Chapter 9
Waar de geestenwereld haar spel drijft, daar _spookt_ het. "Spook" en "spoken" zijn dus generische uitdrukkingen. Weer is de etymologie van het Germaansche _spôka_- raadselachtig. Het spoken is gebonden aan bepaalde tijden en plaatsen, zooals wij reeds ten deele zagen. Vooral spookt het op de kruiswegen; daar drijven de geesten hun spel, daar kan men met hen in gemeenschap treden. Reeds de H. Eligius en Burchard van Worms ijveren tegen de bijgeloovige vereering der kruiswegen (VIIe en XIe eeuw). Toch zwijgen de Oudgermaansche bronnen hierover, zoodat het niet onwaarschijnlijk is, dat dit volksgeloof zich onder Romeinschen invloed ontwikkeld heeft. Anderzijds oefenen de kruiswegen ook weer geestwerende kracht uit en moeten de geesten zich hierover laten heendragen; ter belooning werpen zij dan een goudstuk toe.
Ook de doode, die "terugkeert", komt spoken en geeft stof tot vele spooksagen. Meestal zijn dit personen, die in hun graf geen rust kunnen vinden, omdat zij tijdens hun leven hebben misdaan, of een gelofte--b.v. een bidweg--niet zijn nagekomen, of wien de overlevenden de verschuldigde eerbewijzen niet hebben gebracht. Zij kunnen verzoend, "verlost" worden en vinden dan eindelijk rust. Wie geld begraven heeft, moet zoolang tusschen hemel en aarde zweven, tot de schat gevonden is.
Maar het volksgeloof kent ook _spookdieren_. Wij zagen reeds herhaaldelijk, dat de ziel in diervorm het lichaam kan verlaten; in diervorm kan zij ook "terugkeeren" of blijven voortleven. Zielen, die in diervorm rondspoken, kiezen daartoe bij voorkeur de gedaante van katten, hazen, wolven, honden en paarden, storm- of onweêrsdieren. Vandaar, dat katten, hazen enz., die over den weg loopen, ongeluk beteekenen; het is niet het dier, dat de mensch ontmoet, maar de ziel van een gestorvene. Vooral in den vroegen morgen is zulke ontmoeting van belang, "het eerste gemoet", zegt men te Brugge. Zoo komt het, dat de dieren ook de toekomst kunnen voorspellen; immers de ziel van een overledene kan in de toekomst zien. Hierdoor verklaart men licht de beteekenis van het blaffen van honden, het hinniken van paarden, het krassen van raven en uilen, het janken van katten. "Krast er een uil, breekt er een glas. Dan sterft de meesteresse ras", zegt men in Gelderland. Ook het huilen van honden bij nacht kondigt doorgaans een sterfgeval aan. Vooral kraaien en raven zijn ongeluksvogels; men dient te weten, dat de raaf oorspronkelijk wit was en eerst na den zondvloed zwart geworden is. Te Canne, bij Maastricht, zingt de jeugd:
De eksters en de kraaien, Die zwaaien al over mijn hoofd En snakken al naar mijn dood; Die dood begint te naken, Ik zal het niet lang meer maken.
De zienersgave dezer zielevogels blijkt ook uit spreekwijzen als: "De kraaien zullen het uitbrengen";--"Alles komt uit, al moesten de kraaien (of raven) het uitbrengen", en ook wellicht "Daar zal geen haan naar kraaien."
Spookdieren zijn over het algemeen een kwaad voorteeken en verkondigen onheil; niet aldus de zwaluw, de ooievaar, de koekoek. Hoe kan het anders? Het zijn alle drie lenteboden. Vandaar dan ook, dat het als een zegen wordt beschouwd, wanneer zwaluw of ooievaar op een huis hun nest bouwen. "Zwaluwen in 't dak, guldens op zak;" en op de Veluwe: "Waar een zwaluw aan den stal nestelt, daar sterven de kalveren niet." Dit teekent meer onze praktische, nuchtere levensopvatting; poëtischer is de Duitsche spreuk: "Wo die Schwalbe nistet im Haus, Zieht der Segen niemals aus". Een zwaluwnest vernielen, brengt ongeluk. Ook het Westvlaamsche volk toont dichterlijken zin, als het de zwaluwen "de vogels van O.L. Vrouw" noemt, dewijl zij omtrent Mei (Maand van Maria) aankomen en omstreeks Maria Geboorte (8 Sept.) weer vertrekken. Een volksverhaal weet te vertellen, dat, waar O.L. Vrouw ook reisde of vluchtte, een zwaluw steeds met haar medevloog: Rond den Heerd XXIV, bl. 115.
Ook de ooievaar brengt geluk en welvaart en lang leven. Waar hij nestelt, is het huis gevrijwaard tegen vuur en bliksem, en sterven geen kraamvrouwen. De kinderen zingen:
Ooievaar, lepelaar, Met je lange bekke, Wanneer zal je thuis kommen? Als de muis piep zeit. Piep zei de muis: Ooievaar komt t' avond thuis.
Ooievaar brengt ook de kindertjes. "Als een stork over 't huis vliegt", heet het te Almelo, "komt er gauw een kleine schreeuwer in de wieg". Hierop wijst o.m. het Geldersche rijmpje:
Uiver, uiver, pielepoot, Breng een kindje in moeders schoot.
Maar de waarzegger bij uitstek is de koekoek. Het Belgisch rijmpje, dat zijn voorzeggingsgave inroept, luidt:
Koekoek Steven (of even), Hoelang mag ik leven?
en vrijwel gelijkluidend hoort men in het Sassenland:
Kukuk vom häven, Wo lange sall ik leven?
en dan telt men: zooveel maal de koekoek roept, zooveel jaren blijven den vrager te leven over. Op de Veluwe bekransten de jongens en meisjes zich bij den eersten koekoeksdeun en riepen dan:
Koekoek, bakkersknecht, Zeg mij recht, Zeg mij waar, Hoeveel jaar Ik dit kransje nog dragen zal?
Te Nederweert (L.) is hij ook weêrprofeet.--Maar het wordt tijd, tot onze spookdieren terug te keeren. Van spokende honden weet men vooral in Groningen en in de Ommelanden veel te vertellen; verder in Friesland, Brabant, Zeeland en elders. Plaatselijk draagt de spookhond den naam van _stommelstaart, borries_ of _helhond_. Het is een zwarte hond met vurige oogen, soms beladen met gloeiende ketenen.--Het spookpaard heet in het Oldambt _hommel-stommel_; ook waren veelal spokende veulens rond, en zonder kop. In België zijn de spookdieren doorgaans hazen en konijnen. Niet zelden worden al deze spookdieren driebeenig en éenoogig gedacht.
Er bestaat nog een andere reden, waarom sommige dieren in ongunstigen roep staan, deze namelijk, dat zij uiteraard in nadere betrekking traden tot de Germaansche godenwereld. Aldus het snelle ros (_Sleipnir_) tot Wôdan als Windgod; aldus de raven (_Hugin_ en _Munin_: de Gedachte en Gedachtenis) en de wolven (_Geri_ en _Freki_: de Gulzige en Vraatzuchtige) tot Wôdan als Wind- en Oorlogsgod. De kat was gewijd aan Frija, de huwelijksgodin en de godin van den huiselijken arbeid. Daar nu de geloofsverkondigers de afgoden als duivels voorstelden, werden gemelde dieren ook satellieten van den satan. Zelfs de koekoek, de blijde lentevogel, ontging niet volstrekt het lot van zijn heer, wien hij als waarzegvogel heilig was: en zoo verklaart men het best de ongunstige beteekenis onzer zegswijzen: "Loop naar den koekoek" (d.i. naar den drommel); "hale u de koekoek", vgl. "hol dich der Kukuk und sein Küster", en "le diable t'emporte";--"Dat wete de koekoek" (d.i. dat mag Joost weten);--"Je bent een koekoekskind" (d.i. een satanskind).
Hierbij komt nog, dat sommige dieren, als katten en raven, ook rechtstreeks tot duivel en heksen in betrekking gebracht werden; en eindelijk, dat de begrippen "gewijd, heilig" en "gevaarlijk, te vermijden" in het volksgeloof veelal synoniem zijn. Maar dit geldt eigenlijk meer voor personen, dan ook voor zaken.
Voor zoover ik weet, is de specht alleen dezen dans ontsprongen. Plinius gaf hem den bijnaam _Martius_, daar hij den god Mars was gewijd. Maar uit _Martis avis_ is _Martini avis_ gegroeid, zooals ook blijkt uit de variant van sommige handschriften: "Sant Martisvogel, Mertissvogelin." Ik kom naderhand op dezen vogel terug, maar wensch hier alleen de aandacht te vestigen op het feit, dat de specht, die toch óok gevaar van vermaledijding liep, aan dit lot is ontsnapt, doordat het volk hem aan St. Maarten toevoegde. Zie V. D. Bergh, Kritisch Woordenboek, bl. 210; Sloet, De Dieren in het Germaansche volksgeloof, _passim_; De Cock, Een en ander over de folklore van dieren en planten, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche Natuur- en Geneeskundig Congres (1899), bl. 85 vlg.; Ons Volksleven XII, bl. 15; 't Daghet in den Oosten XIX, bl. 6; Limburg's Jaarboek V, 3, bl. i vlg.; Volkskunde XXI, bl. 211 vlg.; XXII, bl. 33 vlg.
Verpersoonlijking der bandelooze elementen, der ruwe natuurkrachten is het geslacht der _reuzen_. Nu eens vertegenwoordigen zij den winter, dan weer den nacht of den stormwind. Zoo ver de mensch in lichaamskracht boven den dwerg of kabouter staat, zoo ver blijft hij beneden de plompe dommekracht van den reus. Bekend uit de Noorsche mythologie is de oorreus IJmir, uit wien de wereld geschapen werd: uit zijn vleesch vormden de goden de aarde, uit zijn bloed de zee, uit zijn beenderen de bergen, uit zijn schedel het hemelgewelf.
Ook in ons volksgeloof zijn de reuzen niet onbekend. Een Overijsselsche sage verhaalt van een reus, die aarde in de slip van zijn mantel droeg. Bij het overstappen van de Vecht ontviel hem de Bestemerberg, bij het gaan over de Regge de Lemelerberg, eindelijk de Luttenberg. De rest niet meer dragenswaard achtend, had hij die langs Hellendoorn en verderop uitgeschud. Een analogen oorsprong hebben twee heuvels bij Heelsum, een heuvel bij Valburg, de Woldbergen op de Veluwe. Ook West-Friesland werd eertijds door reuzen en reuzinnen bewoond, van wie Lem, Dibbald, Walberich, Hillegond omstreeks Leiden, Haarlem en Rotterdam gelokaliseerd worden. Deze Hillegond had eens een schortekleed zand van het zeestrand gehaald. Maar gekomen ter plaatse, waar thans de kerk te Hillegersberg staat, brak de band van haar voorschoot, en het uitgestorte zand vormde een heuvel. Het is wel onnoodig te zeggen, dat wij hier met natuurverklarende volksverhalen te doen hebben.
Dit is ook het geval met de sage der beide Rijn-gravende reuzen. Volle honderd jaren hadden zij dapper gedolven zonder een woord te wisselen, toen de éen het stilzwijgen brak. De ander wordt hierop toornig, antwoordt, dat hij niet langer met zulk een babbelaar wenscht samen te werken, en gaat de Waalbedding graven. In een Belgische sage van dezen aard, gelokaliseerd te Hekelghem, is de reus reeds een duivel geworden. Em. Seipgens verhaalt, dat het reuzengat te Echt (tusschen Echt, Montfort en Posterholt) eigenlijk een onvoltooid gebleven reuzenwoning is. De koning der reuzen zou gaan trouwen en volgens 's lands wijs moest hij met de aanstaande koningin zijn eigen woning in den grond delven; wegens het gepraat zijner aanstaande liet hij ten slotte het werk steken. "Daarom is de koning der reuzen nooit getrouwd en de woning onafgewerkt gebleven. De reuzen volgden het voorbeeld van hun koning, omdat zij alle vrouwen snapsters vonden, en zoo is het reuzengeslacht in Limburg uitgestorven." (In Welters, Limb. Legenden I, bl. 219).
Volgens een overoude sage hebben de reuzen een gedeelte van Brussel gesticht; vandaar natuurlijk ook de naam van Reuzenberg. Eertijds gingen dan ook elf reuzen, met verschillende benamingen, in den vermaarden Brusselschen Ommegang, en wel achter de Gilden en Ambachten; thans nog twee: Janneken en Mieke. Ook te Venloo werden van oudsher twee reusachtige poppen rondgedragen, die de stichters van Venloo: "Valuas en z'n vrouw" voorstelden, en wel door het akkermansgilde op Maandag vóor de zomerkermis. Sedert eenige jaren is dit gebruik weer ingevoerd. Luidens een Venloosch archiefstuk werden in het begin der XVIIIe eeuw deze beelden ook in de processie rondgedragen. Zooals te Brussel, worden ook te Geerardsbergen Janneken en Mieke rondgedragen; te Hasselt kent men den Langen Man, te Antwerpen Druon Antigoon, te Wetteren den Reus en de Reuzin.
De reuzen hebben niet alleen rivieren gegraven en bergen opgestapeld, zij hebben ook de terpen en de hunebedden gebouwd. Hier heeft verwisseling of liever vermenging der begrippen "reuzen" en "hunen" plaats. Ook is het begrip van den term _hunen_ zelf niet homogeen: immers het woord _hûn_, een echt-Germaansch woord, beteekent "reus", maar ook "Hun, Hongaar"; waarschijnlijk is de naam _Hûn_ op verschillende volkeren toegepast. Misschien vertegenwoordigen zij, hetgeen ook wel van de Elfen beweerd wordt, het een of ander uitgestorven Europeesch oorvolk. Wat hiervan zij: de Hunen vormden in het volksgeloof een met de reuzen nauw verwante, maar toch zelfstandige, meer historische groep. Hun naam leeft voort in de Hunenbedden niet alleen, maar ook in den Overijsselschen _Hunerborg_, in den _Hunerberg_ en de _Hunerpoort_ te Nijmegen en in den _Hunsberg_ van Merchtem. (Z.B.)
De reuzen vormen als het ware den middelterm tusschen de lagere en de hoogere mythologie; van overgang geen sprake. Het reuzengeloof wortelt in de omringende natuur, in de elementen, maar vertoont geen spoor van zielengeloof. De hoogere mythologie, volstrekt zelfstandig ten overstaan der lagere, wordt vertegenwoordigd door de vereering van den machtigen god des hemels, den Indischen _Dyâush_, den Griekschen _Zeus_, den Romeinschen _Jupiter_, die bij de Oude Germanen den naam droeg van _Ziu_. Alle Indogermaansche talen wijzen hier op een vereering van den "Stralenden Hemel" als hoogste godheid. Maar op den duur veranderde het wezen van dezen hoogsten hemelsgod, óok van den Germaanschen _Ziu_; velerlei attributen zijn hem ontnomen, om aan afzonderlijke godheden te worden toevertrouwd. De weg loopt hier van de eenheid of betrekkelijke eenheid naar de veelheid. Zóo ontstonden de Westgermaansche godheden: Wódan, Donar, Frija enz.
Van deze hoogere mythologie is bezinksel in ons folklore achtergebleven, en niemand heeft dit beter aangetoond dan Jacob Grimm in zijn standaardwerk "Deutsche Mythologie". Al blijkt het, dat hij veel te eenzijdig is te werk gegaan, met volle recht mag hij den titel dragen van "vader der Germaansche mythologie" als wetenschap; met behulp der kritiek wordt zijn werk de rijkst mogelijke vindplaats. Wij zullen in de volgende bladzijden dan ook herhaaldelijk stooten op survivals van Wôdan en zijn kring: een sekondaire mythologische vorming dus. Laat ik slechts wijzen op enkele uitdrukkingen. Wij lezen in een Nederlandsch hs. van 1470: "Ende de poeten in heure fablen heetend ourse, dat is te segghene Woenswaghen". Het sterrenbeeld van den Grooten Beer werd dus als Wôdanswagen beschouwd. In Zuid-Limburg spreekt men nog van een "zielewagen", die door de lucht rijdt. De naam leeft ook voort in ons hedendaagsch _Woensdag_, dial. _Goonsdaag_, en in de plaatsnamen _Woensdrecht_ = Wodani traiectum, _Woensel_, wellicht _Woenum_ of _Wenum_. De herinnering aan Donar bewaart ons _Donderkruid_ of _Donderbaard_, het _Sempervivum tectorum_, voorheen ook _Barba Jovis_ genoemd, in Zwitserland nog _Joubarbe_. Bij de invoering van het Christendom droeg de volksfantasie vele attributen van goden en godinnen op Christus en de heiligen over; vandaar dat het _Frigjargras_ tot _Mariagras_ werd; de aan Frija als godin der geboorte heilige _Asperula odorata_, waarvan een bundel bij zwangere vrouwen in bed gelegd werd, ontving den naam van _O.L. Vrouwenbedstroo_, het _Labrum Veneris_ dien van _Mariadistel_; enz. Ook behoort het hoogst waarschijnlijk tot de sekondaire laag in ons folklore, wanneer de kat, het heilige dier van Frija-Frigg, in zoo nauwe betrekking tot het huwelijk treedt. Wie op zijn trouwdag door goed weêr begunstigd wil worden, moet de kat goed voeren, of de kat streelen (_kören_), zooals men te Ubach-over-Worms zegt. Wie geen katten lijden mag, meent men ook, krijgt geen mooie bruid.
2. _Romeinsche Mythologie_.--Dat de betrekkingen tusschen Romeinen en Germanen niet spoorloos voor de religie onzer vaderen voorbij gingen, ligt voor de hand; met name met het oog op de hoogere Romeinsche kultuur. Laat ik terstond enkele voorbeelden geven. Romeinsch was het gebruik, namen te geven aan de dagen der week, gewijd aan de Zon; de Maan; Things, resp. Tius: Mars; Wôdan: Mercurius; Donar: Jupiter; Frija: Venus; en Saturnus, voor wien geen passende Germaansche interpretatie kon gevonden worden. Deze substitutie had vermoedelijk in de IIIe of IVe eeuw n. Ch. plaats; zie Dr. Roesler, Ueber die Namen der Wochentage (Berlin 1865), bl. 20 vlg.--Volledige ontleening had plaats met de namen Venus en Diana, men denke aan de Venusbergen en het Venushaar. Verder hebben wij de votiefsteenen, door Germanen geplaatst, waarop men nu eens een Romeinschen god, dan weer een Romeinschen god met Germaanschen bijnaam vindt. Zoo was b.v. in den muur der oude Romaansche kerk te Horn bij Roermond een geloftesteen aan Mars en een aan Mercurius ingevoegd.
Trouwens het plaatsen van votiefsteenen op zich zelf is specifiek Romeinsch; zie hierover Karl Helm, Altgerman. Religionsgeschichte (Heidelberg 1913) I, 345 vlg. Op twee votiefïnskripties wordt _Mars Thincsus_ gezamenlijk met twee Germaansche godinnen genoemd. De vindplaats van beide inschriften ligt in Engeland te Housesteads, nabij den Hadrianuswal; zij dagteekenen uit den tijd van Alexander Severus (222-235) en werden gesticht door een afdeeling Germaansche ruiterij, die den naam van _Cuneus Frisorum_: "Friesche afdeeling" droeg. Hiermee is echter niet gezegd, dat het Friezen waren; waarschijnlijk Bataven, in alle geval Twentenaren. Te vermelden valt nog de bijzonderheid, dat op een bij de altaren behoorend halfrond kapiteel in het midden een gewapend krijger (Mars) met een vogel is voorgesteld, en aan weerszijden twee zwevende geniën; zie verder W. Pleyte, Mededeel, d. Kon. Akad. van Wetensch. III, 2, bl. 110 vlg.--Van een onbekende godin _Vagdavercustis_ spreekt een votiefsteen, gevonden in het riviertje de Linge bij Hemmen (G.).
Een vrij groote verspreiding had de vereering der godin _Hludana_, getuige o.a. een steen uit Beekgum (F.), verwant met de Noorsche godin Hlódyn en, wat meer zegt, met de besproken godin Holda. Buitengewoon rijk is de monumentale overleving van de godin _Nehalennia_. Zij wordt vermeld op niet minder dan 26 votiefsteenen, die alle--met uitzondering van 2 te Deutz gevonden--bij Domburg op Walcheren uit het duinzand zijn opgedolven. Tien ervan zijn geheel, acht ten deele door een brand der kerk te Domburg in 1848 vernietigd; maar zij bleven voor ons weten behouden door de publikatie van L. J. F. Janssen, De Romeinsche beelden en gedenksteenen van Zeeland (1845). Men noemt Nehalennia een Bataafsche godin, ofschoon voor haar vereering eigenlijk eerder de zuidwestelijke buren der Bataven, n.l. de Marsaci en Sturii in aanmerking komen. Maar het Germaansche karakter der godin is boven allen twijfel verheven. Zij schijnt beschermster van handel en scheepvaart te zijn en godin der zee, en wordt voorgesteld, gezeten op een troon, of ook staande; naast haar een hond, aan weerszijden hoorns van overvloed. Op drie steenen steunt zij met den linkervoet op den voorsteven van een schip. Wellicht behoort de hond bij het type der met haar vereenzelvigde Egyptische godin Isis thuis.
Sporen van den Nehalennia-kultus vinden wij wellicht in een Middeleeuwsch gebruik, van kracht in Zuid-Nederland en in de Rijnprovincie: een feestelijk opgetuigd en versierd schip op raderen werd van plaats tot plaats getrokken onder het feestgejubel der bevolking. Zulk een optocht uit het jaar 1133 wordt uitvoerig beschreven in een klooster-kroniek van St. Truiden. Het schip kwam het eerst naar Aken, dan naar Maastricht, waar het van mast en zeilen voorzien werd, dan naar Tongeren, Looz enz. Maar door toedoen der geestelijkheid werd deze stoet door den Graaf van Leuven met kracht onderbroken en belet, en hiermee schijnt het gebruik aldaar uitgeroeid te zijn. Waarschijnlijker echter dan met den Nehelennia-kultus bestaat samenhang met de karnavalsgebruiken van Romeinsche herkomst.
Over het algemeen mogen wij besluiten tot een Germaansch-Romeinsch synkretisme, welks sporen in het hedendaagsche folklore nog aanwezig zijn.
3. _Keltische Mythologie_.--Inwerking van den godsdienst der kultureel hoogstaande Kelten op de Germanen kon niet uitblijven. Op een bij Vechten (U.) gevonden votiefsteen wordt een zekere godin _Viradecdis_, voor wie in het Germaansche domein geen aanknoopingspunt te vinden is, vereerd door de Batavi en Tungri. Maar verreweg het voornaamste verschijnsel is de Matronenvereering, die beslist aan de Kelten is ontleend. De Matronen zijn plaatselijke schutsgodinnen, wellicht ook beschermgodinnen eener familie met haar bezittingen, en wier vereering bij de Keltische volken inheemsch was. Wij ontmoeten ze hier te lande in een min of meer Kelto-Romaanschen vorm. Ik wijs b.v. op de inschriften, die voor het bestaan van zulk een Matronendienst pleiten, bij de Marsaci aan den Scheldemond en bij hun naburen de Frisaevonen (C. I. L. XIII 860, 8633). Meestal zijn de schutsgodinnen ten getale van drie.--Tot oudere Keltische lagen behoort de vereering van den handelsgod _Lugus_ of _Lug_.
III. Volstrekt eenig is de invloed op de volksreligie uitgeoefend door het _Christendom_, een invloed, die grootendeels nieuw-scheppend, somwijlen sparend en hervormend was. Waar opvattingen en gebruiken lijnrecht in strijd waren met de nieuwe heilsleer, daar werd een onverzoenlijke strijd aangebonden en de oude volksreligie met kracht onderdrukt. Maar dit verhinderde niet, dat echte "survivals" of overleefsels den strijd met de Christelijke ideeën bleven voortzetten, verbod en prediking ten spijt; laat ik onmiddellijk wijzen op het taaie bijgeloof, dat zich in valsche heiligenvereering en ongemotiveerd wondergeloof uitbundig uit. Op bedevaartsplaatsen b.v. ziet men bij het volk thans nog vaak een zeker synkretisme van christendom en heidendom. Andermaal hooren wij in het huidige folklore onschuldige nagalmen uit den heidenschen voortijd zachtkens voorttrillen. Eindelijk vond de Kerk aanleiding onderscheid te maken tusschen vorm en stof, tusschen schors en kern, dan werd deze verworpen, maar gene niet zelden gered, dienstbaar gemaakt aan het Christelijk geloof en aldus gelouterd en "gekerstend." Het zou vreemd geweest zijn, wanneer de Kerk, die zich wenschte te verspreiden te midden der Graeco-Romeinsche beschaving, een geheel nieuwe taal gebezigd had en systematisch alle vormen had versmaad, die tot dan toe dienst gedaan hadden om aan de begrippen en gevoelens van godsvereering uiting te geven. Dit geldt natuurlijk ook voor de Germaansche beschaving. Laat ik nog slechts het psychologische dezer verkerstening in herinnering brengen. "Naast onwankelbare eenheid der groote en heilige beginselen", schrijft Dr. Gisb. Brom, "een onuitputtelijke verscheidenheid en plooibaarheid van vormen. Zij [de Kerk] gebruikt niet een en denzelfden stijven vorm, om dien met despotisch gezag aan al haar bekeerlingen, van welke natie ook, op te dringen en te drukken. Een Procustus-bed bleef haar ten allen tijde vreemd. Maar zij voegt zich naar de natuurlijke geaardheid van ieder volk, zoowel als van elk individu.... Hoe dit ééne met het andere samengaat? Omdat al wat de Kerk rein _natuurlijks_ aantreft in de samenleving of in den individueelen mensch, zij dat niet tracht te vernietigen, maar het onder den leuterenden, veredelenden en verheffenden invloed der genade laat voortbestaan."
Aldus vinden wij wijding en veredeling van oorden, feestdagen, feestgebruiken, volksvoorstellingen enz. Kenschetsend en teekenend is b.v. de geschiedenis onzer Nederlandsche _kerstputten_ of kerstpoelen. Het meerendeel is van heidenschen oorsprong d.w.z. stond met een heidenschen kultus in verband. Maar doordat in die bronnen gedoopt werd, zijn zij gekerstend en in dienst van Christus gesteld. Vandaar het groot aantal putten, die den naam der heilige geloofsverkondigers Bonifacius en Willebrordus dragen. Te Dokkum vindt men b.v. drie Bonifaciusbronnen; Willebrordusputten treft men aan te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten, Maarhees, Geisteren, Venray, Stamproy, Wulpen en eertijds te Berchem bij Antwerpen. Natuurlijk werd ook een groot aantal bronnen aan Maria gewijd. Verder zijn om meermalen vermelde reden verscheiden bronnen met den satan in verband gebracht; vandaar de Duivelsput te Herdersen en te Hekelgem, het _Heintjes-börreken_ te Meerbeke (men denke aan "Heintjepik") en de Helleput te Dendermonde.