Chapter 49
Nu 't gebeurde, dat er daar 's anderdaags met den vroegen ochtend een weezeken kwam naar 't kerkhof, op 't graf van haar onlangs gestorvene moeder, versche bloemen strieuwelen en een vurig gebed bidden. Weldra had het weezeken die nieuwe blomme in 't oog, die zoo fier en zoo mooi te pronken stond; en 't was heel verwonderd van zulk een schoone blomme te zien, die er daags te voren niet en groeide; eene blomme, die het nog nooit van zijn leven gezien en hadde. 't Ging nader en bezag de blomme wat nauwkeuriger, maar wat stond het verbaasd, toen het te midden in den bloemenstruik een truis gouden sleutels zag liggen, die aan een gouden ringel geschakeld zaten en waarin het woord "Hemel" gesneden stond.
De mare van de blomme en de goudene sleutels liep seffens de parochie rond, en elders ook nog, en een ieder kwam zien naar die blomme, en het volk heette ze _d' Hemelssleutelblomme_, zoo ze nog heet.
Zie Is. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1906, bl. 233 vlg., 1907, bl. 170 vlg., 1909, bl. 47; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 115-124; De Cock, Natuurverklarende Sprookjes (Gerit 1912); Joos, Vertelsels I, bl. 37 vlg., Boekenoogen, Volkskunde XV, bl. 115, 116.
2. Op een eigenaardige natuurbeschouwing stoelt ook de _volksweerkunde_. Zij is van geslacht tot geslacht overgeleverd en mag bogen op een ervaring van vele eeuwen. Vooral landbouwers, herders, schippers en visschers, wier gestadig in aanraking komen met de natuur het waarnemingsvermogen oefende en tot dieper inzicht voerde, verrijkten en verrijken nog steeds hun sociale kringen in de allereerste plaats met den schat hunner bevindingen. Ik zeg met "den schat", al zal de kultuurweerkunde die uitspraak niet beamen; want ook hier is de empirie weer zoo gebrekkig en hebben gevoel en fantasie zulk een ruim aandeel in de volkswaardeering! Maar het geheel, mèt zijn wetenschappelijke en artistieke bestanddeelen en eigenaardige populaire voorstellingen en begrippen, is voor ons hoogst waardevol ter bepaling van den volksgeest. Juist het populaire in deze "volkswijsheid" na te gaan, is de taak van den volkskundige. In verscheiden gevallen schijnt de volksmeening echter inderdaad te strooken met de kultuurwetenschappelijke meteorologische waarnemingen. Dit heeft vooral betrekking op sommige door het volk in den dampkring en bij de hemellichamen aangeduide verschijnselen als voorboden van depressie of bestendige heldere weersgesteldheid. Men raadplege hierover de studie van Dr. H. Ekama in het Album der Natuur, 15 Nov. 1907.
Verscheiden weerregels zijn door het volk in rijm gebracht en gaan terug op Middeleeuwsche volksboeken; maar deze volksboeken zelf steunen toch weer op de overoude primaire, mondelinge overlevering. Het dichterlijke ligt echter geenszins in deze kreupelrijmpjes, maar in het dichterlijk waas, waarmee de volksgeest de dingen omgeeft. Het volk zegt niet, dat het weer gaarne verandert op 25 of 30 November of op 13 December, maar op Sint Katrijne, Sint Andries, Sinte Lucie. Ja, de heiligen worden veelal--zonder mythologischen bijsmaak!--voorgesteld als de personen, die het weer verleenen of veranderen: "Sint Michiel verbiedt den strooien hoed en de linnen kiel";--"Sint Petrus vischt graag";--"Sint Mathijs gooit een gloeienden steen op het ijs";--"Sint Leendert voert de vliegen weg" (Limburg) enz.--Wil men te Venloo zeggen: "wanneer de wind uit het Westen waait", dan luidt dit in den volksmond: "wanneer men de klokken van Blerik hoort". Boven de formuleering: "als het met Lichtmis helder weer is", verkiest men: "als met Lichtmis de zon op het misboek schijnt". En zoo verder: "als 't Kind Jezus geboren is";--"als een balk voor de zon ligt";--"als de zon in een nest ligt";--"als de lucht nog geen warmte kan verdragen". Van het tijdperk na Driekoningen heet het, dat dan de dagen "een hanengeschrei lengen"; en van Apriltje, dat zich het epitethon "zoet" ter wille van het rijm moet laten welgevallen, zegt men teekenend, dat het "nog wel een vilten hoed geeft". Het volk spreekt ook graag van "schaapjeswolken":
Schaapjes aan de hemelbaan Duiden wind en regen aan.
Sneeuwt het op Sint Maarten, dan zegt men, dat de heilige "op een schimmel komt gereden".
Somtijds heeft het den schijn, of niet het rijm er is ter wille van het weer, maar het weer ter wille van het rijm; zoo b.v. in het bekende: Sint An_dries_ brengt de _vries_, "Sint Ma_thijs_ breekt het _ijs_". Maar in ieder geval wordt in de weerkunde een voorname rol gespeeld door den faktor der sympathie, een feit, dat naar ik meen, vrijwel aan de aandacht der beoordeelaars ontsnapt is. Evenals men kan spreken van een sympathetische geneeskunde (bl. 304), bestaat er een sympathetische weerkunde. Het volk ziet een symbolisch verband tusschen bepaalde verschijnselen om zich heen en de komende weersgesteldheid, alsof deze op magische wijze door bedoelde verschijnselen verwekt werd. Ik bepaal mij tot enkele voorbeelden, maar men zal deze zonder moeite kunnen vermenigvuldigen. Wanneer wilde ganzen in den vorm eener < vliegen, dan beduidt dit Vorst. Wanneer de kwartiermaan achterover ligt als in een schuitje, noemt men haar in Friesland een "sleêjager", omdat zij een vorst voorspelt, die het ijs sterk genoeg zal maken, om er op te rijden met paard en slede.--Ruischt de wind 's avonds in het molenbekken, dan zal den volgenden morgen een stevige wind waaien.--Als _grijze_ kraaien dicht bij de huizen komen, dan voorspelt dit een strengen winter.--Als de zon op Nieuwjaarsdag _schittert_, dan beduidt dit een jaar rijk aan visschen (de middelterm is hier het "beweeglijke" van zonnelicht en water).-- De begrippen "helder" en "vuil", in sympathetisch verband met schoon, droog weer eenerzijds, en regen anderzijds, verklaren ook menigen weerregel. Als de ooievaars vuil zijn, komt er regen; zijn zij echter zindelijk en helder, dan volgt schoon weer.-- Wanneer de poes zich wascht, d.i. helder maakt, spelt zij droog weer. Maar het begrip "wasschen" kan ook de gedachte aan water opwekken, en daarom dekreteert de volkswijsheid, dat er regen komt, wanneer de ganzen zich wasschen. Ook komt er regen, als de varkens vuil zijn, d.i. met stroo aan de pooten loopen, en als de slakken een kluitje aarde kruien; maar hebben zij een grasje op den staart, dan wordt het weer goed. Likt zich de kat tegen het haar in, dan komt er onweer.--Als de zon in den kreeft staat, mag men geen erwten zaaien, anders worden zij wormstekig; men denke ter verklaring van dezen tuinmansregel, uit Duitschland overgewaaid, aan de tweevoudige beteekenis van het Duitsche _Krebs_ (bl. 309). Rogge moet gezaaid met _wassende_ maan, en daarenboven dient men het zaad _hoog_ op te werpen (I, bl. 278, 279).--Is het borstbeen van de gans doorschijnend, dan beduidt dit helder weer en vorst. Ook de roode vlekken op dit been hebben hunne beteekenis: vlekken op het _voorste_ gedeelte voorspellen vorst in den _voor_winter, op het _achter_deel in den _na_winter. Zoo leidt men ook sympathetisch uit het weer van de eerste 12 dagen van het jaar, dus de dagen tusschen Kerstmis en Driekoningen, het weer van alle volgende maanden af. Men begint met den Kerstnacht; zooals het weder is van den avond tot middernacht, is het ook in het eerste vierde deel van Januari; van middernacht tot den morgen in het tweede; van den morgen tot den middag in het derde; en van den middag tot den avond in het laatste vierde deel van Januari. De volgende 24 uur geven het weer voor Februari enz.
Sympathetisch dient ook verklaard te worden de bekende regel, dat er regen komt, wanneer padden over den weg kruipen. Immers volgens de oude volksopvatting, die men nog in Middeleeuwsche volksboeken vindt, ontstaan de padden uit de vochtigheid van den bodem. Met padden worden nu, al is het minder vleiend, gelijk gesteld: wannenlappers, scharenslijpers enz.; immers, als een scharensliep of een gebochelde passeert, zegt men: "de schildpadden kruipen": Driem. Bladen IX, bl. 50.
Voor een groot deel verklaart men aldus ook de beteekenis van planten en dieren in de volksweerkunde.
Bloeiende boomen tweemaal op een rij, Zal de winter zich rekken tot Mei,
immers, een dubbele periode van bloei eischt een dubbele periode van rust.--Het knappen van stroo- en riethalmen voorspelt droog en dor weer.--Late rozen wijzen op een mooien, zachten herfst.-- Harde vruchten als eikels en noten verkondigen een harden, strengen winter.
Bij de voorteekenen in de dierenwereld wordt de schifting der populaire bestanddeelen moeilijk. Mooi, helder weer werkt opwekkend niet alleen op menschen, maar ook op zoogdieren, vogels, insekten enz., terwijl een bepaalde verandering in de weersgesteldheid ook reeds eenigen tijd vooruit haar invloed schijnt te doen gelden. En dus: als de kat door 't huis vliegt, de koeien wild door de wei loopen, de paarden onrustig zijn, de meeuwen landinwaarts vliegen, komt regen of storm. Maar kraait de haan in alle vroegte, en zingt de zwaluw des morgens, dan wordt het weer goed. Verder:
Als de kwartel rustloos slaat, Weet: het spoedig reegnen gaat.
Als de kikvorsch kwaakt, Vast regen naakt.
Men dient er echter wel degelijk rekening mee te houden, dat katten, hazen, wolven, honden, paarden, raven, kraaien en uilen spook- of onweersdieren zijn, wier verschijnen of wier gedragingen dus tot de volgende weersgesteldheid in nauwe betrekking staan:
Krassen kraai en raaf verbolgen, Weldra zal er regen volgen.
Maar de ooievaar, de geluksvogel, de _heil-över_, brengt een zachten winter en mèt zwaluw en leeuwerik, hoog in de lucht, mooi en helder weer.--Zooveel slagen als de kwartel in het voorjaar slaat, zooveel gulden zal de mudde rogge den volgenden winter opbrengen (Friesland).
Men dient in deze materie ook rekening te houden met het beginsel der periodiciteit, waarvolgens het weer gedurende een zeker tijdsbestek vast en onveranderlijk blijft. Zulke perioden duren meestal 7 dagen, of ook 40, het Bijbelsch getal, geheiligd door het vasten van Christus en verder door de periode van de Veertigdaagsche Vasten enz. Regent het b.v. op Hemelvaartsdag, op Sint Margriet, op Sint Jan, dan regent het nog 40 dagen, of ongeveer zes weken. Zoo ook in het bekende rijmpje:
Donder in het dorre hout Maakt zes weken guur en koud.
De maand vormt natuurlijk ook een periode, en hierop zal ten deele wel het vertrouwen berusten in het omslaan van het weer met nieuwe maan. Verder hebben wij de periode van Kerstmis tot Driekoningen, het befaamde tijdperk der _Twaalf Nachten_ (I, bl. 128), dat zelfs het weer voor het geheele volgende jaar aangeeft. Het jaar der oude Germanen begon immers op 25 December; vandaar:
Is op Kerstmis de hemel klaar, Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
De eerste dag van elk tijdsbestek is beslissend. De kerkelijke Paaschtijd eindigde vroeger met Pinksteren; voor de periode van Paschen tot Pinksteren is de Eerste Paaschdag dus beslissend: "zooals de wind op Paschen waait, zoo waait hij op Pinksteren". Ja zelfs: "zooals het zomert, zal het ook winteren".
Ook moet het geheel van een jaar vrijwel een gelijke weersgesteldheid bieden als die van andere jaren, oordeelt het volk. Vandaar, dat aan de natuur het streven wordt toegedacht, een mogelijk te kort aan te vullen, geleden scha weer in te halen. Maar ook wordt vroegtijdige zachte weersgesteldheid door koud, onvruchtbaar weer gevolgd. Vooral bestaat een vaste verhouding tusschen de maanden Maart en April. Eindelijk hebben wij den belangrijken faktor der kritische dagen, Friesch: _merkeldagen_, beslissend voor het verder verloop van het weer. Zij vallen veelal omstreeks den 24en of 25en der maand, waarop allicht de datum van het Kerstfeest van invloed was, en nog meer wellicht de 25ste April, Sint Marcusdag, wanneer de voornaamste processie gehouden wordt door de velden voor het gedijen der vruchten en om onheil af te weren. Maar nog andere redenen hebben m.i. meegewerkt. Op 2 Februari, feest van O.L. Vrouwe _Licht_mis, was de naam stellig niet zonder invloed. Etymologische invloed is ook waarschijnlijk bij het feest der H. Katharina (25 Nov.). Op 25 Januari, feest van Paulus Bekeering, geldt alleen de datum, zooals ik in het Eerste Deel, bl. 151, betoogde,--òf het moest zijn, dat de term "bekeering" mede op de vorming van het volksbegrip heeft ingewerkt. Men luistere naar het Duitsche rijmpje:
Wenn Paulus sich bekehrt Mit einem Sonnenschein, So hoffen wir ein Jahr Sehr reich an Korn und Wein.
Wij hebben trouwens een analogon in Sint Laurentius (10 Aug.), die volgens de legende, werd _omgekeerd_ op den gloeienden rooster. De 10e Augustus is weer een kritische dag en de volkswijsheid luidt hierbij: "Als Sint Laurentius het hoofd goed staat, houden wij mooi weer", dus als hij het hoofd naar het licht keert. Op 27 Juni, het feest der H.H. Zevenslapers, was het getal 7 weer maatgevend: "als het dan regent, regent het 7 dagen of 7 weken aan een stuk". Regent het op Sint Maria Magdalena (22 Juli), dan regent het 6 weken aan een stuk; zou het _weenen_ van deze heilige hier zonder invloed geweest zijn?--
Volge nu een kort overzicht van den volks-weerkalender, tevens landbouw-kalender. Ik begin weer met _Sint Maar-tensdag_ (n Nov.):
Zoo 't loof niet valt vóor Sint Martijn, Dan zal 't een harde winter zijn.
Is 't donkere lucht op Sint Martijn, Zoo zal 't een zachte winter zijn; Maar is dien dag het weder helder, De vorst dringt door in meen'gen kelder.
Nevels in Sint Maartensnacht Brengen winters kort en zacht.
Men ziet, dat Sint Martijn wel degelijk grooten invloed op het komende winterweder en, wij mogen zeggen, daardoor op het geheele jaar uitoefent.
_Sint Caecilia_ (22 Nov.). De dag vóor Caecilia geldt bij velen als maatgevend.
_Sint Katharina_ (25 Nov.). Als dan de zon schijnt--men denke aan de volksetymologie--houden de lange herfstregens op.
In Zuid-Limburg zegt men: "Sint Katrien wörpt de kouwe stein in de Rien"; klaarblijkelijk van Duitsche herkomst.
_Sint Andries_ (30 Nov.) brengt de vries.
_Kerstmis_ (25 Dec.). Groene Kerstmis, witte Paschen.
Kerstmis aan den wa Paschen aan den brand.
Zit op Kerstmis de kraai nog in 't klavergroen, Op Paschen zal zij 't in het sneeuwveld doen.
Is op Kerstmis de hemel klaar, Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
_Nieuwjaarsdag_ (1 Jan.). Is het weder helder, dan wordt het jaar goed. In Middeleeuwsche volksboeken vindt men deze, heden nog geldende, weerregels:
Oostenwind op 1 Januari brengt ziekte onder het vee; Westenwind brengt sterfte onder de koningen; Zuidenwind brengt besmettelijke ziekten onder de menschen; Noordenwind brengt een vruchtbaar jaar.
Geeft Januari muggenzwerm, Dan hoort ge in oogstmaand licht gekerm.
Knapt Januari niet van kou, Men zit in oogstmaand in den rouw.
Als in Januari de muggen dansen, dan wordt de boer een bedelaar. In Januari ziet men liever een wolf in het veld, dan een ploeg. Het motief is dus: "alles heeft zijn gerechtigheid": wat in Januari te veel is en buitentijds, dat moet men later bezuren; en dit motief wordt herhaald in allerlei toonaarden.
_Driekoningendag_ (6 Jan.)
Als 't Driekoningen is in 't land, Komt de vorst in 't vaderland.
_Sint Antonius_ (17 Jan.) brengt ijs of dooi: "Sint Teunis is iês-mêker of iêsbrêker", zegt men in Zuid-Limburg.
_Sint Sebastianus_ (20 Jan.). Dan beginnen de boomen uit te loopen. Vriest het op Sint Antonius, dan dooit het op Sint Sebastiaan:
Maakt Sint Theunis de brök (brug), Sint Sebastiaan sjleit ze stök.
_Sint Vincentius_ (22 Jan.):
Vincentius met zonneschijn Geeft veel koren en veel wijn.
_Pauli Bekeering_ (25 Jan.), zie I, bl. 151.
_Maria Lichtmis_ (2 Febr.). Als met Maria Lichtmis de zon op het misboek schijnt, dan kruipt de vos nog 6 weken in zijn hol.
Lichtmis donker, Wordt de boer een jonker.
Lichtmis helder, De boer in den kelder,
of:
Lichtmis helder en klaar Geeft een goed ijmenjaar.
Geeft Lichtmis klaverblad, Paschen dekt met sneeuw het pad.
_Sint Pieter-in-den-Winter_ (22 Febr.). Vriest het dien dag, dan vriest het nog 14 (of 40) dagen.
_Sint Mathias_ (24 Febr.) breekt het ijs, of ook: gooit een gloeienden steen op het ijs.--
Februari mist, Hooi in de kist.
_Sint Geertrui_ (17 Maart). Een Zuid-Limburgsch rijmpje luidt:
Sint Mathies Wörpt eine gleuetige sjtein op 't iês; Sint Gêëtruuj mit de moes [22] Hoalt um weer droes.
Maart moet 7 mooie dagen geven.
Stof in Maart Is goud waard.
Maart Speelt met zijn staart.
Wat Maart niet wil, Haalt zich April.
April kent geen kritische dagen; immers:
April Doet wat hij wil.
of:
Heeft zijn gril.
Een droge Maart en een natte April, Dan doet de landman wat hij wil.
Maart droog en April nat Geeft veel koren in het vat.
Danst het lammetje in Maart, April vat hem bij den staart.
April is aan Mei de korenaar schuldig.
_IJsheiligen_: Sint Mamertus (11), Pancratius (12) en Servatius (13), of: Sint Pancratius, Servatius en Bonifacius (14). Deze feesten vallen omstreeks den tijd der koude meidagen, waarvoor ik verwijs naar een opstel van B. van Hage, in Vragen van den Dag XIX, bl. 23. Bedoelde daling der temperatuur wordt ook de _haagdoornkoude_ genoemd, omdat dan gewoonlijk de haagdoorn of de meidoorn bloeit. Maar deze depressie is van korten duur, want: "Strenge heeren regeeren niet lang". Over de groeikracht van den Meiregen sprak ik reeds I, bl. 192. Een Vlaamsche weerregel zegt:
Als de Mei is koel en wak, Brengt zij veel koren in den zak.
Begint in Mei het koren in de aren te staan, dan kan het tegen Sint Jakob gemaaid worden; Zuid-Limburg:
Mei ore Sint Joacop kore.
_Sint Medardus_ (8 Juni). Regent het dezen dag, dan regent het nog 40 dagen. Vooral in Vlaanderen staat deze heilige als "regen-heilige" bekend. Maar men rekent ook met de "Zwertzusters", 14 dagen na Paschen.
_Sint Jan_ (24 Juni). Als met Sint Jan de linde bloeit, is tegen Sint Jacob de rogge rijp.--Vóór Sint Jan moet men om regen bidden, na Sint Jan komt hij van zelf. "Deze meening staat in verband met de werkelijkheid", schrijft Van Hage; "zooals wij weten zijn de maanden Juli en Augustus gemiddeld de regenrijkste maanden in Nederland."
Na Sint Jan Neemt de zee het onweer niet meer 'an.
(Spijkenisse op Putten).
Met Sint Jan bloeit het vlas, al is het ook maar een hand lang.
_Sint Pieter_ (29 Juni).
Sint Pieter helder en klaar Is een goed ijmenjaar.
Met Sint Pieter rijpt het koren dag en nacht.
_Marie-Siêp_ (_Visitatio._ 2 Juli), meer bepaald in Limburg bekend, waar _siêpen_ "druipen, druppelen" beteekent. Regent het op dezen dag, dan regent het nog 40 dagen.
_Sint Margriet_ (20 Juli). Regent het op Sint-Margriet, dan regent het nog 6 weken aan een stuk; regent het dien dag niet, dan regent het 30 dagen niet. Maar gewoonlijk is het regenachtig: "Sint Margriet houdt haar water niet".
_Maria Magdalena_ (20 Juli) is, zooals gezegd, eveneens een kritische dag.
_Sint Jacob_ (25 Juli).
Met Sint Jacob en Sint An (Anna, 26 Juli) Is 't koren in de schuur of in den ban (gebonden).
_Sint Dominicus_ (4 Aug.).
Als Sint Dominicus gloeit, Een strenge winter bloeit.
_Sint Laurentius_ (10 Aug.).
Sint Laurens' wind Maakt de boekweit blind.
Wie knollen wil eten, Moet Sint Laurens niet vergeten
_Maria Hemelvaart_ (15 Aug.).
Is 't weer op Maria-Hemelvaart uitgelezen, Zoo zal 't den heelen herfst voortreffelijk wezen.
_Sint Bartholomaeus_ (24 Aug.) bindt de spurrie den zak toe.
Wat Augustus niet kookt, laat September ongebraden.--Maar in September en Oktober neemt de belangstelling in het weer af. Dat ligt voor de hand. Want niet alleen vertoont het weer dan minder schommeling, maar er treedt voor den landman een rustperiode in na de groei-, bloei- en oogstmaanden. Het koren en hooi is meestal binnen, de landman weet dus, wat hij van het jaar te denken heeft. De weersgesteldheid is voor hem hoogstens nog van belang met het oog op het volgende jaar, en zoo luidt het dan b.v.: "Vorst in September, een zachte December", overeenkomstig het beginsel der gelijkmatigheid-in-doorsnede.
De eenige kritische dag is _Sint Michielsdag_ (29 Sept.), dien men als het begin van den voorwinter beschouwt. "Sint Gilis verbuut den ongere en den achterongere", zegt de Zuid-Limburger: dan houden de namiddagslaap en de namiddagboterham op. De zonnige dagen omstreeks dezen tijd zijn bekend als de Sint Michielszomer.
Ook in Oktober wordt de belangstelling zoo goed als uitsluitend door het nakende winterweer geboeid.
Oktober met groene blaâr Duidt een strengen winter aan.
Oktober moet eveneens enkele mooie dagen geven, 12 in het geheel, den "kranenzomer", daar in dien tijd de kranen overvliegen. En eindelijk op _Allerheiligen_ (1 Nov.), of rond dien datum, mòet de zon eenige dagen schijnen, evenals zij enkele uren ter eere van Maria door de wolken moet breken op Zaterdag. Het volk spreekt van een "Allerheiligen"- of "Oudewijven-zomer."
Wanneer op 1 November de zon schijnt, dan is een open winter te wachten; vriest het, dan is het ijs sterk op Kerstdag; en
Als het met Allerheiligen sneeuwt Leg uw pels gereed
Met al zijn weerregels berust ons volk echter met kalme gelatenheid in Gods beschikking; immers:
De mensch maakt den kalender, maar God het weer.
en:
Alle weer is Gods weer.
Zie: Ekama en Van Hage, t.a.p.; N. L. Van Hall, Spreekwoorden enz. betreffende landbouw en weerkennis; Welters, Feesten enz., bl. 116 vlg.; Limburg's Jaarboek VII, bl. 171, XVI, bl. 228 vlg.; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 91; Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 244.
IV. Plantlore.
Hoog-poëtisch kiest het volk de bloem als zinnebeeld van tal van afgetrokken begrippen en verplant ze naar de lustwarande der symboliek. Symboliek is kunst, geen wetenschap; maar de plantensymboliek heeft het volk opgebouwd op zijn natuurbeschouwing, en daarom vindt zij hier een plaats.
Of is het symbool niets anders dan een rudimentaire vorm van idolatrie of fetissisme? Zeer zeker, de plant-fetis kàn symbool worden, en niet zelden is uit den fetis, zooals Tiele zegt, "door de macht der poëzie en der beeldende kunsten een rijke symboliek ontloken". Maar evenmin als ik inzie, waarom onze Driekleur het fetissisme als noodwendig uitgangspunt of doorgangsstadium moet gehad hebben, evenmin kan ik in onze bloementaal slechts veredeld animisme zien. Stokrozen en zonnebloemen ranken òp langs de muren als de zinnebeelden der vruchtbaarheid; de onverwelkbare driedistel (_Carlina vulgaris_) prijkt in onze duinen als het beeld van trouw en vriendschap; de maagdepalm (_Vinca minor_) beeldt uit de onsterfelijkheid, omdat de leerachtige bladeren vele jaren leven: men plant haar dan ook gaarne op de graven, mèt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria Magdalena,--symboliek en legende gaan hier hand in hand. Rouwboomen zijn de taxis en de cypres, dewijl de winter haar nimmer ontbladert. Een wereldtaal spreken de roos, de lelie, de narcis, het viooltje, de mirt, de laurier, de goudsbloem: met haar wit, geel, groen, rood, en blauw zeggen zij uit de taal van het eenvoudige menschenhart, vertolken zij zuiverheid, liefde, trouw, hoop en zegepraal. Een wereldtaal spreekt ook het Edelweiss, maar voor den Nederlander is toch vooral de mooie inheemsche brem (_Sarothanmus vulgaris_) met haar groote goudgele bloemen het zinnebeeld van trouw en vriendschap.