Nederlandsche Volkskunde

Chapter 48

Chapter 483,853 wordsPublic domain

De koorts--of een ander ziektewezen--wordt ook met spijkers in een boom vastgehecht; zij wordt met en door dingen, die met den lijder, liefst met de zeere plek, in aanraking geweest zijn, verbrand, in 't water geworpen, in den grond gestopt, verkocht, weggeven, ja afgeschreven. Wat is eenvoudiger, dan met krijt op de deur te schrijven: "Koorts, ik ben niet thuis" (Zevenhuizen)? Of als rijmpje:

Koorts, koorts, ik ben niet thuis, Ga maar naar een ander huis.

Ook de hik wordt graag overgedragen; hiertoe dient de spreuk:

Deventer:

'k Heb de hik 'k Heb ze prik 'k Heb ze nouw 'k Geef ze aan jou.

Venloo:

Ik heb den hik Ik heb de pik Ik gêf um aan 'n noaberman, Dê 't good verdrage kan.

Dit driemaal vlug achter elkaar opzeggen. Als een kind de hik heeft, dan groeit het hart, meent het volk.

3. Bij de sympathetische geneesmiddelen wordt het verband tusschen kwaal en geneesmiddel gezocht _in de oorzaak_: zoo legt men haar van den hond, waardoor men gebeten is, op de wonde. Bij de jicht, die haar oorsprong in wormen heeft, geeft men den patiënt 13 regenwormen met brandewijn in;--_in de kleur_: een geelsappig kruid, als de stinkende gouwe, tegen geelzucht, het eten van roode bieten tegen bloedspuwen, gemalen menschenbeenderen tegen beeneter, het bloed van een zwart schaap tegen gordelroos met bloederigen, donkerkleurigen huiduitslag (Maas en Waal);--_in den vorm_: zoo dient het longkruid met zijn vlekjes op de bladeren, die op longknobbeltjes lijken, tegen longziekte, en hondstong met zijn tongvormig blad, tegen hondsdolheid. De bloempjes van oogentroost (_Euphrasia_) vertoonen een gele, oogvormige vlek; vandaar dat deze plant als een deugdelijk middel geldt tegen alle mogelijke oogkwalen;--_in den aard_: pieren, in een zakje op de borst gedragen, zijn van baat tegen de wormen;--_in den naam_: vandaar, dat de roos als onfeilbaar middel geldt tegen de huidziekte van dien naam, dat de hondsroos helpt tegen hondsbeet, leverkruid tegen leverziekte, steenbreek tegen nier- of galsteen enz. In Friesland gelooft men aan de kracht van een duif, boven de wieg gehangen, tegen dauwworm (althans overeenkomst van klank). Een merkwaardig voorbeeld geeft Denis Schrijnen in het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 1006. Te Blerik bezigt men tegen kanker veelal het volgende geneesmiddel. Een levende rivierkreeft wordt in een zakje genaaid, dat door den zieke gedurende 24 uur op de zieke plaats moet gedragen worden. Heeft hij dien tijd wakende doorgebracht, dan is de kanker op de kreeft overgegaan; het zakje wordt nu verbrand en de lijder is genezen. Maar waarom een kreeft? Dit middel is uit het naburige Duitschland overgewaaid, waar kreeft en kanker beiden _Krebs_ heeten.

4. In het gebruik van sommige geneesmiddelen is wellicht een survival van een offer te erkennen; zoo b.v. in het bloed van een wit of zwart dier, dat door den lijder moet gedronken worden. Dit kan m.i. echter ook berusten op de animistische voorstelling, dat bloed ziele- en levensspijs is. Trouwens de volksgeneeskunde stoelt nog op tal van andere oude overwegingen en voorstellingen, die ons heden ten dage slechts zeer onvoldoende bekend zijn.

5. Met name ontgaat ons de beteekenis van vele geneeskrachtige kruiden. Velen hunner spelen een voorname rol in de tooverwereld en waren eenmaal aan de Germaansche godheden heilig, of verheugen zich thans nog in een voortsluimerende vereering van den geest der vruchtbaarheid. Op eenzame en gewijde plekken groeien zij, en zwijgend, ongezien door godheid en menschen, onder het prevelen van gebeden, en met de linkerhand moet men ze veelal plukken.

De vlier genoot den grootsten eerbied; was ook niet de kruisboom van vlierhout? De bast van den vlierstruik geldt dan ook als een krachtig geneesmiddel; hij is braakmiddel of purgans. Verder wordt hij gebezigd tegen keelpijn en waterzucht, terwijl de bladeren en bloemen gedronken worden als thee tegen verkoudheid, evenals de bloesems der linde. De aromatische bessen van den gevierden jeneverstruik (_Juniperus communis_) bezitten eveneens veelzijdige geneeskracht. Werden zij eertijds inderdaad als verjongend en levenwekkend beschouwd? Het duizendblad (_Achillea Millefolium_) heet een deugdelijk middel te zijn voor het heelen van wonden, door ijzer veroorzaakt. Geeft de naam Achillea hier wellicht de verklaring?

Een bij het volk zeer geliefde plant is het valkruid (_Arnica montana_), en vrij algemeen wordt zij aangewend bij kwetsuren. Eertijds stond zij tot den wolf in betrekking, zooals nog thans uit de Oostfriesche benaming _Wulfsblöme_ en ons _wolverlei_ blijkt. De schors en de jonge takken van den berkeboom, in de lente verzameld, zijn een bloedzuiverend, zweetafdrijvend en waterafdrijvend middel; waarschijnlijk wel, omdat hij in de lente, als hij wordt aangeboord, een sap geeft, dat verwerkt wordt tot berkenwijn. De hennep (_Cannabis sativa_) heeft groote magische kracht en wordt vooral als verdoovingsmiddel gebezigd. De hoogopgroeiende hopranken (_Humulus Lupulus_) zijn het zinnebeeld van groei en wasdom en schijnen daarom de gezondheid weer te geven aan herstellenden en bloedarmen. Ook de zelf (_Salvia officinalis_) staat bij het volk hoog aangeschreven: zij versterkt de zintuigen en sterkt de zenuwen.

Het is niet onmogelijk, dat men in verscheiden gevallen eerst naderhand een zekere vereering, ja tooverkracht aan planten is gaan toeschrijven, wier geneeskracht door de ervaring aan het licht was gebracht; en, zooals gezegd, met die ervaring kan de kultuurgeneeskunde haar voordeel doen. Zij toont zich dan ook geenszins afkeerig van de volksgeneeskunde, getuige het feit, dat herhaaldelijk oude middelen opnieuw in praktijk worden gebracht. Getuige ook de nog onlangs gehouden onderzoekingen over het kiezelzuurgehalte der organen en naar de rol dezer stof in de stofwisseling, op grond van de wetenschap, dat het volk sedert eeuwen zekere kiezelzuur-bevattende kruiden tegen de zoogenaamde konstitutioneele ziekten aanwendt. "Dit staat vast", schrijft Prof. Van Leersum t. a. p., bl. 1959, "dat wij een groot aantal onzer beste geneesmiddelen, o.a. digitalis, strophantus, china, coca, aan den speurzin van den natuurmensch te danken hebben".

Zie verder: Verdam, Over Bezweringsformulen, in de Mededeelingen v. d. Maatschappij der Nederl. Letterk. 1900--1901, bl. 1 vlg.; A. de Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen (Gent 1891); Over de folklore van dieren en menschen, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche Natuur- en Geneeskundig Congres 1899, bl. 185 vlg.; Denis Schrijnen, Volksgeloof omtrent geneeskracht van planten, in het Pharmaceutisch Weekblad 1904, bl. 1 vlg.; Driem. Bladen II, bl. 12; III, bl. 34; XI, bl. 41; F. Visser, Volksnamen voor Geneesmiddelen enz. (Baarn 1912); Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 163; L. Sloet, in De Gids 1881, 2, bl. 221, 413, 439; V. D. Voo, De leer der teekenen, in Vragen v. d. Dag XXV, 11; Volkskunde XXIV, bl. 113; Nederl. Museum II, bl. 117, 230.

III. Natuurverklaring en weerkunde.

1. Uiteraard is ook de _natuurverklaring_ van het volk hoogst gebrekkig, hoe vertrouwd het met de natuur ook zijn moge en hoe goed het de natuurverschijnselen over het algemeen waarneemt. Immers de volksempirie is hoogst onbetrouwbaar en bij onderzoek en verklaring speelt de verbeelding de voornaamste rol. Reeds de gestelde vragen zijn eigenaardig. Het volk tracht niet slechts den oorsprong der dingen te achterhalen door te vragen: vanwaar komt de aarde, de zon, de maan, de mensch, vanwaar boomen en planten, bergen en rivieren, ziekten en dood? Maar met een weetgierigheid als die van het kind, dat ons door zijn vragen verveelt, stelt het vragen, die ons volstrekt onzinnig lijken: hoe komt het, dat het vuur ons dient, de eik getande bladeren heeft, de koekoek zijn eigen naam roept, de kruisbessen stekels hebben, de kraai zwart is, de pad roode oogen heeft, de vleermuis en de uil zich over dag schuil houden, het heidekruid een rossige kleur heeft, de hazenlip gespleten is?

Maar eigenaardiger nog dan de vraag is het antwoord, dat nl. zoo goed als steeds den vorm van sprookjes, sagen en legenden aanneemt. Wij spreken dan van natuurverklarende sprookjes enz.; en deze vindt men niet alleen bij volken met lage kultuur, maar ook daar, waar de mensch door het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner natuur zich tot een bovenkultuur heeft opgewerkt. Het ongeoefende denken vermag nimmer een strikt wetenschappelijk antwoord te geven; een sprookjesverklaring is makkelijker gevonden. Merkwaardig in deze volksverhalen is niet alleen het zoeken naar den oorsprong der dingen, maar ook de omstandigheid, dat het physieke kwaad gewoonlijk wordt voorgesteld als het gevolg van den toorn van een hooger wezen, door een misslag veroorzaakt. Zie hierover verder mijne Essays en Studiën, bl. 183, 210; Volkskunde XIII, bl. 8 vlg. Overvloediger materiaal vindt men bij O. Dähnhardt, Natursagen, zie boven; Naturgeschichtliche Volksmärchen (Leipzig 1898).

Ook in ons land vindt men zulke natuurverklarende volksverhalen te over, in het zuidelijk volksgebied echter meer dan in het noordelijk. Wij vernemen, hoe de bergen en heuvelen ontstaan zijn door oproerige reuzen, of uit zand, dat in den mond van den satan lag; want oorspronkelijk was de aarde vlak. Wij vernemen de oorzaak van het onweer: schreef men dit voorheen aan den dondergod toe, thans zegt men, dat de H. Petrus aan het kegelen is. Waarom is de zaag getand? Dat is eigenlijk duivelswerk. De satan meende aldus de menschen te plagen. Vanwaar het _Hul_ bij Elspeet, het Solsche Gat, het Vrouwenzand bij Stavoren? Vanwaar zoo menige grillige rotsvorm, die schijnbaar een hoefindruk vertoont? Vanwaar het mannetje in de maan? In Vlaanderen, Antwerpen, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland is het een houtraper of houtdief, die 's Zondags of in den Kerstnacht er op uitging. Waarom is de wever zoo slecht gezien? Omdat een wever de nagels bezorgde, toen Christus gekruisigd werd; zie Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 61; Joos, Vlaamsche vertelsels, bl. 35. Doch laat ik mij beperken tot enkele natuurverklarende verhalen van dieren en planten.

Dieren. Waarom vliegt de uil alleen bij nacht? In Gelderland en Groningen vertelt men: Eens kwamen de vogels samen en zeiden: wij willen te zamen vliegen, en wie het hoogst komt, zal koning zijn. De ooievaar, de vorst der Geldersche vogels--te Groningen zegt men de gansarend--verhief zijn statige vlerken en overtrof den raaf en den koekoek vèr; het winterkoninkje was hem echter te slim af. Het was onder zijn vederen gekropen en had zich aldus mee omhoog laten heffen. En toen nu de ooievaar niet meer kon, vloog het vroolijk nog veel hooger het luchtruim in.

Maar de vogelen, verontwaardigd, zich aldus verschalkt te zien, meenden het beestje te moeten bestraffen. Het ontvluchtte hen echter in een molshoop. Toen besloten de vogelen den uil als wachter aan te stellen, omdat alleen hij bij nacht ziet. De uil waakte tot den morgenstond. Toen werd hij slaperig, en het winterkoninkje ontkwam den sluimerenden wachter en vloog lustig door het geboomte rond.

Sindsdien hebben de vogelen den uil bespot. Als hij zich bij dag laat zien, schelden zij hem uit. Daarom vliegt de uil alleen bij nacht.--

Verhalen als deze vindt men in alle werelddeelen. Hoofdoorzaak blijft, dat de uil uit de gemeenschap der vogelen gebannen werd. Sommige volken schrijven dit hieraan toe, dat hij eerst koning was, maar om zijn wreedheid werd verdreven; weer andere, dat hij den leeuwerik bedroog en nu bang voor hem is.

Het verhaal van het winterkoninkje en den uil is ook in België algemeen verspreid, zooals De Mont en De Cock, Joos, Cornelissen en Verliet ons mededeelen. Daar dient het ook als naamverklaring van "koninksken" en "koninksvogelken", terwijl de Geldersche lezing het geroep van het winterkoninkje verklaart. Want boven den ooievaar gekomen, riep het beestje: "Koning, koning ben ik-kik-kik-kik-kik!" Maar de katuil roept nog altijd klagend: "Er-oêt, er-oêt!" Een Fransch sprookje zegt, dat de uil "hu-hu-hu-hu" roept van de kou.

Ons sprookje is niet zuiver natuurverklarend. Het eerste gedeelte verhaalt den wedstrijd tusschen twee dieren, die overoud is, en behalve in Europa, in Afrika, Amerika en Oost-Azië wordt aangetroffen. Volgens Dähnhardt moet de Aesopische fabel van den haas en de schildpad als de oorvorm worden beschouwd. Deze wedstrijd wordt verhaald in drie hoofdvormen: 1. De haas verlaat zich op zijn slanke beenen en legt zich te slapen aan den weg; maar de schildpad loopt zonder ophouden en erlangt de overwinning der volharding over de traagheid.--2. De schildpad (slak, egel) overwint den haas (olifant, struis, ree, tijger) door bedrog, door verscheiden verwante dieren onderweg op te stellen, die op de vraag: "Schildpad, waar ben je?" moeten antwoorden: "Hier!"--3. Een klein dier, dat zich aan den staart van den tegenstander vastklampt of zich onder zijn veeren verbergt, overwint. In Afrika zijn deze dieren: wild zwijn en kameleon, of ook leeuw en kikvorsen; op de Fidschi-eilanden: vlinder en kraanvogel; in Annam: schildpad en tijger; in de Westaziatisch-Europeesche groep: vos en kreeft,of kikvorsen en slak. Bij een soortgelijk verhaal uit Zuid-Holland (Maasland) voegt zich het eigenaardige motief, ook in Frankrijk en België niet onbekend, dat de kikvorsch bij aankomst de poort gesloten vindt. Maar de slak kruipt er eenvoudig over heen. Te Maasland kent men ook het verhaal van het wed_vliegen_, maar vervangt er het winterkoninkje door het klein-jantje of boomsluipertje. De ooievaar blijft in dit waterland natuurlijk gehandhaafd. In Lapland, Finland en Zweden verhaalt men van het wed_zwemmen_ van visschen, en ook in Vlaanderen is deze vorm niet onbekend. Zoo weet men b.v. te verhalen, dat de schol en de panharing een weddenschap aangingen, wie het snelst kon zwemmen. De schol repte zich, wat zij kon. De kleine panharing daarentegen vermoeide zich niet, maar zwom zoo gestadig, dat de schol ten slotte achterbleef. Toen nu de haring haar voorbijschoot, meende de schol te barsten van nijd. Zij beproefde een list en begon te roepen: "Panharing! panharing!" en zoo lang schreeuwde zij, tot haar muil krom getrokken was: daarom heeft de schol een scheven muil. Hier treedt het verhaal dus weer in dienst der natuurverklaring. Zie De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 97 vlg.; Boekenoogen, in Volkskunde XV, bl. 72 vlg.; Cornelissen en Vervliet, Vlaamsche Volksvertelsels, bl. 224.

Waarom roept de duif: "Rookoe, rookoe?"

De ekster wilde een nest leeren bouwen en vroeg de duif om raad. Deze had echter niet veel lust, van haar wetenschap mee te deelen. Maar de ekster beloofde haar een roode koe, en nu willigde de duif in. De ekster leerde het spoedig, maar weigerde de roode koe te geven. En daarom roept de duif voortdurend: "Rookoe, rookoe": Driem. Bladen I, bl. 71. Wij hebben hier te doen met een geliefkoosd thema. De dieren beloven, borgen, ruilen en handelen als de menschen, en bedriegen en worden bedrogen als zij. Vooral ook de primitieve ruilhandel speelt een groote rol. Zoo verklaart het volk ook gaarne de ongelijkheid in de uiterlijke verschijning van twee dieren, die zijns inziens eigenlijk niets op elkaar moesten voor hebben: waarom de pauw leelijke pooten, de haas lange ooren, de koe hoorns heeft. De dieren, die een staart missen, hebben hem geleend en niet terug gekregen.

Waarom is de schol plat?

Adam hield veel van visch, verhaalt men in Friesland. Eens had hij een menigte visschen gevangen en op den oever neergelegd. Toen hij nu bezig was, de visschen bijeen te verzamelen, kwam hij te vallen, want de grond was glad van het slijm der visschen. Hij viel met zijn achterdeel midden op een schol, die daardoor geheel plat werd. Adam had een broek met nopjes aan, daardoor kreeg de schol vlekjes op de huid, zooals men die tot heden toe er nog op ziet. En de schol is sedert ook altijd plat gebleven: Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 137.

Waarom heeft de schelvisch twee bruine vlekken?

Toen Sint Pieter eens in het Galileesche meer schelvisschen ving, gebeurde het, dat hij een, die niet in den emmer ging, met duim en wijsvinger beetpakte. De indrukken der vingers zijn nog steeds zichtbaar.

Waarom lijkt de mier half doorgebroken?

Een herder zette zich eens bij toeval op een mierennest. De mier ging klagen bij God en nam de spin tot getuige. Maar deze beweerde, dat het niet met opzet gebeurde. Toen werd God boos en sloeg de mier met het zwaard midden door.--

Ook in deze verhalen ontbreekt het komisch element veelal niet, zooals blijke uit het volgende sprookje, waar ook andere ons reeds bekende motieven een plaats vinden.

Waarom heeft de kwakkel geen staart?

De groenvink was herbergierster en hield een bierhuis langs den weg. Op Aschwoensdag hadden de kraai, de ekster en de kwakkel zich in de kerk een asschen kruisje gehaald, dat na den kerkdienst, naar zij meenden, "verdronken" moest worden. Het Leuvensch en de faro smaakten hun bij den groenvink zoo lekker, dat zij ten slotte een stuk in hun kraag kregen; maar toen het op betalen aankwam, hielden zij zich van den doove. De kwakkel, die vroeger een fraaien, langen staart had, wou de plaat poetsen, maar de bazin pakte ze bij den staart en hield de veeren in haar poot. De ekster, die eerst wit was, kwam in een kolenbak terecht; en de kraai, die voorheen evenmin zwart was, vloog door de schouw naar buiten en moest zich door het vuile roet heenwerken.

Sedert dien tijd hebben de kwakkels geen staart meer, zijn de kraaien en eksters zwart, en herhaalt de groenvink telkens: "Ik wil 't geld van mijn bier!" Waarop de kwakkel antwoordt: "Ge hebt het gehad, ge hebt het gehad!"

Het ontbreken van lichaamsdeelen wordt dikwijls ook zóo verklaard, dat het dier te laat kwam, toen O.L. Heer de staarten, horens enz. verdeelde.--Toen de vogels gekleurd werden, verhaalt een Westvlaamsch sprookje, en O.L. Heer bij den distelvink kwam, was Hij al zijn verven kwijt. Daar stond nu het arme vogelken te klagen en te jammeren, zoo dat Ons Heer deernis met het beestje kreeg. Hij ging nu van vogel tot vogel, nam van elks veeren een ziertjen af en schilderde dat op de veeren van het distelvinkje.

Maar ik mag ook het fraaie sprookje van het roodborstje niet onvermeld laten.

Toen O.L. Heer vol pijnen en tormenten aan Zijn kruis hing, zat een klein vogeltje op den rand van zijn nest vol medelijden naar zijn stervenden Schepper te turen, en bittere tranen liepen uit zijn oogskens, toen het de puntige doornen zag. Het vliegt naar het kruis, en het gelukt hem éen doorn los te pikken en te rukken.... Op dat oogenblik viel een droppel bloed op hem, en verfde zijn borstje rood.

Planten. Het Christelijk element treedt hier sterk op den voorgrond. De Mariadistel heeft wit-gevlekte blaren, omdat, toen Maria haar kind de borst gaf, daar een druppel melk op viel. De witte hagerozen prijken op den heester, waarover Maria op de vlucht naar Egypte de windsels van haar kind te drogen hing. Op dezen tocht hoorden Maria en Jozef eensdaags de soldaten achter zich en zij verborgen zich haastig in een gracht. Daar groeiden biezen, en de biesstengel was onbeschaamd genoeg, om het kind in 't oog te durven steken. De kleine Jezus gilde van pijn, maar gelukkig hoorden de soldaten het niet. Daarom werd het stekelige bies-topje vervloekt, en sedert dien is het dor en als verbrand.

En weer op dezen tocht, zoo dramatisch door het volk uitgewerkt, verleenden sommige boomen geen bescherming. Maar wel de palmboom en de treurwilg, die nog heden hun takken laten hangen, dewijl ze destijds herhaaldelijk de H. Familie als met een ringmuur omsloten tegen nakend gevaar. De hazelaar verleende beschutting tegen het onweer, en sedert dien heeft hij bliksemwerende kracht.

Hoeveel stof schenkt ook niet de Passie des Heeren! De _Rosa rubiginosa_ heeft roode puntjes op de twijgen: die komen van 's Heilands bloed bij de doornenkroning. Eveneens werden de mosroos en het zevenblad rood geverfd door de bloeddruppels van Christus.

Bij Zijn dood waren alle boomen droef en stil, behalve de esch; daarom moet hij thans voortdurend ruischen en beven.

De wilgen, verhaalt men in Noord-Limburg, bersten als zij oud worden; en wel, omdat ook Judas berstte, die zich ophing aan een wilgetak.

Over de vossebessen vind ik in ons land deze twee natuurverklarende verhalen. Een vroom kluizenaar bad Maria om ooft voor de arme bergbewoners. Toen nam zij haar krans af, maakte hem los en strooide de stukken over de bergen.--Maar de weetgierigheid van het volk vroeg ook opheldering omtrent den kruisvorm der kelkblaadjes. Vandaar het verhaal, dat de duivel bij de schepping het verlof kreeg, óok een plant het aanzijn te schenken. Hij schiep nu de vossebessen, maar vervloekte ze, zoodat ieder, die de vrucht at, hem vervallen moest. God nu verhinderde dit, door op iedere vrucht een kruis te plaatsen.

Waarom heeft het viooltje geen geur?

Vroeger was het zóo welriekend, dat het koren vertrapt werd, om de bloem te plukken. Dit verdroot haar en ze bad: "Heilige Drievuldigheid, ontneem mij mijn geur!" De H. Drievuldigheid antwoordde: "Het geschiede naar uw wensch. Maar dewijl gij niet hoogmoedig zijt, zult gij mijn naam [19] dragen."

Waarom draagt de Haagwinde (_Convolvulus sepium_) den naam van O.L. Vrouweglazeken? [20] In Vlaanderen verhaalt men:

Daar was een keer een voerman. Zijn wagen, die zwaar met wijn geladen was, zat diep in het slijk aan eenen slechten eerdeweg versteld, en nutteloos zweepte hij zijne peerden om uit den modderpoel te geraken. Alle moeite was verloren: voerman en peerden zweetten onder den last en de wagen bleef even diep verzonken. Maar Onze Lieve Vrouwe kwam daar van passe voorbij gegaan, en den nood van den armen voerman ziende, had zij er pijne mede en zij sprak tot hem:

"Ik ben moede en afgemat van gaan, en ik lijde van den dorst, geef mij wat wijn te drinken en terstond zoo maak ik uwen wagen los".

"Zeer geern, Lieve Vrouw", antwoordde de voerman, "maar 'k en hebbe geen glas om er den wijn in te doen".

Onze Vrouwe en gaf daarop geen antwoord, zij keerde heur om, en trok uit de hage een wit met rood gestreept bloemeken af, dat nog al een glazeken geleek, gaf het aan den voerman en zei:

"Schenk mij uwen wijn daarin."

De blijde man goot het witte bloemeken boordeke vol en gaf het met eerbied aan O.L. Vrouwe.

"God zegene u", zeide hij, "lieve Vrouwe".

En O.L. Vrouwe ledigde het blommeke, en op den zelfsten oogenblik stond de wagen vrij en de voerman reisde voort.

't Is sedert dien, dat men dat bloemeken O.L. Vrouweglazeken heet.--

Ten slotte nog het natuurverklarend sprookje van den vorm der sleutelbloem (_Primula Veris_), ook Sint-Pietersleutel geheeten. Ik laat het hier volgen in zijn West-Vlaamsche kleedij en vestig de aandacht van den lezer op de fijnheid van toon en de naïeveteit van lijnen.

Daar was eens een kindje gestorven. Zijn zielke, nog wit als sneeuw van onnoozelheid, vloog rechte naar den hemel en 't klopte er aan de deur om binnen gelaten te zijn en te gaan spelen met de engelkens, zijn broertjes.

Sint-Pieter ontsloot de deur met zijn grooten gouden sleutel en deed ze met gerreken open [21]; ja maar, met dat hij zag, met wien hij te doen had, trok hij de deur wat wijder open en heette het nieuwe engelken welkom in zijnen nieuwen huis. Maar, als hij de deur wederom wilde toedoen, ontsnapte de truis goudene hemelsleutels aan Sinte Pieter zijne handen en hij viel op de goudene zulle dat 't klonk. Maar van de zulle gletste de truis naar beneden en viel een dag of twee lang en rolde eindelinge ieverst op't kerkhof van een buitenparochie neder. Nauwelijks lagen de goudene sleutels tusschen 't gers en de blomkes van 't kerkhof te glinsteren, of daar schoot een schoone blomme op, eene blomme die, nog nooit op aarde gegroeid noch gebloeid hadde, waarvan de naam zelve niet en bestond.