Chapter 50
Voor de schilderachtige _volksnamen_ der planten is meestal de uitwendige vorm maatgevend; bij de vergelijking worden natuurlijk volksgebruiken en opvattingen betrokken. Aldus werden gedoopt de koningskaars, toortsplant of hemelbrand (_Verbascum Thapsus_), de voornaamste plant van den ruiker, die op Maria Hemelvaart wordt gewijd (I, bl. 205); de gouden regen (_Cytisus Laburnum_) en de blauwe regen (_Glycine sinensis_) met haar sierlijke, hangende bloemtrossen; de monnikskap (_Aconitum Napellus_), ook wel stormhoed genoemd; de Judaspenning (_Lunaria biennis_), omreden van de cirkelronde, heider-glanzende witte tusschenschotten van de hauwtjes; de Jacobsladder (_Polemonium coeruleum_), in de tuinen gekweekt, maar toch ook hier en daar in het wild bloeiend; het drakenbloed (_Dracaena Draco_) om het roode hars, dat uit den stam vloeit. Benamingen als pijpbloem (_Aristolochia Clematitis_), lepeltje-heide (_Vaccinium macrocarpon_), sneeuwbal (_Viburnum Opulus_), kardinaalsmuts (_Evonymus europaeus_), pantoffelplant (_Calceolaria_), rozenkransje (_Gnaphalium dioicum_) zijn zonder meer duidelijk. "Vogelnest" is een der benamingen van de gewone peen (_Daucus Carota_), wier scherm tijdens den vruchttijd eenigermate vogelnestachtig is verdiept; schilderachtig is nog de term waterkruik voor de witte waterlelie (_Nymphaea alba_), "de koningin onzer waterplanten, de Victoria regia van Nederland" (F. W. van Eeden).
Natuurlijk zijn zulke benamingen veelal ook zuiver plaatselijk. Zoo heeten b.v. de rooskleurige orchideeën (_Orchis maculata_) op de Veluwe "kinderhandjes", naar den vorm van haar hand- of vingervormige wortelknollen; in Vlaanderen noemt men ze naar den bloemvorm "gaapmuilkes".
Een diernaam draagt de plant ofwel van wege de gelijkenis met het een of ander lichaamsdeel, of omdat men gelooft, dat het dier zich met die plant voedt. Dit is het geval b.v. met de namen hertshooi, hertstong;--hanekam, hanepoot;--bereklauw, berenoor;--koekoeksbloem, koekoeksklaver, Vlaamsch: koekoeksjakker of koekoekszuring (_Oxalis stricta_);--muggepoot;--muizegerst; --eiberbek, eiberbloem;--wolfsklaver, wolfspoot;-- ganzetong, ganzedistel en ganzerik: de _Potentilla anserina_, wier gevinde, zilverwitte bladen zoo treffend aan ganzevoeten herinneren. Dat de gans een voorname rol speelt in de botanische volksnamen, kan ons niet verwonderen, wanneer wij letten op de plaats, die zij in het volksleven inneemt; zij was immers een Saksisch stamdier (I, bl. 115). Laat ik verder nog vermelden de namen: boksbaard, kraaienpooten, lammetjesooren, lijsterbes, hazengerwe, katteklauwen;--adderstong, ossetong, zwaluwtong;--paardestaart, kattestaart, vossestaart, visschestaart;--paddegras, nachtegaalskruid, rupsklaver, vogelkers;--Vlaamsch: schaapmuilkes (_Linaria vulgaris_), schapenbloem, schapenoor. Deze laatste plant draagt ook den naam van limoenkruid (_Statice Limonium);_ van haar is gezegd, dat zij, groeiend op den jeugdigen, uit zee opgerezen grond, het schoonste beeld is van den nationalen geest van ons volk; daarom moge ieder rechtgeaard Nederlander haar als zoodanig liefhebben. Ook het adelaarsvaren (_Pteris aquilina_) groeit veel op onze veenachtige heide- en boschgronden en hangt in sierlijke bochten over het water. Snijdt men den bladsteel aan den voet schuin door, dan vormen de doorsneden der vaatbundels een teekening, die aan een dubbelen adelaar herinnert.
De margriet (_Chrysanthemum Leucanthemum_) noemt men in Vlaanderen plaatselijk "paardenoogen", getroffen als het volk is door de gelijkenis van de bloem met de groote oogen van het paard; zie Volkskunde XXIV, bl. 205. De naam "paddenstoel" is eigenlijk een uitzondering. Maar in Zuid- en Midden-Limburg wordt deze zwam weer als voedsel beschouwd, al is het niet van een dier: men spreekt daar nl. van _tatervleisch_ of _joedevleisch_, terwijl de aan "paddenstoel" beantwoordende uitdrukking _kroddelstool_ slechts zelden wordt gehoord. _Tatervleisch_ blijft het gewone. Wanneer de jongens met knikkers spelen in het ootje of met centen op de streep, zonder dat er verloren of gewonnen wordt, als het dus voor niets gaat, dan drukken ze dat uit door te zeggen: "'t Geit om tatervleisch".--Waarom het _Echium_ den naam van slangenkruid draagt, is niet geheel helder; sommigen zien de gelijkenis in de vrucht, anderen aan den wortel, weer anderen aan de bloem zelf.
Sprekend en veelvuldig wordt de bloem vergeleken met een klok. De _Campanula rotundifolia_ is in Noord-Nederland als grasklokje--in Vlaanderen kloksken of belleken--, andere soorten als weideklokje, bekerklokje enz. bekend. En is hij niet verrukkelijk de naam, dien het volk aan de knollige steenbreek (_Saxifraga granulata_) geeft, een der fraaiste plantjes, die in het voorjaar de omstreken der Spaarnestad, maar vooral den Hout, sieren met haar groote, witte bloemen,--de naam van "Haarlems klokkespel"? De benaming "steenbreek" wijst op de hardheid van het zaad, of op hare vermeende geneeskracht bij blaassteen, wellicht ook op het feit, dat zij veelal groeit op steenharden bodem.
Een plant, nauw verwant aan het lelietje-van-dalen, is het salomonszegel (_Polygonatum officinale_), rond Haarlem ook wel kankerwortel genoemd. De vleezige worteltak draagt aan de bovenzijde de litteekens van in vroegere jaren afgestorven stengels, die eenigszins op zegelafdrukken gelijken.--Andere bloemen noemt men naar den bloeitijd, b.v. de pinksterbloem, terwijl de wilde narcis den naam van tijloos draagt, daar zij vroeg in het voorjaar met haar groote, gele trompetbloem zich blijkbaar niet aan den gewonen bloeitijd stoort. [23] Zij heet ook sporkelle, wat wel met den ouden naam van Februari "Sporkelmaand" samenhangt. Eindelijk, naar haar waarde noemt het volk de _Erythraea Centaureum_ het duizendguldenkruid, een term die echter op onjuiste woordafleiding steunt. Koningskaars, monnikskap, sneeuwbal, rozenkrans, hanekam, berenoor, eiberbek, addertong, vossestaart, klokkespel--ziedaar doorgaans de plantensystematiek van het volk.
Ook hier ontbreekt het komisch, ja sarkastisch element niet. "Slofhak", d.i. slordig wijf heet te Markeloo het _Anthoxanthum Puelii_, een nieuwe aankomeling uit zuidelijker streken, dat al spoedig op de roggevelden een lastig onkruid is geworden. "Mannentrouw" is de naam van een distel, _Cirsium eriophorum_, wier slappe, onvaste stengel in den herfst eindelijk doorbreekt, zoodat het bloemhoofdje ten speelbal der winden wordt. Spijtige wrok spreekt uit "woerthaak" en "prangwortel", waarmee de landlieden de _Ononis spinosa_ aanduiden, de plant die met haar wijdvertakte wortel het ploegen belemmert. Tegen deze kantige en zinrijke benaming steekt het onbeduidende "stalkruid" der kultuurtaal ongunstig af.
Het geloof in de tooverkracht der kruiden is voor een groot deel reeds bij de volksgeneeskunde besproken. Zij verdrijven den ziektegeest veelal door sympathetische werking. Vandaar dat b.v. het Sint Janskruid (_Hypericum perforatum_) ook _Jaag den Duivel_ genoemd wordt. Vóor zonsopgang geplukt, behoedt het tegen den bliksem en wordt het aangewend tegen branden en kwalen. Ook van den vlierstruik weten wij, dat hij de heksen afweert en daarom gebezigd wordt, als de melk onvoldoende is of niet wil boteren en eveneens tegen verscheidene kwalen. Hangt het Duitsche _Hollunder_ met Vrouw _Holle_ samen en heeft eenzelfde volksgeloof, dat Holda tot meesteresse maakte over leven en dood, haar den vlierboom gewijd? Immers, de levensroede (I, bl. 116) is eveneens meestal van vlierhout en wordt vooral buiten onze grenzen herhaaldelijk in verband gebracht met leven en dood. Wat hiervan zij, ik acht het volksgeloof, dat met den vlierstruik is samengegroeid, te intens om sekondair, d.i. slechts heidensch bezinksel te zijn. Hij is ook bij uitstek een huisboom, welks herkomst in een geheimzinnig duister ligt. In het wild vindt men hem nergens dan juist in de nabijheid van menschelijke woningen. Maar ook: nauwelijks heeft de landman ergens een huis gebouwd, of de vlier staat op het erf. Ja, men stelt er prijs op, met name in de Woudstreken, dat hij vlak tegen den gevel van het huis groeit, aan een hoek of tusschen de ramen.
Wonderbare eigenschappen heeft ook het elzenhout. De bast in wijn gekookt geldt als een uitstekend middel tegen de werking van liefdedranken; takjes er van, in den grond gestoken, verdrijven de mollen; de bladeren, nog nat van den dauw in de kamer gestrooid, dooden de insekten. Toch is de els geen volkslieveling; daarvoor is zijn bast te zwart en zijn de bladeren te donker van tint. Lichte, ja schrille kleuren zijn het volk lief; wij zagen het bij het dekoratief der volkswoning. Vandaar, dat het valkruid (_Arnica montana_) zoo zeer in gunste staat, het sieraad onzer flora, vooral van de Zuid-Limburgsche heuvelstreek, met zijn stralende oranjebloemen. Het volk noemt deze plant ook wondkruid, heilige Vrouwenkruid en wolverlei, een raadselachtig woord. Het Duitsche _Wohlverleih_ is een niet onaardige volksetymologische vervorming. Daarentegen schijnen de Oostfriezen in hun _Wulfsblöme_ vrijwel het oorspronkelijke, n.l. een betrekking van de bloem tot den wolf, bewaard te hebben, waarop ook de latinizeering _wolfilegia_ wijst; zie ook F. Söhns, Unsere Pflanzen (Leipzig 1899), bl. 123. Vermelden wij ten slotte het ijzerkruid of ijzerhard (_Verbena_). De naam wortelt in het volksgeloof, dat dit kruid uitermate geschikt is tot het harden van ijzer. Ook beveiligt het tegen beten van slangen en dolle honden, en in den nacht van Sint George (23sten April) wijst het schatten aan.
Volksnamen en volksgeloof in de plantlore hebben in belangrijke mate den invloed ondergaan van het Christendom. Na al hetgeen ik in het Eerste Deel, bl. 70 en elders, heb betoogd: hoe bij de invoering van het Christendom de volksverbeelding attributen van goden en godinnen op Christus en de heiligen overdroeg; hoe menige heidensche overlevering op den satan is overgedragen; hoe wij herhaaldelijk in het hedendaagsche folklore stooten op Christelijk-getinte overblijfsels van het geloof aan Wôdan en zijn kring,--na dit alles behoeft het lot van het aanzienlijk aantal planten, voorheen aan Wôdan, Donar, Frija e.a. gewijd, wel geen nadere toelichting. Het geldt hier de vermenging der historisch-heidensche laag met Christelijke bestanddeelen. Dat wij ook met Christelijke, van de Germaansche mythologie onafhankelijke formaties te doen hebben, bewijzen benamingen als Judaspenning, Jacobsladder enz., maar ook zoo menige specifiek-Christelijke legende. Nochtans in de meeste gevallen konstateeren wij kerstening.
Op oude muren bij Maastricht groeit het Venushaar (_Adiantum capillus Veneris_), door het volk Vrouwehaar, in het buitenland Mariahaar genoemd; naar men weet beantwoordde de Germaansche godin Frija-Frigg aan de Romeinsche Venus, men denke ook aan de Venusbergen (I, bl. 91). Het Frigjargras werd Vrouwegras, en elders Mariagras, het aan Frija als godin der geboorte heilige _Asperula odorata_ kreeg, zooals gezegd, den naam van Onze Lieve Vrouwe-bedstroo, zoogenaamd omdat Maria haar kind er op nedervlijde. Het _Labrum Veneris_ kreeg den naam van Onzer-Vrouwedistel en Mariadistel, het _Cypripedium_, de schoen der Venus Cypria, heette voortaan Onzer-Vrouweschoentje, en zoo volgde Maria in de volksverbeelding herhaalde malen de Germaansche godin Frija op. In de benamingen Maria-, Onzer-Vrouwe-, O.L. Vrouwe-, Vrouwe- ligt geen verschil, aangezien Vrouwe hier zonder twijfel de beteekenis van "meesteres" heeft. Volgens de legende waren de bladeren van de Mariadistel oorspronkelijk groen en kregen zij hun melkwitte kleur, doordat de plant een droppel van Maria's moedermelk opving. De O.L. Vrouwemantel (_Alchemilla vulgaris_) met haar zacht-geplooide, ronde, gelobde bladen, als een geplooide pelerine met franje, herinnert volgens W. F. van Eeden aan het manteltje van Nehalennia. Meer overeenkomst vind ik in de mantelvormig saamgeplooide blaren met den mantel van Maria, dien zij om haar beschermelingen heenslaat, zooals dit vaak in de Middeleeuwsche kunst is voorgesteld.
Hiermee is echter Maria's bloemenkleeding niet voltooid. Het volk kent nog Onzer-Vrouwenhandschoen (_Aquilegia vulgaris_), en in Vlaanderen: Onzer-Vrouwekouseband, Onzer-Vrouwesnoeren, Onzer-Vrouwevoorschoot, Onzer-Vrouwevingerhoed, Onzer-Vrouwekam, Onzer-Vrouwesleutelbos, Onzer-Vrouwespiegel enz., waarover Teirlinck, Vlaamsche Kunstbode XXXVI (1906), bl. 390 vlg. De benaming zonnedauw (_Drosera_) wijst, zooals wij zagen (bl. 299), op de druppels helder vocht, die de blaadjes omzoomen en ook bij zonneschijn niet uitdrogen. Dit geheimzinnige vocht, dat de klierharen afscheiden, heeft de natuuronderzoekers van voorheen heel wat hoofdbrekens gekost. De alchimisten zochten daarin de grondstof van hun goudtinktuur en van den drank, die de eeuwige jeugd verleent. In heidensche tijden hield men het voor de tranen, door Frija geweend over het vertrek van haar gemaal, en de Christelijke volksfantasie heeft deze in Mariatranen herdoopt. Maar de benamingen Mariasleutel (_Primula veris_), O.L. Vrouwehandeke (_Orchis_), Onzer-Vrouwemelkkruid of Onzer-Vrouwespeen (_Pulmonaria_), evenals Onzer-Vrouwevlas, O.L. Vrouweoogen, O.L. Vrouweglazeken, Mariaklokje, Mariakaars, Maria's-kussen, Maria's-zegel, Maria's-goud, Mariazwaard, Maria's-bosch en vele andere beschouw ik als zuivere Christianismen, zonder substraat in het heidendom.
Specifiek-Christelijk is ook de volkssymboliek, op fantastische natuurbeschouwing gegrondvest, die in de onderscheiden plantdeelen der Passiebloem (_Passiflora coerulea_) de martelwerktuigen des Heeren ziet: de nagelen, doornenkroon, kelk, lans, geeselriemen. De _Lychnis coronaria_ heet in Vlaanderen plaatselijk Christusoogen; de _Capsella bursa pastoris_ O.L. Heerenageltjes; de _Orchis_ O.L. Heereteentjes. Verrukkelijk is de Antwerpsche benaming der witte haagwinde (_Convolvulus sepium_): Onze-Heerenhemdeken, of Hemdeken-zonder-Naad.
De herinnering aan Donar, den Jupiter der Germanen, bewaart ons donderkruid (_Sempervivum tectorum_), voorheen ook _Barba Jovis_ geheeten, in Zwitserland nog _Joubarbe_, bij ons donderbaard. Naar men weet, is het woord _Donder_ ook voor den satan in gebruik. Den naam duivelsnaaigaren dragen een drietal planten, vooral echter het warkruid (_Cuscuta_). Neemt men echter in aanmerking, dat deze plant dikwijls een zeer schadelijk onkruid is op de vlaslanden, dan kan deze benaming evengoed als een zuiver Christianisme worden beschouwd. Hetzelfde geldt voor de duivelsbeet (_Succisa pratensis_), maar lijkt bedenkelijk voor den duivelsklauw (_Valeriana_), het heksenkruid bij uitstek.
Met zijn donkergroene, groote, teedere bladeren en witachtige bloemen in slanke trosjes prijkt het Stevenskruid (_Circaea lutetiana_) in de oudste bosschen van Holland, prijkte het eertijds in het thans uitgeroeide Beekbergerwoud bij Apeldoorn, een van de oorspronkelijkste bosschen van Nederland. Deze naam "Stevenskruid"-- _Circaea_ hangt natuurlijk met de nimf Circe samen--is daarom zoo merkwaardig, dewijl Sint Stefanus, beschermheilige der paarden, ook enkele trekken van den een of anderen Germaanschen god heeft overgenomen; zie hierover I, bl. 134. Stellig beschouwde men deze plant vroeger als een tooverkruid. Of de benaming "Satans-(pijp)zwam" (_Boletus Satanas_) in het heidendom wortelt, zou ik echter weer betwijfelen; het lijkt mij veeleer een dichterlijke vertolking der duivelsche schoonheid van dezen zeer giftigen paddenstoel, met zijn gloeiend rooden hoed, aan het bovenvlak venijnig zilverwit.
In de Limburgsche bosschen vindt men het Kristoffelkruid (_Actaea spicata_). Het verschaft toegang tot onderaardsche schatten en wapent tegen allerlei booze invloeden. Het volksgeloof wijdde de plant aan Sint Kristoffel, wiens legende veel overeenkomst vertoont met het Noorsche verhaal, hoe Loki door Thor over de reuzenrivier gedragen werd, welke het doodenrijk omgeeft. Want het doodenrijk is het rijk der schatten. Maar de koningin der tooverkruiden is de alruin (_Mandragora_), ook heksen- en tooverkruid en, met volksetymologische vervorming, mandragerskruid genoemd. Nog wordt door het Duitsche _zuraunen_ geheimzinnig fluisteren verstaan. De alruin nu bloeit in den heiligen en mysterievollen Kerstnacht.
Ook het _Visciim album_, de _mistletoe_ der Engelschen, de "sacred bush" van Tennyson, vertoont sporen van kerstening; het is immers de heilige plant van het Kerstfeest, reden, waarom zij in België plaatselijk (b.v. te Pepingen) "kesthout", d.i. kersthout genoemd wordt. In Nederland vindt men de plant uitsluitend in Limburg, woekerend op appel- en pereboomen, eiken en populieren. Bij de Druïden, die haar telken jare, des winters, met een gouden sikkel van den heiligen boom afsneden, stond zij hoog in eere; den Noorschen lichtgod Balder strekte zij ten verderve. De gewone naam bij ons is vogellijm of marentak, vgl. I, bl. 76. Vanwaar deze benaming? Het Zuidduitsche _Mar des Baums_ zou kunnen wijzen op een drukken van den boom, evenals de mare den mensch drukt. Toch komt deze verklaring voor de _algemeene_ benaming mij te gekunsteld voor. En vanwaar de naam "mistel", het Oudhoogduitsche _mistil?_ Raadselachtig, evenals de herkomst der plant raadselachtig was voor de Oude Romeinen, die dachten, dat zij geteeld werd zonder zaad, en zonder zaad werd voortgeplant, gelijk Vergilius getuigt. In de Middeleeuwen gold zij als het symbool van den Messias: de bloem, uit den hemel neergedaald en vrucht dragend op den kruisboom; zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 249; Is. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode XXXIV (1904), bl. 69, vlg.
Ten slotte wensch ik nog de aandacht te vestigen op het feit, dat de planten, die heiligennamen dragen, alle tot een _volks_heilige in betrekking staan; ik noem slechts: Sint Janskruid, -varen, -kers, -brood (waarmee Johannes de Dooper zich in de woestijn zou gevoed hebben), -peren enz.; Sint Jozefskruid; Sint Pietersbloem, -kruid, -pluimken, -lelie, -hout enz.; Sint Jakobskruid, -lelie; Sint Katrijnsbloem; Sint Kristoffelkruid; Sint Teunisbloem; Sint Joriskruid; Sint Michaëlsbloem; Sint Luciakers. Zoo dit noodig ware, zou deze bijzonderheid voldoende zijn om te bewijzen, dat het doopen en herdoopen der planten inderdaad door het Christelijke _volk_ is geschied.
Onze flora is het trouwe beeld van de voortbrengselen van onzen Nederlandschen volksaard.
Had de plant een nationaal karakter uit zich zelve, dan zou Nederland geen eigen flora hebben, want er groeit in ons land zoo goed als geen soort, die niet ook in andere landen gevonden wordt; maar bodem en standplaats hebben een nuanceering en groepeering gekweekt, die onzen plantengroei een beslist-nationaal karakter geeft. En zoo verschillen ook onze Nederlandsche volksgebruiken, gewoonten, feesten, opvattingen, zegswijzen, liederen en verhalen niet wezenlijk van die van andere volken, met name van die onzer Germaansche stamgenooten: noch in het intieme heiligdom der huiselijkheid, noch in het bonte gemeenschapsleven met zijn grillige verscheidenheden treffen wij diepgaande verschillen, en slechts zelden stoot men op een verrassende nieuwvorming. Ja, in tal van gevallen kunnen wij het exotische leengoed aanwijzen, en den weg vervolgen, dien liederenmotief, melodie, sagenstof of volksgebruik hebben afgelegd. Berust een onzer schoonste volksliederen, dat van de Twee Koningskinderen, niet op een "vreemde" kultuurbewerking eener "vreemde" sagenstof?
Maar rasvermenging tot een bepaalde verhouding, en meer nog gemeenschapsgevoelens van historischen, religieuzen, politieken en socialen aard, gemeenschappelijke invloed van traditioneele levenswijze, klimaat en gesteldheid des bodems,--dit alles schiep een milieu, dat op ons volkswezen een geheel eigenaardig kenmerk drukte en het stempelt tot het volkswezen van Groot-Nederland. Laat ik slechts wijzen op onze schilderachtige kleederdracht, onze karakteristieke huistypen, op de eigenaardige tint onzer volksfeesten met hun voorliefde voor opgewektheid zonder vertoon, op een gezinsleven, dat gemoedelijkheid en rust ademt, maar een rust, die niet roest, op de ongezochte sierlijkheid van onze dekoratieve kunst, op den nuchteren, moraliseerenden trek in volkslied en volksverhaal, op den grooten eenvoud en hoogen ernst onzer sagen, op het humoristische van talrijke sprookjes, op den praktischen zin onzer spreekwoorden, op het typische van ons volkstooneel. Zeer zeker, tot volledige samensmelting, tot volstrekte eenvormigheid van kleur en toon is het niet gekomen; maar wij treffen toch geen toon aan, die niet opgaat in de eenheid van het akkoord. Ook binnen onze grenzen, in den boezem van ons volkswezen, blijven rassenverschil, klimaat en sociologische struktuur nog steeds differentiëerend werkzaam; maar dit belet niet, zooals uit de bovenstaande gegevens moge blijken, dat het volkswezen van Nederland door groepeering en selektie en vooral door een zeer bijzondere lokale kleur een geheel vormt, dat het in voldoende mate van naburige volken onderscheidt, om van een specifiek-Nederlandschen volksaard te spreken, en den drager van dien volksaard zijn nationale zelfstandigheid te waarborgen, wanneer hij zich van zijn eigenwaarde in voldoende mate bewust blijft.
De natie is als een stroom, die het water van vele beken en rivieren opvangt en in zijn benedenloop vereenigt tot éen geheel; als een gewas, uit verschillende heterogene bestanddeelen saamgegroeid. Haar voortbestaan staat en valt met den wil vereenigd te blijven, die wortelt en zijn sappen trekt uit het gevoel van samenhoorigheid meer nog door eigen aard, dan door oorsprong. De groote vijandin van eigen aard en zede, de gladstrijkende, nivelleerende, internationale albeschaving, is dus ook de machtigste belaagster der nationale zelfstandigheid. Het is den mensch eigen en den mensch waardig, door het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner natuur zich op te werken van de onderkultuur tot de bovenkultuur; maar dit veredelen mag geen verbasteren worden in den geest van de "veredeling" van het drie-kleurige viooltje tot de wanstaltige pensées onzer tuinen. Slechts dàn heeft deze veredeling waarde, wanneer zij de reeds bestaande vormen en eigenschappen in gelijke verhouding versterkt. De veredeling van het volksleven volge den aard der rozen in de natuur, der "wilde" rozen, die een aanleg hebben, om gevulde bloemen voort te brengen in tallooze verscheidenheid. "Zoolang in de hollandsche bosschen nog de sporen van den natuurlijken plantengroei gevonden worden", schrijft Van Eeden, "zoolang wanhopen wij niet aan het behoud onzer nationaliteit en van het oude Hollandsche volkskarakter." Mocht echter de veredeling en beschaving in ons dierbaar Nederland--wat God verhoede!--niet blijven wortelen in de vruchtbare moederaarde der onderkultuur, maar de vormen nastreven der hedendaagsche internationale, eenkleurige of liever kleurlooze, albeschaving, dan delft zij het graf voor het Nederlandsche nationaliteitsbewustzijn en ontketent het wezenlijkste gevaar voor de ongereptheid van ons volksbestaan.