Nederlandsche Volkskunde

Chapter 8

Chapter 83,712 wordsPublic domain

Wat betreft de in België niet onbekende _boschnimfen_, die in Duitschland de typische benamingen van _Moosfräulein, Wald-weiblein, Selige Fräulein_ e.a. hebben, deze behooren tot de windgeesten. In Noord-Bohemen heeft de boschnimf de gedaante van een stokoud moedertje, met sneeuwwit, wild rondfladderend haar en bloote voeten. Zij steunt op een knoestigen stok en schenkt gele blâren, die in goud veranderen. Wanneer in de lente en in den herfst ijle nevelgedaanten uit het gebergte opstijgen, wanneer "der Wald raucht", dan pleegt men te zeggen: "Das Buschweibchen kocht".

's Winters, als de stormwind over onze lage landen heenvaart en door 't geboomte huilt en fluitend over de daken en om de schoorsteenen giert, dan stormt het geestenheir door het luchtruim. Het is de _Wilde Jacht,_ die in de volksverbeelding een zoo voorname plaats inneemt. De voorstelling is ooroud en ook niet uitsluitend Germaansch. In de hymnen van den Rig-Veda vinden wij als aanvoerder den windgod Vâyu-Indra aan het hoofd van zijne _Maruts_. In de Germaansche landen voerde Wôdan op zijn schimmel _Sleipnir_ het geestenheir aan. In den loop der tijden hebben vele persoonlijkheden aan Wôdan deze eereplaats betwist: in Engeland koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar, in Sleeswijk koning Abel. Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling overgenomen en op Karel den Grooten en Karel V toegepast; volgens een Bourgondisch gedicht uit de XVIIe eeuw rijdt Charlemagne aan de spits van het geestenheir, terwijl Roland het vaandel draagt.

Over geheel Duitschland is de sage van een vervloekten jager verspreid, die, wegens het schenden van den Zondag, gedoemd werd, met zijn honden achter zich, door het luchtruim te jagen tot den jongsten dag. Hij draagt den naam van _Hackelberg_, uit _hackel bärend_ "mantel dragend". Het Limburgsche folklore kent deze figuur onder de benaming van "Henske met de hond"; "Henske" wordt ook als duivelsnaam gebezigd. In Gelderland spreekt men plaatselijk van de _Berndekesjacht_, en wordt als voorrijder genoemd _Dirk met den beer_. Men meent te onderscheiden het gekrijsch van vogels en verwijderd hondengeblaf. Wanneer op een hoeve "d'n bòvenste neendure" 's avonds wat laat open blijft, vliegt de Wilde Jacht wel eens daarbinnen om uit te rusten. Ook hier leeft nog de legende, dat het de jachtstoet is van een tot eeuwigdurig jagen gedoemden Zondagsschender; vergel. Driem. Bladen III, bl. 3.

Somtijds, zooals plaatselijk in Hollandsch Limburg, is van een aanvoerder volstrekt geen sprake, en dan openbaart zich de volksmythe in haar ruimsten, wellicht ook in haar oudsten vorm. Veelal bestaat het geestenheir uit de zielen van ongedoopte kinderen, of wel uit dronkaards en allerlei soort misdadigers, zooals de _Aasgaardsreia_ in Noorwegen. In Belgisch Limburg spreekt men van _Helsche Jacht_ of _Helsche Wagel_, ook wel van _Turkusjacht, Kluppeljacht, Tieltjesjacht_ (Hageland) en, evenals rond Leuven, _Tilkesjacht_: wonderschoone muziek, maar als men slechts een woord spreekt, houdt ze op. Naar men weet, verbreekt de menschelijke stem in het volksgeloof den ban van de geestenwereld, van het bovennatuurlijke: vandaar, dat volstrekt stilzwijgen gevorderd wordt bij het schatgraven, waterscheppen, oudtijds bij het offeren enz. In Vlaanderen verklaart men het geheimzinnige gerucht als de muziek van heksen of vrijmetselaars, die zich naar hun vergaderplaats begeven. In Drente en Groningen geloofde men aan een "vurigen" of "gloeienden" wagen, met vier of zes honden bespannen,; en insgelijks sprak men van een "ijzeren" wagen, onder vreeselijk geraas gemend door een voerman van ontzettende gedaante, rijdend tusschen Nijkerk en Letterbert. In de Overbetuwe kende men den _Helwagen_, te Zwartewaal in Zuid-Holland den _Oogstwagen_ met overeenkomstige beteekenis. Zie verder Ons Volksleven II, bl. 9; 't Daghet in den Oosten II, bl. 167, 191.

Een animistisch karakter vertoont ook de _weerwolf_, letterlijk "manwolf", immers het eerste gedeelte komt overeen met het Gotische _wair_ en het Latijnsche _vir_, dat wij ook nog hebben in ons "weergeld" d.i. "man-geld." De term "Lykanthropie" is van het overeenkomstige Grieksche woord afgeleid.

De weerwolf-mythen hebben alle Indogermaansche volken gemeen; vooral vindt men ze in grooten getale bij de Slaven, waar zij nauwverwante trekken met onze heksen en vuurmannen vertoonen; zie b.v. Fr. Kraus, Volksglaube und religiöser Brauch der Südslaven (Munster 1890), bl. 112. Den Slavischen weerwolf slacht vrijwel diens naamgenoot op de massale dijken langs Lek en Waal. De Betuwsche weerwolf, zegt Marie Ramondt in Volkskunde XXIII, bl. 161, heeft niets menschelijks meer; hij is niet de "man-wolf van onze andere landouwen, hij is een hond met gloeiende oogen en een vurige tong, zooals Kludde uit de Brabantsche sagenwereld, en evenals deze loopt hij op zijn achterpooten en rammelt met een ketting.--Deze _Kludde_, die, naar het schijnt, benoorden Brussel, en bezuiden Brussel onder den naam van _Lodder_, de plaats van den weerwolf inneemt, houdt eigenlijk het midden tusschen weerwolf en vuurman. Te Aalst en omstreken heet hij _Kledden_, te Brecht _Klodde met zijn bellen_. Van bedriegers, die als weerwolf rondloopen, zegt men dat zij "Kledden-loopen." Ook komt hij wel overeen met den grappigen Gelderschen _Stoep_, die den verschrikten wandelaar voortdurend op den rug springt. Zie De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek (Gent 1909) I, bl. 82 vlg.; Ons Volksleven V, bl. 147; X, bl. 142.

Het volk houdt zich vast overtuigd van de waarheid, dat sommige personen de gave bezitten zich op bepaalde tijden, meest omstreeks Kerstmis of St. Jan, in wolven te veranderen: de wolf is een mythisch, daemonisch wind- of neveldier, zooals uit exotische gegevens voldoende blijkt. De verandering in een wolf heeft plaats door het aanleggen van de wolfshuid of den wolfsgordel--men vergelijke het aanleggen van het zwanenhemd--, in de volkstaal kortweg "het vel" geheeten; vgl. de uitdrukking "uit zijn vel springen", waarover Prof. Verdam, Sporen van volksgeloof in onze taal en letterkunde, in de Handel, van de Maatsch. d. Nederl. Letterk. te Leiden 1897--98, bl. 46.

Ons folklore is rijk aan verhalen, waarin op het middernachtelijk uur het wolfsvel uit den schoorsteen op het vuur valt. Het verbranden van de huid brengt de verlossing. Deze en dergelijke sagen zijn wijd en zijd verspreid; in België, vooral in Vlaanderen en Limburg, ten deele in Brabant, met name te Aerschot, Liedekerke, Hoogstraten, Hubertingen en Maaseik; in de sagen van Belgisch en Hollandsch Limburg is de weerwolf niet onkwetsbaar. Te Ohe en Laak b.v. bracht een jager hem een zware wonde toe, en, het bloedspoor volgend, vond hij in een hut een man liggen, die in de zijde doodelijk getroffen was. In Nederland kent men den weerwolf in de provincies Limburg, Noord-Brabant, Friesland, in de Graafschap, Salland enz. Van de zeven na elkaar uit hetzelfde huwelijk geboren zoons of dochters is de zevende een weerwolf. Men erkent hem o.a. aan eenige vezeltjes doek, die hij steeds tusschen de tanden heeft. Ter bezwering trekke men met den voet een streep over den weg, zeggende: "Als ge van God komt, dan nader; als ge van den duivel zijt, dan blijf vóor de streep." Hij toont zich ook dankbaar voor bewezen weldaden; zie Volk en Taal I, bl. 48; verder III, bl. 209, IV, bl. 5. Vergel, ook H. Welters, Limb. Legenden II, bl. 38 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 93; Panken, Noordbrab. Sagen (Brecht 1893), no 42 vlg.; Rond den Heerd IV, bl. 2.

Nauwverwant is de _mare_ of nachtmerrie. Het Middelnederl. _mâre_, nog in Hollandsch Limburg en Zuid-Nederland gebruikelijk, is verwant met het Oudhoogduitsche en Oudnoorsche _mara_ en beteekent "nachtspook, nachtbelemmering"; in Noord-Brabant spreekt men dan ook van _nachtmaar_. Het woord is waarschijnlijk afkomstig van een wortel, die zoowel in ons _meren_ "vastleggen, binden", als in _marren_ "talmen, dralen" steekt. Met ons woord _alfdruk_ vergelijke men het Fransche _cauchemar: cauche_ is afkomstig van het Latijnsche _calcare_ "drukken".

Wat bewoog het volk, de termen _nachtmare_ en _merrie_ in verband te brengen? De ziekelijke verbeelding van den slapende of droomende stelt zich den drukkenden, haast tastbaren last, die zijn borst beklemt en zijn adem belemmert, onder allerlei dierlijke en menschelijke gestalten voor, doorgaans van het vrouwelijk geslacht. Meestal is het een paard, een _merrie_, die den slapende _berijdt_, vandaar de uitdrukking: _marenrit_. Bij ons te lande hoort men de verwensching: "Ik wou, dat je de maar reed". Taalkundig hebben wij hier dus te doen met een geval van zoogenaamde volksetymologie: het volk verbindt _mare_ met het niet vermaagschapte _merrie_; godsdiensthistorisch met den slaap en droom als mythologischen faktor, waarop het eerst door Laistner gewezen is.

Deze nachtelijke kwelling wordt veelal aan heksen of aan den duivel toegeschreven, maar oorspronkelijk aan luchtelfen. Zij plagen niet slechts de menschen, maar ook het vee, met name de paarden. Zijn de paarden 's nachts door de _maar_ gereden, dan vindt men ze 's morgens nat bezweet en met gevlochten manen en staart op stal staan. Het kan gebeuren, dat men de _maar_ in den stal verrast; dan zit ze onder de krib, te Heerlen onder het paard zelf, in de gedaante van een oud wijf, dat bezig is, met het haar te kammen.

Afweermiddelen zijn de volgende: men laat een kaars branden, of plaatst een mes op de borst, met de punt omhoog, of men zet de schoenen omgekeerd voor het bed. Op de Veluwe raadt men een vrouw, bij het naar bed gaan den stoel te verzetten, waarop haar kleeren liggen. Daar en in Overijssel bevestigt men ook als afweermiddel een paardekop boven den stal, op welks beteekenis ik nader terugkom. Men beveiligt de paarden ook, door ze te bestrooien met garst; dan is de kwelgeest den volgenden dag in de schuur achter de wan te vangen. In België nam men een handvol zand en strooide dat in het vertrek rond; dan moest de nachtmerrie verschijnen. Teenstra, Volksverhalen bl. 52 verhaalt ook, dat men een pannekoek bakte: was er een nachtmerrie in huis, dan kon die koek niet gaar worden en kwam geschonden uit de pan.

Ook marentakken (_viscum album_) houden de nachtmerrie uit den stal. Berust dit op het algemeene beginsel der sympathie, in dit geval taalkundige overeenkomst tusschen afweermiddel en te bannen voorwerp? Of heeft de misteltwijg zijn naam ontvangen, òmdat hij de mare afweert, of omdat zij op zijn bladeren uitrust--als op de korenhalmen of de hop,--of dewijl hij den boom drukt evenals de mare den mensch? Wij komen op dit punt nader terug bij het behandelen der Plantlore.

Gaat de mare uit rijden, dan verlaat ze het lichaam als een bij, kever, vlinder enz., en keert ook weer in deze gedaante terug. Te Vilvoorde vertoonde zich de mare eens onder de gedaante van een klein diertje, een vinger lang en zeldzaam gevormd, dat van verre kwam aanloopen en een slapende vrouw in den mond kroop. Men ziet, hoe luidens de volksopvatting de ziel het lichaam verlaat, althans kàn verlaten gedurende den slaap. Dit geloof is wijd en zijd verbreid. Soedaneezen zagen eens uit den mond van een slapende iets kruipen ter grootte van een krekel, zich op weg begeven naar een sadagoristruik en weer den neus binnensluipen; zie Wilken, Het animisme bij de volken van den Indischen Archipel (Leiden 1885), bl. 16. Vaak neemt de ziel ook de gedaante eener muis aan: de zielen der bannelingen vervolgen Hatto van Bingen als muizen; als muizen verdwijnen de kinderen, door den rattenvanger van Hamelen gelokt. Vergel. mijne Essays en Studiën, bl. 83, 90 en een artikel in Volkskunde XIV, bl. 1 vlg.; Wolf, Niederl. Sagen nos. 249, 253, 254, 515, 563; Ons Volksleven XI, bl. 132; Biekorf V, bl. 301.

De woordafleiding en de mythische oorsprong der spookachtige wezens, die men _heksen_ heet, ligt vrijwel in het duister. Slechts mag men--hoe sterk het heksengeloof ook met Christelijke bestanddeelen is vermengd--als zeker aannemen, dat zij haar oorsprong in het heidendom hebben, vooral door hare betrekkingen tot den duivel; en verder, dat zij van animistischen oorsprong zijn en deel uitmaken van het geestenheir, dat rondvaart bij het woeden der elementen. De Zuid-Slaven gelooven, dat in elke heks een booze, helsche geest huist, die bij nacht het lichaam verlaat, en zich dan in een vlinder, kip, kraai, maar het liefst in een pad verandert.

Wij hebben oorspronkelijk te doen met boosaardige spooksels, met kwalijk-gezinde zielen van afgestorvenen. Het feest valt dan ook samen met dat der ziele-geesten in het midden van den winter. Zooals bekend is, gold het tooveren bij de oude Germanen als bizondere gave der vrouwen. Na den dood zetten zij haar werkzaamheid voort. Maar bij sommige vrouwen scheidt zich de ziel reeds tijdens het leven van het lichaam, en neemt deel aan het joelen der zielegeesten. Van deze moeten zij hare kunst leeren, en zoo ontstond het volksgeloof aan de samenkomst van aardsche vrouwen met de geesten. Immers, telkens valt er in de verhalen de nadruk op, dat de aardsche heksen op bepaalde dagen, waarop vooral de geesten hun spel drijven, de macht bezitten, door de lucht te rijden--op 'n bok, bezemsteel enz.--en aan de vergadering der geesten deel te nemen. Zoo ontstond dus het geloof aan de levende, menschelijke heksen, dat door de bekende heksenprocessen een kultuurhistorische beteekenis kreeg.

Haar animistischen oorsprong verraden de heksen door haar Proteus-natuur. Zij komen binnen door het sleutelgat en kunnen de gedaante aannemen van hagedissen,--waarschijnlijk wortelverwant met het woord _heks_--van uilen, honden en vooral van padden, hazen en katten. De kat immers is een nachtdier en heeft, door den lichtglans harer oogen in het duister, door haar onhoorbaren gang en nachtelijk gejank, inderdaad iets daemonisch over zich: ook de duivel verandert zich in een kat of kater, men denke aan _duvekater_ en _drommekater_. Maar juist als nachtdier is zij ook onweêrs- of neveldier, en zoo komt het, dat zoovele weêrregels met de kat in verband staan: als de kat zich poetst, wordt het weêr goed; likt zij zich tegen het haar in, dan komt er regen: regent het in de wasch, dan heeft men de kat niet goed verzorgd; zie vooral Sloet, De dieren in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik ('s-Gravenhage 1827), bl. 1 vlg.--De verhouding van heks tot duivel blijkt ook nog uit de parallelle der spreekwoorden: "Als het regent en de zon schijnt, bakt elke heks pannekoeken";--"Als het regent en de zon schijnt, is het kermis in de hel".

De heksen berokkenen steeds schade: zij melken de koeien des nachts, veroorzaken veepest en muizenplaag, beheksen de kinderen, leggen de kwade hand en veroorzaken daardoor allerlei ziekten, beoefenen het nestelknoopen, door onder den echtelijken zegen een slot toe te knippen en in het water te werpen (hierover nader), bederven het graan en verwekken hagel, wind en storm. Ook kunnen zij iemand op een bepaalde plaats vast tooveren, vanwaar het Limb. _heksenscheut_, Hoogd. _Hexenschuss_. Grooten invloed hebben zij ook op het karnen van de boter. Is de koe werkelijk "behekst", dan mag de boerin karnen, zooveel zij wil: boter komt er niet; terwijl de heks slechts met een stokje in de sloot heeft te roeren, om alle boter te krijgen. Eindelijk, zij verdorren het gras, vanwaar de heksenkringen. Het is geraden, eierschalen te vergruizelen, want daarin verbergen zich de heksen.

Vindt men kroontjes in de bedkussens, dan zijn ook deze _betsjoend_, zooals het in Friesland luidt. Hiertegen beveiligt een _kruuske-kaai_, d.i. een sleutel met een kruis in het benedeneinde. Maar men kan die verdachte voorwerpen ook in een ketel met kokend water werpen en laten koken, dan moet de heks binnenkomen. Vrijwel hetzelfde effekt verkrijgt men door een arend en zwarten haan in een ketel boven het vuur te hangen. Een eigenaardig sympathetisch toovermiddel is nog het volgende: men maakt een ploegijzer gloeiend en spreekt dan plechtig den naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Van een heks mag men geen koffie of brandewijn aannemen, dan komt men in haar macht, en evenmin mag men hare vragen driemaal achtereen met "ja" beantwoorden. Vrouwen, die zich in heksen kunnen veranderen, zijn dan ook wel buiten genoemde toovermiddelen kenbaar. Zij hebben vergroeide wenkbrauwen, druipoogen en platvoeten. Iemand vlak in het gelaat zien is haar niet mogelijk, en ook kunnen zij over geen bezemsteel heenstappen, of over een kruis of kruisvormig voorwerp, b.v. twee doodsbeenderen over elkaar.

Vooral beveiligt een hoefijzer boven den stal of elders aangebracht. Het hoefijzer is een algemeene talisman, het brengt geluk, maar vooral het heeft afwerende kracht. Daarom wordt het ook op de masten van schepen gespijkerd. Ook behoort het tot de Wôdanssymbolen, heilig was met name het hoefijzer van Wôdans ros. Maar ik houd dit voor sekondair, en breng de primaire beteekenis liever in verband met de paardeschedels, in stallingen ingemetseld, en met de houten paardekoppen op den nok der huizen, vooral der Saksische boerenwoningen, in die mate, dat men, in verband met andere gegevens, het paard als een Saksisch stamteeken kan beschouwen. Ter bescherming is het dier zelf niet noodzakelijk; het wordt ten volle vertegenwoordigd door zijn exuviën, dus ook door het hoefijzer.

Na zich met heksenzalf bestreken te hebben, rijdt de heks door den schoorsteen ter vergadering, door den duivel voorgezeten en geleid. Het geschiedt natuurlijk bij nacht, en wel na twaalven; immers: "Tusschen twaalf en een zijn alle heksen op de been". Zij rijden ook weg op een spinnewiel, op bokken en kalveren onder de spreuk: "Over haag en over heg, te Keulen (Spanje enz.) in den wijnkelder." De heksenvaart wordt niet zelden begeleid door wonderschoone muziek. De verzamelplaats der heksen is op weiden, heideplaatsen of galgenbergen. Zoo heeft men de _Hommelheide_ nabij Susteren, waar men dan ook heksenkringen vindt, en de _Haar_ bij Bunschoten; maar de groote verzamelplaats in Nederland is toch de beruchte Mookerheide. In Belgische sagen worden als zoodanig b.v. genoemd de _Kemmelberg_ bij Yperen en het _Galgenveld_ bij Antwerpen. Worden heksen eenmaal verhinderd in haar heksendans, dan mogen zij gedurende zeven maal zeven jaren geen vergadering meer bijwonen (Hageland).

Op den heksensabbath mag de naam Gods niet genoemd worden, noch ook de naam van het zout. De geestenwerende kracht van het zout behoort wel tot de oudste lagen van het volksgeloof. Ook in de klassieke Oudheid gold het niet slechts als zeer waardevol, maar ook als reinigend, van tooverij zuiverend: immers men meende, dat het de elementen van water en vuur in zich vereenigde. Aldus begrijpt men de heiligheid der zoutbronnen en der bosschen, waarin deze zich bevonden, bij onze Germaansche voorouders; wij danken dit bericht aan Tacitus. De bereiding van het zout stond dan ook onder toezicht van priesteressen. Zoo begrijpen wij verder, waarom het morsen met zout en het omstooten van het zoutvat ongeluk en tweedracht brengt; waarom het zout zulk een voorname rol speelt in de volksgeneeskunde; waarom schatgravers brood en zout bij zich moeten hebben; waarom men plaatselijk, als men in België ter bedevaart tijgt, brood en zout bij zich heeft; enz.--Ook de vlierstruik doet uitstekend tegen heksen dienst, waarover nader in de Plantlore.

Buitengemeen groot is het aantal volksverhalen, waarin een heks als kat, kraai enz. wordt gewond; den volgenden dag is dan de verwonding bij de een of andere vrouw merkbaar. Personen, vooral kinderen, die onder den invloed van heksen geraken, worden _behekst_, en dienen door een heksenmeester of heksenbanner _belezen_ te worden. Staan de paarden met verwarde manen en druipend van het zweet op stal, dan zijn ook deze waarschijnlijk behekst. Zie vooral Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 158. Verder Welters, Limb. Legenden II, bl. 65 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 7 vlg; Friesche Volksalm. 1865, bl. 17; Rond den heerd V, bl. 70; Ons Volksleven II, bl. 8; VI, bl. 119; IX, bl. 201.

Een laatste animistische groep vormen de _dwaallichten_, eigenlijk de zielen als vlammen op graven of in hunne nabijheid. Zij worden beschouwd als de zieltjes van ongedoopte kinderen en heeten plaatselijk: _divaal-, drog-, hip-, dwaas-, stallichten; drogfakkels; stalkaarsen; valsche lantarens_. De Friesche benaming _wylde lanteernen_ geldt eigenlijk over het algemeen de afgestorvenen, die geen rust kunnen vinden in hun graf. Ook meent men, dat ter plaatse, waar men vaak een dwaallichtje ziet, een schat begraven ligt; men noemt ze dan ook wel _blauwe vuurtjes_. Tot deze groep kan nog gerekend worden het _St. Elmsvuur_, dat op de masten der schepen verschijnt.

Aanvankelijk waren de dwaallichtjes boosaardig, trachtten zij den eenzamen wandelaar opzettelijk te misleiden. Maar het volk heeft deze opvatting op eigenaardige en dichterlijke wijze gekerstend; het zijn nu de zielen der ongedoopte kinderen, die op den reiziger toehuppelen en trachten hem naar een water of poel te leiden, om gedoopt te worden. Als men in Vlaanderen en Noord-Brabant de _stalkeersen_ wil doopen, een kruis over hen maakt en de doopformule uitspreekt, komen ze in ontzaglijken getale rondom u. Het best is dan maar te zeggen: "Ik doop u allen" enz.

Nauw met hen verwant is de _vuurman_. In Drente zijn vuurmannen meestal landmeters, die, omgekocht als ze waren, hun taak niet eerlijk hebben verricht. Deze opvatting geldt ook voor Zuid-Holland, Friesland, Groningen, de Overbetuwe. In geheel Drente is de vuurman _Lapöoge_ bekend, de kwelgeest met zijn gloeienden meetketting. _Glende kerels_ zweven ook als vlammende stroobossen langs de marke-scheidingen, b.v. te Havelte, Zuid-Laren, Borger, Rolde, Zeegze, Tijnaarloo enz. In Belgisch Limburg heeten ze _vierman, schoevert, schoeffer, sjoverik_ (b.v. te Genk) enz.; in de Kempen ook wel _brandende schoof_. Men mag niet met den vinger naar den vuurman wijzen en ook niet fluiten of hem bespotten: dan komt hij op u af en, redt u de vlugheid niet, dan zijt ge verloren,--òf ge moest bij u hebben een knipmes met houten hecht. Kunt ge het lemmer in den grond steken, dan komt het licht daar op af, en ge zijt verlost. In Hollandsen Limburg wandelt hij o.a. tusschen Arcen en Velden. Ook spookte eertijds een vuurman te Venloo in de nabijheid van den ondersten Houtmolen. De bewoners van den omtrek moesten hem elk jaar een kar zand, een paar blikken schoenen en zeven en een halven stuiver geven. Eens kwam een knecht van den bovensten Houtmolen 's avonds laat van de stad en zag op een hoogte een man staan, dien hij voor een zijner vrienden hield. Hij riep hem dus toe: "Dikke, geef me eens wat vuur", doch daar kwam de vuurman hem na. Zoo hard hij kon ging de knecht er van door en was juist de schuur van den molen binnen, toen de vuurman op het punt stond hem in te halen. Den volgenden morgen vond men op de schuurdeur een koolzwarte hand afgeteekend. Dit is trouwens het eensluidende slot van dergelijke geschiedenissen.

Over den Brabantschen _Kludde_ is gesproken. Zulk overgangstype tusschen vuurman en weerwolf vindt men hier te lande in het _hêmanneken._ Te Hoogland b.v. wordt hij gezien bij ruw weêr en roept aldoor: "hêej, hêej." Beantwoordt iemand dat geroep, dan springt hij hem op den rug en verlaat hem niet, tot de woning bereikt is. Intusschen gluurt hij den drager voortdurend met "gleunige ôogen" als een kat aan. Zie Welters, Limb. Legenden II, bl. 31; Drentsche Volksalm. 1845, bl. 232; Nederl. Museum II 12, bl. 352; Volkskunde X, bl. 182, 206, 236 vlg.; XIV, bl. 161.