Nederlandsche Volkskunde

Chapter 6

Chapter 63,574 wordsPublic domain

Ook in België neemt volgens Léon Vanderkindere, Recherches sur l'Ethnologie de la Belgique (Bruxelles 1872), het brunette type van het Noorden naar het Zuiden aanmerkelijk toe. Het hoogste percentage aan lichtoogigen en blondharigen heeft de provincie Antwerpen.

Wat den lichaamsbouw betreft kan men België in drie zônen verdeelen. De eerste omvat West- en Oostvlaanderen; de tweede Antwerpen, Limburg, Brabant en Henegouwen; de derde Namen en Luxemburg. Het percentage der personen met rijzige gestalte neemt regelmatig toe van Noord naar Zuid.

2. Het psychische volkstype.

De hoofdkaraktertrek van het Noordnederlandsche volk is wel het flegmatische, het bedaarde. Dit begrip van bedaard "lost zich op in de termen: bedachtzaam in het overleggen, langzaam in het handelen, koel in voorspoed, geduldig in tegenspoed, volhardend bij weerstand, niet hartstochtelijk in het ongeluk, niet druk onder het genot": R. Fruin en S. L. Vissering, Het Karakter van het Nederlandsche volk (zie Algemeene Statistiek van Nederland II, 3), bl. 7, 8.

Deze eigenschappen hebben aan het Nederlandsche volk den roep bezorgd van betrouwbaarheid, bezadigdheid en deege degelijkheid. Maar ontaarden zij tot gebreken en ondeugden, dan slaan zij licht over tot traagheid, stroefheid, stijf- en stijfhoofdigheid, of ook tot flauwheid en Jan-Salie-geest.

De Noord-Nederlander is bedachtzaam, zelden gehaast, meer man van ernst dan van fantasie; tot doortastende maatregelen is hij niet dan in den uitersten nood bereid. Het kost hem moeite zich over partikularisme en provincialisme heen te zetten. Ondernemingsgeest is hem niet vreemd--de geschiedenis getuigt het--maar hij gaat niet graag over ijs van éen nacht: van grootsche plannen is hij huiverig, en volgen is hem liever dan voorgaan. In alles toont hij nuchterheid, zuinigheid en overleg; en dit bezadigd overleg, deze koele berekening, al voert zij somswijlen tot trekschuit-sympathieën, geeft hem doorgaans taaie vasthoudendheid en vooral zelfvertrouwen en zelfstandigheid. Vandaar zijn sterk ontwikkelde praktische, persoonlijke vrijheidszin, die zich liefst zoo min mogelijk om wet of regel bekreunt, en daarom niet zelden in bandeloosheid ontaardt.

Eenvoud van zeden, godsdienstzin en huiselijkheid kenmerken over het algemeen de Nederlandsche natie. De zindelijkheid in het beheer van woning en huisraad heeft wel vooral haar grond in de vochtigheid van het klimaat, dat die zorg noodig maakt; bodem en luchtgesteldheid nopen tot het leven in besloten kring en kweeken zin voor huiselijkheid. De vele behoeften, door het leven geschapen, eischen voortdurende inspanning en zijn drijvende prikkels tot gestadige werkzaamheid.

De hoofdscheidslijn in karakter en volksaard ligt tusschen Noord en Zuid, en hiermee bedoel ik niet alleen België, maar ook de zuidelijke gedeelten van Nederland. Ook hier openbaart zich krachtig de eenheid van stam, met haar Keltisch-Frankischen ondergrond of inslag. Bedachtzaamheid en bezadigdheid ruimen hier de plaats voor luchthartige zorgeloosheid, die vaak tot laksheid en lichtzinnigheid overslaat. In het Zuiden vindt men meer geestdrift en bezieling, meer durf en ondernemingsgeest, maar ook meer vermetelheid, wispelturigheid en ras getogen zelfvergenoegdheid. Het leven is er meer expansief, de gastvrijheid ruimer, het verkeer gemoedelijker, de toon inniger, de vreugde luidruchtiger, niet zelden leidend tot uitgelatenheid en buitensporig genot. Wij zochten de diepliggende oorzaak van dit verschil in het stamkarakter; daarbij mag men echter ekonomische, historische en religieuze invloeden niet uit het oog verliezen. Handel en nijverheid geven het volkskarakter een scherpe plooi; het zeemanswezen noopt zoo niet tot doortastendheid, dan toch tot degelijkheid en energie, terwijl de landbouw--lokaal bedrijf bij uitstek--behoudlievende gezindheid schenkt en gehechtheid aan oude gewoonten, zeden en overleveringen. De nederzetting in afzonderlijke hoeven kweekt zelfs niet alleen aanhankelijkheid aan eigen bodem, maar leidt in tegenstelling met het krachtig-uitbottend gemeenschapsgevoel der akkerdorpen, tot verregaand partikularisme. Op het kweeken van den eigenaardigen zelfstandigheids- en vrijheidszin met name in de Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche gewesten is ook wel van invloed geweest de vroegtijdige ontwikkeling der vrije steden met haar zelfstandig bestuur. De inwerking der religie blijkt b.v. uit de tegenstelling der min of meer sombere levensopvatting van den streng-Calvinistischen Veluwenaar met de blijde levenslust van den katholieken Limburger of Brabander. Zoo is ook de bevolking van het streng-protestantsche Marken ernstig en stug, die van het katholieke Volendam jolig, opgewekt en vroolijk.

Maar ook elke stam, hoezeer vermengd, behoudt zijn eigenaardig cachet, stamkarakter, dat spreekt uit het gelaatstype. Weinig sprekend--het is waar--is over het algemeen het Friesche gelaatstype; maar de gedecideerde trek om den ietwat breeden mond en het terugwijkende van de breede kin verraadt toch vrij sterk die beslistheid, die vastheid en vastberadenheid, welke, tot stugheid en onbuigzaamheid aangescherpt, spreekwoordelijk werd.

De Sakser is meer terughoudend, ook stroever en hoekiger, en hoekigheid van gelaatsvorm is dan ook kenmerkend voor het type. Daarbij geven de sterk ontwikkelde beenderen en het naar verhouding breede bovenhoofd den indruk van wilskracht en van zelfbeheersching, die zich ook in soberheid van woorden uit. Sober, terughoudend, berekend, eenigszins wantrouwend en wantrouwen wekkend is de Tucker bovenal. De somberheid en geslotenheid van het halle-huis heeft zonder twijfel zijn invloed op de bewoners doen gelden, maar niet minder de huiselijke innigheid, die deze woningsvorm kweekt en openbaart. Want moge het Saksisch karakter weinig rimpeling vertoonen aan de oppervlakte, het meet groote diepte en bergt een schat van zonnewarmte.--In de plaatselijke nuances weerspiegelt zich de verscheidenheid van het landschap: guller, goedhartiger, meer open is het karakter van den Graafschapper, stoerer dat van den Twentenaar, stijf en afgemeten de bevolking der Drentsche veendorpen; daarentegen stoelt de levendige en beweeglijke aard der kolonisten ten oosten van den Hondsrug op grooter internationaliteit van herkomst. Harmonie tusschen landschap en bewoners vindt men ook bij de sobere, stemmig, bij voorkeur donker gekleede, kalme Veluwenaars te midden van hun schrale heidevelden, en dat bij al de rasvermenging, waarvan de Veluwe getuige was. Zie ook de karakterschets van den Veluwenaar door Mr. C. A. Nairac, in zijn aantrekkelijk boekje: Een oud hoekje der Veluwe (Barneveld 1878), bl. 88 vlg.

Sterk gedifferentieerd is vooral het Frankisch karakter. Wat ik van het Noordnederlandsche karakter in het algemeen gezegd heb, is voor het meerendeel meer in het bijzonder op het Hollandsch-Frankische type toepasselijk, en dit laatste heeft zich tengevolge van het staatkundige en godsdienstige overwicht van Holland--zij het ook maar officiëel--min of meer op de geheele natie afgedrukt. In Zeeland teelde de kruising van het blondine met het brunette type innigheid van temperament tot dolle hartstochtelijkheid toe, maar bezonken tot duurzaamheid van affektie. Spreekwoordelijk is ook Zeeuwsche rondheid, en niet ten onrechte. Konservatisme gaat gepaard met frisschen ondernemingsgeest, terwijl het stille element durf en ondernemingsgeest schonk. De Zeeuwen vormen als het ware de schakel tusschen Westvlamingen en Hollanders, en bij het zien van deze en dergelijke karakterketens, wier schakels door een som van overeenkomsten worden verbonden, denkt men onwillekeurig aan Joh. Schmidt's golf-theorie.

Zoo vormen ook weer de Noord- en Zuidbrabantsche Franken den middelterm tusschen de Frankische kustbewoners en de Limburgsche, Ripuarische Franken. Gemoedelijkheid voert bij hen den boventoon, de volksaard is losser, levendiger, in het Zuiden mogen wij zeggen rumoeriger. Met het Brabantsche type worden de Franken meer gemoedsmenschen, breekt het sanguïnisch temperament door. In afzonderlijke hoeven voelen zij zich dan ook niet thuis; steeds scholen zij in dorpen en dorpjes samen op hun uiterst versnipperd grondgebied. De familiezin is sterk ontwikkeld, groot de eerbied voor het gezag, de godsdienst omsluit hen als een hechte band. Zelden verlaten zij hun dorp, want, vertelde eens een boer uit Wijk, zij beschouwen het als een groot verlies, ook maar éen dag den klokketoon van hun kerktoren te moeten missen.

Ik kom eindelijk tot Oost-Brabant, Belgisch en Hollandsch Limburg, de Lijmers, de Overbetuwe. De Oostbrabanders typeert Dr. Van Ginneken in zijn Handboek der Nederlandsche taal (Nijmegen 1913) I, bl. 170 met den geur hunner boekweitvelden: in de verdrukking ietwat dof geworden zielsparfum.--Maar met dat zielsparfum gaat heel wat welgedaanheid en een voortreffelijke lichaamskultuur gepaard. Aan vroolijkheid geen gebrek, evenmin als in het Land van Maas-en-Waal en in de Overbetuwe. Zijn kulminatiepunt bereikt dit zuidoostelijk karakter bij de Limburgers, van wie genoemde taal-psycholoog t.a.p. deze fraaie schets geeft: "De Limburgers zoowel Zuid als Noord, West als Oost, zijn de Italianen van ons land. Juist als hun oude stamgenooten bij Keulen aan den Rijn, zijn zij lichthartiger en vroolijker, veel beweeglijker, veel veranderlijker, maar ook veel rijker van geest dan de Hollanders niet alleen, maar dan de Noord-Brabanders, Vlamingen en Antwerpenaars bovendien. Zij hebben veel meer met de Luiker Walen gemeen, die even wisselend en vol zijn als zij, met evenveel lust in feesten en optochten, gaarne opgewonden praten bij een glas zwaar rinsch bier: Lambiek of Maastrichtsch. Daarbij hoort en komt een levendige, dolle verbeelding, zich uitsprekend in allerlei vertellingen en sagen, en soms ook wel eens in tamelijk avontuurlijke daden. Veel aanleg voor zang en muziek. Velen kunnen het den Rijnlander Rückert nazeggen:

"Ein denkendes Gefühl, ein innerlicher Sang Ist alles was ich bin, was mir zu sein gelang."

Toch zijn ze verre van oppervlakkig en gewoonlijk veel scherpzinniger en geestiger dan hun Noordelijke taalbroeders, die ze, fijne menschenkenners als ze zijn, o zoo graag beetnemen, en bij wie ze dan wel eens niet zonder reden den indruk van sluwe geslepenheid wekken, die ze zelf liever als voorzichtige wijsheid betitelen. Veel geleerden van grooten naam zijn in Limburg geboren en getogen. In Limburgsche kloosters bloeien mystieke rozen. Ietwat neiging tot chauvinisne en opvliegende woede ontsieren dezen schoonen aanleg.

Kortom tegenover de perseveratie of secundaire functie der Hollanders, wordt het temperament der Limburgers heel en al gedomineerd door de primaire functie: d.w.z. den oogenblikkelijken indruk. Bovendien zijn zij óók emotioneel, hoewel ietwat minder dan de Vlamingen, die mede door hun vlugger bewegelijker activiteit, evenals zij, scherp bij de kalme Hollanders afsteken".

3. Kleederdracht en versierselen.

Op de Tentoonstelling van Nationale Kleerderdrachten in 1878 te Amsterdam gehouden vond men een merkwaardige verzameling van hetgeen aan eigenaardige karateristieke kleedij in Nederland nog voorhanden is. In het Rijksmuseum te Amsterdam zijn de voornaamste stukken dezer verzameling ondergebracht. Voor de studie van dit onderwerp verwijzen wij vooral naar Prof. J. H. Gallée, Het Boerenhuis, bl. 76 vlg (met Atlas); Johan Winkler, Oud Nederland ('s Gravenhage 1888), bl. 105 vlg., 263 vlg.; Dr. J. C. De Kan, Zeeuwsche Kleederdrachten. Herinnering aan het bezoek van Hare Majesteit de Koningin en Hare Majesteit de Koningin-Regentes aan het eiland Walcheren (Middelburg 1894); en Albert Dubois, Types et Costumes (Bruxelles 1887). Over het algemeen geldt de opmerking, dat de oude, nationale kleederdrachten hoe langer hoe meer verdwijnen.

_a_. In Friesland ziet men de korte jas en de korte broek alleen nog bij volksfeesten. De vrouw uit het volk draagt over hemd en borstrok _het onderst_, in Noord-Holland, om de Zuiderzee en in Drente _de kroplap_ genoemd: een vierkante lap, met een gat om het hoofd door te steken, terwijl op de borst een opening is aan den hals, die met knoop en lus gesloten wordt. Eigenaardig is de hoofdbedekking. Over de haren draagt de vrouw een wit mutsje, dan de zwartsatijnen muts, en hierover het oorijzer. Over het oorijzer ging de groote floddermuts. De lange floddermuts vindt men nog op de Zuidhollandsche eilanden; in Friesland, Groningen en Noord-Holland is zij korter en korter geworden. Bewesten Utrecht vindt men de Noordhollandsche muts met opgeslagen punten.

Het Friesche _oorijzer_ was oorspronkelijk een ring, zooals nog de Zeeuwsche benaming "beugel" of "hoepel" getuigt. Inderdaad leeft in de Friesche oorijzers nog voort de Oudgermaansche hoofdband of diadeem; dit is bepaaldelijk betoogd door den Frieschen oudheidkundige J. H. Halbertsma in zijn opstel over Den Ring van Epe, Overijsselsche Almanak 1849. De oudste vorm der oorijzers was dan ook de volle ongebroken ringvorm. Deze vorm was wellicht in 1600 nog niet geheel buiten gebruik gekomen; althans op een afbeelding van Waterlandsch landvolk uit het jaar 1611 draagt een boerenmeisje nog zulk een hoofdring onbedekt over haar en voorhoofd; zie L. Splitgerber, Boerenkleeding omstreeks 1600, in De Oude Tijd 1874. Volgens Winkler is deze hoofdring tusschen 1000 en 1500 doorgesneden, opengebogen, waardoor hij werd tot een veerenden, steeds passenden hoofdbeugel.

Een hoofdring, gevonden bij een grooten _cairn_ in de gemeente Lumphanan (Aberdeenshire) loopt, zooals Halbertsma in een tweede opstel: Ringmutsen en Oorijzers t.a.p. 1853, bl. 283 vlg. meedeelt, in twee geplatte vlakken uit, bestemd om op het voorhoofd te rusten. Deze uiteinden konden kruisend in elkander haken en versierden aldus het voorhoofd. Maar toen de mutsen zoo diep daalden, dat zij het boven-voorhoofd niet meer vrij lieten, moesten deze vlakken of knoppen ruimte maken. Men deed dit op tweeërlei wijze. Of wel men liet den hoofdring zijn volle lengte houden, maar hing de uiteinden bij de ooren schuins naar beneden om: van hier de naam "oorijzer". Deze wijze was wel de oorspronkelijke; zij karakteriseert het oorijzer van Groningen en Friesland, en ook in Holland waren blijkens de afbeeldingen in de XVIIe eeuw nog de smalle oorijzers met omgebogen punt in gebruik. Thans worden ze nog gedragen door de weezen in het Burger-Weeshuis van Amsterdam en in het Weeshuis van Delft. Maar men kon ook--en dit was de latere Hollandsche behandeling--den hoofdband, tevens verbreed, in een rechte strook laten doorloopen, maar den geheelen beugel zooveel inkorten, dat de knoppen niet verder dan de hoeken der oogholten reikten, waardoor het voorhoofd vrij en onbedekt bleef. In Noord-Holland worden de eenmaal omgebogen gedeelten, vierkant en plat, aan het breede oorijzer geklonken. Deze vierkante stukken heeten in Holland _boeken_ of _pooten_, in haakvorm _token_. Men gaf ze allerlei vormen, allerlei versierselen, als dierenkoppen, bloemvazen enz. In Groningen en Drente spreekt men van _stiften_, in Friesland van _knoppen_, in Zeeland van _stikken_. Daar, waar men de uiteinden omboog, liet niet zelden de weelde zich gelden, de haken al grooter en grooter te nemen en al meer en meer in te krullen: vandaar de kegelvormige spiralen, die men aantreft in Zeeland, op de Zuidhollandsche eilanden en in de streken om de Zuiderzee.

De naam van het oorijzer schijnt vast verbonden aan den naam van het metaal, waaruit de oudste ringen vervaardigd werden: het ijzer. Men hoort ook "hoofdijzer", of kortweg "ijzer". Maar in werkelijkheid worden ijzeren oorijzers nergens meer gedragen. Thans zijn ze van koper, verguld koper, zilver of goud.

Het verspreidingsgebied van het oorijzer is vrij groot. Behalve bij de eigenlijke Friesche bevolking vindt men het in Zeeland, om de Zuiderzee, en ook in Drente, waarschijnlijk van wege de Friesche dracht der marktcentra Groningen en Meppel. In België wordt het aangetroffen daar, waar men Frieschen inslag vindt, nl. in noordelijk Oost-Vlaanderen (in het Land van Waas en het Meetjesland), en in het grootste deel van West-Vlaanderen.

Bij het oorijzer hoort de naald, oorspronkelijk even veelvuldig als de haarring; thans wordt ze steeds zeldzamer. Om de Zuiderzee is ze onbekend. Zij wordt ingestoken en heeft de gedaante van een halven ring, die om het halve hoofd sluit, hooger dan het oorijzer: smal aan het achtereinde, dat onder de muts en onder de bladen van het oorijzer gestoken wordt, breed en plat aan het vooreinde, dat op het vooreinde uitkomt. Zij is van goud en vaak met edelsteenen bezet. De naald mag in Noord-Holland en Friesland slechts door gehuwden worden gedragen. De boerin draagt ze slechts in vol ornaat. Andere, kleinere naalden worden terzijde van het voorhoofd gedragen.

Eigenaardig is vooral de Friesche dracht op het eiland Marken. Tot het zesde levensjaar is er geen verschil in de kleeding van jongens en meisjes: zij dragen beiden de bonte kleeding der vrouw. Marken heeft een voorliefde voor bonte, sterk sprekende kleuren, evenals het oude Hindeloopen. Een jongen is slechts kenbaar aan de cirkelvormige vlak achter op het mutsje. Het meisje houdt dezelfde kleeding. Maar is zij grooter geworden en zijn haar eigen haren niet lang genoeg, dan hangt zij zich twee lange blonde krullen over de ooren. Voorliefde voor het bonte vindt men ook in de zuiver Friesche bevolking van Spakenburg en Bunschoten (Vgl. Gallée, het Boerenhuis bl. 82).

_b_. In Zeeland is de vroegere kuitbroek nagenoeg verdwenen: voorheen droeg men ook zilveren gespen op de knie en op de schoenen. Aan het bovenlijf draagt de Zeeuw een gekleurden borstrok met twee rijen zilveren knoopen, aan den hals gesloten door twee gouden knoopen. Ook bleven bewaard twee of vier zilveren broekplaten, die men _broekstrikken_ noemt. Het hoofd wordt gedekt met een hoogen, eenigszins spits toeloopenden vilten hoed met kleinen omgeslagen rand. Onmisbaar is het mes met zilveren heft in de lederen scheede en de sierlijk gemonteerde houten pijpekast, die uit den broekzak steekt.

De _Zeeuwsche knoop_ en gordel- of broekplaat gaan terug tot den primitieven doorn, dien de oude Germanen voor spang bezigden. Toen deze doorn vervangen werd door een metalen spang, ging men deze spoedig versieren, zooals de spangen, in de Friesche terpen gevonden, getuigen; zie Mr. P. Boeles in de Vrije Fries XX, bl. 431 vlg. De groote vorm dient om mantel of gordel vast te houden, de kleinere om lichte kleedingstukken te verbinden of op te sieren: de knoop. De knoopen vindt men in Zeeland en elders in het Friesche stamgebied; de gordelplaten slechts in Zeeland, om de Zuiderzee, op Urk en Marken en in Volendam. Deze versierselen vertoonen een spiraalbasis met ringen en knoppen van gevlochten draad. Een ander soort knoopen en platen hebben den vorm van halfronde bollen van plaatgoud, van boven belegd met knopjes in geometrische vormen of bol uitgeslagen. De aldus bewerkte knoopen worden aangetroffen in Zeeland, Zuid-Holland en om de Zuiderzee; de broekplaten in Zeeland, Staphorst en Rouveen en op Urk.

De vrouwenkleeding is specifiek Friesch; het "onderst" heet in Zeeland _de beuk_: hierover draagt men een gekleurden omslagdoek met zijden rand. De haarbedekking bestaat uit ondermuts, oorijzer en bovenmuts. Het smalle oorijzer wordt hier _de beugel_ of _hoepel_ genoemd. De gebogen gouden uiteinden noemt men de _krullen_ en zij hebben dan ook den vorm van een krul, van een spiraal of kurkentrekker; aan deze krullen hangen de gouden plaatjes, die men _strikken_ noemt, ronde, gouden plaatjes, plat, niet bol. Ook de naald ontbreekt niet.

De ondermuts, hagelwit en van gebloemd katoen, met kantjes er aan, sluit netjes om de slapen, maar komt van voren een goed stuk uit de bovenmuts uit. Deze heet gewoonlijk _de langet muts_, ook in Zuid-Holland en in Groningen. Op Walcheren haalt men ze van achter met een lintje bij, reden waarom ze _trekmuts_ heet. Daarover draagt men aldaar een geelstrooien _kaphoed_, aan de achterzijde met een smaakvolle waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint, en aan de voorzijde met loshangende linten van dezelfde stof. Zuid-Beveland onderscheidt zich door zijn zwierige bovenmuts. Zij is van terzijde, rond, breed-uitstaande, met een steunsel van karkas, bij het achterhoofd vierkant. De muts is bij de roomsch-katholieke vrouwen veel grooter en het onderste gedeelte van naar achteren afhangende kant; bij de protestanten loopt de muts in een boog door naar voren. In westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen (Cadzant, Aardenburg enz.) draagt men een karkasmuts met breeden, gelaat en kin omplooienden rand; zij is van kant of tule, en het achterstuk, het rabatje, heet kortweg _de kant_. Van beugel, strikken of krullen hier geen spoor.

Zeer eigenaardig zijn in het land van Axel de hooge pofmouwen, eigenlijk ontstaan door het eigenaardig plooien van den doek. Hulst onderscheidt zich door den Vlaamschen klepmantel en de muts, die althans wat de slippen betreft, veel op de Brabantsche lijkt. Deze overeenkomst is weer opmerkelijk, maar kan goed op ontleening berusten. De min of meer kostbare kant, met _het pasje_ er aan, daalt langs de schouders naar beneden; maar van achteren komen die slippen eenvoudig tot den hals bij elkander en niet met een lange strook langs den rug, zooals bij het Thoolsche model. Vgl. Dr. J. C. De Man, Zeeuwsche kleederdrachten, bl. 11, 21, 36, 50, 57 enz.

In België vindt men het oorijzer vooral noord- en oostwaarts van Brugge en langs de Noordnederlandsche grenzen, in het stadje Damme en in de dorpen Lapscheure, Oostkamp, Moerkerke, Dudzele, Heyst enz. Verder, zooals gezegd, in noordelijk Oost-Vlaanderen, in het Land van Waas en in het Meetjesland. In de eerste helft van verleden eeuw werd het nog gedragen door geheel het noordelijk en middendeel van Vlaanderen, tot Kortrijk en Poperinghe toe.

_c_. Bepaalde eigenaardigheden vinden wij in het Zuiderzeegebied met zijn gemengde bevolking. Vooral in de omstreken van Kampen, Elburg, Harderwijk enz. vindt men de krullen en spiralen aan het oorijzer, die wij leerden kennen in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden. In dit gebied kent men verder, alweer evenals in Zeeland, de groote gordel- en broekplaten, en eindelijk den eigenaardiggevormden Zeeuwschen knoop, waarvan bl. 56, 57 sprake was. Het oorijzer is hier nauwelijks twee of drie vingers breed; de vorm van Staphorst en Rouveen kan als model gelden.

In het Gooi en op de Veluwe tusschen Nijkerk en Nunspeet, daar waar de Keltisch-Frankische inslag wellicht het aanzienlijkst is, hebben de sloten der halskettingen een vierkanten vorm, en wel vooral bij de bevolking met donkere pigmentatie en met het Keltisch-Frankische huis. Meestal zijn dan negen knoppen in het vierkant aangebracht, omgeven door bladwerk, dat verbonden is door spiraalwerk. Een vierkanten vorm, maar met late motieven, vindt men ook van Twente tot in het Westland. Meestal zijn de sloten echter rond.

Overigens komt de kleederdracht van dit gebied vrijwel overeen met die der andere bewoners om het bekken der Zuiderzee, die nog de oude dracht hebben bewaard. Tot het vierde jaar hebben de jongens en meisjes de dracht der vrouw, de jongens onderscheiden door een zilveren knoop onder de mouw, de meisjes door een rood koorden afzetsel aan de muts.

_d_. Wij maakten reeds de opmerking, dat Drente de Friesche kleederdracht heeft aangenomen. Daarentegen heerscht in Overijssel en Gelderland de Saksische dracht. Ook hier is de korte broek verdwenen. Maar typisch is de _pijjekker_ of lange jas, die over het vest met dubbele rij knoopen gedragen wordt en tot ver over de grenzen te vinden is. De hoofdbedekking is de pet, eertijds was het de hooge hoed, die thans nog alleen voor staatsie dient.