Nederlandsche Volkskunde

Chapter 45

Chapter 453,502 wordsPublic domain

Ik sprak reeds van het kruisbeeld, dat boven den schoorsteenmantel een eereplaats inneemt. Naast de deur, in de slaapkamer naast de deur of boven het bed, hangt in Katholieke gezinnen het wijwatervaatje met gewijde palm, terwijl in kast of kist de gewijde kaars geborgen is. Het plaatwerk aan den muur bespreek ik nader. Op kast of schoorsteen vindt men heiligenbeeldjes, alleen staande of met de bijbehoorende versiering, die aan het geheel in België den naam van kapelleke geeft. Tot deze kappellekens behooren ook de kerstkribbetjes, niet zelden van aandoenlijken eenvoud en teederheid. Het goddelijk kind slaapt tusschen os en ezel, omglansd door hemelsch licht in een weelderig, bloemrijk landschap; boven in de lucht houden twee engelen de ster, die de koningen geleidde. Ook draagt men in de Meimaand zorg voor passende versiering van het Mariabeeld. Zie Frans de Potter, Huiselijke godsdienst onzer voorvaderen (Gent 1886), bl. 16 vlg., 24 vlg.

Weinig hedendaagsche binnenkamers beantwoorden aan bovenstaande schets in haar geheel. Ook verschilt de stoffeering natuurlijk bij verschil van gewest, godsdienst, ligging (op het land of in de stad). Bij deze schets had ik hoofdzakelijk de _volkswoning in het algemeen_ op het oog, en op deze heeft ook betrekking de nu volgende bespreking van het volksdekoratief in spreuken, uithangborden en plaatwerk.

_Spreuken_ vindt men in de volkswoning allerwege. In de binnenkamer, boven tegen den balk en elders, vindt men de huisspreuken: "Aan Gods zegen is alles gelegen";--"De Heer beware uwen ingang en uwen uitgang";--"Dit huis staat in Gods hand, God beware het voor brand";--"Als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?" Natuurlijk wijzen taal en spelling veelal op oudere dagteekening. In het zuidelijk volksgebied wordt nog dikwijls een opschrift uit papier geknipt en achter glas in een lijstje gezet: "Hier vloekt men niet, God ziet u";--"Gedenk te sterven";--"Looft den Heer", enz. Trouwens bordjes of plaatjes met gelitografeerde spreuken vindt men door het gansche land.

Maar ook ter dekoratie van dagelijksche voorwerpen doen gewijde en profane spreuken dienst, want het volk wil den glans der poëzie spreiden over geheel het dagelijksche leven. De meest onbeduidende voorwerpen wil het ornamenteeren, opheffen uit de sfeer van het banale en niets-zeggende door naïeve rijmpjes, wijze spreuken of enkel door een paar woorden ter verduidelijking van het gebruik. Juist zoo verhoogde ook de Grieksche epische volkspoëzie de waarde en het belang van wapenen en huisraad: een enkele beknopte toelichting diende als opschrift.

Op een koperen onderschotel vindt men te midden van een krans:

Ik dien om de tafel niet te laten branden, maar pas op als ik blink, dat ge me niet schande.

Op een spiegel:

't Is maar schijn.

Op een beker:

Geen geluk Zonder druk.

Op trouwschotels:

Er is niets beter in den trouw Als liefde tusschen man en vrouw.

Op een zonnewijzer:

Ik spreek alleen, het aangezicht In 't volle zonnelicht.

Op een bord:

Weldadige Opperheer, Gij spijst ons al te zamen, U zij de lof en eer, Ons hart zegt dankend Amen.

In spijs en praat Hou middelmaat.

Na spijs en drank Geef Gode dank.

Op een rijstpapkom:

Die den arme geeft Leent den Heer.

Op een stortbekertje:

't Is u gegund, Drink als ge kunt.

Op een tafelschel:

Deze klank roept om drank.

Op een drinkglas:

Als David de vriend van Jonathan was Drinken wij onze vriendschap uit dit glas.

Op een spaarpot:

Daar niet en is, Gaat zoeken mis.

Leert sparen en vergaren, Leert geven en blijft leven.

Op een scheerbekken:

Het jaar is om Betaal de som.

Bij de intrede van het huis ziet men de gevelspreuk of het luifelschrift prijken. Tot de meest bekende behooren wel:

Dit huis staat in Gods hand.

Niets buiten God.

Vele oude gevelspreuken zijn ons bewaard gebleven en getuigen nog van de volksvroomheid, de volkskunst, den volkshumor onzer vaderen. Voor het meerendeel hebben zij voor ons slechts historische waarde. Ik volsta dus met enkele voorbeelden, ontleend aan het voortreffelijke werk van Van Lennep en Ter Gouw, Het Boek der Opschriften (Amsterdam 1869).

Andere vond ik in tijdschriften en provinciale almanakken of teekende ik persoonlijk op. Spreuken van dezen aard worden nòg aangebracht, maar steeds zeldzamer.

Elk wandel in Gods wegen.

Vergenoegzaamheid gaat rijkdom te boven.

Ziet voor u opdat gij niet en struikelt.

De Heer--regeert. Al wat adem heeft--looft den Heere. 't Is beter benijd dan beklaagd--als 't God behaagt.

Behoed ons Heer voor zonde en schand, Bewaar dit huis voor ongeluk en brand.

Menschen gij moet sterven, Gedenkt gij de zaligheid te erven.

Wie op God vertrouwt, En niet en verflauwt, God zal hem zegenen menigvoud.

Dikwijls richt zich de huisbewoner tegen lasteraars, babbelaars en kwaadsprekers; zoo b.v.:

Het ware te wenschen, Dat alle menschen, Die kwaad van anderen spreken, Zich zelven eerst bekeken. Dan zouden zij het praten Van anderen wel laten. (nabij Amsterdam).

Wie hier komt spreken van iemand kwaad, Wijs ik waar 't gat van de deur staat.

(Amsterdam).

Wat wordt er menig mensch belasterd en belogen Van menig kakelaar, die zelf toch niet en dogen.

(Hemelum).

Tot de gevelspreuken behooren ook de berijmde beroepsaanduidingen; hun bloeitijdperk was de XVIIe eeuw; maar zij komen ook thans nog voor en zijn veelal humoristisch getint.

Kaaskooper:

O wereld boos en heel verkeerd, Wat heb je al geld dat mij ontbeert! Maar de vromen moeten hier gebrek lijen, Doch zullen hierna de kaas wel beter snijen.

Aanspreker:

Bidder, Dokter, Doodgraver en Aptheker, Dat zijn vier vrinden, dit is zeker: Wanneer zij bidden om hun dagelijks brood, Zoo bidden er twee om de ziekte en twee om den dood.

Schipper:

Met scheepvaren plaisant Ik mij geneeren moet, De scheepvaart door Gods hand Het land floreeren doet.

Smid:

Houd man! Daar is de kan, Wel wijf! De kan is mijn gerijf. Maar wacht u voor de vonken. Het ijzer is heet; 't Moet eerst zijn gesmeed, En dan eens gedronken.

Wij hebben door Gods milden zegen En vlijt dees ijzersmederij Tot dienst van mensch en paard verkregen. Zijn hulpe zij ons verder bij.

Groenteverkooper:

Adam en Eva, gesteld in 't groene paradijs, Aten hun buikje vol van de lekkerste spijs, Maar zij werden verleid van den schelmschen droes, Hier verkoopt men kool, wortelen, rapen en groen moes.

(Berlicum).

Tapper:

Wel te doen en vroolijk zijn Is 't beste op dees aard. Hier verkoopt men brandewijn En haver voor het paard.

(Oud-Pekela en Rotterdam).

In het Leppersfort Is geen drank te kort.

(Gent).

Hij moet gauw zijn, die wil tappen en wijn verkoopen, Maar nog gauwer, die met het gelag deur wil loopen.

(Leuven).

Herbergier:

Ik woon hier aan den weg, Wat kan men beter wenschen Dan de zegen van den Heer En de gunst van alle menschen.

(Horn, L. en Westerwolde, Gr.)

Barbier:

Die graag zijn baard zich ziet ontnomen, Ga niet voorbij, wil binnenkomen, Van welken rang of staat, 't Zij burger of soldaat.

Ik geef aan elk fatsoenlijk man Zoo veel genoegen als ik kan, Ik doe mijn best aan alle gaar, En die 't verlangt snij ik ook haar.

(Assen).

Bakker:

Misgun geen bakkers winst, gij goede en kwade liên, Zij arbeiden het brood met lichaam, voet en knien.

(Amsterdam).

Besteedster:

Hier woont de besteedster, twee hoog, aan de linker deur, Klop je aan de rechter, dan komt de Vroemoêr veur.

(Amsterdam).

Glazenmaker:

Met glas en lood Win ik mijn brood.

(Amsterdam).

Gouddraadtrekker:

Hier trekt men naar de kunst het goud tot dunne bladen, Om ons gewin en ook voor wereldsche sieraden; Maar als wij rusten nemen wij weer ons gemak, Totdat het geld verdwijnt tot slijm gelijk een slak.

(Brussel).

Kleermaker:

Geen mensch men acht Als om zijn dracht, Dies laat mij brave kleeren maken, Wilt gij tot ambt of eer geraken.

(Enkhuizen).

Koekebakker:

Koek die zoet is Koek die goed is Koek die gaar is Proef of 't niet waar is.

(Zaandam).

Koffiehuis:

Alle anderen zijn in abuis, Maar hier is het ware koffiehuis.

(Heerlen, L.)

Kroeg:

In den cabaret, dien men hier wijst, Wordt men gelaafd en gespijsd.

(Eecke, Vlaanderen).

Kuiper:

Door kuipen werden veel tot staat en eer verkoren, Het kloppen is het best, hetgeen wij daaglijks hooren.

(Gent).

Melkboer:

Hier verkoopt men room Zeer vroom En zoetemelk Voor elk.

(Houten, U.).

Pruikemaker:

Hier maakt men pruiken om een ieder te gerieven, Van levend menschenhaar, niet van gehangen dieven.

(Gent).

Schipper:

Ik vaar ter zee op Gods genade, Dat God bewaart kan mij niet schaden; 't Zij dat ik uitvaar of wederkeere, Ik verwacht altijd de zegen des Heeren.

(Vlaardingen).

Stalhouder:

Hier stalt en verhuurt men paarden, Bij niemand zullen zij beter aarden; Ik geef haar haver en goed hooi, En, om zoo te zeggen, zuiver strooi.

(Alkmaar).

Wie wil rijden met behagen Moet naar Willem Stallaert vragen.

(Antwerpen).

Veerhuis:

In dit veerhuis, heel plesant, Ziet men de scheepjes aan alle kant Het Maasje op en neder varen; God wil dit huis van leed bewaren. Hier Tapt men Genever, Brandewijn en Bier.

(Besooien).

De volkskunst, met name de dekoratieve kunst, spreekt verder uit de _uithangborden_: uit vorm, voorstelling en opschrift. Daarin vertelt een stad haar geschiedenis; daarop leest men, waardoor een plaats bloeide of bloeit, bespiedt men een stuk van het maatschappelijke en huiselijke leven; maar daarin weerspiegelt ook de kunstzin der gemeente.

Wat hun oorsprong betreft, dezen zoek ik gaarne met Van Lennep en Ter Gouw in de heraldiek: het huis van den poorter was _zijn_ kasteel, en dit moest geblazoeneerd worden met wat hij zich tot zinnebeeld gekozen had. Zoo verklaart men hun algemeenheid en het bijzonder type van sommige, b.v. _in den Rooden Leeuw_. Het symboliseeren van ambten en bedrijven zelf kende men echter in het oude Rome reeds evengoed als tegenwoordig: men vond daar een krans vóor een herberg, een geit vóor een melkinrichting, een molensteen vóor een bakkerswinkel enz. Voor de geschiedenis der uithangteekens verwijs ik naar het uitvoerige werk van genoemde schrijvers: De Uithangteekens in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. 2 dl. (Amsterdam 1868).

Als heraldische figuren vermeld ik _de Kroon_, of _de Drie Kronen, de Keizerskroon, de Landbouw_ enz., voornamelijk aan de herbergen. Dit geldt evenzeer voor _de Helm, het Schild, de Gouden Leeuw, de Roode Leeuw, de Roos, de Meermin, het Kruis_. Ook dragen tegenwoordig meerdere hotels nog de wapens van landen, steden of personen. Andere uithangteekens zijn zinnebeeldig: _de Liefde, de Trouw, de Eendracht_, of ontleend aan den Bijbel: _Adam en Eva, de Arke Noachs, de Geduldige Job, de Jonge Tobias, de Vlucht naar Egypte, de Samaritaansche Vrouw_ (b.v. te Alkmaar op de Groenmarkt), _de Drie Koningen_ (o.a. te Amsterdam in de Paardenstraat), enz. In Katholieke streken komen de heiligen veel voor: _Sint Andries_, staande naast of gebonden op het Andreaskruis, _Sint Barbara_, staande naast of dragende op de hand den toren met de drie vensters, _Sint Hubertus_, vooral in België, _Sint Jacob, Sint Joris, Sint Maarten, Sint Krispijn, Sint Pieter_. Ook ontleent men aan de mythologie of aan het volksverhaal, vroeger natuurlijk belangrijk meer dan thans: _de Dorstige Pleiaden, de Ridder met de Zwaan, de Vier Heemskinderen, de Gelaarsde Kat_. Van historischen aard zijn het _Schip van Damiate_, o.a. te Amsterdam, _in den Preekboom_, te Clercken in België, _de Tiende Penning_, te Brielsch Nieuwland; ook schuilt in de uithangborden menige plaatselijke overlevering. Van merkwaardige personen noem ik _Floris de Vijfde, Paus Adrianus, Erasmus_. Vroeger hadden de uithangborden opvoedkundige waarde: want zij onderwezen het volk in de geschiedenis en de jeugd in het lezen; ook vervingen zij feitelijk de naambordjes der straten en deden dus als goede wegwijzers dienst, even praktisch als typisch en schilderachtig.

Nog steeds hebben sommige beroepen en bedrijven vaste uithangborden. Sommige apothekers en drogisten voeren _den Vijzel_ of _den Gaper_, dezen waarschijnlijk, dewijl de zieke immers moet gapen, om zijn tong te laten zien, en eveneens tot het slikken der artsenijmiddelen. Kleermakers voeren de _Schaar_, metselaars de _Troffel_, smeden den _Gouden Sleutel_ en het _Proefslot_, hoedemakers den _Hoed_, barbiers het _Scheerbakje_ of de _Kwast_, herbergiers het _Vat_, slagers het _Varken_, bakkers het _Brood_, schippers het _Schip_, terwijl de _Klok_ voor herbergiers, winkeliers en kooplieden van allerlei slag geschikt lijkt. Ook ziet men nog vaak een _Moortje_ of _Moriaan_ boven een tabakswinkel, _Koffiebaaltjes_ boven een kruidenierswinkel, een _Theeboom_ boven een theewinkel, een _Haring_ boven een vischwinkel; terwijl het wapen van een stalhouder _Twee tegen elkaar opspringende Paarden_ zijn op de staldeuren met het opschrift: "hier stalt en verhuurt men paarden en rijtuigen."

De meest voorkomende uithangteekens van hotels, herbergen en kroegen zijn wel: _de Krans, de Toelast_ (groot wijnvat), _'t Zwijns-hoofd, 't Zwaantje, 't Dorstige Hart, de Wildeman, de Reizende Man, de Druif, de Wijnberg, de Bok_. Boven een pothuis ziet men nog wel eens den kruier in de uitoefening van zijn bedrijf en daarbij de legende: "Jan de Kruijer klopt Tapijte." Maar het bordje met _Water en Vuur_ en bijbehoorenden ketel, die te vuur staat, zal wel met de water- en vuurkelders tot het verleden behooren. Ten slotte vermeld ik nog _de Zon, de Maan_ (te Utrecht op de Lijnmarkt ziet men een gevelsteen: _in de Vergulde Maan_), _de Beer, de Olifant, het Hert, het Paard, de Kat, de Haan, de Zwaan, de Papegaai, de Snoek, de Oranjeboom, de Lelie_ enz. enz.

De uithangteekens worden veelal door rijmpjes geïllustreerd. Ik geef enkele staaltjes.

Te Bontebok, een gehucht bij Heerenveen, vóor een herberg, waar de _Bonte Bok_ uithangt:

Vrienden ik ben een bok, Een bok ben ik geheeten, Menigeen is een bok, Maar hij wil 't niet weten.

Uit Friesland:

Aan de eene zijde staat een _varken_, dat zal geslacht worden; daaronder leest men het rijm:

Dit varkentje heeft veel verdriet, Maar dat weten de varkentjes aan de andere zijde niet.

De andere zijde stelt een weide voor, waarin varkentjes rondloopen; daaronder staat:

Deze varkentjes loopen in de wei, Maar dat weet niet het varkentje aan de andere zij.

Onder een voorstelling van _hond_ en _haas_;

Dit is de honte, en dat is de hoaze, En omdat ik ben 'n meester en boaze, Zet ik d'r onder: Dit is de honte, en dat is de hoaze.

_Kaïn_ en _Abel_ op een bakkerswinkel:

Kaïn sloeg Abel dood Al om een hoekje, Hier verkoopt men wittebrood En ook een koekje.

Te Maastricht vindt men een blauwen gevelsteen, waarop een _Engel_, eertijds uithangbord, met dit rijmpje:

In den Engel bemind, Treê binnen mijn vrind, Hier tapt men met pleizier Jenever en bier.

Te Delft boven een herberg, die _Sint Joris_ voert:

In Sint Joris vol van waarden Tapt men wijn en bier en stalling voor de paarden.

Te Eindhoven hangt, of hing tot voor kort, boven een kroeg een _Rustende Schutter_ uit, met het opschrift:

Rust met lust En drinkt met maten, Maar die geen centen heeft Moet het drinken laten.

Voor een huis, waar de _Mosterdpot_ uithangt:

Ik lever uit Een zeldzaam kruit, Daar zijnder weinig in de stad Of 'k heb ze bij de neus gehad.

Te Dordrecht in de Nieuwstraat staat onder een _Molen_ en een _Zeilend Scheepje_ bij een kruidenier:

Ik laat alle winden waaijen En alle molens draaijen En alle waters vloeijen, En ieder zich met het zijne bemoeijen. _Gedult overwind alles_.

Een _Bijenkorf_ vindt men niet alleen bij koekbakkers, maar ook bij kantwinkels; aldus te Rotterdam:

In de Bijkorf verkoopt men kant, Geen beter in 't Lant, Voor geld contant Strak in de hant.

Als karakteristieke uithangborden, voorkomende in het Land van Waas, worden ons door A. Vee in Volkskunde XVI, bl. 116, medegedeeld: _de Boerentroost, de Vuile Gevel, Rust wat, in Trien goed bier, de Kilopint, Bij Baasken Zat_ enz. Ook vindt men hier o.a. de volgende berijmde uithangborden:

Te Melsele:

Ik woon op den Smoutpot alhier, Hebt ge geld, dan heb ik bier, Hebt ge er geen, dan staat er Hier naast een pomp met water.

Te Clinge:

Dorstig hartje, moe van 't gaan, Kom eens binnen in de Zwaan, Er woont een man alhier, Die schenkt genever en bier.

Om nu verder de dekoratieve volkskunst in oogenschouw te nemen, treden wij wederom het woonhuis binnen.

In menige volkswoning vindt men heden nog zorgvuldig ingelijste _bidprentjes_, vooral in het zuidelijk volksgebied. Met "bidprentje" bedoel ik niet "doodenprentje" of "doodsprentje", een begripsverenging van lateren datum; maar wel het oude en oorspronkelijke herinneringsprentje of -beeldeken, in kopergravure, gekleurd of ongekleurd, met berijmde gebeden, terwijl de herinnering aan de religieuze gebeurtenis, meestal eerste kommunie of vormsel, op de achterzijde geschreven staat. De gekleurde _sanktjes_ kwamen vooral sedert de XVIIIe eeuw in zwang. De oorsprong der berijmde gebeden is meestal duister--het is immers _volkspoëzie_--, enkele hebben hooge dichterlijke waarde. Zoo b.v.:

Verzuchting tot Maria.

O Maria, graci-bron, Schooner als de gulde zon, Klaerder als de zilvre maen, Die men 's avends op siet staen. Oversuyver leli-bloem, Uitgelezen Maeghden-roem, Bidt u allerliefste kindt, 'T geen ghij boven al bemint, Dat mijn duijsterheijt verdwijnt, En sijn gratie mij beschijnt, Op dat ick geheel verlight Magh voldoen aan mijne plicht.

Aanroeping tot Maria Magdalena.

Sondaeres, die Christi voeten Met boetveerdigh nat begiet, Om uw sondig quaedt te boeten, Jesus door genade schiet In uw ziel een soeten regen, En hij wascht uw smetten af: Gij verkrijght den hemel-seghen, Vrij van sonden ende straf. Jesu! geeft mijn herte suchten En mijn oogen droef getraen, Opdat ick de sonden vluchten En beween', die 'k hebb' begaen.

Ook de _huiszegen_ wordt zorgvuldig ingelijst aan den muur gehangen, bij voorkeur in de huiskamer. De gangbare voorstelling is die van Christus aan het kruis, met bijgevoegd gebed "tot den Zoeten Naam Jezus en Zijne lieve heiligen." Gods zegen wordt afgesmeekt over "het huis en al wat daar in en uit is; menschen en vee, alle eten, spijs en drank, en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd en gezegend!" Aldus moge het gezin in den ruimsten zin, menschen en vee, gevrijwaard blijven voor alle ziekten en rampspoed. "Het heilig kruis van Jezus Christus zij het dak van dit huis; de Nagels van Jezus Christus de huisgrendels en de sloten aan de deuren; de doornen Kroon van Jezus Christus het schild van dit huis!"

In Vlaanderen zijn de meeste huiszegens afkomstig van de firma Brepols en Dierckx, Zoon, te Turnhout; dan ook van de firma Beersmans, zuiver van uitvoering en kleur.

Men vindt verder nog vaak den _Duivelsdans_, "den dans in eenen kring, welkers middelpunt den Duyvel is, en den omtrek alle zijne rondom staande engelen". Lucifer wordt voorgesteld ruw behaard, met hoorns, bokspooten en een langen staart, in de linkerhand een slang, in de rechter een haak. Hij leidt den dans, uitgevoerd door 34 gevallen engelen. Binnen in den kring bevinden zich nog drie muzikanten en verder dansers, drinkers en herbergiers. Buiten den kring worden de hoeken gevuld boven links door een vrouw, voor een Mariabeeld geknield, rechts door een vroom gezin, in gebed voor een kruisbeeld; beneden links een weenende vader, rechts een bedroefde moeder.

Daaronder staat een liedeken, welks eerste strofe luidt:

Let hier wel, die zijn genegen, En wiens hert vliegt tot den dans, Wat het werk is, 't geen zij plegen, Eer zij wagen nog de kans. Lucifer is daer in 't midden, Hij speelt meester van de bend'; Zonder men het kan verbidden Met zijn haek uw ziele schendt.

Een andere zeer geliefkoosde prent is de _Trap des Ouderdoms_, waarschijnlijk van Franschen oorsprong (firma Pellerin te Epinal). Op een stijgende en dan weer dalende trap van negen treden staan paren onder de--oorspronkelijk Fransche--opschriften: Age de l'adolescence 10 ans; âge de la jeunesse 20 ans; âge viril 30 ans; âge de discrétion 40 ans; âge de maturité 50 ans; âge déclinant 60 ans; âge de décadence 70 ans; âge caduc 80 ans; âge de décrépitude 90 ans. Beneden links ziet men het kind in de wieg, bewaakt door zijn beschermengel. Daarnaast kinderen van 3 en 4 jaar. Rechts beneden twee honderdjarigen op hun sterfbed; een engel wijst zegevierend ten hemel, terwijl de satan in wanhoopskronkelingen zich wentelt over den grond. Verder zijn nog in medaillon-vorm over de plaat verspreid de voorstellingen van het laatste oordeel, het doopsel, het vormsel, de eerste kommunie, het huwelijk, de begrafenis.

Ter bescherming tegen de ziekten van het vee vindt men veelal ook voorstellingen van de _H. Birgitta_ of Brigitta, te midden van het vee. In het bijbehoorend gebed worden hare openbaringen vermeld.

Als versierselen van de volkswoning mag ik ook de _processievaantjes_ niet voorbijgaan. Het zijn vrome trofeeën, uit bedevaartplaatsen meegebracht; vroeger tooiden zij hoed, huifkar en paard, thans de fiets, en thuisgekomen krijgen zij een eereplaats bij den schoorsteen,--de eigenaardige, driekantige, bont-gekleurde papieren vaantjes, waarschijnlijk een survival, althans een navolging van de aloude gilde-banieren. De voorstelling heeft doorgaans betrekking op de kerk der bedevaartplaats, of op het beeld of het leven van den heilige, daar vereerd. De meest bekende processievaantjes zijn wel die van Scherpenheuvel en, voor Noord-Nederland, van de Duitsche bedevaartsplaats Kevelaer. De verzameling van het Antwerpsche museum van Folklore telt 123 nummers, de verzameling van Heurck niet minder dan 236. Over deze processievaantjes zie vooral het opstel van Van Heurck in Volkskunde XXI, bl. 182.

Zoo kom ik als vanzelf tot de profane _volksprenten_ of _mannekesbladen_, in Noord-Nederland vroeger _floskaartjes_, thans meestal _centsprenten_ genoemd. In Noord-Holland en Friesland is de volksnaam echter van oudsher _heilig_; dit is natuurlijk zeer opmerkenswaardig, omdat de prenten, die heiligen voorstellen, er sedert eeuwen onbekend zijn. Wij hebben dus te doen met een overblijfsel uit de eerste dagen der volksprentkunst, waardoor tevens het oorspronkelijk religieuze karakter dezer kunst wordt bevestigd. Met vreugde en voldoening herinneren de lezers van meer gevorderden leeftijd zich stellig deze eenvoudige en toch zoo aantrekkelijke voorstellingen uit de dagen hunner jeugd. Thans worden zij met den dag zeldzamer. De voorstelling lijkt de kinderen-van-thans te grof, te onnoozel, het kleurenwerk te kakelbont.