Nederlandsche Volkskunde

Chapter 42

Chapter 423,723 wordsPublic domain

vgl. te Brugge: "O.L. Heertje schudt zijn beddeken uit en al de pluimtjes vliegen deruit", terwijl dit elders de Engeltjes of, zooals in Noord-Brabant, Maria doet,--dan kan men wel zeggen, dat dit liedje eigenlijk op de Germaansche Godin Holda betrekking heeft, en onmogelijk is dit ook niet. Maar het kan óok zijn, dat wij hier eenvoudig met een animistische opvatting (in ruimeren zin) te doen hebben, die eertijds tot een faze van de Holda-mythe aanleiding gaf. Men moet terdege onderscheid maken tusschen hoogere en lagere mythologie.--Ook is de meening, dat Engeland=Engelland het zielenrijk zijn zou, tegenwoordig vrij wel verouderd.

Wanneer ik nu nog gewezen heb op de oude en dialektische taalvormen, die zich in menig kinderliedje gered hebben, dan hoop ik den lezer althans eenigermate van het groote belang van het kinderlied te hebben overtuigd.

Het kinderdanslied komt meestal voor bij het touwtjespringen, het rondedansen en het reidansen. Bij het touwtjespringen is het rhythme natuurlijk weer hoofdzaak: en hierin ligt de verklaring van het feit, dat den volwassenen wel eens raadselachtig voorkomt, hoe n.l. de kinderen uren en uren, en weer dag aan dag met dezelfde springspelletjes kunnen bezig blijven. De oplossing ligt in het meeslepende, in de onbedwingbare lust van het rhythme. Twee meisjes draaien het touw met gewonen tragen slag en zingen daarbij, terwijl een derde in de koord danst:

Ik heb een jas-ken ge-kocht, Naar de naai-ster ge-bracht. Zoo ge-zeid, zoo ge-daan, Om naar huis toe te gaan, In, spin, springt bij den boer maar in, Uit, spruit, springt bij den boer maar uit.

Bij de woorden "in, spin" krijgt de touwtjesspringster een mededanseres naast zich, en bij de woorden "uit, spruit" loopt de eerste weg. En zoo gaat het steeds door, met evenveel ijver en opgewektheid.--In Friesland hoort men:

Ik heb een jasje gekocht, Naar de lommert gebrocht,

en de finale luidt daar:

Van inspin, Spring er dan maar in, Van uitspruit, Spring er dan maar uit.

Dit spel biedt wel eenige verscheidenheid, en veel is ook over gelaten aan de willekeur der draaisters. Maar oneindig meer afwisseling vertoont toch het rondedansen, waarbij de kinderen nu eens gewoon luchtig op- en neerspringen op het maatgeluid van hun lied, dan weer plotseling neerhurken, dan andermaal het dansen begeleiden met handgeklap en allerlei nabootsende gebaren. Een der meest bekende kinderliedjes, dat als danslied en wiegelied tevens dienst doet, is het bekende "Klein, klein kleutertje", in Vlaanderen ook: "Klein, klein Marieken".

Te Herdersen leeft deze variant:

Klein, klein Jee-se-ken, He-je gij zul-ke kou? Komt in mijn her-te-ken wo-nen En maakt u daar een schouw.

We zullen een vierke stoken; We zullen een pappeken koken; En brengt uw liefste moederken mee, Dan zullen we zijn tevree.

Maar een der merkwaardigste dansliedjes is wel het _reuzenlied_. De kinderen scheppen er ontzaglijk veel genot in, vooral in België, waar de reuzen nog bestaan en dansen uitvoeren, als te Brussel, Geerardtsbergen, Hasselt, Antwerpen en Wetteren. Merkwaardig is het, dat de melodie vrij wel overeenkomstig is met die van den kerkelijken hymnus _Creator alme siderum_.

"Het _Reuzenlied_" zegt Maurits Sabbe, "herinnert ons de schilderachtige volksoptochten met de reuzenfamilies, het ros Beiaard en allerlei allegorische voorstellingen, die vroeger in bijna al onze Vlaamsche steden en stedekens geliefkoosde nummers voor het kermisprogramma waren en thans nog slechts in enkele steden van tijd tot tijd de feestelijkheden opluisteren".

Moe-der, zet de pap op 't vier, de pap op 't vier, De reus is hier, Keert u eens om, reus-ken, reus-ken, Keert u eens om, Reu-ze-gom.

Moeder, stopt algauw het vat, algauw het vat, De reus is zat, Keert u eens om, reusken, reusken, Keert u eens om, Reuzegom.

In heel wat vlugger tempo bewegen zich de dansliedjes: "'kHeb een rood, rood spiegeltje gevonden";--"Trijntje, Trijntje, Trijntje, je hebt er water bij gedaan";--"In Holland staat een huis" e.a. Tot de nabootsende dansliedjes behoort dat van den _Klepperman_: "Elf uren slaat de klok"; bij de woorden "klip-klip-klip" en "klop-klop-klop" houden de danseressen een oogenblik stil en klappen driemaal in de handen of trappen driemaal met den voet.

Maar ik mag van deze dansliedjes geen afscheid nemen, zonder althans vermeld te hebben het merkwaardige:

Klein' An-na zat op ma-jes-teit, ma-jes-teit ma-jes- teit, Klein' An-na zat op ma-jes-teit ma-jes-teit.

Daar zat zij nu te weenen, Weenen, weenen, Daar zat zij nu te weenen, Weenen.

Dit wordt gezongen door kinderen, die in een kring rondloopen, terwijl in het midden een meisje zit neergehurkt, met het hoofd in de handen. Het spel is drama geworden en vertolkt een ballade. Want na het zingen van de tweede strofe, treedt een tweede meisje in den kring en nu vervolgt het koor:

Daar kwam haar lieve moeder aan, enz.

Deze vraagt:

Zeg kind toch, waarom weent gij zoo? enz.

Waarop het meisje antwoordt:

Omdat ik morgen sterven moet, enz.

Nu treedt een derde den kring binnen en het koor zingt:

Daar kwam de booze Fredrik aan, enz.

Op de maat slaat Frederik het meisje nu op den rug:

Die zal haar nu den dood aandoen, enz.

Ten slotte wordt Anna door Frederik en de moeder opgenomen en gejonast, en allen zingen:

Nu wordt zij in het kistje gelegd, enz.

Dit liedje is o.a. te Voorburg, Varsseveld, Nijmegen, Zeeland bekend en hoogst waarschijnlijk uit Duitschland afkomstig. Het woord "Majesteit" ontstond wellicht uit "Breitenstein"; zie Marie Ramondt, Volkskunde XXIII, bl. 237; Karl Wehrhahn, Kinderlied und Kinderspiel, bl. 110 vlg.

Bij het reidansen staan een of meer meisjes tegenover een heelen rei, terwijl beide partijen beurtelings naderen en weer achteruit gaan. Een der merkwaardigste is het liedje van _Brunelle-gezelle,_ waarbij een meisje tegenover een heele reeks van speelgenootjes staat. Deze beginnen te zingen, terwijl zij elkaar bij de hand vasthouden en met rhythmische stappen tot elkaar naderen:

Van waar kom-de gij ge-dre-ven, Bru- nel-le ge-zelle? Van waar kom-de gij ge- dre-ven, Brun-ne-le-ken?

Vr. Ik kom van onder de aarde, Brunneleken mijn; Enz., enz.

En het lied vervolgt:

R. Wat heb-de daar weest halen? Br. Een mandeken met aarde. R. Aan wie zul-de da geven? Br. Aan mijn beste neve [nicht]. R. Wie is uw beste neve? Br. Ik zal het u gaan toonen

Daarop kiest zij een meisje uit en keert er mee op haar plaats terug. Dit dansliedje treft men vooral in Vlaanderen, maar met varianten ook wel in Limburg en Gelderland aan.

Zie verder vooral Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied II, bl. 1237 vlg.; De Cock-Teirlinck, Kinderlust en Kinderspel II, Dansspelen; Van Ginneken, Handboek der Nederlandsche Taal, bl. 383-404; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 93 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven I, bl. 247.

Maar behalve het danslied zijn er nog zoovele andere _speelliedjes_, van rhytmische speelbewegingen begeleid. Hiertoe behooren de rommelpotliedjes, waarover ik in het Eerste Deel, bl. 157 vlg. gesproken heb; de loopspelliedjes, met het diepzinnige spel van de _Koningsdochter_. Zie hier, hoe dit te Venloo gespeeld wordt. Een meisje ligt op de knieën. Alle meespelende kinderen houden den zoom van haar omgeslagen kleedje vast, behalve éen die tot het geknielde meisje vragen richt.

Vr. Wie zit er in den hoogen toren? A. De schoonste koningsdochter. Vr. Van wie zijn al die kindertjes? A. Van mij. Vr. Mag ik er een van nemen? A. Neen! Vr. Mag ik er een van stelen? A. Neen.

Dan vervolgt de vraagster:

'K Zal eens naar den diender gaan De diender zal u de kop afslaan.

Entrez, entrez, Laat 't meisje maar achter meê gaan.

Alle volgende meisjes herhalen nu op hare beurt hetzelfde totdat zij alle, elkaar bij het kleedje vasthoudend, achter de vraagster zijn geplaatst. Deze vraagt dan aan de koningsdochter:

Vr. Zal ik het lampje aansteken! A. Ja! Vr. Zal ik u uit den toren laten? A. Ja!

Waarop allen roepen:

Jenneke de tooverheks, Jenneke de tooverheks!--

Ook elders in Limburg, in de Zaanstreek, niet het minst in Vlaanderen is dit spel bekend; hier is het werkelijk een loopspel, want door het loopen wordt op de een of andere wijze uitgedrukt, dat de koningsdochter door haar minnaar wordt geschaakt. Mogelijk heeft dit spel een mythologischen, waarschijnlijk een historischen, in alle geval een belangrijken kultuurhistorischen achtergrond. Zie Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 115; Lootens en Feijs, Chants populaires, no. 160; De Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust I, bl. 160 vlg.

Een loopspel is ook het _zakdoekje-leggen,_ waarbij te Maarssen gezongen wordt:

Zákdoekje léggen, Níemand zéggen, Kúkelukú, zoo róept de háan, Híj heeft twée paar schóentjes aan, Eén van zij en één van leer, Híer leg ík mijn zákdoekje néer.

Men vergelijke hiermee het _jagen van den rooden hoan_ op de spinningen in zuidoostelijk Brabant, I, bl. 273.

Van de aftelliedjes, voor wier beteekenis en belang ik verwijs naar Kalff, Het lied in de Middeleeuwen, bl. 547, vermeld ik er hier twee, behoorende tot de meest gebruikelijke typen. Overvloedige varianten vindt men bij De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 231 vlg. en Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 153 vlg.

Type: Onder de groene boomen.

Den Haag:

Al onder de uileboomen Daar ligt een Engelsch schip; De Franschen zijn gekomen, Zij zijn zoo rijk als ik. Zij dragen hoeden met pluimen, En ook van perkament, Wie zou er niet om huilen, Al om zoo'n leelijken vent.

Type: Rommel, rommel in de pot.

Venloo:

Rommel, rommel in de pot, Woa is Piet, woa is Kloas? Kloas is in et stelke. Waat duit hê doa? Hé sniet de koe de kop aat. Riem, tiem, twintig, dertig enz.

Hoe eenvoudig, hoe ongekunsteld, en toch hoe zuiver rhythmisch en klanktooverend doen verder ook onze balspelliedjes, zoo ruim verspreid. Uit Zwolle werden mij deze twee typen meegedeeld:

1. Kaatsebal Ik heb u al, In éene hand, In tweeë hand, Van klapperdeklap Met voetjesgestap, Van rolledebol (-bom) Zoo draai ik me om.

2. Zwart Willemijntje Zat achter 't gordijntje; Wat deed ze daar? Zij kamde het haar, Zij poetste de tandjes, Zij waschte de handjes, Zij stak ze in de zij, Zij knielde er bij, Zij stond weer op, In éene galop.

Hoe keurig zijn hier de verschillende speelbewegingen uitgedrukt en in beeld gebracht!

Eindelijk de schommelliedjes, waar bij elke beklemtoonde lettergreep de hand naar voren of naar achteren gezwaaid wordt, bieden een bonte verscheidenheid. In vele wordt gewag gemaakt van Paschen en Pinksteren, van het bim-bommen der klokken, van Sint Katherijne, van varen over de zee, van haantje-kraantje en een eitje dat barst, van den knaap, die op school den meester half dood slaat. Dit laatste motief is niets anders dan een bewerking van eene in de Middeleeuwen zeer bekende overlevering omtrent Jezus' jeugd, welke verhaalt, hoe de kleine Jezus de hand van zijn meester deed verdorren, omdat hij die tegen hem op hief, om hem wegens het niet beantwoorden zijner vragen te straffen.

Maar deze liedjes stonden meer dan de andere aan vervorming bloot, omdat zij eigenlijk meer opgedreund dan gezongen werden. Zie De Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust III, bl. 87, IV, 167 vlg.; verder Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 11 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven I, bl. 247; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 129 vlg.

De _wiegeliedjes_ en knieliedjes besprak ik reeds in het Eerste Deel, bl. 219 vlg. Niet alleen rhythmisch zijn zij van belang, maar ook, omdat zij een bijzonder soort van kinderliedjes vertegenwoordigen, nl. in kindertoon gehouden volkspoëzie: in kindertoon, wat betreft tekst en melodie, zooals moge blijken uit het lieve eenvoudige

Roe! roe! kind-je, hoe ben je toch zoo stout! Heb je pijn in 't buik-je, of zijn je voet-jes koud! We zul-len een vuur-tje sto-ken, en een pap-je ko-ken; 't Wieg-je dat gaat zwik, zwak, voor den klei-nen dik-zak.

Het _minnelied_ zingt van persoonlijke liefde, maar ook van de liefde in het algemeen. In ons oude Nederlandsche lied beslaat deze groep een groote plaatsruimte. Maar in het hedendaagsche lied zijn de minneliederen meestal met speelliederen samengevallen of anderszins vervormd.

Tot de liedjes die, ofschoon reeds oud, nog altijd in den smaak vallen, behoort o.a. "Ik ben er de groene straatjes", waarvan onlangs nog gewag werd gemaakt in de Vragen en Mededeelingen 1910, bl. 151.

De aanvangsstrofe luidt:

Ik ben er de groe-ne straat-jes zoo dik-wijls ten ein-de ge-gaan! Daar moest ik mijn lief-je ver-la-ten, dat heb-ben mijn vrien-den ge-daan.

(Enkhuizen).

Tot de meest bekende liederen in Vlaanderen behoorde het _Cecilia-lied,_ dat nog steeds, plaatselijk jammerlijk geparodieerd, voortleeft. Maar getuigt niet juist de parodie voor de groote populariteit? Ofschoon van vreemden oorsprong, heeft de melodie, volgens Van Duyse, onder den invloed van den Nederlandschen volkszang, hare eigen wendingen en een eigen voorkomen verkregen, en mag zij onder de fraaiste zangwijzen worden gerekend.

Ik zag Ce-ci-lia ko-men langs ee-nen wa-ter- kant, Ik zag Ce-ci-lia ko-men met bloe-me-kens in haar hand Zij zag naar ha-ren her-der, den her-der Flo-ri-aan, die ook zijn schaap-jes wei-de langs de zelf-de baan. Ce-ci-li-a ging zin-gen; haar hert docht haar 't ont-sprin-gen. Dit hoor-de ha-ren her-der; hij kwam bij haar ter-stond en kus-te zijn Ce-ci-li-a aan ha-ren roo-den mond.

Tot deze groep behooren ook de afscheidsliederen in den trant van:

Vaarwel, vaarwel, mijn zoetelief, Niet langer kan ik blijven enz.,

en de wachterliederen, wier allerberoemdste: "Het daget in den Oosten", om den verhalenden vorm bij den aanvang der derde strofe echter ook tot de balladen kan gerekend worden.

Vooral in onze noordelijke provinciën krijgt het minnelied vaak een spottenden bijtoon. Zoo b.v. in _Het meisje van Sardam_:

Het meisje van Sardam Met hare bruine oogen Heeft menig jongen kwant Tot wedermin bewogen. Zij is geen stuursche maagd Gelijk zoo vele binnen, Hij die haar blosjes kent Moet haar op 't meest beminnen.

Dit type vormt een schakel tusschen het minnelied en het _spotlied_, waaraan nauw verwant het _gezelschapslied_. Het spotlied is echter somtijds ook, zooals wij boven zagen, de direkte parodie van het minnelied. Teekenend lijkt mij de verzuchting:

Ik wou wel om een gulden, Dat mijn haartje krulde. Ik wou wel om een daalder, Dat ik was wat schraalder Ik wou wel om een dukaton, Dat een vrijer naast mij ston(d).

Zie Boekenoogen, Onze Rijmen 69.--Nu nog een paar andere spotliedjes, die ik bij Van Ginneken, Handboek der Nederl. Taal I, bl. 359, 419 vind.

Bergen op Zoom:

Der wàs éens een vrouw Die kóeken bakken wóu En het méel dat wóu niet rijzen En de pán viél om En de kóeken wáren króm En de mán híet Jan van Gíjzen.

Bergen op Zoom:

De vlám sloeg in de lantêre De vónken slóegen der úit, De mêskes lústen zoo gêre 'n Kop kóffie mét een beschúit.

Nijmegen en Oud-Gastel:

Klikspaan! boterspaan! Je durft niet door 't straatje te gaan. Het hondje zal je bijten, Het katje zal je krappen, Dat komt van al je klappen.

Menig spotlied biedt ons ook de waardevolle verzameling van Jan Bols: Honderd Oude Vlaamsche Liederen, bl. 155--214; zoo b.v. _De Scheresliep; De Luiaard; Van Slordig Kaatje; De Kwade Man_:

"Man en gij moet naar huis toe gaan: Uw vrouw die is ziek!"-- "Is zij ziek, dan is zij ziek! En daarmee ben ik uit het verdriet! Naar huis en ga ik niet!" enz.

Het is vooral de toon van scherts en van jolijt, die het spotlied met het gezelschapslied verbindt. Naai- of kleermakerswinkel, spinnerij, potvertering,--dáar voelt het gezelschapslied zich thuis, al is het maar onder een vorm als: "Wie in Januari geboren is". Een leuk potverteerdersliedje geeft de Groningsche Volksalman. 1897, bl. 92 vlg. Men lette op de kerkelijke melodie.

Hai-te boaln mit koa-le bot-tr smôekt ver-gif-tig lek-r As mooi wich-ter trau-wen wiln den trau-wen ze mit'n bak-r.

En het lied vervolgt:

Bakkersvrauwm dei hebm 't nait goud, Dei moutn häör tid verbüln, Ik was laivr 'n schoumôekrsvrauw En drôegn gladde müln. Schoumôekrsvrauwm, dei hebm 't nait goud, Dei moutn haör tîd vrpótsn, Ik was laivr 'n weevrsvrauw En dröegn gladde linn. Weevrsvrauwm, dei hebm 't nait goud, Dei moutn haör tîd vrspouln, Ik was laivr 'n speulmansvrauw En dansen väör fîouln. Speulmansvrauwm, dei hebm 't nait goud, Dei moutn häör tid vrdansn, Ik was laivr 'n boernvrauw En eetn vette ganzn. Boernvrauwm, dei hebm 't nait goud, Dei moutn häör tîd vrleezn, Ik heb laivr 'n schipprtje, Zoo'n schipprtje mout tr weezn. Dat schipprtje, dat wipprtje, Dat heb ik aal zoo laif, Veul laivr heb 'k ain schippertje, As zoo ain boernslaif.

Een typisch gezelschapslied is ook het bekende lied _Van pastoor zijn koe_. In Nederland en Neder-Duitschland heeft het een verspreidingsgebied van belangrijke uitgestrektheid.

Liederen als deze romancen; oorspronkelijk gedanste droeve romancen of balladen met hun in het lyrische haast opgaande episch element; minneliederen in beschrijvenden vorm en nog zoovele andere vormen de omvangrijke groep van het _verhalende lied_.

Tot de oudste van deze soort behoort stellig het _Halewijnlied_; wellicht dagteekent het uit de XIVe eeuw en was de oorspronkelijke inhoud der sage een liefdesbetrekking tusschen watergeest en sterveling. In België wordt het rond Leuven nog gehoord, en in Volkskunde XVIII verscheen een variante uit Mater, bij Oudenaarde, die tot titel voert: "Van Halewijns rijk Hof". Een andere variante vindt men in den Hasseltschen _Banier_ van 1906, en, naar verluidt, wordt de ballade ook nog gezongen te Weert in Hollandsch Limburg.

Verder moet dit lied populair zijn geweest in 't Land van Aalst. "In mijn geboortedorp (Herdersem)", schrijft De Cock, "werd het in mijn jeugd nog door menige vrouw opgedreund. Als 15- à 16-jarige knaap zong ik aldaar op het doksaal, en ik herinner mij opperbest dat, telkens als wanneer de pastoor, die een goed muziekkenner was en steeds den vereischten toon in acht nam, het

Cre-do in u-num Deu-m.

van de _Missa in duplicibus_ aanhief, een ietwat oudere zanger alsdan zeide: "Hoort, de voois van Erodewijk". Hierdoor werd dan bedoeld Halewijn, die elders ook als "de stoute Roland" bekend staat. Zie verder Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied I, bl. 1 vlg.

Laat ik nu nog vermelden: _De drie Koningsdochters_, met zijn vele varianten; b.v,:

Daar waren drie dochterkens fijn (_bis_), Die wilden alle drie zalig zijn, enz.

of:

En daar vlogen drij vogelkens over den Rijn, En daar stierven drij dochterkens fijn, enz.

Dan het _Jagerslied_: Daar ging een jager uit jagen, Zoo ver al in het woud, enz.; _De Hertog van Brunswijk; Genoveva van Brabant; Het Weesmeisje_:

Aan den oever van een snellen vliet, Een treurig meisje zat; Zij weende tranen van verdriet En schreide haar oogjes nat.

of:

Zij weende en schreide van verdriet Op 't gras van tranen nat.

Ook ons lied van _De drie Ruitertjes_ kan op hoogen ouderdom en ruime verspreiding bogen. Onze aanvangsstrofe luidt vrijwel aldus:

Toen ik op Neerlands bergen stond, Keek ik het zeegat in. Daar zag ik een scheepje zeilen, Daar zaten drie ruitertjes in, Een van de drie was naar mijn zin.

Het lied ontstond echter waarschijnlijk niet in "de landen bider see", maar in het Opperduitsche bergland. Immers de oudste ons bekende tekst vangt aan met de regels:

Ic stont op hoghe berghen, Ic sach daer so diepen dal, enz.

Zie ook Driem. Bladen X, bl. 54; Volkskunde XXIII, bl. 15. Eindelijk laat ik hier den tekst volgen van de _Twee Koningskinderen_, zooals men dien thans nog hier te lande aantreft: van het diepst-tragische en wellicht meest nationale onzer oude volksliederen, al berustte het ook op de Fransche kultuurbewerking van een Grieksche sagenstof. Ik ontleen aan Driem. Bladen XI, bl. 46:

De twee Koningskinderen.

Het waren twee koningskind'ren, Die hadden malkander zoo lief, Zij konden bij malkander niet komen, Zij schreven malkander een brief.

't Was des nachts twaalf uren, Het meisje lag in een droom,-- Haar zoetelief was verdronken-- Al in een waterstroom.

Het meisje sprak tegen haar moeder: "Wat doet mijn hoofdje mij zeer, Mag ik een klein half uurtje Gaan wandelen langs het meer?"

De moeder sprak tegen het meisje: "Alleen kunt gij niet gaan, Neem dan uw jongste broertje, Dan kunt gij wel henengaan."

Het meisje sprak tegen haar moeder: "Mijn broertje is veel te klein, Die verjaagt mij al de vogeltjes, Die aan den meerkant zijn."

De moeder ging naar de kerk, En het meisje ging haar gang, Zij wandelde, ja zij wandelde, Tot zij bij een visscher kwam.

Het meisje sprak tegen den visscher: "Wilt gij verdienen uw loon, Werp dan je net in het water En visch mij dien Koningszoon."

Het eerste wat of hij vischte, Dat was een Koningszoon, Zij kuste zijn roode lippen, Zij kuste zijn rooden mond.

Zij nam hem op haar armen, En droeg hem aan den kant van de zee, Zij zegt: "Adieu, nu willen wij varen, En 'k vaar altoos met je mee".

(Leek en omstreken.)

In deze, en ook in andere balladen, trilt een sprookjes-motief na. Een aanzienlijke groep echter, die van het _sprookjeslied_, bevat enkel berijmde en getoonzette sprookjes, die dan juist door rhythme en melodie een zekere vastheid verkrijgen. Vertoont het lied van _De kwade Stiefmoeder_ niet zoo echt den typischen sprookjesaard?

Er was een kwade stiefmoeder, zij verkocht haar kind, Voor negentien penningen en een gouden ring.

En dat mooie meisje teer, En dat mooie maagdetje!

De zeven knechten namen elk een' roed, Zij sloegen Antonnettetje zijn lichaam in bloed.

Zij leiden Antonnettetje op eenen blok, Zij kapten Antonnettetje zijn hoofdje of.

Uw dochter Antonnettetje is wel bewaard, Want zij speelt er achter in den boomgaard.

De vader reed den boomgaard wel driemaal rond, Om te zien of hij Antonnettetje niet en vond.

Op d'eerste lelie stond er geschreven, Als dat haar stiefmoeder haar hadde verkocht.

Op de tweede lelie stond er geschreven, Als dat de zeven knechten haar hadden geslegen.

Op de derde lelie stond er geschreven, Als dat de zeven knechten haar hadden vermoord.

De vader heeft de strate met messen doen beslaan, Om die zeven knechten er over te doen gaan.

En dat mooie meisje teer, En dat mooie maagdetje!

Zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied I, bl. 222; Lootens en Feys, Chants populaires flamands no. 43.--Ook het dierensprookje is rijk vertegenwoordigd; zoo b.v. _De Koekoek in den Mei; Den Uil die op den Pereboom zat_, zie Volkskunde IX, bl. 185 vlg; vooral ook het leuke _Sterven van den Beer_, Volkskunde XIII, bl. 237, vgl. De Navorscher V, bl. 88:

De beer die vond er hem zeer krank Van eene zware koorts (_bis_),

De zeug die vond heur in bedwang, Den dokter te ontbieden Met nog veel wijze lieden, En het beestjen die had er de koorts, koorts, koorts, En het beestjen die had er de koorts; enz.

De minste dichterlijke waarde heeft het _historische lied_, natuurlijk duisterder, naarmate het verder van het historische feit afstaat, dat het vermeldt of verheerlijkt. Het liedje:

Mijnheer van Son is een brave kapitein, Hij regeert er zijn volkje zoo groot als klein