Chapter 43
heeft betrekking op een Amsterdamsch kapitein, n.l. Zeger van Son, die op 6 Sept. 1748 bij de parade ter eere van den stadhouder Willem IV behalve de gewone troepen ook eene "compagnie jongeheertjes" deed exerceeren. Hij regeerde dus werkelijk groot en klein. Zie hierover Boekenoogen, Onze Rijmen, 6 vlg., waar de aandacht gevestigd wordt op de historische kern van nog menig ander tot kinderrijm vervormd volksliedje; zoo b.v.:
De Bisschop van Munster Met honderdduizend man, Voor Groningen, voor Groningen eens kwam. De Bisschop van Munster, al weer van voren af an.
Vooral de Fransche tijd heeft op ons volk een diepen indruk gemaakt, waarvan wij de reflex vinden in het volkslied. Wie kent niet het kinderrijmpje:
Rataplan, rataplan, rataplan! Daar komen die drommelsche Franschen weer an, Ze hebben geen kousen en schoenen meer an, Rataplan, rataplan, rataplan!
Heel wat waardevoller in historisch, nationaal en artistiek opzicht is het pittige, jubelende volksliedje, dat dagteekent uit het jaar 1650:
Al is er ons Prinsje nog zoo klein en hoezee! _bis_
Alével zal hij stadhouder zijn; Vivat Oranje, hoezee! (_bis_).
In België leven insgelijks de herinneringen aan den Franschen tijd in het volkslied nog voort; ook aan de Spanjaarden en, althans tot voor kort nog, aan Jacob van Artevelde, en aan het beleg van Yperen in 1383; zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied II, bl. 1525-1825; Dr. J. van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen.
Tot welk een dorren, prozaïschen stijl het historische lied zinken kan, toont ons het volgende:
Napoleon, waar zijt gij gebleven, Napoleon, waar is uwe tijd, Eertijds was ge keizer van Genève, Daar ge nu op een eiland zijt (_bis_); enz.
Zie voor den volledige tekst de Graafschapsbode 16 Maart 1907; Driem. Bladen VII, bl. 62.
Maar nog dient gewezen op de groote rubriek van het _feestlied_, dat het geheele natuurlijke en kerkelijke jaar doorloopt, en van af Sint Maarten (11 November) tot Sint Maarten de feestgetijden met blijden jubel of droeve klage begeleidt. Ik heb deze liederen reeds besproken in het hoofdstuk over de Volksfeesten (I, bl. 99-209) en wensch dus nog slechts aan het volgende te herinneren. Al de zoogenaamde natuurliederen, winterliederen, zomerliederen, meiliederen enz. zijn feestliederen in den waren zin des woords en geven de stemming op het natuurfeest weer. Wel bewegen zich deze liederen somtijds in een bijzondere richting; zoo zijn b.v. de meiliederen dikwijls òf minneliederen òf geestelijke liederen ter eere van Maria (I, bl. 190).
Hiermee heb ik tevens mijn meening geuit omtrent den aard van het _geestelijke lied_, de laatste groep van het volkslied. De kerstliederen, nieuwjaarsliederen, Driekoningenliederen, passieliederen, paasch- en pinksterliederen enz., en voor een overgroot deel de Marialiederen en de liederen ter eere van andere heiligen, zijn feestliederen. En deze feestliederen, wier kader heel wat ruimheid bood--men denke aan de reeks geestelijke liederen, die de _Vlucht naar Egypte_ behandelen, eigenlijk kerstliederen--waren of wel zuiver lyrisch, of episch-dramatisch. Men ziet het: een strenge afscheiding van het wereldlijke lied is niet door te zetten. Ook wat de melodieën betreft, schijnt er wisselwerking geweest te zijn; het geestelijk lied leende zijn wijzen en ontleende die ook weer op zijn beurt aan het wereldlijke. Trouwens hierin vond men niets stootends of oneerbiedigs, omdat in die dagen de tegenstelling van gewijd en profaan niet bestond, als tegenwoordig veelal het geval is. Hetzelfde geldt voor het kerkelijke lied, doorgaans feesthymne, maar toch ook volkslied, in zoover het daadwerkelijk uit het volk, of althans uit den volksgeest is voortgesproten. Imposante kerkelijke liederen als het _Dies Irae_ en het _Stabat Mater_ stoelen beslist op den volksgeest en behooren tot de schoonste loten van de Middeleeuwsche volkspoëzie.
Maar het geestelijk lied kan ook uiting geven aan het gevoel van een enkeling, kan uitzingen diens lof en dank, of vertolken diens hoop en berouw: en zoo ontstaan de roerende liederen der "Minnende ziel", de "Zieleklachten" enz., die zich wellicht hebben ontwikkeld uit geestelijke verzuchtingen als deze:
Maria, Gods Moeder, reine Maagd, Al onze nood zij U geklaagd.
Deze individuëele liederen kunnen echter ook zijn van paraenetischen aard, en dus beschouwingen behelzen over de Vier Uitertersten e.d.
Zijn dramatisch element ontleent het geestelijk lied meestal aan het feit, dat het stoelt op de dramatische vertooningen in de kerken, met name tusschen Kerstmis en Driekoningen; zie hierover vooral de beschouwingen van Knuttel in zijn uitnemend werk over het Geestelijk Lied enz., bl. 88 vlg.; Kronenburg, Maria's heerlijkheid V, bl. 434 vlg.
Hier volge een Kerstlied en een Driekoningenlied, schaarsche resten van vroegere weelde en overvloed.
Wilt uit u-wen slaap op-sprin-gen, En ver- blij-den ons al-len ge-lijk. Hier is ons een kin-de-ken ge- bo-ren Van Ma-ri--a, die uit-ver-ko-ren. Brengt de bood-schap in 't o-pen-baar Al met de-zen nieu-we-jaar.
Op ee-nen Drij-ko-nin-gen a-vond En op ee-nen Drij-ko-nin-gen dag, Dan von-den wij Ma- ri-a Mag-da-le-na Al op Heer Je-zus' graf. Sta-get op, Ma-ri-a Mag-da-le-na, Sta-get op van de bit-te-re dood, Uw zon-de-kens zijn al-le ver-ge-ven Al wa-ren zij nog zoo groot.
Een overoud passielied, in Hollandsch Limburg en in België bekend, begint met deze strofe:
Hier is 't begin van 't bitter lijden Van Onzen Heer Gebenedijde, Die ons van zonden heeft verlost, Dat heeft Zijn dierbaar bloed gekost.
Het oude paaschlied: "Christus is opghestanden, Al van der martelijen allen" enz. heeft menige verandering ondergaan. In het Spaansch leger vóor Haarlem (1573) werd het geparodieerd als:
Christus is opgestanden, te Haarlem is een buit voorhanden;
terwijl van het paaschvuur gezongen werd:
Christus is opgestanden, t' avond zullen wij vuren branden.
Als hedendaagschen vorm geven de Driem. Bladen XIII, bl. 51:
Christus is opgestanden Al van de Joden hun handen, Dus willen we allen vroolijk zijn, Christus zal onze Verlosser zijn, Halleluja!
Was Christus niet verrezen Alom met Zijn goddelijk Wezen Wij waren gebleven in grooten nood, Wij moesten allen sterven den eeuwigen dood, Halleluja! Christus voer ter hellen Om daarin vrede te stellen, Die in de duisternisse zeer lagen bezwaard, God heeft ze met Zijn eeuwige licht verklaard, Halleluja! enz.
Een afzonderlijke vermelding verdienen nog de bedevaartliedjes, die buiten het feestjaar staan en ten deele verhalend, ten deele lyrisch van aard zijn. Het refrein van een algemeen verspreid bedevaartsliedje luidt:
En zouden wij dan niet vroolijk zijn, De hemel is de onze, En was de hemel de onze niet, Dan waren wij zoo vroolijk niet, De hemel is de onze.
Ten slotte volge hier het _Lied van den Boom_, dat door sommigen als een danslied beschouwd wordt, omdat men het wel eens in een rondedans om een boom zingt.
Men vindt dit lied in Holland, Friesland, Limburg, Vlaanderen, echter met tallooze varianten, vooral aan het einde, waartoe de eigenaardige vorm en gang van het lied zonder twijfel aanleiding gaf. Ik geef hier de lezing van Heist-op-den-Berg, die ik voor de meest oorspronkelijke houd.
In mijnen hof daar staat eenen boom Zoo'n schoonen boom, Zoo'n liefelijken boom.
Refrein:
De boom staat in zijne eerde, Vol van weerde, En hij groeit zoo schoon!
Aan dezen boom daar komt er eenen tak, Zoo'n schoonen tak, Zoo'n liefelij ken tak. De tak komt van den boom.
Refr. De boom staat, enz.
Aan dezen tak daar komt er dan een blad, Zoo'n schoonen blad, Zoo'n liefelijken blad. Het blad komt van den tak, De tak komt van den boom.
Refr. De boom staat, enz.
En aan dat blad daar komt er dan een bloem. Zoo'n schoone bloem, Zoo'n liefelijke bloem. De bloem komt van het blad, Het blad komt van den tak, De tak komt van den boom.
Refr. De boom staat, enz.
En aan die bloem daar komt er eene vrucht. Zoo'n schoone vrucht, Zoo'n liefelijke vrucht. De vrucht komt van de bloem, Enz., enz.
Refr. De boom staat, enz.
Ik beschouw dit lied als een _kerstlied_. Waartoe hier met Van Duyse e.a. allerlei Germaansche boschvereering te hulp roepen, waartoe vooral met Pol de Mont (Nederlandsch Museum III, 2, bl. 217 vlg.) den wereldboom _Ygdrasil_ uit de Noorsche mythologie er bij halen, wanneer de verklaring toch voor de hand ligt? En die is, dat wij hier met den boom van Jesse te doen hebben. Zelfs luidt te Deerlijk en elders het slot--dat ik echter niet voor oorspronkelijk houd--:
En op dien tak daar staat een nest, enz. En in dien nest daar lag een ei, enz. En in dat ei daar zat een kind, Een goddelijk kind, Een kind dat ons verlossen zal, Dat ons verlossen zal.
Werd Christus niet aangeduid als de spruit en de bloem uit den wortel van Jesse? En zingt _Venantius Fortunatus_ niet in zijn kersthymne: "De wortel van Jesse heeft gebloeid en de spruit heeft vrucht gedragen?" Het was immers een lievelingsbeeld der geestelijke poëzie in de Middeleeuwen, Maria en Christus voor te stellen als de bloem en de vrucht uit den wortel van Jesse. En mocht iemand dit alles onvoldoende lijken, dan verwijs ik nog naar de veelvuldige ikonografische voorstellingen: een boom schiet op uit den slapenden Jesse, met reuzenbloemen aan de twijgen. Op en in die bloemen zitten rechts en links koningen en op den top troont Maria met het Jezuskind.
Op weinig uitzonderingen na wordt door het volk tegenwoordig weinig meer gedicht en gezongen. De zanglust, die vroeger levensbehoefte scheen, is verslapt. Hoe kan in dezen tijd het volk ook zingen? Nu de poëzie hoe langer hoe meer uit het volksleven terugwijkt, nu de ziellooze machine vervaardigt het eertijds bezielde werk, waarin de man-uit-het-volk een stuk van zijn ziel, zijn gemoedsleven, een stuk van zijn eigen-ik legde? Slechts daar, waar gemeenschappelijke handarbeid de menschen nog vereenigt, klinkt het rhytmische volkslied als eertijds: bij het maaien, het bezembinden, het stroovlechten, het tabaksbewerken, het steenhouwen, het kuipersbedrijf. Vooral echter, waar stille huiselijkheid en gezelligheid woont, hoort men des avonds bij het knappende haardvuur of op de bank vóor de woning of onder de dorpslinde nog het aloude gezang. Ook het volksfeest, voor zoover de moderne kultuur dit niet door en door verdorven heeft, de bruiloft en de kermisviering worden nog wel door het lied opgevroolijkt.
Daar zijn tijden geweest, waarin het karakter van het geheele volk zich weerspiegelde in het volkslied; en ons Nederlandsche volkslied kan de vergelijking doorstaan. Het kende niet de hartstochtelijkheid der Italiaansche, de waardigheid van de Spaansche, de sierlijke gratie van de Fransche liederen; maar in diepte van gevoel werd het nauwelijks geëvenaard. Natuurlijk kwamen ook hier de rasverschillen tot uiting, en kwam het b.v. door den beweeglijken, meer emotioneelen Keltisch-Frankischen geest beter tot zijn recht.
Maar nu....de bovenkultuur heeft de kunst grootendeels aan het volk ontnomen en voor een élite van begenadigde kunstenaars gemonopoliseerd. De middelklasse wordt meer en meer uitgeschakeld, en waar in onze landen de kultuur het hoogst stijgt, wordt de klove tusschen hoogere en lagere standen steeds dieper. Daar zingt het volk geen volkslied meer, maar bauwt in drenzige deunen de aan flarden gescheurde opera-melodieën na met schunnige variaties. En al mag nu de tegenwoordige toestand in wat te schrille kleur geteekend zijn in H. F. Wirth's dissertatie: Der Untergang des Niederländischen Volksliedes (Haag 1911), het in-droevige van den toestand kunnen wij ons niet ontveinzen.
Dankbaar zeer zeker zijn wij de hedendaagsche dichters in den volkstoon: Heve, Dautzenberg, René de Clerq, Rodenbach; dankbaar aan degenen, die werkten tot herleving, althans der waardeering van wereldlijk of geestelijk lied: Hofmann V. Fallersleben, Van Duyse, Bols, Kalff, Knuttel, Coers, Roes, en aan de vele andere wakkere voormannen, die door woord en aktie,--ik denk aan het volksorgel--den gezonden volkszang trachten te bevorderen. Maar toch vrees ik, dat deze kunstmatige poging op den duur den ondergang van het volkslied niet zal tegenhouden. Wij leven te ver van de natuur. Wereld en menschen zijn anders geworden, daarom moet het volkslied sterven. Als een schichtig ree van uit het struikgewas tuurt nog hier of daar een kind der volksmuze met zijn sprookjesoogen in een wonderlijk-vervormde kultuurwereld, vol rook, rumoer en onrust. Het volkslied vlucht voor de schrille stoomfluit, als de elven voor het gelui der klokken.
IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.
Terwijl de kultuurkunst vooral tot uiting komt in het bouwen van kerken, torens, raadhuizen enz., spreekt de intieme volkskunst het meest uit de woon- en bedrijfshuizen. De _volksbouwkunst_ geeft een eigen kenmerk aan stad en land en volk: na eeuwen zelfs vertolkt zij ons den kunstzin van dat volk niet alleen, maar ook zijn geschiedenis, gebruiken, zeden en gewoonten, zijn welvaart, zijn geloof. Maar voorheen, meer dan thans, was de bouwkunst een stille opvoedende kracht, omdat duizenden handen en hoofden in haar dienst voortdurend werkzaam waren, op wie zij terugwerkende kracht kon uitoefenen. "Onder dien stillen drang worden de samenstellingen ongezochter, eenvoudiger, doelmatiger, degelijker, wordt alles typischer en expressiever, wordt de hand vaardiger en het oog gevoeliger en minder spoedig voldaan. Zóo inwerkend op tal van ambachten werkt de bouwkunst in en door dit alles terug op het gebied der kunstnijverheid en daardoor weder op het zoo uitgestrekte gebied der nijverheid": C. H. Peters, Oud-Groninger kunst, in de Gron. Volksalman. 1896, bl. 128.
Ten tijde, dat de persoonlijkheid, en met haar de persoonlijke kunstuiting, meer tot haar recht kwam,--toen ook de kleine burger of handwerksman iets voor zijn woonstede voelde en die opsierde naar vermogen, sprak uit _stad_ en _stadswoning_, uit de woon- en bedrijfshuizen inderdaad voor een groot deel het karakter hunner bewoners. Maar uit die periode van persoonlijke en zelfstandige kunst hebben slechts schaarsche overblijfsels ons bereikt. "Eerst met het laatst der XVe en het begin der XVIe eeuw begint onze erfenis, maar het is eene erfenis slechts van een gevel hier, een schouw daar, eene deur of zoldering elders; een nog uit- en inwendig intakt gebleven middeleeuwsch woonhuis bezitten wij nergens", schrijft weer de Rijksarchitekt C. H. Peters in zijn voortreffelijk werk: De Nederlandsche Stedenbouw (Leiden 1910), II, bl. 380. En dit is niet te verwonderen. Ekonomische redenen hebben hiertoe geleid. Groeide een woonbuurt, een dorp, een marktplaats uit tot een stad, dan verdween mèt die ontwikkeling ook het landbouwbedrijf en de hoeve, om voor een koopmans- en bedrijfshuis de plaats vrij te laten. In de omwalde, bepoorte en omgrachte marktplaats was geen ruimte voor vrij liggende hoeven of een uitgestrekt erf, maar slechts voor kleine woningen met ziend dak. Met het klimmen van de welvaart verdichtten zich echter ook de houten huizen, drongen op in rij en gelid en zochten door verbouwen in de ruimte, wat zij beganegronds moesten missen. En zoo ontstond hetgeen ons oog in oude steden of stadsdeelen zoo aantrekt: die ongewild mooie huizenreeksen, alle eertijds in hout gebouwd, met hun sierlijke lijnen en met de welgevormde bochten, die ons vaak nog resten. Zoo ontstonden die verrassende straateffekten, ook na het verdwijnen der houten woonhuizen veelal nog bewaard, en zoo sterk kontrasteerend met den modernen slatuin-vorm. Van sierlijke Nederlandsche huizengroepen en straatgezichten leeft ook nog de herinnering in oude teekeningen uit de XVIe, XVIIe en XVIIIe eeuw, toen van dien houtbouw nog een gedeelte over was; zoo b.v. van de markt en het raadhuis te 's Hertogenbosch, de markt te Middelburg, straten uit Maastricht (b.v. de Tongersche straat ten jare 1669), Den Bosch, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Alkmaar, Enkhuizen, Brussel, Gent, Brugge enz.
Met het verdwijnen van den houtbouw, tengevolge van branden, van stadskeuren en van andere, ekonomische redenen, werd deze zeer eigenaardige periode door den steenen huizenbouw opgevolgd. Maar ook het Middeleeuwsche steenenhuis verdween en werd vervangen door kostbaarder en rijker konstruktie.
Maar de eenvoud en soberte verdween en de gemeenschapszin werd losser. Tot de XVe eeuw voelde men zich éen met de burgers van zijn stad, was men met het wel en wee der stad op het nauwste verbonden, beschouwde men haar belangen, haar trots, haar fierheid als de zijne. En zoo verklaart men het feit, dat de burgers in dien tijd hoogst eenvoudig leefden en bouwden voor zichzelf, maar zoo ruim mogelijk bijdroegen tot het bouwen van een ruimer en sierlijker raadhuis of Godshuis _hunner_ stad. Met de XVIe eeuw werd men behalve poorter ook lid van het gewest, waardoor de betrekking van poorter tot stad losser werd. "De Stadspoorten, vóórheen angstig gesloten, openen zich nu meer en spoediger ter opname van _nieuwe_ elementen, van _nieuwe_ bedrijven; met de grootte der Steden breidde zich ook het gemeenschapsbegrip uit; en toen met de Reformacie ook de 'leer der goede werken' en de zorg voor het hiernamaals zich minder naar buiten uitte, verminderde onder den invloed der welvaart langzamerhand ook de vroegere eenvoud": C. M. Peters, t.a.p. bl. 392; vgl. Oud-Groningerland ('s Gravenhage 1912), bl. 150 vlg.; A. W. Weismann, Geschiedenis der Nederlandsche Bouwkunst (Amsterdam 1912); A. J. Kropholler, in De Beiaard I, 1, bl. 114 vlg.
Voortaan besteedde men dus meer aan de eigen woning, en de wooneenvoud maakte niet zelden plaats voor woonvertoon; en met de steeds wisselende stijlen verdwenen de overblijfselen van het vroegere woon- en bedrijfshuis, terwijl de verjongingskuur een steeds sneller stap aannam.
De _aard_ van de woonbuurt, waaruit de stad zich ontwikkelde, bepaalt natuurlijk in aanzienlijke mate den aard en aanleg der stad en den bouwvorm van het woonhuis. De steden zijn immers niet gesticht in bepaalden vorm op last harer eerste bewoners, maar gegroeid uit het mettertijd omwalde, omgrachte en bepoorte dorp. Uit de visschersbuurt op een gunstig gedekte plaats in een rivierbocht, of rond een inham, of bij den mond van een riviertak ontwikkelde zich het visschersdorp en de visschersstad: Amsterdam, Dordrecht, Kampen, Rotterdam. Waar de rivier zich verbreed had tot zeearm of zeeboezem, die tot veilige ligplaats dienden, vormden zich de havensteden: Antwerpen, Blokzijl, Harderwijk, Stavoren, Vlissingen. En hoe belangrijk deze ligging voor de stadsvorming geacht werd, blijkt wel het duidelijkst uit den faktor der taal. Immers uit het Latijnsche _portus_ "haven, stapelplaats" ontwikkelde zich het Middelnederlandsche woord _poort_ "stad", vanwaar de burger den naam van _poorter_ droeg. Ook dáar vormde zich aldra een stad, waar een rivier ophield bevaarbaar te zijn: Leuven, Brussel, Yperen; en eveneens, waar twee rivieren samenvloeiden: Gent, Mechelen. Bij smalle rivieren werden de beide tegen elkaar gelegen oevers bezet: Gouda, Leiden, Utrecht. Uit kringdorpen ontwikkelden zich Bolsward, Dokkum, Leeuwarden met hun heuvelachtige op- en afloopende straten. Sterk verraden hun oorspronkelijken vorm: Middelburg, rond den burcht tegen de Noormannen, en Oldenzaal, rond de eerste Christenkerk, met hun straalsgewijze loopende straten. Het komdorp met zijn brink, dien men zoo mogelijk als marktruimte gebruikte, vinden wij terug in steden als Assen, Deventer, Groningen, Harderwijk, Steenwijk. Het streekdorp spreekt uit Amersfoort, Kuilenburg, Wageningen, Edam, Sittard, Vianen, Monnikendam. Het centrum van een dorp was ook vaak een kasteel, buiten welks omgrachting lijfeigenen, visschers, landbouwers en nijveren bescherming zochten; hieruit ontwikkelden zich de kasteelsteden met hun sprekend vast plan van aanleg: Gent, Brugge, Rijssel, Brussel, Haarlem, den Haag, Montfoort, Gorinchem, Sint-Maartensdijk.
Wat nu de ontwikkeling der afzonderlijke woningen betreft, diene het volgende. De hoeve ontwikkelde zich uit de hut (I, bl. 32), in woudstreken nagenoeg cirkelvormig en gebouwd uit twijgen, leem en stroo, in heidestreken uit dennenstammen met plaggenbekleeding, langs de kust uit palen in den kleigrond geheid. Deze hut in haar drie genoemde typen: leemenhut, plaggenhut en paalhut bestaat nòg. De leemenhut doet dienst als nood-, vlucht- en berghut; de plaggenhut als woning op de heide; de paalhut als visscherswoning, b.v. op Marken of te Volendam. Uit de hut ontstond mede de arbeiderswoning te platten lande.
Uit visscherswoning en hoeve ontwikkelde zich de privaatwoning in de steden: voor- en achterwand worden opgetrokken ter volle dakhoogte en het stolpdak verandert in een schilddak. Zoo is de binnenruimte grooter geworden, en in de beide opgaande eindwanden, gevels genoemd, plaats verkregen tot het maken van zooveel openingen, als het bedrijf maar vraagt. Want het bedrijfshuis en eveneens het koopmanshuis vorderen gebiedend meer ruimte en meer licht. Maar over het algemeen bleef aanvankelijk de huisbouw aan de eenvoudige, karakteristieke samenstelling der hoeve getrouw. Een verdieping wordt echter eveneens noodzakelijk; en zoo wordt het stolphuis met zijn windopen dak vervangen door een huis met een verdieping, doorgaande over de volle huisbreedte en -diepte. En wat het schilderachtig effekt van deze, uit redenen van ekonomischen aard voortgesproten, verbouwing zoozeer verhoogde: waar de stoep- of straatbreedte zulks toeliet, werd niet zelden de verdieping vier tot zes voet overgebouwd. Dit gedeelte werd dan gesteund door stijlen; en zoo ontstond een kleine, vooral bij hoekhuizen gewilde galerij. Ook noodigden deze huizen uiteraard uit tot zaag-, steek- of beeldhouwwerk, waardoor het straateffekt belangrijk werd verhoogd. Het huis droeg geen nummer: het ware noodeloos. Elk huis toch, hoezeer ook samenwerkend tot gemeenschappelijk effekt, stond op zich, vormde een eenheid op zich. Het deed zijn best gezien te worden, zegt Peters, door opschrift of uithangbord, het had iets eigenaardigs, iets karakteristieks, iets leuks, in topgevel, in uit- of terugbouw, in spelend behandeld dak of anderszins. Daar is in den houtbouw zooveel diepte, kleur, schaduw en tegenstelling!
Maar volkskunde is de wetenschap van het heden. Wat bleef dan van deze ongezochte glorie in onze volkskultuur? Helaas, terwijl de houtbouw nog gevonden wordt te Bayeux, Caen, Goslar, Hildesheim, Nürnberg, Hamburg, Lisieux, of ook in Engeland, is hij in ons land zoo goed als verdwenen.
Ook in de steden van Vlaanderen en Brabant resten misschien nog slechts een tiental houten gevels. De houtbouw leeft hoofdzakelijk nog slechts voort in onze molens, die het schilderachtig effekt van het landschap in zoo ruime mate verhoogen, in hoeven, schuren en verder in ondergeschikt gedoe.