Nederlandsche Volkskunde

Chapter 7

Chapter 73,598 wordsPublic domain

Het meisje draagt in de eerste jaren _de bonnet_, een zwarte, zijden muts. Daarna bestaat de hoofdtooi uit een ondermuts, wit of zwart, waarover de bovenmuts gaat. De witte bovenmuts of _knipmuts_ heeft van voren een geplooide, door karkas strak en uitstaande strook. Vroeger was die "streppel" heel breed, zegt W. H. Heuvel, Volksgeloof en Volksleven (Zutphen 1909), bl. 338, zoodat het hoofd als in een huifwagen wegdook; thans is hij smal en meestal zonder karkas. Achter hangt de kant in den nek af, vroeger kort, thans lang, vaak tot over de schouders. De muts zelf was vroeger met bloemen geborduurd. Bij feestelijke gelegenheden of bij kerkgang wordt hierover dan nog een stroohoed gedragen, waaraan twee linten met zilveren haak. Maar meestal draagt men thans over de muts een modernen hoed, en eveneens een modern kleed in plaats van het van voren laag uitgesneden wollen of linnen lijfje, dat op zijde werd vastgemaakt. Nog thans draagt men in het Overveldsche op de Veluwe over het jak een geplooiden wollen omslagdoek, die elders op den duur door de knoopdoekjes werd verdrongen.

_e_. In het Frankische gebied zijn de mannen gekleed als in Gelderland. Bezuiden Roermond vindt men echter voor mannen- en vrouwenkleeding bijna overal de dracht der groote magazijnen. De blauwe kiel bij de mannen, zoowel in Nederland als in België, en de omslagdoek en het manteltje bij de vrouwen geven soms aan de kleedij nog iets eigenaardigs. Het witte mutsje met een gekleurd bloempje, dat de vrouw om het hoofd draagt, heet _het pläkske_. De mannen dragen veelal knevel, of knevel en baard, in tegenstelling met het gladgeschoren gelaat, waaraan men gewoon is in het Noorden.

Terwijl het Land van Heusden wat betreft de vrouwenmuts meegaat met de Betuwe en Veluwe, waar immers de knipmuts domineert, is de gewone dracht in Brabant en Noord-Limburg de Brabantsche "groote muts", de zoogenaamde _huifmuts_. Over de gladgestreken haren gaat eerst de zwarte ondermuts. Dan komt de eigenlijke huifmuts, van tule, en hierop wordt de groote tuil bloemen en linten gelegd, dien men _de poffer_ noemt; de geheele dracht is zeer kostbaar. Daarnaast heeft men nog een groote zwarte muts. In sommige plaatsen, b.v. te Bergen-op-Zoom, Ossendrecht enz., draagt men reeds de zwierige Vlaamsche muts met haar losplooiende, wuivende slippen, die wij ten deele ook in Zeeland hebben aangetroffen. Zie H. Hymans in Patria Belgica (Bruxelles 1875) III, bl. 755.

Naast de Vlaamsche muts heeft men nog den Vlaamschen stroohoed met zijn eigenaardigen kapvorm en zijn linten versierselen en ontelbare spelden, door de landmeisjes óok in de omstreken van Antwerpen veel gedragen. Men treft hem verder nog aan op de grens, b.v. te Clinge, Stoppeldijk, Hontenisse enz. Elders, rond Brussel b.v., en wel in heel Zuid-Brabant, plooit men een doekje om het hoofd, dat onder de kin wordt vastgeknoopt. Algemeen vindt men den _neuzik_ of _neusdoek_, een vierkanten omslagdoek, gebloemd of gekleurd, die om de schouders gedragen wordt.

Er resten nog twee vrouwelijke kleedingstukken te vermelden, die voor het meerendeel in België gedragen worden, slechts sporadisch in Nederland. Dat is vooreerst de falie, een kleedingstuk van zwarte zijde, met een rand van franje, waarmee men het hoofd omhult, terwijl de van voren elkaar kruisende slippen een soort van boezelaar vormen. Bij Bergen-op-Zoom en in de Langstraat wordt zij o.a. gedragen bij kerkgang; ook in Limburg is zij nog bekend. Bij kerkgang in engeren zin, d.i. wanneer volgens katholiek gebruik de kraamvrouwen kerkwaarts togen ter zegening van moeder en kind, droeg men tot voor enkele jaren in Limburg de bonte Schotsche shawl. De falie is niet onwaarschijnlijk van Spaansche herkomst en herinnert aan de artistiek gedrapeerde mantilla. De Vlaamsche huik, kap, of klepmantel, is een soort cloak van vrij dikke stof, die men 's winters en 's zomers bij regenweer draagt. De kap slaat men over muts en hoed. Voorheen werd zij ook in geheel Staats-Vlaanderen gedragen, thans nog slechts in het Land van Hulst.

Eindelijk in Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in Zeeland, dus over de geheele uitgebreidheid van het Keltisch-Frankische gebied, worden hangers gedragen. Zij zijn vooral bij de katholieken in zwang om het kruis te dragen en bestaan doorgaans uit bladgoud met spiralen aan metalen kettinkjes. De hartvormige hanger heet _de schoef_. Merkwaardiger wijs vinden wij dezen hanger met eenigszins gewijzigden vorm ook weer in het Zuiderzeegebied (met het Gooi). Nauwer hangt dit gebied weer met Zeeland samen door een breeden platten ring met spiraalwerk van blaadjes. Daarentegen vindt men uitsluitend in Brabant en Limburg een eigenaardigen gouden of zilveren mantelhaak, die uit verschillende stukken is samengesteld.

DE VOLKSRELIGIE.

I. Volksreligie en Geestenwereld.

Het kan niet in mijn bedoeling liggen hier het godsdienstig leven der bewoners van Groot-Nederland in zijn veelvuldige uitingen te schetsen. Hoe vreemd het bij den eersten oogopslag ook schijnen moge: "religie des volks" en "volksreligie" zijn niet synoniem. Deze laatste toch is spontaan uit het volk opgegroeid onder den invloed van christelijke, maar ook van heidensche voorstellingen en begrippen. Het religieuze denken en leven des volks vormt een machtig stuk van zijn kultuurbezit, terwijl de volksreligie, die alleen tot het domein der Volkskunde behoort, hiervan substraat of bezinksel is, vervorming, uitvloeisel of uitbreiding, ressorteerend onder het gebied der onderkultuur. Vandaar dat beide begrippen zich slechts dekken bij de natuurvolken: de volksgoddienst is heel hùn godsdienst.

In de volksreligie zullen wij dus aantreffen een sterk uitgesproken synkretisme, een intensieve wisselwerking van heidensche en christelijke begrippen. Atributen van heidensche goden werden door het volk op Christen-heiligen overgebracht, heidensche legenden werden met christelijke persoonlijkheden verbonden. Anderzijds putte het kerkelijk geloof uit het volksgeloof, of steunde daarop, waar het gold heidensche gebruiken te kerstenen of met volksgebruiken haar feestkring en liturgie te verrijken. Waar het volksgeloof met het kerkelijk geloof in botsing komt, dus strikt-populair blijft, daar draagt het den naam van bijgeloof. Het ligt derhalve op onzen weg, dit bijgeloof nader te onderzoeken, alsmede den volksfeestkring, waar de wisselwerking tusschen de verschillende bestanddeelen der volksreligie het meest treffend tot uiting komt.

Ik zeg: "waar het volksgeloof strikt-populair blijft", en bedoel hiermee: waar het een tegenstelling vormt niet het kerkelijk geloof. Maar zoo vaak loopen volksreligie en kultuurreligie parallel, kabbelt het beekje der religieuze volksopvatting en volksvereering rustig naast den stroom der kerkreligie voort, om niet zelden daarin uit te monden. Frissche, naïeve, dichterlijke opvattingen ontmoeten wij hier in groote getale, opvattingen, die innige vroomheid ademen en diepen godsdienstzin. Andermaal is een historisch-heidensche of animistische voorstelling dermate verzwakt, dat slechts een onschuldig residuum van naïeve volksverbeelding overblijft. Wie zal de volksvoorstelling laken, dat Sinterklaas bij het gieren en loeien van den Decemberwind op zijn schimmel heen rijdt over de daken, of het volksgebruik van het bekransen der laatste schoof of van den palmpaasch? Eindelijk, waar velen animisme speuren, zie ik niets dan dichterlijke uitdrukking, dichterlijke persoonsverbeelding, met name verpersoonlijking der natuur, waarvan elk animistisch begrip of elke animistische nuance verre blijft.

In de volksreligie onderscheid ik in aansluiting met het bovengezegde een _natuurlijke_ en een _historische laag_.

I. Op den bodem der _menschelijke natuur_ liggen de begrippen van Godsbestaan, vergelding, voortleven der ziel e.a. Men vindt ze niet alleen bij de kultuurvolken, maar--zij het ook in de grilligste vormen gehuld--insgelijks bij de minst beschaafde stammen.

Daarenboven bevat het hedenclaagsche folklore de voortbrengselen eener steeds werkzame, rusteloos arbeidende, mythenvormende aandrift des volks, die eertijds zich voortbewoog op de dwaalwegen en kronkelpaden van het polytheïsme, die het hare bijdroeg tot het tot stand komen van menige mythische formatie van voorheen, maar die ook voor het heden nog een overvloedige bron is van volksreligie en magie. Vooral Wilh. Mannhardt heeft op dit bestanddeel de aandacht gevestigd in zijn Baumkultus der Germanen und ihrer Nachbarstämme (Berlin 1877). Bij alle Noordeuropeesche volkeren, met name bij de Germanen, neemt hij een uitgebreiden daemonkultus aan in een voorhistorisch tijdperk. Deze kultus veronderstelt de primitieve wereldbeschouwing van het _animisme_: het toekennen van een ziel aan alle dingen, bewerktuigd en onbewerktuigd, gesproten uit een geestestoestand, waarin de mensch geen scherpe scheidslijn weet te trekken tusschen hem zelf en de hem omringende natuur. De kloof tusschen mensch, dier, plant, mineraal is bij zulke wereldbeschouwing overbrugd, er is geen plaats meer voor het wonderbaarlijke; het meest ongelooflijke lijkt niet meer dan natuurlijk. Menschen kunnen evengoed in boomen en rotsen veranderen als omgekeerd. Zie hierover verder mijne Essays en Studiën in vergelijkende godsdienstgeschiedenis, mythologie en foklore (Venloo 1910), bl. 51, 52.

Uit het beschouwen van den plantengroei, zegt Mannhardt, heeft de mensch eertijds het besluit getrokken eener wezenlijke overeenkomst tusschen de plant en hem. Aan de plant schreef hij een ziel toe, gelijkvormig aan de zijne, en uit haar ontwikkelde zich de _Vegetationsdämon_, die in de Germaansche boomvereering zulk een gewichtige rol speelt. Van daar het gebruik, een boom te planten bij de geboorte van een kind; vandaar de gebruiken, die samenhangen met laatste schoof, meiboom, levensroede enz. Zij houden verband met een voortsluimerende, hoewel onbewuste vereering van den geest der vruchtbaarheid, die naar men eertijds geloofde in die voorwerpen zijn verblijf hield. Verlaat echter de boomziel haar gewone verblijfplaats, dan schenkt zij het aanzijn aan Wildemannen, Witte en Groene Juffers en dergelijke.

Nu hoede men zich in deze voor overdrijving of generaliseering. Het animisme, òok het thans nog onbewust voorttierende, is ten slotte een primitief-wijsgeerige wereldbeschouwing, uit gebrekkige waarneming met nog gebrekkiger oordeel afgeleid. Maar bespiegelende wijsbegeerte is nog geen godsdienst, en dus gaat het niet aan van een werkelijken volkskultus te spreken, wanneer geen hooger bestanddeel aanwezig is. Men denke daarenboven, zooals reeds gezegd, aan de mogelijkheid eener figuurlijke opvatting, eener poëtische persoonsverbeelding, die m.i. in vele gevallen stellig aanwezig is. Moge b.v. met het gebruik van den meiboom, in zijn verschillende vormen, nog in zekere mate een vaag begrip van "boomziel" gemoeid zijn,--een "boomdienst" is dit stellig niet meer. Ook weten wij, dat parallel met het Christendom onder den vorm van bijgeloof een zeker volksgeloof aan de huisgeesten bleef voortwoekeren, nu eens welig uitbottend, dan weer door gezonder leer besnoeid. Maar men zal mij moeten toegeven, dat de vorm van dit volksgeloof in de vereering--zoo daarvan sprake kan zijn--van het gemoedelijk volkje der aardmannetjes en kaboutermannetjes op vaderlandsche bodem al bizonder onschadelijk is.

II. Volgens het zooeven gezegde zullen wij in de _Germaansche Mythologie,_ die in zoo nauwe betrekking staat tot het hedendaagsche folklore, een tweevoudig bestanddeel moeten onderscheiden: een lagere en een hoogere mythologie. Naast animisme in engeren zin, d.i. zielengeloof en zielenvereering, voor een groot deel veroorzaakt door den drang om het levensbeginsel, bij den dood geweken, weder te vinden in de omringende natuur, bloeide een uitgebreide daemonkultus; deze stoelde eveneens op genoemde primitief-wijsgeerige wereldbeschouwing, maar werd als kultus voor een groot deel door erkenning van het hoogere in de natuurkrachten te weeg gebracht. Aldus werden geboren de wind- en berggeesten, aldus de woud- en watergodheden der Oude Germanen.

Ziedaar den oorsprong van menige formatie in onze volksreligie. Zielengeloof verklaart op de beste en eenvoudigste wijze het verwijlen van koningen en andere lievelingen des volks in rotsen en bergspelonken: men denke slechts aan Barbarossa, Hendrik den Vogelaar, Karel V, Karel den Grooten in Duitschland, koning Artur in Engeland, koning Olaf in Zweden, maar ook aan de Venus- en Hollebergen, waar de zielen huizen onder den schepter der doodsgodin. Want Holle, de vrouwe in het wit, is de doodsgodin. Tusschen het dorp Elspeet en de buurtschap Uddel (G.) bevindt zich een hoogte, bekend onder den naam van _de hulde_ of _het hul_, verdeeld in een kleine en groote hul. Men heeft getracht deze benaming te verklaren als verbastering van het Engelsche _hill_ "heuvel". Evenwel, "daar de legende zich ook aan deze plaats heeft vastgeknoopt en zegt, dat een reus daar eens het overtollige zand uit zijn klompen heeft geschud; daar het bovendien vreemd zou zijn, dat juist die éene heuvel een Engelschen naam ontving, moet men aan eene andere afleiding denken": Dr. L. Knappert, De Beteekenis van de wetenschap van het Folklore voor de Godsdienstgeschiedenis (Amsterdam 1887), bl. 157. Ik ga met schrijver akkoord, wanneer hij hier aan Holdavereering denkt.

Want Vrouw Holle is de koningin der _elfen_: deze toch, de lievelingen der volksfantasie en der dichtkunst, zijn zielen der afgestorvenen, zijn dus van animistischen oorsprong in engeren zin. Troepsgewijze wonen zij bij elkaar, niet slechts in de bergen, maar ook in bosschen en rivieren. Zij komen uit Elfenheim of Engelland. Ook hun eigen koning hebben ze, den _Alfen-, Ellen_- of _Erlen_-koning, in het Fransch _roi des aunes_. Het woord _elf_, Middelnederl. _elf_ of _alf_, Angelsaks. _aelf_, is verwant met het Oudindische _rbhu_ "geest, ziel van een afgestorvene". In onze Middelnederlandsche letterkunde zijn zij uitermate bekend, maar slechts in de ongunstige beteekenis van kwelgeesten of bedrieglijke schijnbeelden, zoo b.v. in de Sotternije van Lippijn 105:

Wat duvel heeft God die werelt gheplaecht Met alven ende met elvinnen.

En aldaar 146:

Wat! ben ic dronken van den biere Ochte vlieghen dalve achter straten?

Zie over dit onderwerp vooral de verhandeling van Dr. L. Knappert in De(n) Tijdspiegel 1898 II, bl. 353 vlg., III, bl. 29.

Vele trekken van Holda en haar stoet zijn overgegaan op de _Witte Vrouwen_ met haar sterk animistischen grondtoon. Men kent ze in Engeland, Duitschland en Oostenrijk, maar ook in ons land. Kiliaen neemt ze in zijn woordenboek op; de Teutonist noemt ze _guede holden_ en _belewitten_, dit laatste oorspronkelijk benaming van goede geesten, later van tooverheksen: zie hierover het opstel van Prof. J. W. Muller in Volkskunde XIX, bl. 8 vlg. De predikant Jan Picardt geloofde vast aan haar en spreekt het anathema uit over allen, "die door ignorantie van oude dingen voor fabeltjes houden al wat van deze witte wijven verhaalt wert." Vooral in het Oosten van ons land zijn de _Witte Wiêven_ bekend, met name in Gelderland en Overijssel. Op de Lochemsche bergen kent men een Witte-wijvenkuil. V. D. Bergh beweert in zijn Kritisch Woordenboek op bl. 361, dat zij bekend zijn "in N.-Brabant, Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen, Friesland en het dus genoemde West-Friesland of N.-Holland", en, naar hij, meent, ook in Zeeland. "In het eigenlijke Holland en Utrecht" heeft hij daarvan geen sporen aangetroffen. Zij wonen in heuvelen, _wiêvenbelter_ geheeten, meestal drie bij elkaar, soms talrijker, zeldzaam éene afzonderlijk; zoo wonen zij te Buurse (O.) in den _Langenbelt_, en daar worden nog eigenaardig-gevormde pijpjes gevonden, waaruit zij rookten. Te Vriezenveen (O.) huisden zij op de _Jöst_. Niet zelden klopten zij 's avonds aan en vroegen dan om een _balkenhaze_ (kat); bij weigerend antwoord oefenden ze wraak, drongen met gloeiende breinaalden in het varkenshok en doodden de zwijnen. Zelfs door het riemsgaatje konden zij binnenkomen: Driem. Bladen I, bl. 66, 101, 103; II, bl. 1. Eens is het gebeurd, toen een boer bij maneschijn over de eenzame Groot Driener heide reed (O.), dat in een oogwenk drie witte vrouwen uit haar geheimzinnige verblijfplaatsen verrezen. De boer, goed geluimd, sprak haar toe:

Witte wiêven wit! 'k Wol oe wal broan, maar hebbe geen spit; En um da'k neet hebbe en spit, Roop ik moar: witte wiêven wit!

Hierop antwoordden de geesten: "Wacht tot da' we deene schoband to eknupt en doare' to erukt hebt". Maar de boer was zoo verstandig, niet te wachten, anders was het hem slecht gegaan. Aldus Halbertsma, Overijss. Alman. 1837, bl. 242.

Elders worden zij _Witte Juffers_ genoemd. Dr. L. Jansen heeft verhaald over "de witte Juffer van Monferland", een berg, rond en begroeid, gelegen aan den weg van Doesburg naar 's Heerenberg (G.), zie Geldersche Volksalm. 1842, bl. 192 vlg. Volksverhalen van Witte Juffers zijn ook in Limburg niet schaarsch. Zij vertoonen zich graag bij warmen zonneschijn en helder maanlicht aan jonge schaapherders en koewachters, kammen het lange haar, kloppen vlas, hekelen, spinnen, en wijzen, stampend met den voet, de plekken aan, waar een schat bedolven ligt. De Limburgsche volkskundige H. Welters verhaalt in zijn Limburgsche Legenden, Sagen, Sprookjes en Volksverhalen (Venloo) I, bl. 213 van de Witte Juffer van het "Gebroken Slot" bij Grubbenvorst; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven (Leeuwarden 1895) I, bl. 120 van het Juffershout ten noorden van Sint Anna-Parochie, en van de Juffersbrug te Harlingen.

Tot de elfen behooren ook de _dwergen_ of _aardmannetjes_, in Noord- en Zuid-Nederland overbekend. In de volksfantasie leven of leefden zij voort als oude mannetjes, klein van gestalte, met langen, grijzen baard en in het grijs gekleed: immers, evenals alle elfen ontleenen zij het kostuum aan hun omgeving. Zij huizen in de bergen en wellicht wijst de kap, waardoor zij zich onzichtbaar kunnen maken, op den nevel, die de bergen aan het oog onttrekt.

Overdag korten zij den tijd met spel en zang in hun ondergrondsch verblijf; het is een jolig, snaaksch, doch tevens listig, sluw, bedreven volkje. In Belgisch Limburg bewoonden zij de konijnenpijpen, vooral in den Alverberg bij Diepenbeek; in Hollandsch Limburg de zoogenaamde _haagten_, d.i. onderaardsche gangen. Zulke bestonden o.a. te Geleen, Stein, Echt, Reuver, Brunsum en Hoensbroek, waar men nog een Auverberg en een Auvermoerbeek heeft. Ook huisden zij op den Krekelsberg te Roggel, op den Pijpenberg te Haelen, en op den Spekberg te Steijl. Te Venloo vertelde men vroeger, dat de aardmannetjes te middernacht op het fort Beerendonk uit den grond kwamen en dansten. Want slechts des nachts wagen zij zich buiten, zij schuwen het daglicht, en zoo wordt de animistische grondtrek van hun karakter weer duidelijk zichtbaar. Een Alverberge bestaat in Zuid-Brabant o.a. te Bekkevoort en te Lubbeek.

Over het algemeen zijn zij hulpvaardig en dankbaar voor bewezen diensten. In Vlaanderen wasschen zij al het linnen op éen nacht, in Belgisch en Hollandsch Limburg schuren zij het koper- en tinwerk blank. Nog weet men rond Hasselt te verhalen, dat huisvrouwen en meiden potten en pannen naar een bepaalde plaats brachten, en daar ter vergoeding eenige centimes en een zakje tabak neerlegden: want zij rookten uit kleine, typische pijpjes. Ook in Antwerpen, en Brabant zijn zij bekend, b.v. te Mechelen, Leuven, Aerschot, Turnhout, Ghyseghem, Tremeloo en Herselt, waar sommige hunner ook wel in bosschen woonden. Dit geldt ook voor de Veluwe; in het Soerensche bosch b.v. droeg een plaats den naam van _Aardmanshegge_.

De aardmannetjes heetten ook _alvermannekes, auvermannekes, laplanders, klablers, roodmutsjes, Jan met de roode muts, bergmannetjes, heuvelmannetjes_ enz.; een vrij volledige lijst geeft De Cock in zijn Brabantsch Sagenboek I, bl. 183. Te Groningen noemt men ze de _'Aimpies_, in Vlaanderen ook _de Alven_. Vandaar de uitdrukking: "gij zult door d'Alven geleid worden", d.i. door de geesten, die iemand het spoor doen bijster worden. Misleiding wordt ook toegeschreven aan _den Dalf_ in het land van Aalst en aan _den Als_ in de buurt van Dendermonde. Volgens Lenaerts, De verdwijning der Alvermannetjes (Antwerpen 1898), bl. 136, moet _den Alf_, geest, die 's nachts de reizigers misleidt, wel degelijk van de Aardmannetjes gescheiden worden. Zie nog Ons Volksleven I, bl. 66, VIII, bl. 213, IX, bl. 160; Volk en Taal III, bl. 89; IV, bl. 57, 123; Wolf, Niederl. Sagen, no. 3 474, 475, 476, 479.

Eigenlijk verschillen van deze groep de _kaboutermannetjes_, ook wel _boezemannen_ en _kobolden_ geheeten. Zij zijn aan het huis gebonden en vertoeven meestal in de daksparren. Hulpvaardig staan zij den boer in het ploegen van het land, den molenaar, den timmerman enz. in al hun bezigheden ter zijde. Hun intiem, huiselijk karakter spreekt sterk uit de opvatting, die men in Noord-Holland (Zuiderwoude, Koog aan de Zaan, Tessel, enz.), luidens de mededeeling van Dr. Boekenoogen, van de _klabouters_ of _nachtwerkertjes_ had. Veelal werd ter vergelding voor de goede bewezen diensten eten neergezet. Dit bestond in een schoteltje met melk, en men plaatste het in een blindvenster, dat is: het terzijde van den schoorsteen in de tegels gemetselde nisje; zie Volkskunde XXI, bl. 221 vlg.

Eertijds, bij het hooren van de echo, meende men de stem der aardmannetjes te vernemen. Thans zijn zij grootendeels verdwenen, het volk zegt, omdat zij het luiden der klokken niet konden verdragen.-- Vgl. Wolf, Niederl. Sagen, nos 206--211, 477, 478; V. D. Bergh, Woordenb. 120; Gittée, Nederl. Museum II, 2 bl. 352; Welters, Limb. Legenden II, bl. 25; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 59.

De watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen en _meerminnen_. Zij bezitten de proteusnatuur en de gave der voorspelling. Wandelt men 's avonds langs het water, dan hoort men veelal haar stem. Vaak ook weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille van den nacht en trachten zij de menschen in het verderf te storten. De beleedigde waternix vooral weet zich te wreken. Haar wezen is identiek met dat der oude Sirenen.

Wellicht wijst op dit volksgeloof de naam van een bosch in de nabijheid van O.L. Vrouw-Waver, nl. "de Meermin"; zie Volkskunde XXII, bl. 68. Volgens een oude overlevering zou ook Muiden eens met een meermin hebben kennis gemaakt, die, uit de Zuiderzee opgedoken, dezen vloek over de stad zou hebben uitgesproken:

Muden sal Muden bliven Muden en sal noit bekliven.

Naar men weet, heeft Muiden als wapen een blauwen paal op zilveren schild, vastgehouden door twee meerminnen.--In de groote kerk te Edam op een der beschilderde glazen achter den preekstoel is een meermin afgebeeld; terwijl de Purmerpoort aldaar een konterfeitsel vertoonde van het "groene wijf", met dit bijschrift:

Dit beeld hier opgericht tot een gedachtenis Wat in het Purmer-meyr voorheen gevangen is. Anno 1403.

Immers, volgens de legende werd in dat jaar in de Zuiderzee een monster gevangen met de gedaante eener vrouw, geheel met groen mos begroeid. Naar Edam gebracht, leefde zij nog eenige jaren. Zie F. W. Drijver, Mozaïek (Groningen 1906), 3e druk, bl. 202.

Belangrijker is het stellig na te gaan, wat van dit volksgeloof aan watergeesten nog rest. Spoken bant men in Belgisch Limburg naar de _weiers_ (vijvers), wat wijst op hun karakter en herkomst. Ook kent men de _Grijze Meer_. Kinderen maakt men bang met den _waterwolf_, om het spelen aan het water tegen te gaan. In Vlaanderen dragen de watergeesten den naam van _nekkers_. Ook in Overijssel worden of werden nog voor betrekkelijk korten tijd geesten geacht in vijvers hun verblijf te houden, zoo b.v. te Zwolle de _watersnaak_.