen, en aanleggen bij een der talrijke eilandjes in het meer.
Een geweerschot, gevolgd door een blauw wolkje, en een gansche schare watervogels, die zich krijschend boven het kreupelhout verhieven, verklaarde zijne bezigheid op die plek.
Wellicht was het jonge meisje tehuis. Maar het woedend geblaf van een forschen hofhond, die zijne nadering bespeurd had, en naar het hek schoof, dat het erf van het pad scheidde, deed hem van de voorgenomen poging afzien, om zich bij haar aan te melden.
Hij wandelde dus het erf om, dat, aan alle zijden zorgvuldig omtuind door dichte wilgenhagen, aan de akkers van den vreemden kolonist paalde, en die op dit oogenblik bedekt waren met spurrie en in schoven staande boekweit.
Voor hem uit, strekte een eenigzins heuvelachtige en met kreupelhout en heesters bedekte vlakte, zich uit tot de noordwaarts gelegen vaart, aan welker overzijde, een van veen ontbloot stuk grond paalde aan de nog onontgonnen hooge venen, die met de grauwgroene kleur van hare oppervlakte en de hooge donkere turfhoopen aan haren voet, een eigenaardig voorkomen aan het landschap bijzett'en.
Intusschen was het niet dit, wat Allard's oog boeide, en even weinig was het 't gezang der tallooze leeuwrikken, die alom in de stralen van de warme Augustus-zon opstegen, dat hem de ooren deed spitsen.
Achter een boschje van els en hazelaren hoorde hij een luid geklap in de handen, gevolgd door een levendigen schaterlach, en niet lang behoefde hij te vragen naar de herkomst dezer geluiden, want met luchtige sprongen vloog een in 't wit gekleed meisje het boschje uit, en de heide op.
Zij scheen een haas in zijn leger te hebben verrast, en met kinderlijke dartelheid zette zij het vluchtende dier na, tot het in een greppel verdween.
»Ut flos in saeptis secreta nascitur hortis"[7] sprak Allard half overluid. »Ziedaar dan Nevelhekse!..... Stond een bewoner van het oude Griekenland op mijne plaats, hij zou haar hoogeren oorsprong niet ontzegd hebben, maar haar groeten als eene dochter der Goden, of als eene Dryade. Welke gratie! Welk eene verwonderlijke losheid van bewegingen! Welk een sierlijke gestalte!"
[7] Als eene bloem, in een verborgen tuin getogen, en daar bloeiende. Catullus.
Vermoeid van den dollen wedren, vlijde zij zich bij een braamboschje neder, en begon het mandje, dat zij aan den arm droeg, met de donkere vruchten te vullen.
Zij bleef ook in deze houding Allard den rug toekeeren, en daar hij dus zeker was, dat zij hem niet had opgemerkt, trad hij zachtkens naar haar toe, met den wensch haar onbemerkt te verrassen, en dan mede te deelen, wat zij zoo noodig had te weten.
Zijne krijgslist gelukte.
Druk bezig met plukken, en door het ritselen van het loof belet het geluid van zijne schreden te hooren, werd zij zijne tegenwoordigheid niet eer gewaar voor hij haar reeds dicht was genaderd.
Met een luiden schreeuw van verrassing vloog zij op, wierp haar mandje weg, en staarde hem met hare groote, zwarte oogen aan, gereed om bij de geringste verdachte beweging van zijne zijde, zich op de vlucht te begeven.
Maar een geruststellende wenk van Allard, vergezeld van de woorden: »Vrees mij niet, lief kind! ik kom om u te waarschuwen voor een groot gevaar!" deden haar stilstaan.
»En wat!" vroeg zij met een eenigzins vreemden tongval, terwijl zij hare oogen angstig op hem bleef vestigen.
»Wat? Ik wilde het liever aan uwen vader zeggen, dan aan u. Waar is hij?"
»Aan de jacht? Wie mijneer wezen?"
Sprak uit het donkere van haar oogen, het gitzwarte van heur haar, de vreemde afkomst van Nevelhekse niet genoegzaam, haar gebrekkig Hollandsch stelde deze buiten allen twijfel.
»Ik woon hier ver van daan, heel ver, en kwam bij toeval op deze plaats, Cilie."
»Cilie!" riep zij, met de opgetogenheid van een kind in de handen klappende. »Cilie! hij weet mijn naam wel! En... hoe?"
De uitleg volgde en de uitleg scheen naar Cilie's zin te zijn ook, want zij lachte, en begon daarop de gevallen braambessen op te rapen en weer in haar mandje te vlijen.
»Neem een of wat!" sprak zij, en bood het mandje Allard aan.
»Gaarne."
Allard at, en stak van tijd tot tijd Cilie een bes in den mond.
Blijkbaar vond zij dit aardig, en het duurde nu ook maar zeer kort, of het meisje had al haar wantrouwen afgelegd, en zat rustig nevens haar bezoeker in de heide.
Daar moest hij haar vertellen hoe hij heette, waar hij woonde en wat hij hier kwam doen, en haar sprekend oog en levendige gebaren, getuigden van hare belangstelling in dat onderwerp.
Toen hij vertelde wat men van haar gezegd had van het ongeluk, Marrije overkomen, balde zij de kleine vuisten, maar barstte terstond daarop in snikken uit.
»Ach!" riep zij, »ik zij goed ben deze menschen, maar zij boos op mij!--Wat doen?"
»Wèl blijven doen, Cilie: maar zeer voorzichtig, ja ~zeer~ voorzichtig wezen."
»O ja! ik.... maar mijneer mij gelooven goed?"
»Kun je dat vragen, Cilie?"
»Dieu merci!"[8] en zij lei hare hand in die van Allard.
[8] Goddank.
»Gij gelooven mij goed, Dieu merci! Och! waarom niet hier wezen altijd?"
»Dat zou u dus genoegen doen?"
»Ja, want gij wezen zou, mijn vriend!" sprak het meisje, terwijl zij een blik vol kinderlijk vertrouwen op Allard vestigde.