Chapter 47
De volkswetenschap is absoluut onkritisch. Bij de induktie worden de afzonderlijke gevallen zelfs met geen zweem van kritiek onderzocht, terwijl met de negatieve gevallen geenszins rekening wordt gehouden. Wanneer het volk zegt: "Groene Kerstmis, witte Paschen", dan brengt het de witte Paschen met de groene Kerstmis in een oorzakelijk verband; maar gebrek aan methode maakt de konklusie ongewettigd. Zoo ziet het volk ook een oorzakelijk verband tusschen de maan en het weêr, maar mocht het tot een verklaring komen, dan zou deze meer op een natuurmythe lijken, dan op een kultuurwetenschappelijke redeneering.
Toch wil het mij voorkomen, dat de kultuurwetenschap feiten der ervaring van het volk kan overnemen, om die te toetsen en te louteren,--en ook wellicht iets van het pieteitsvolle en opgewekte zijner natuurbeschouwing.
I. Volksetymologie.
De term "volksetymologie" heeft tot heel wat misvattingen en discussies aanleiding gegeven. Het eerst gebruikt in de Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung XXIII door W. Förstemann, die in het vervormen van sommige woorden in den volksmond een bewijs van kerngezonden volksgeest zag, won deze benaming steeds meer veld, en hiermee gepaard ging een nader onderzoek van het gesignaleerde verschijnsel; ik noem slechts de namen van Max Müller, Andresen, die heel wat materiaal verzamelde in zijn Deutsche Volksetymologie, Moltzer en Verdam. Langs psychologischen weg werd naar verklaring en schifting gezocht door Steinthal, Paul en Wundt. Zoo ontstond over dit onderwerp een uitgebreide literatuur, waarvoor ik verwijs naar het artikel van den Zweed Kjederquist in Paul und Braune's Beiträge XXVII, en vooral naar de zuiver opgezette en rijk gedokumenteerde studie van C. de Vooys in de Nieuwe Taalgids II, bl. 273 vlg.
Wanneer ik hier de volksetymologie als onderdeel van de volkswetenschap behandel, dan is dit, omdat ik hierdoor eerst en vooral versta: "onbewuste _klank- en begripsassociaties_ met of zonder wijziging van den woordvorm". Zij zijn beslist eigen aan de volkstaal met haar spontanen drang en vrijen loop, en dringen van hier de kultuurtaal binnen. Uiteraard spelen zij ook een groote rol in de kindertaal. Gelijkwaardige verschijnselen zijn dus b.v. het gangbare _zondvloed_, uit het Oudhoogduitsche _sin-vluot_ "groote vloed", door het volk met "zonde" in verband gebracht, en het kinderlijke _lepeltraan_ voor _levertraan_. Men zal mij wellicht tegenwerpen, dat onbewuste verschijnselen toch allerminst tot het domein der wetenschap behooren, zij het ook der volkswetenschap; waarop ik antwoord, dat het volk zich wel van zijn handelen bewust is, maar niet van het feit, dat het woordverklaring geeft, en nog minder van den wetenschappelijken ondergrond dezer handelwijze, die eenvoudig hierin bestaat, dat het volk geen genoegen neemt met het onbekende. Zoo werd het onverstaanbaar geworden _sin_ vervangen door of liever vervormd tot het bekende _zond(e_) niet omdat men iets wilde veranderen, maar dewijl men meende, dat dit met het oog op het Bijbelsch verhaal wel aldus wezen moest.
Tot het domein der volksetymologie behooren dus niet: 1. Dilettantisme en beunhazerij op het gebied van woordverklaring, juist daarom zoo gevaarlijk, derwijl deze half-bakken geleerdheid zich voor onvervalschte kultuurwetenschap uitgeeft. Hierbij moet men echter in het oog houden, dat werkelijk-onbewuste volksetymologie aan halfgeleerden aanleiding kan geven tot etymologiseeren. Zoo werd het Latijnsche _quiritare_ "luid schreeuwen" eertijds wel eens met _Quirites_ "Romeinsche staatsburgers" in verband gebracht. Vrij dicht hierbij staat de populaire natuurverklaring (zie beneden).
2. Opzettelijke vervormingen en aanpassingen of woordspelingen. Deze toch moeten gerekend worden tot de volksluim (bl. 126); zoo b.v. _Sint Reinuut_: schoon op, "rein aus", voor _Sint Reinout_; _kattegezanik_ voor _katechesatie_; _zemelachtig_ voor _zenuwachtig_; hij lijdt aan de _griep_, eigenlijk "verkoudheid", maar met "grijpen" in verband gebracht. Immers de woordspeling behoeft evenmin als de werkelijke volksetymologie met een woordverandering gepaard te gaan. Op volksluim berust ook wel de Vlaamsche weêrregel: "Sint _Andries_ brengt de _vries_, Sint _Mathijs_ breekt het _ijs_.
3. Zuivere klankassociaties, als _krant_ uit _courant_, die het gevolg hiervan zijn, dat de klank lastig, of de herinnering gebrekkig is. Of ook associaties, die dermate door de klanken worden beheerscht, dat men zich het nieuwe begripselement niet bewust wordt, omdat het met het begrip van het oorspronkelijke woord niets gemeen heeft. In deze laatste gevallen kan natuurlijk van het zoeken naar verklaring geen sprake zijn. Maar heel veelvuldig zijn zij niet. Als een zeker voorbeeld kan men opgeven _oorlam_, uit het Maleische _orang lama_; wellicht scheurbuik, uit _schorbût_; maar stellig niet het Vlaamsche _scheurbek_, en evenmin _suikerij_ en _zenuwbladen (Folia sennae_), waarvan het volk meent, dat zij op de zenuwen werken.
_Scheurbek_, _suikerij_ en _zenuwbladen_ behooren inderdaad tot de volksetymologische associaties in engeren zin. Volstrekt natuurlijk is het, dat het volk een verband zoekt tusschen geneesmiddel en ziekte of tusschen geneesmiddel en eenige bekende stof. Zoo wordt b.v. _Unguentum aegyptiacum: gips-Jacob-zalf_;--de bast van _Rhamnus frangula: ramenasbast;_--_Oleum ricini: rosijnenolie;_--_nieswortel:_ Limb. _anieswortel;_--_Unguentum hydrargyri_ tegen ruit: _ruiterszalf_ of _ruitertjeszalf_. Wellicht berust deze laatste vorm oorspronkelijk op bewuste woordspeling; maar naderhand wordt zulk een woordspeling vaak door naïeve hoorders ernstig overgenomen. Niet onaardig is ook de vervorming van _Aloë socotrina_ tot Limb. _sokertrienschen aloë_, d.i. _suikertrijnsche aloë_. Zie hierover het artikel van Denis Schrijnen, Pharmaceutische Folklore, in het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 833 vgl. _Aloë_ wordt ook wel _alewien_.
De klankassociatie moet dus met bewuste begripsassociatie gepaard gaan. Het woord _katapult_ begrijpt het volk natuurlijk niet. Nu wil het aan dit woord niets veranderen, maar de herinnering aan het doel van dit instrument in verband met het woord _kat_ brengt menigeen er toe, _katapult_ ongewild te vervormen tot _kattepul_, of nog meer teekenend tot _kattepiel_ (= _pijl_), aldus het onbekende bestanddeel vervangend door het bekende. Dit onbekend-zijn kan ook voortkomen uit gebrekkig hooren of gebrekkig zich-herinneren. Ik wijs nog op enkele voorbeelden: _drieangel_ (_triangel_), met onbewust-juiste vertaling van het eerste bestanddeel; _sukerla_ (_chokola_); _lekkeris_ (_lacarissa_ = drop); _prulleet_ (_proleet_); _honinggraat_ (_honigraat_). _Hagedoorn_ wordt volksetymologisch tot _hageldoorn_; _hazelnoot_ tot _hazenoot_; _nieuwsgierig Aagje_ tot _nieuwsgierigaardje_; _meikever_ tot _meikegel_ (kleuriger is het Hoogduitsche _Meikleber_); _Nijmegen_ tot _Nimwegen_; _madeliefje_, Middelnederl. _matelieve_, is vervormd tot _maagdeliefje_ en tot _meizoe(n)tje_, en dit weer dialektisch tot _mêlzeûdje_ (zaadje). De appelen, die wij _zijden-hempjes_ noemen, stammen uit de Engelsche stad _Sydenham_. Men denke ook aan de uitdrukking "straten voor stegen kennen", die in Limburg, waar men geen _stegen_ kent, wordt: "straten voor steenen kennen"; vgl. mijn opstel in Volkskunde XI, bl. 217.
Van plantnamen noem ik nog de _bijvoet_ (_Artemisia_). Met ons woord voet heeft deze benaming oorspronkelijk geen gemeenschap. Maar het volk bracht den vorm _bijboot_ in verband met voet, omreden van het bijgeloof, dat dit kruid in de schoenen, dus bij den voet, gedragen, alle vermoeidheid bij het wandelen verdrijft. _Zonnedauw_, onze benaming van de _Drosera_, heeft zich volksetymologisch uit _sinnau_ "immerdurende dauw" ontwikkeld. _Rosmarijn_, uit het Latijnsche _ros marinus_ "zeedauw", wellicht zelf populaire vervorming van een Grieksch woord, werd _rozemarijn_ onder den invloed van _roos_. _Herba Mandragorae_ werd _mandragerskruid_. Het peperboompje (_Daphne Mezereum_) heet in Oost-Vlaanderen om zijn naakten stengel _miserieboomke_. Verrassende volksetymologische staaltjes vinden wij ook in de kindertaal: _botram-marcheertrommel_ (_botaniseertrommel_); _manheer_ (_meneer_); het reeds genoemde _lepeltraan_ enz.; zie vooral De Vooys, De Nieuwe Taalgids I, bl. 281, X, bl. 93 vlg., 128 vlg.
Nog wensch ik de aandacht te vestigen op het feit, dat volksetymologie zoo vaak in samenstellingen optreedt. De oorzaak is deze, dat elders verdwenen woorden nog zoo vaak in samenstellingen een veilige schuilplaats vinden; zoo b.v. _geeuwhonger_ en _nachtmerrie_. De verouderde vormen _gee_: _ga_ en _mare_ zijn hier met _geeuwen_ en _merrie_ (men denke aan het nachtspook, dat iemand "berijdt") in verband gebracht, wat klankverandering ten gevolge had.
Ook kan het begripselement zoozeer op den voorgrond treden, dat het hoofdbegrip een sterke wijziging ondergaat of zelfs geheel verdrongen wordt. Zoo beduidde _pootig_ oorspronkelijk "koppig" en had _ophemelen_ de beteekenis van "schoonmaken".
Verandering van den vorm, wij zagen het reeds, is strikt genomen niet noodzakelijk; slechts moet in de volksopvatting een bepaald element met een ander begrip dan het oorspronkelijke verbonden worden. In _lintworm_ beteekende _lint_ oorspronkelijk insgelijks "worm", terwijl men het thans met ons _lint_ in verband brengt. _Ongelikt_ wordt tegenwoordig met het gewone werkwoord _likken_ verbonden; maar in werkelijkheid komt het van een werkwoord _likken_, dat de beteekenis van "polijsten" had. In _Donderstraat_ is geen verandering althans hoorbaar; stellig brengen echter tal van personen haar niet met _Prof. Donders_, maar met _donder_ in verband. Verder wijst ook het feit, dat plaatselijk door het volk sommige heiligen in bepaalde gevallen worden aangeroepen, op volksetymologische interpretatie, op aanknooping van het onbekende aan het bekende. Zoo b.v. wordt de H. Clara aangeroepen bij oogziekten en vraagt men haar om helder weer en zonneschijn (de vertaling is hier onbewust-juist); Sint Kathrijn brengt helder weer en zonneschijn: wellicht is _rijn_ (_rein_) hier van invloed. Sint Valentijn wordt aangeroepen bij vallende ziekte; Sint Blasius tegen huidblaasjes; Sint Rosa tegen de roos, Sint Lambertus tegen de lamheid.
Van deze klank- en begripsassociatie verschilt de _etymologische natuurverklaring_, waarbij het volk naar zijn aard en trant, d.i. liefst door een sage, welbewust de benamingen van bloemen, boomen, mineralen, dieren, steden enz. interpreteert. De vervorming van _Arum_ tot _Aron_ zal wel onbewust geweest zijn. Maar gegeven deze naam, borduurt de volksfantasie op het thema voort, en spreekt aldra van _Aronskelk, Aronsbaard, Aronsstaf_. De _Valerianella olitoria_ heet ook _Sanctae Clarae herba_; het volk gaat verder, en spreekt van _kleer-ooge_. Van den _treurwilg_ weet het Vlaamsche volk te verhalen: De geeselkolom stond bij een wilgenboom. Toen nu de soldaten naar dezen wilg liepen, om de geeselroeden af te snijden, zuchtte Christus: "treure wilg, treure". Sedert dien laat de boom zijn takken hangen en heet hij _treurwilg_. Het _nieskruid_ wordt plaatselijk tot _Agneeskruid_; dit verklaart men aldus, dat het bloeit omtrent den feestdag van Sint Agnes; ook ontkiemde het ter plaatse, waar deze heilige gewoon was geknield te bidden. Van den H. Martinus weet het volk ook dit te verhalen, dat hij eens in zijn getijdenboek een zaadje vond; hij borg het zorgvuldig in de aarde, en uit het zaadje ontkiemde de _boekweit_. Zie vooral Is. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1904 enz. (ook afzonderlijk uitgegeven te Antwerpen 1913).
Ook het Montferland heeft wel eens aanleiding gegeven tot volksetymologische natuurverklaring. Hiervolgens wilde het heidenvolk met zijn koning den hemel bestormen, en reeds had men een stuk van den Elterberg een goed eind ver gesleept, toen het aan de reuzenhanden ontviel. De vorst beval nu van verdere pogingen af te zien; want zei hij "het is toch maar een mond vol land": Geldersche Volksalman. 1901, bl. 176.
De _Asperula odorata_, waarvan voorheen een bundel bij zwangere vrouwen in bed gelegd werd, en dat dan ook aan Frija-Frigg, als godin der geboorte, heilig was, wordt reeds in de VIIIe eeuw, als _O.L. Vrouwen-bedstroo_ vermeld. Ook vond de Christelijke legende een andere verklaring:
Onzer-Vrouwen-bedstroo.
Onze-Lieve-Vrouw, als zij klein was, moest op een zeer hard en ongemakkelijk beddeken slapen: hare ouders waren arm en gaven dan nog hier en daar een aalmoes.
Op zekeren dag peinsde de H. Anna:
Het bed van mijn kindeken is toch te hard. Zou ik in het veld misschien geen zacht vulsel vinden?
Zij ging uit en kwam aan een dorre streek. Zij zag er een heelen hoop Bedstroobloemekens staan.
"Nu ik heb het gevonden", riep zij uit. "Ik ga al die bloemekens plukken! O! daar zal mijn kindeken zacht op slapen". Zij sprak en deed zoo; ja, nu sliep Maria veel gemakkelijker.
Ten platten lande ziet men dikwijls de kinderen in bosschen en op magere gronden naar het bloemeke zoeken en het blijde plukken:
"Onze-lieve-Vrouw heeft er op geslapen!" zeggen zij eenvoudig.
(Uit Vlaanderen).
Eindelijk de volksetymologie van plaatsnamen.
Bezuiden Tietjerksteradeel lagen drie dorpen, die nog geen naam hadden. In een dezer dorpen kwam een dief geloopen, die vluchtte voor de dienaars van het gerecht. Allen, die hem zagen, riepen: "Grijp! Grijp!" Maar de dief ontkwam en vlood naar het andere dorp. Daar wilde men hem opvangen en riep men elkander toe: "Sa mar! sa mar!" (Zoo maar! zoo maar!). De dief ontvluchtte ook hier en kwam in het derde dorp. Hier werd hij gevat en nu riep men: "Berg hem! Berg hem!" Vandaar de Friesche plaatsnamen Garijp (Grijp), Suamar (Samar) en Bergum (Berghem). Waling Dijkstra verhaalt ons ook, hoe Foswerd ontstond, en Ylst, Nijland, Koudum, Dronrijp enz.: Uit Frieslands Volksleven I, bl. 32 vlg.; terwijl De Cock in zijn Brabantsche Sagen III, bl. 181 vlg. de populaire naamverklaring geeft van Aarschot, Beersel, Brussel, Leuven, Scheutveld en ook van Kalevoet. Toen namelijk Karel V eens naar Brussel reed over den steenweg van Alsemberg, brak zijn rijtuig ter plaatse, waar nu Kalevoet ligt, zoodat hij genoodzaakt was, te voet naar Brussel te gaan. Daarom werd deze plaats _Kalevoet_ geheeten, d.i. _Karel-te-voet_.
II. Volksgeneeskunde.
Bij gezette overweging blijkt het, "dat naast de officieele therapie een andere bestaat, welke met totaal verschillende geneesmiddelen werkt, die minstens evenveel blijvende of tijdelijke aanhangers telt als de schoolgeneeskunde, en die meestal zonder bevredigende diagnose en zonder eenige duidelijke voorstelling te bezitten omtrent aard of werking der toegepaste middelen, alleen op de ruwe empirie steunende, vol vertrouwen haar zonderlinge middelen toepast. Dit is de eigenlijke volksgeneeskunde, die zich hoofdzakelijk op het gebied der therapie beweegt en haar adepten bij duizenden telt". Aldus M. A. van Andel in zijn leerzaam proefschrift over de Volksgeneeskunst in Nederland (Utrecht 1909), bl 5.
Naar men begrijpt, hangt de volksgeneeskunst ten nauwste samen met de volksreligie en tiert zij welig op den bodem van het animisme (I, bl. 64). Zij vormt een wezenlijken faktor der onderkultuur en vertoont zich in hoofdzaak éenvormig, zoowel hier als bij de natuurvolken, zooals O. V. Hovorka en A. Kronfeld in hun standaardwerk over de Vergleichende Volksmedizin (Stuttgart 1908) zeer duidelijk hebben aangetoond. Van de kwakzalverij onderscheidt zij zich door haar volstrekte goede trouw en belangeloosheid. Haar gezichtseinder is zeer beperkt, zoowel wat den aard der ziekte als wat de kracht der geneesmiddelen betreft. Als ziekten gelden eigenlijk slechts: koorts, verwonding, bloeding, roos, brand, kou, jicht, kramp, vallende ziekte, asthma en nog enkele andere. Het streven naar zelfbehoud, gepaard aan hulpvaardig dienstbetoon, vormt de gemeenschappelijke drijfveer van volks- en kultuurgeneeskunde. Natuurlijk wordt nu de kloof tusschen beide met den dag grooter. Maar hoe verder men in vroeger tijden teruggaat, hoe geringer dit verschil is. Terecht merkt Van Andel op, dat de volksmiddelen van heden de wetenschappelijke middelen van gisteren zijn.
Het is mijn taak niet, de ontwijfelbaar gezonde kern der volksgeneeskunde, n.l. die middelen aan te geven, welke berusten op doelmatige, instinktieve therapie, of op overoude elementaire, maar gezonde empirie; wel dien ik in het kort te wijzen op het zeer eigenaardige, van de kultuurgeneeskunde _afwijkende_, strikt-populaire in de behandeling en het toedienen der geneesmiddelen, dat uit primitieve volksvoorstellingen voortvloeit.
Inderdaad ligt bij de behandeling doorgaans deze opvatting ten grondslag, die echter met den dag in helderheid en bewustheid afneemt, dat de ziekte zelf een boosaardig, ja demonisch wezen is, of ook een worm, in alle geval een konkreet iets, dat in het lichaam huist. Zoo spreekt men b.v. van haarworm, ringworm, dauwworm; en niet onmogelijk hebben de maden, de lintworm en de lijkwormen tot deze opvatting aanleiding gegeven. Vooral de kiespijn wordt aan het knagen van wormen toegeschreven. Dit geloof staat in Mecklenburg zoo vast, zegt Gaidoz, dat een lepel met kokend water onder den zieken tand gehouden wordt. De diertjes, door den damp bedwelmd, vallen in den lepel en zijn duidelijk te zien.
Het ziektewezen kan verdreven worden op velerlei wijzen; vooral echter door bezwering, door bannen en overdragen, door sympathetische geneesmiddelen.
Niet slechts deze laatste methode, maar vrij wel de geheele volksgeneeskunde wordt beheerscht door de _sympathie_, die de geneeskracht van de _signatuur_, d.i. de teekenen der dingen afleidt. Volgens deze leer dient een geelbloemige of geelsappige plant tegen de geelzucht, een roodkleurige stelpt het bloed, een knolgewas geneest de aambeien enz. Deze volksvoorstellingen, die wij reeds herhaaldelijk in het Eerste Deel aantroffen, is sinds overoude tijden over de geheele aarde verspreid en berust op een onbepaald gevoel van gemeenschap tusschen gelijkgeaarde wezens, in dit geval tusschen het ziektewezen en het geneesmiddel. Waarschijnlijk heeft de symboliek deze sympathische opvatting uit het animisme (en fetissisme) doen geboren worden. Om een geest uit het lichaam te bannen, achtte men het reeds voldoende, bepaalde deeltjes, als haren, nagels, enz. vast te leggen of te vernietigen. Van hier tot de zuiver symbolische handeling is slechts éen stap: wat geschiedt niet slechts aan een deeltje, maar aan een overeenkomstig voorwerp, geschiedt aan het voorwerp zelf. Wil men een heks kwaad doen, wij zagen het I, bl. 79, dan maakt men een ploegijzer gloeiend en spreekt plechtig den naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Daarom legt men ter verwijdering van wratten in een touwtje zooveel knoopen als men wratten heeft, en begraaft dit ergens: door deze symbolische handelwijze worden de wratten zelf begraven. De beteekenis der aanwending van roode stoffen bij bloedloop is oorspronkelijk dan ook wel deze, dat het rood-gedachte ziektewezen op de roode stof overga. Naderhand is het sympathiebegrip natuurlijk in verschillende richtingen uitgebreid.
Eindelijk wensch ik er de aandacht op te vestigen, dat de leer der signaturen niet altijd als _leiddraad_ bij het opsporen van geneeskrachtige kruiden, maar ongetwijfeld meermalen slechts als _verklaring_ eener reeds bekende werking heeft gediend; zie hieromtrent het artikel van Prof. Van Leersum over de Waardeering van Oude en Volksgeneesmiddelen in het Nederl. Tijdschr. voor Geneeskunde LVIII (1914), bl. 1952.
1. Bezwering is wel het meest verspreide, ook heden nog dagelijks aangewende heilmiddel, waarin animistische en specifiek-Christelijke bestanddeelen met elkaar vermengd zijn. Het bezweren is een kunst, die erfelijk is, maar zij kan slechts worden overgedragen van een man op een vrouw of van een vrouw op een man. Het formulier is eigenlijk geheim. Het wordt zacht gefluisterd of gepreveld, en het getal 3 is daarbij van bijzonder gewicht: driemaal wordt daarbij een kruis gemaakt, driemaal gespuwd, driemaal gestreken enz. Ook zijn dag en uur niet onverschillig; sommige bezweringen dienen te geschieden bij afnemende, andere bij nieuwe maan, weer andere vóor zonsopgang. De formule is òf een kort bevel, òf zij wordt ingeleid door een kort episch verhaal, waarin een gelijksoortig geval wordt uiteengezet: wij hebben dus weer met sympathie te doen. Zoo beginnen b.v. verscheidene formulieren tegen de wormen met de vermelding van Job op den mesthoop. Van een formulier uit Denderwindeke tegen brand luidt de inleiding: "De H. Laurentius werd gebraden op een rooster: hij en zwol niet op noch en verzwoor; ik hoop, dat gij ook niet zult zwellen of verzweren".--Rond den Heerd (1877) weet deze berijmde bespreking tegen brandwonden mee te deelen:
Ons' Heere Jezus kwam aldaar gegaan, Hij vond er een kindeke in brande staan. Hij nam het in Zijne gebenedijde hand En _b_luschte den ge_b_enedijden _b_rand. En 't en _zwoer_ noch 't en _zwol_, En 'k hoop in Jezus' naam, dat 't ook niet _doen_ en _zol_.
In deze formule vinden wij alitteratie, assonantie en rijm. Andere formules worden ons medegedeeld door Dr. Boekenoogen in Onze Rijmen, bl. 67; zoo b.v.:
Moeder Maria ging over den berg, Ze nam een tak van den heiligen boom, Ze wierp 'em over haar hoofd in den stroom. Kwik door dit, kwik door dat, Vlieg door aderen, zenuwen, pezen, Ik hoop, dat met Gods hulp dit beest zal genezen.
Het Christelijke in deze spreuken is slechts een dun laagje vernis: in den grond zijn zij volstrekt identiek met Oudgermaansche en Oudindische, waar de heidensche godenwereld optreedt.
Den korteren vorm vertoont:
Dit arm of poot Is _verrukt_ of _verstoot_. 't Zal niet _verrotten_ of _verzweren_ In den naam des Heeren, C.A.B.
Deze en dergelijke bezweringen of besprekingen worden vooral toegepast bij verwondingen, verrekkingen, verstuikingen en spierpijnen. De _strieker_ legt somtijds wat zeep op den zeeren enkel; dan zet hij de pet af, zegt de bezweringsformule en strijkt op bepaalde wijze over den enkel. Bij wonden zegt men te Heumen:
Ik verbinde deze wonde, Ik stille dat bloed in deze stonde, Als Christus de Heer opgevaren is.
Bij kneuzingen vindt men o.a. dit formulier:
Deze man enz. is over een berg geloopen, Deze man enz. heeft zijn hand enz. gestooten, Het moet in de Roode Zee verdwijnen, Gelijk de Wijzen uit het Oosten, En God genas het met der stond, O Heer, help mij! Amen.
2. In het bovenstaande wordt het ziektewezen verdreven. Maar met of zonder spreuk wordt dit wezen veelal ook vastgelegd, geband of wel op een persoon of zaak overgedragen. In de Friesche Wouden wordt de bilzucht het _koude vuur_ genoemd; maar men meent, dat zij licht kan worden geweerd, door het eerst daaraan bezweken dier vóor de staldeur te begraven. Vooral de koorts wordt graag en licht overgedragen. In het Oosten van ons land snijdt men zich hiertoe den nagel _in het leven_ en maakt dan den bast van een boom ook los tot _in het leven_ (let op de sympathie!). Dan drukke men met den vinger _het vocht_ daaruit tegen en tusschen _het vocht_ van den boom: dan heeft de boom de koorts. Of men binde een kouseband of strooband om den boom, liefst een vlierboom (I, bl. 80, 130, 287), en ga dan spoedig loopen, zonder om te zien. Deze praktijk is in geheel Groot-Nederland--en verre buiten de grenzen--bekend. Men noemt dit "de koorts afbinden." Ook kan men het haar- of nagelknipsel van den zieke, of een briefje met zijn naam in een opzettelijk daartoe geboord gat in den boomstam steken. Niet zelden spreekt men hierbij het rijmpje:
Olde Marolde Ik hebbe de kolde, Ik hebbe ze noe, Ik geve ze oe, Ik bind ze hier neer, Ik krijg ze niet weer.