Nevelhekse een verhaal uit de Drentsche venen naar authentieke bescheiden medegedeeld

Part 1

Chapter 13,543 wordsPublic domain

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | Voetnoten[cijfer] zijn weergegeven na de bijbehorende alinea. | | De eindnoten[letter] zijn als in het origineel weergegeven aan | | het eind van het boek onder 'Aanteekeningen'. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | | Uitgespatiëerde tekst is weergeven als ~uitgespatiëerd~. | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als | | »aanhalingstekens". | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | Het origineel bevatte 2 titels. De titel 'Berend Veltink' is | | beschikbaar op https://www.gutenberg.org als e-boek #34899. | | | +----------------------------------------------------------------+

NEVELHEKSE.

EEN VERHAAL UIT DE DRENTSCHE VENEN, NAAR AUTHENTIEKE BESCHEIDEN MEDEGEDEELD DOOR: ... ALB. STEENBERGEN. ...

EN

BEREND VELTINK

OET 't EMMER KERSPEL OP REIZE NAO GRÖNNINGEN UM 't PEERDESPUL VAN CARRÉ TE ZEEN EN WAT HUM DAORBIJ OVERKWAM, HEN EN WEERUM. ... DOOR H. BOOM.

[Decoratieve illustratie]

GRATIS-PREMIE AAN DE ABONNÉ's DER PROVINCIALE DRENTSCHE EN ASSER COURANT. 1911.

NEVELHEKSE.

1705.

Maar in 't gantse beloop van deze Historie was ene sonderlinge vremtheyt niet te miskennen, en, paste 't een Christen niet, bij de Beschickingen der Voorsienigheyt te swijgen en uyt te roepen met Paulus: »Hoe geheel onbegrijpelijk sijn Sijne Oordeelen, en ondoorgrondelijk Sijne Weghen", men soude met de Ouden hier genegen zijn aen te nemen een blint en onversoenlijk Fatum.

Mr. Petrus Calkoen. Tijtsgetuyghenissen-Clapper.

De veenkolonie Echtens-Hoogeveen had in 't jaar, waarin de geschiedenis voorvalt, die ik voornemens ben hier mede te deelen, haar negen-en-zeventigste levensjaar bereikt, want het octrooi harer stichting, dat in zekere mate als haar geboorteacte mag worden aangemerkt, is gedateerd: 30 Maart 1626.

Zij was op dat tijdstip dus al eene matrone van vrij gevorderden leeftijd, maar men hoorde haar echter heel weinig noemen; trouwens, datzelfde was het geval met »de Landschap" waarin zij lag, en ik geloof alzoo--vooral voor hen, die geene gelegenheid hadden kennis te maken met den »Clapper" van de heeren A. en P. Calkoen (waaraan mijn stuk voor een goed deel is ontleend)[1]--geen nutteloos werk te doen, met in breede trekken hare gelegenheid en de eigenaardigheden van hare bevolking in die dagen mede te deelen en aan de geschiedenis van Nevelhekse te doen voorafgaan.

[1] Notulen Mijner Daghen, ofte Tijtsgetuygenissen-Clapper van Arent Calkoen I. U. D. en Petrus Calkoen I. U. D. 1661-1709. Van dat werk, thans nog in manuscript, werden eenige fragmenten medegedeeld in de Hoogeveensche Courant, 1884-1885.

Zooals ik zeide, was zij eene genoegzaam onbekende in Nederland. Op de landkaarten, in die dagen, en nog in veel later tijden vervaardigd, zocht men haar te vergeefs, en hoewel nagenoeg 3000 inwoners tellende, en alzoo het gehucht Echten meer dan tienmaal in bevolking overtreffende, achtte men het noodig op de adressen der brieven, aan hare bewoners gericht, steeds uitdrukkelijk te vermelden: Op 't Hogeveen, bij Echten.

Echtens-Hoogeveen bestond destijds, en vrij meer dan thans het geval is, uit twee zeer van elkander verschillende deelen: het kerkdorp, gewoonlijk ~de Huizen~ genoemd, en de veenderijen, in die dagen, en ook thans nog wel eens, ~de Velden~ betiteld.

In 't eerste gedeelte woonde de burgerij, in het tweede de veenarbeiders.

Wat het eerste gedeelte aangaat, het begon zich naar alle zijden uit te breiden, maar het getal huizen langs de vaart, of, om juister te spreken--de vaarten--die thans de kom der gemeente vormen, zal waarschijnlijk de 400 niet overschreden hebben.

En--verre van als thans, in dicht aaneen gesloten rijen te zijn geschaard--vertoonden zich overal gapingen in hare gelederen, ingenomen door tuinen, boomgaarden, en weidelanden, door slooten of schuttingen van den gemeenen weg gescheiden.

Op enkele uitzonderingen na, waren die huizen ook laag en onaanzienlijk, en hadden meestal rieten daken, en hoewel zij in 't algemeen de lijn van het kanaal volgden, stonden zij op sommige plaatsen verder af, op andere weder dichter bij het water, en daar er zeer weinig passage van rijtuigen was, werd het den smid niet belet zijne travaalje of slijpsteen ter halverwege van den weg te plaatsen, noch aan den houtkooper of timmerman, zijne waren uit te stallen voor zijn huis en zoo dicht bij de vaart, als de reglementen op de scheepvaart dit maar eenigszins toelieten.

De vaart, waaraan de kolonie haar aanwezen en opkomst had te danken, was zeer gebrekkig. Zij was vrij wat smaller dan tegenwoordig, en had niet minder dan elf schutten, en 't duurde dan ook gewoonlijk een uur of acht, vóór de schippers den toch maar vier uren langen waterweg hadden afgelegd.

En toch was deze vaart de genoegzaam eenige weg, waardoor de kolonie met de buitenwereld in betrekking gebracht werd. Want de rijwegen, die naar haar leidden, waren van de zeer primitieve soort, zandig in den zomer, modderig in den winter, ja zoodanig, dat zij in laatstgenoemd saizoen niet dan met het grootste bezwaar en gevaar waren te gebruiken.

Een »karos," die kwam binnenrijden, was dan ook een evenement, »dat alle jonge en oude wijven van 't spinnewiel riep, en de schooljongens met hun monarch aan 't hoofd voor de deur der school."

De correspondentie met de post was zoo gebrekkig mogelijk. De brieven uit Holland, voor Hoogeveen en de daarbij gelegen plaatsen bestemd, werden naar Groningen verzonden, kwamen van daar te Assen, om vervolgens door de Landschapsboden, die één en later tweemalen in de week, naar de Scholten der verschillende Carspels werden afgevaardigd, aan hunne adressen te worden bezorgd, met de weinige couranten, die sommige van de aanzienlijkste ingezetenen lazen.

Het bestuur der kolonie berustte voor één deel in handen van de afstammelingen der stichters--de heeren van Echten--en voor het andere deel in die van de Landschapsregenten.

De Scholten, door beide machten aangesteld, werden bijgestaan in hun beheer door de dorpsvolmachten, die direct en door ~alle~ mannelijke meerderjarige ingezetenen der kolonie, en alzoo zonder aanzien van stand of gegoedheid, werden gekozen en waarvan jaarlijks de helft aftrad.

Aan dit college was het Dagelijksch bestuur der gemeente opgedragen, en het deed daarvan ieder jaar, in de maand Februari, verslag aan het volk, tot dat einde bijeengeroepen, onder den blooten hemel, naar oud Germaansch gebruik en zede.

Dan werd ook de Carspelrekening ter tafel gebracht en de belastingen vastgesteld, die er in den loop van het jaar dienden te worden geïnd en die--vergeleken met wat tegenwoordig ten kantore van den gemeente-ontvanger moet worden geofferd--niet noemenswaardig mogen worden genoemd, want onder gewone omstandigheden zullen zij weinig meer dan achthonderd gulden jaarlijks hebben bedragen.

En geen wonder ook, want het Carspel bezoldigde geene ambtenaren[2], bezat geene publieke gebouwen, had geene schulden, liet het onderwijs der kinderen aan de zorgen der ouders over, en het onderhoud of den aanleg van wegen, straten, vonders, bruggen enz. aan den gemeenschappelijken boer of de aangelanden.

[2] Alleen de Carspelsoldaten werden gekleed op kosten van de gemeenten. Hunne bezoldiging genoten zij van het Landschapsbestuur.

En deze geringe schatting, waaronder tevens begrepen was het onderhoud der kerk en de gedeeltelijke bezoldiging van den predikant, was alles wat de koloniërs aan belasting betaalden, want van de landschapslasten waren zij vrijgesteld.

Volgens de bepalingen toch, van het octrooi, door Ridderschap en Eigenerfden gegeven in den jare 1630, was het toen in wording verkeerende Carspel Echtens-Hoogeveen, vrijgesteld »van alle lasten en impositien hoe ook genaemd"[3] en dit gedurende een tijdvak van vijftig jaren.

[3] De kasteleins betaalden--en dat was ook de eenige fiscale uitzondering van het octrooi--»sestien stuyvers van ydere tonne bier, op den tap".

Dat octrooi, in 1680 geëindigd, was lang voor het vervallen van dien termijn verlengd. In 1663 toch, wendden zich de Participanten van de »5000 morgen," mitsgaders die van Steenbergen en ten Arlo, namens het Zuidwoldinger Hoogeveen optredende, tot het Landschapsbestuur, met »submis verzoek, dat het Octroy mogte worden verlengd, aengesien zij tot noch toe weynich profyt daarvan hadden genoten, en zij sodanige prolongatie niet obtinerende, gediscourageert zouden worden de hand langer aan 't werk te houden, maar genootsaekt souden zijn, hetzelve te verlaeten, tot haeren excessiven schade, alsmede tot ondienst van de Landschap."

Ridderschap en Eygenerfden, deze »redenen gouterende", hadden daarop in hunne vergadering van 23 Februari 1664 het Octroi geprolongeert met dertig jaren, »aftereekenen oft te beginnen van den tijt aft dat het oude octroy sal comen te expireren."

Was er dus over den druk van belastingen niet te klagen, over grooten vooruitgang op materieel gebied viel niet te roemen.

Behalve in turf was er weinig handel en gering vertier.

Er waren twee korenmolens--beide op de Schutstreek staande--, een kalkoven, eenige scheepshellingen, eene tichelarij, een drietal brouwerijen en grutterijen en verder een paar weefgetouwen, waarop grove wollen stoffen en linnens geweven werden.

Wat de winkels aangaat, zij waren klein en men kon er zich niet anders dan van de allernoodzakelijkste levensbehoeften voorzien.

Wat daar boven ging, kwam óf uit Meppel, óf werd door schippers, wier pramen groot genoeg waren om zich op de Zuiderzee te wagen, uit Amsterdam aangevoerd.

Want een veerschip op laatstgenoemde stad was er niet, en een beurtveer op Meppel kwam eerst in 1735, en alzoo in veel lateren tijd tot stand.

Over gebrek aan geneeskundige hulp was er lang geklaagd, maar daarin was in 1683 voorzien, toen een te Leiden gepromoveerd geneesheer, zich in de kolonie kwam nederzetten.

Dat hij het echter niet breed had met zijne practijk blijkt uit de omstandigheid, dat hij zich tevens »met de borst" op de vervening toelei, zoowel als op den landbouw.

Trouwens dit was ook het geval met de vier advocaten, die den pleitlustigen koloniërs dienden van rechtsgeleerde adviezen. Ook deze heeren waren veenbaas en boer en verkochten turf, melk en boter, zoo goed als hunne niet geletterde collega's en concurrenten.

Wat het andere gedeelte der kolonie--~de Velden~--aangaat, hier was het voor een goed deel nog woest en ledig.

Aan het Hollandscheveldsche Opgaande[4] zag men tot den hoek, waar dit eene oostelijke richting neemt, eenige huisjes van steen, afgewisseld door andere, tot welker bouw geene andere materialen waren gebruikt dan turf en leem, en waarvan de deur zoowel diende tot ingang als tot schoorsteen.

[4] Vaart.

Het in oostelijke richting opschietende gedeelte was meer een breede wijke[5] dan eene vaart.

[5] Zijkanalen, minder breed en diep dan het hoofdkanaal.

Diep tusschen hooge oevers van donker veen gelegen, werd dit kanaal omzoomd door eenige hutten, of liever holen, want het waren weinig anders dan in den grond gegraven gaten, waarop een dak van zoden of bonkaarde[6] geplaatst was, en die, uit de verte gezien, niet kwalijk geleken op reusachtige molshoopen.

[6] De bovenste laag van het veen, bestaande uit dicht ineengegroeide heide en mosplanten.

Van de bewoners dezer verblijven wordt door een tijdgenoot verzekerd, dat zij waren: »een Rapiamus, hokkelende bij elkanderen, comende wel van Tijdt tot Tijdt in de Cercke, maar sonder enige bate, sijnde sij te onwetent om de woorden te connen verstaen van den Leeraar."

Wellicht was dat oordeel wel wat al te ongunstig en zeer zeker niet van toepassing op alle bewoners der »Velden", maar voor een goed deel was het juist.

't Was een wild en woest volkje, de bewoners van het Hollandscheveld hier, en van nog veel latere dagen, en hoe zou het ook anders kunnen zijn?

Onderricht ontvingen zij niet of weinig, want de twee scholen, die er in de kolonie bestonden, lagen in de bebouwde kom van 't Carspel en alzoo veel te ver weg om er gebruik van te kunnen maken, en hetzelfde bezwaar gold tegen het bezoek van de catechisatie, een oogenblik aangenomen, dat de ouders besef genoeg hadden om het nut er van voor hunne kinderen in te zien.

Dat het bijgeloof dan ook welig onder hen tierde, behoef ik niet te zeggen, maar wèl, dat dit evenzeer het geval was aan »de Huizen".

Ook daar waren spokerijen en hekserijen aan de orde van den dag, en de duivel stoorde zich zoo weinig aan de tegen hem geslingerde banbliksems van den zeer Voetiaanschen predikant Curtenius, dat hij stoutmoedig genoeg bleek te zijn, dezen dienaar Christi persoonlijk lagen te leggen.

Heksen waren er dan ook van allerlei soort en zeer diverse kunstvaardigheid. De een verstond de kunst melk uit het hecht van een mes te tappen; een ander wist uit slootwater boter te karnen van »redelycke qualiteit"--als de berichtgever er bijvoegt--, en een derde kon een bok met zooveel snelheid doen voortstappen, dat zijn vaart die der sneltreinen van onze dagen nog overtrof.

Volgens onwraakbare getuigen toch, reed zekere heks, op zulk een beestje gezeten, op éénen nacht heen en weerom naar den Bloksberg!

En welk soort van hekserij Nevelhekse uitoefende, zullen we nu zien, want deze mogelijk te lange inleiding sluitende, zullen we overgaan tot het verhaal harer lotgevallen.

I.

Het was in 't midden van de maand Augustus van 't hierboven vermelde jaar 1705, dat een gezelschap jonge lieden, meestal studenten, die de vacantie te huis doorbrachten, zich al vroeg in den morgen op weg begaven, om te visschen in het Riegmeer, eene waterplas, een half uurtje zuidwaarts van de kolonie Hoogeveen gelegen en in die dagen gewoonlijk Alberts-Holtien genoemd, naar een boschje van opgaand hout, dat het omringde.

Niet alle leden van 't gezelschap waren ingezetenen van het Carspel of Coloniërs, als men ze veelal betitelde, want er was een vreemdeling onder hen, een Hagenaar, die een paar dagen vroeger te Hoogeveen was aangekomen en bij zijne bloedverwanten--de familie Bentinck--logeerde.

Zijn geslachtsnaam kan ik niet met volle zekerheid mededeelen, maar wèl dat hij van moeder's zijde verwant was aan de Bentincks en--meer bepaald--aan den tak dier aanzienlijke familie, waartoe Jan Willem Bentinck, den grooten vriend van Koning William, behoorde.

Noem ik hem dus ook Bentinck, en stel ik hem onder dien naam aan den lezer voor, ik meen daarmede geen te groote zonde tegen de waarheid te begaan.

Hij wordt in het manuscript van de heeren Calkoen beschreven, als een jongen man van »ene hoge gestalte, en een so innement voorkomen, dat sijn Gesigt alleen voldoende was hem te doen beminnen."

Verder wordt van hem getuigd, »dat hij had enen dichterlijken Geest, en was een jonkman van voorbeeldigen wandel, en hoewel Godsdienstig van herte, tog een vriend van vrolijkheit, en--gulle scherts, mits blijvende binnen de perken der sedelijkheidt, zeer geerne gedoghende ende gouterende."

Tegen de gewoonte van den adel dier dagen, had hij niet in de rechtsgeleerdheid gestudeerd, maar in de medicijnen, en was in dat vak, nu twee jaren geleden, met glans gepromoveerd.

Hij had echter de practijk slechts korten tijd uitgeoefend, en hoewel het hem niet ontbroken had aan patienten, strookte het »dokteren" zoo weinig met zijn smaak, dat hij het er had aangegeven.

En geen wonder ook!

In 't bezit van een van zijn ouders geheel onafhankelijk vermogen, behoefde hij om den broode niet een vak te beoefenen, dat hem noopte zich in een kring te bewegen, waarin hij zich niet te huis gevoelde, en waarin van zijne waarheidsliefde grooter offers zouden worden gevergd, dan hij geneigd was te brengen.

Daarbij stond de studie der Natuur hooger bij hem aangeschreven dan die der geneeskunde, en 't was dan ook--voor een goed deel althans--aan zijne begeerte te danken, om zich met de Fauna van deze schaarsch bezochte, ja bijna onbekende streken bekend te maken, dat hij zich te Hoogeveen bevond.

Deze zijne zucht verloochende zich ook thans niet, want, na zich een poosje, evenals de overige leden van zijn gezelschap met het visschen te hebben bezig gehouden, stak Jonker Bentinck, dien ik voortaan bij zijn doopnaam--Allard--zal noemen, zijne hengelroede in den wal, en trok, gewapend met vlindernet en plantendoos, de achter Alberts-Holtien gelegen veenachtige heide in.

Wat hij daar zag, geleek in geen enkel opzicht op 't geen men er tegenwoordig kan aanschouwen.

Waar in onze dagen het oog van den wandelaar, rust op eene aaneenschakeling van weide- en bouwland, van elkander gescheiden door met bosch omzoomde wijken, rustte het zijne op eene breede watervlakte, wellicht een twintigtal morgens groot, golvende tusschen hooge oevers van donkerbruin veen, hier en daar bezet met boekweit en aan de noordzijde begrensd door een lagen dijk.

Die dijk--opgeworpen om de aan deze zijde lager gelegen gronden te beveiligen, tegen de door zuidweste winden dikwijls hoog opgestuwde wateren van het meer--was hier en daar beplant met hoog opgeschoten kreupelhout en schoot oostwaarts op tot een plek, waar een door welig bosch omringd, vrij groot steenen huis stond. Hier vereenigde hij zich met een anderen dijk, die naar het zuiden liep en het meer in twee zeer ongelijke helften verdeelde, waarvan het westelijkste deel verreweg 't grootst was.

Allard volgde het pad door de boekweitakkers, beneden den eersten dijk, tot hij aan een plek kwam, waar een drietal veldnimfen bezig was de reeds gedeeltelijk gemaaide boekweit aan schoven te binden.

Weinig aangetrokken door dit ruwe veldvolkje, dat hem met open mond aanstaarde, om daarop in een schaterend gelach uit te barsten, wilde hij zich omkeeren, toen een wondervreemd gezang, dat van de overzijde van den met hoog kreupelhout beplanten dijk scheen te komen, zijn oor trof en hem ademloos deed toeluisteren.

't Was een hooge, maar tevens volle vrouwenstem, die dit gezang voortbracht, maar hij verstond zoo weinig de woorden van het lied, als hij er de melodie van kende. Die melodie geleek dan ook volstrekt niet op de zangwijzen, in die dagen in zwang en die hem, als beoefenaar der muziek, zeer goed bekend waren, en hoewel de klank van sommige woorden hem deden denken aan 't Italiaansch, klonken andere weer zoo geheel anders, dat hij begreep ze tot eene hem niet bekende taal te moeten rekenen.

Een lang aangehouden toon, uitgaande in een parelzuiveren triller, besloot het gezang en juist stond de jonker gereed om het dijkje te beklimmen, teneinde de zangster te kunnen aanschouwen, die zulke wonderbare tonen voortbracht onder het wandelen--want opnieuw klonk haar lied, maar reeds zeer uit de verte--toen een vreeselijk gegil achter hem, hem verschrikt deed omzien.

Een helsche furie scheen wel gevaren in de arbeidsters, straks nog zoo ijverig en vreedzaam aan 't werk.

Eene er van wentelde zich gillende op den grond en de overigen balden de vuisten naar de plaats van den dijk, van waar het gezang geklonken had, terwijl zij met verbazende rapheid van tong eene menigte scheldwoorden uitbraakten.

Een geruime poos duurde het voor Allard, verbaasd over dit verschrikkelijk getier, gewaar wierd wat er eindelijk was gebeurd.

En het bleek hem toen, dat het geen »leven over niets" was, maar dat het geval ernstig mocht genoemd worden.

Een der meisjes namelijk had, bij het binden van een schoof, op een adder getast en deze had haar in den arm gebeten.

Die adder nu, en dit verklaarde de toorn van hare gezellinnen, was niet op eene natuurlijke wijze in de boekweit gekomen: de zang van de Nevelhekse had haar daarin gezworen en--aan haar was dus het ongeluk te wijten!

De beet van een adder--een dier, destijds vrij gemeener in deze streken dan thans--is wel gevaarlijk, maar zelden doodelijk.

Warme zomers verhoogen echter de werkzaamheid van het venijn, terwijl de genezing zeer wordt bemoeilijkt, wanneer een lichaamsdeel wordt verwond, dat bezwaarlijk valt te onderbinden.

Geen dezer ongunstige factoren was hier aanwezig: de warmte was zeer gematigd geweest in den afgeloopen zomer en de beet van het dier had den onderarm, even boven de hand, getroffen.

De jonge geneesheer deed wat hij in de gegeven omstandigheden doen kon.

Hij opende de wondjes--schijnbaar niet anders dan twee bloedroode stippen--met zijn pennemes, om eene bloeding te bevorderen, en onderbond vervolgens met zijn zakdoek, dien hij middendoor sneed, den arm beneden de elleboog.

Vervolgens zocht hij de misdadigster op, en toen hij gelukkig genoeg was haar te vinden, verbrijzelde hij haar den kop en bond deze met de andere helft van de zakdoek op de wonden, in het volle, ook medische geloof dier dagen: dat niets beter de beet van een venijnig dier geneest, dan den verbrijzelden kop van dat dier te doen dienen als trekpleister van het venijn.

En na de patiente rust en een gestadig gebruik van een afkooksel van kamillen, die onder aan den dijk in overvloed groeiden, te hebben aanbevolen, zocht hij zijne metgezellen op, om hun het verslag van zijn wedervaren te doen en vooral ook om meer te vernemen van Nevelhekse, dan hij uit de verwarde verhalen van de vertoornde veldnimfen had kunnen opmaken.

Ziehier wat hij hoorde:

In de laatste jaren der verloopen eeuw, kwam in de kolonie een man wonen--niemand wist van waar, maar zeker uit verre landen--want hij had de taanachtige kleur van lieden, die lang in tropische gewesten hadden vertoefd, en gebruikte vele woorden en uitdrukkingen, die zelfs dominé verklaarde niet recht te kunnen begrijpen.

Ook het kind, dat hem vergezelde, een meisje van nog zeer jeugdigen leeftijd, was gewis niet geboren onder deze kille noorderzon, en, verraadde ook de blanke, eenigszins in 't bruine spelende kleur der huid niet duidelijk genoeg eene zuidelijke herkomst, de groote donkere oogen en het gitzwarte, prachtig golvende haar, die het bezat, deden dit zooveel te beter.

Ook was het wonderbaarlijk vlug in zijne bewegingen, sprong als een geitje langs den weg en kon klimmen als een aapje!