Chapter 51
In deze benarde tijden kan vaderlandsliefde minder dan ooit voor hersenschimmig gelden en voelen wij dieper dan ooit de waarde van eigen aard en eigen haard, de waarde van ons nationale zelfbestaan, van ons in doorsnede zoo kalm en nuchter, maar ook zoo waardig, degelijk en onbevangen Nederlandsch karakter; en steeds sterker groeit de wil, ons-zelf en vereenigd te blijven, niet in een andere natie op te gaan, niet prijs te geven een volksbestaan en een volksaard, die ons dierbaar werd als de bron van onnoembaar veel goeds; steeds grooter wordt de drang, te blijven vormen de in haar diepste wezen uninationale bevolking van Groot-Nederland, vereenigd in dagen van beproeving. Wij beseffen het: niet slechts de taal, maar de volkskultuur is heel het volk, De Volkskultuur is de Ziel der Natie. Blijft deze in wezen en, ongeacht het ruwe van vele harer bestanddeelen, kerngezond en krachtig genoeg om aan de hoogere beschaving steeds nieuw voedsel te schenken, dan blijft het nationale organisme ook krachtig genoeg, om voldoende weerstand te bieden aan de aanlokselen eener vreemde landskultuur, die moet voeren tot het verlies van eigen zelfstandigheid. Vreemd kultuurgoed is smet noch schande, maar de eigen beschaving moet krachtig genoeg blijven, om dat vreemde kultuurgoed aan zich te assimileeren en om te smelten, en daarom moet zij voeling blijven houden met de voorvaderlijke onderkultuur, heilig erfdeel, vast en onschatbaar onderpand onzer nationale onafhankelijkheid.
Hou zee, mijn Nederland, blijf vroom en veilig varen met God!
BIJ DE ISETHNEN-KAART.
Deze kaart, voor wier bewerking ik den Eerw. Heer J. Metsemakers mijn dank zeg, beschouwe men als een proef, die ten doel heeft, het ethnologische belang van een dusdanig opgezet grafisch overzicht in het licht te stellen. Tot mijn groote spijt heb ik, ten gevolge der tijdsomstandigheden, verscheidene linies op Belgisch grondgebied niet kunnen doortrekken. Men lette b.v. op de haal-linie (9), die bezuiden Hilvarenbeek het Nederlandsche grondgebied verlaat en dit dan weer bezuiden Sittard doorsnijdt.
Op een betrekkelijk beperkt gebied zien wij hier Keltische, Saksische, Frankische, Romaansche en Oppergermaansche invloeden samenstooten en opdringen. De IIe brunetten-linie, die loopt van Lobith tot Gorinchem en bezuiden welke het percentage der donker-oogigen en -harigen van ± 30 tot ± 40 stijgt, valt merkwaardiger wijze vrij wel samen met de noordwestelijke grens van de Saksische huistypen, die een heel wat ruimer gebied omvat dan de Saksische meervoudsvorming (5). Zuidwaarts reikt de grens van het Saksische halletype tot nabij Venloo, maar omlijnt van af Nijmegen tot Venloo een menggebied, waar de Saksische bouwtrant op het oogenblik zoo goed als uitgestorven kan beschouwd worden. In dit gebied vertoont ook de taal een gemengd Frankisch-Saksisch karakter.
De hoofdgrens tusschen Noord- en Zuid-Limburg, tusschen Salische en Ripuarische Franken, vormen de Uerdinger- en Panningerlinie (1. 2), met de Peel als hoofdverkeersgrens. Maar ook bezuiden deze grens is de Saksische invloed doorgedrongen, zooals blijkt uit de haal-linie (9), die de zuidelijke grens van het uiteraard Saksische haalleiden vormt; zie I, bl. 257. De noordwestelijke isethne van dit gebruik loopt van Hilvarenbeek tot Nijmegen. Maar ook het Saksisch-Friesche systeem der afzonderlijke hoeven zet zich in zuidelijke richting voort tot het punt, waar de Swalm in de Maas uitmondt en de Romaansche invloed sterker wordt. Hier eindigt trouwens ook de Frankische muts, de Brabantsche zoogenaamde huifmuts. Bezuiden dit punt vindt men zelfs nog afzonderlijke hoeven in de zijdalen van de Geul en van de Geleen.
Van het Zuiden en Zuid-Oosten uit drong niet slechts de Hoogduitsche klankverschuiving en palataliseering krachtig op, stuitend in haar laatste golvingen op Uerdinger- en Panninger-linies (1. 2. 3), maar vooral ook de Frankisch-Romeinsche hoevebouw (14), die voor het zuiver Frankisch-Keltische huistype slechts de ruimte tusschen Venloo en Reuver, en verder westelijk vrijlaat. Eindelijk, op Romaanschen invloed--men lette op de nabijheid der Romaansch-Germaansche taalgrens (15)--wijst duidelijk de pepel-linie (11), bezuiden welke het Fransche _papillon_ aan den vlinder doorgaans de benaming van _pepel_ schonk. Wellicht moet de herkomst van het tegenwoordig deelwoord op--_têre_, welks noordelijke grens ongeveer met de pepel-linie samenvalt (12), in dezelfde richting worden gezocht.
AANTEEKENINGEN
[1] _Brink_, Middelnederlandsch _brinc_, beteekent "begroeide zoom, begroeide ruimte, plein". Wellicht is het woord etymologisch verwant met het besproken _mark_.
[2] Elard Hugo Meyer, _Deutsche Volkskunde_ (Strassburg 1898), bl. 6.
[3] Zie Prof. J. M. van Bemmelen, Beschouwingen over het tegenwoordige standpunt onzer kennis van de Nederlandsche Terpen, in de _Oudheidkundige Mededeelingen v.h. Rijksmuseum v. Oudheden te Leiden_ II (1908), bl. 51 vlg.
[4] _Historia naturalis_ XVI, 1 Vert. van Bemmelen.
[5] Dr. J. Frost, _Agrarverfassung und Landwirtschaft in den Niederlanden_ (Berlin 1906), bl. 137; vgl. P. J. de Boer, De friesche kleiboer, in het _Tweemaandel. Tijdschrift_ 1897, afl. 1 en 2.
[6] _Is-ethnen_ zijn lijnen, die de uiterste geografische punten verbinden, waar gelijke volksaard tot uiting komt; vgl. _iso-glossen, iso-psychen_ enz.
[7] Ook Gallée's klanknoteering is voor de benaming der onderdeelen overgenomen.
[8] Te Utrecht werd jaarlijks met klokgeklep aangekondigd, "dattet die arme luden weten moegen", dat van stadswege elk "arme mensche, die daer coemt, enen Hollandsen penninc of een Hollantsch penninckbrood" kon ontvangen.
[10] Ik schrijf, afwijkend van de gebruikelijke schijfwijze, _Oor_europeesch enz. en niet _Oer_europeesch, omdat ik niet kan inzien, dat _oor_- hier een specifiek andere beteekenis zou hebben dan in _oor_sprong, _oor_konde, _oor_zaak enz. Terecht schrijft Prof. Van Helten in het Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde XXV (1906), bl. 63: "_Oor_germaansch, niet, zooals men vaak hoort of leest, _Oer_germaansch, dat een monster is met een hd. voor- en een nl. achterstuk".
[11] Ik volg hier en elders doorgaans de lijsten van Jan te Winkel, de Noord-Nederlandsche tongvallen (Leiden 1809); voor het Zuidoostelijk gebied heb ik nut getrokken uit mijn persoonlijke onderzoekingen. Een goede, beknopte samenvatting geeft ook Te Winkel's Kurze Charasteristik der Nordniederländischen Dialekte (Gallée, Das niederländische Bauernhaus und seine Bewohner, Utrecht 1909).
[12] De klanknoteering van den Heer Baur heb ik behouden. Zijn _å_ beantwoordt ongeveer aan den _oa_-klank, de _z_ aan de _g_ van het Fransche _gendre_.
[13] _De woegel op_: den wagen op, d.i. aan den gang.
[14] Sedert 1 Mei 1872 moeten in Noord-Brabant de vellingen en banden van de wielen der boerenkarren een breedte hebben van tenminste 9 1/2 c.M.
[15] Zoo bestaat b.v. te Venloo een _gardeneerstaal_, d.i. tuiniers-, _Gärtner_taal, die ten gevolge van het levendige handelsverkeer sterk onder Duitschen invloed staat; getuigen de woorden _slaat_ (_Salade_), _gemeus_ (_Gemüse_), _baan_ (_Bahnhof_), _kappes_ (_Kappeskohl_) e.a.
[16] De _g_ is hier explosief.
[17] Immers _kultuur_ is hier genomen in de beteekenis van _bovencultuur_.
[18] Voor het meerendeel Limburgsche spreekwoorden, die als typen kunnen gelden, in Venloosch dialekt.
[19] Aldus wordt ook de naam van Drievuldigheidsbloem verklaard.
[20] Ik vermeld dit verhaal hier, omdat ik het meer als natuur- dan als naamverklarend beschouw.
[21] Zette de deur op een kier.
[22] "Mit de moes", zie I, bl. 172.
[23] Deze verklaring is echter niet zeker.
End of Project Gutenberg's Nederlandsche Volkskunde, by Jos Schrijnen