Nederlandsche Volkskunde

Chapter 41

Chapter 413,612 wordsPublic domain

Maar nog andere banden verbinden de heiligen aan ons volk. De H. Hereswit vereenigt de traditie van Strijen en Thorn (L.), welks vorstelijke abdij zij stichtte. De nagedachtenis van den heiligen bisschop en belijder Bernulphus houdt men in het Utrechtsche en verre daar buiten in eere. Sint Hatebrand verbindt weer Noord en Zuid, de Groninger Ommelanden met Antwerpen, waarheen men zijn gebeente overbracht. De H. Sura wordt als volksheilige vereerd te Dordrecht, de H. Lidwina te Schiedam, de H. Norbertus te Gennep, waar men nog het Norbertuspad en het Norbertuspoortje wijst, Sinte Kunera te Rhenen, Sint Gerlacus te Houthem en in geheel Zuid-Limburg, terwijl de eerbiedwaardige Ailbert in vrome herinnering blijft voortleven te Rolduc, door hem gesticht. De stad Delft is fier op hare Geertruida van Oosten. En zoo eert het volk den H. Trudo te Sint Truiden, de H. Adilia te Haspengouw, de H. Aleidis te Schaarbeek, de H. Alena te Dilbeke, Sinte Gudula te Brussel, de eerbiedwaardige Ida, van wie gezegd wordt, dat "die visschen in den water tot haren handen quamen en desgelijcks die voghelen", te Leuven, Sint Veronus te Lembeek, Sint Bavo door geheel Vlaanderen. In de omstreken van Brussel zweeft nog de geest van eerbiedwaardigen Ruysbroec, eerste prior van het klooster te Groenendaal, bij wiens verscheiden de klokken van Deventer, de verblijfplaats van Gerrit den Groote, vanzelf begonnen te luiden. Ook wijst men nog een boom in het Zoniënbosch, waaronder de groote mysticus gewoon was te schrijven en te mediteeren.

Zie Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland V, bl. 301 vlg.; Neerlands Heiligen in de Middeleeuwen (Amsterdam 1899), Neerlands Heiligen in later Eeuwen2 (Amsterdam 1908), _passim_; Schoutens, Maria's Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Brabant, Antwerpen, _passim_; A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, bl. 64-345; Wolf, Niederländische Sagen, _passim_; J. J. van der Horst, Oud en Nieuw, Nederlandsche legenden (Leiden 1887), bl. 1, 41, 367 enz.; Hofdijk, Kennemerland: De Macht des Geloofs; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 245 vlg. (Volkskunde XV, bl. 168); H. Welters, Limburgsche Legenden, _passim_.

III. Het volkslied.

"Zij worden heel niet gemaakt, zij groeien, zij vallen uit de lucht, zij vliegen als herfstdraden over land, nu hier, dan daar heen; op duizenden plaatsen tegelijk worden ze gezongen ..." Zóo teekent Th. Storm de liederen, die opbloeien uit den volksgeest, die meeleven het leven des volks ...

Een rijken schat van poëzie legt het volk in zijn gebruiken. Wanneer de landman het zaad hoog opgooit, dat het welig opschiete; wanneer de Westvlaamsche "boeier" het paard 's avonds te voren in het oor fluistert, dat het den volgenden morgen een doode moet vervoeren; als de Limburgsche bruid zorgvuldig het zelfvervaardigde bruidshemd bewaart, dat haar eens als doodsmantel zal dienen,--dan is dit hooggestemde volksdichting, al zijn het "Lieder ohne Worte". Maar stelt die aandoening zich in klankbeweging en wordt deze gevoelsverklanking geschakeerd door rythmische en melodische stembuigingen, dan wordt geboren het _volkslied_.

Het woord "lied" heeft geen betrekking op het getoonzette of gezongene, maar op het uitermate zingbare. Het lied is de eenvoudigste uitdrukking van een stemmingsgeheel, het versnippert de gemoedsstemming niet, om er de ontwikkeling van voor oogen te stellen, maar zingt een éenvormige, zich-gelijkblijvende, boven de begrippen der woorden zwevende stemming uit, het beweegt zich in korte strofen, meest van vier tot acht regels, die de natuurlijke maat van vier, of drie en vier versvoeten hebben. Maar elke strofe bevat de geheele stemming, wier aroma zich als bloemengeur verbreidt.

Het melodische lied is dus uiteraard _welluidend_ en _eenvoudig_. Teeder als een zucht en toch weelderig van rythme en bloeiend van klank. En nu bereikt het zangerige juist in de volkskunst een hoogtepunt, daar erlangt de eenheid van rythme en mimiek bij spel, bij arbeid en dans zulk een volmaaktheid, dat zij de hoogste norm schijnt te naderen.

"Het volkslied een uiting der volksziel": een uitspraak als deze dient natuurlijk niet verstaan te worden in den geest der vroegere romantiek, alsof wij met een niet te benaderen, anoniemen, scheppenden volksgenius te doen hadden. Niet het kollektieve volk, neen, de man-uit-het-volk is de auteur. Maar juist òmdat hij uit-het-volk is, omdat hij het volk begrijpt en het volk hem, omdat hij deel heeft aan den aard van het volk, dat werkelijk dichter is in zijn gebruiken, zijn beelden en uitdrukkingen en niet het minst in zijn stemmings- en gevoelsuitingen,--juist dáarom is hij in staat een volksgedicht te scheppen.

Volgens Otto Böckel, Psychologie der Volksdichtung (Leipzig 1906) is de _roep_ de kern van het volkslied. Alles wat de mensch aan lief en leed ondervindt, wat hem schokt en schrijnt, hem verheugt of prikkelt of afschrikt, ontlokt hem gezangvormige klanken. Deze klanken nu zijn vatbaar voor ontwikkeling. Zij kunnen groeien in omvang en melodie; veelal wordt hun klankgehalte versterkt door het stafrijm. De vreugderoep is de bevoorrechte gevoelsuitdrukking in den bloeitijd des levens, is verklanking van liefde en lust; men denke slechts aan refreinen als:

Hei 't was in de Mei, Mei, Mei, Hei 't was in de Mei.

De smartroep handhaaft zich voornamelijk bij de lijkklacht. Maar het arbeidslied bovenal wijst op de ontwikkeling van de volkslyriek uit de gevoelstonen. Hier immers voegt zich bij de klanken een voor de poëzie onmisbaar bestanddeel: het rythme. Gevoelsuitingen en muziek gingen aanvankelijk steeds gepaard; het rythme kwam van elders. En nu is het de groote verdienste van Karl Bücher, er ons op gewezen te hebben, hoe deze onmisbare faktor zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, dien het volk aan een inspannenden arbeid ter afwisseling gaf. Het rythme gewerd de volkspoëzie dus vooral uit het arbeidslied, waartoe het danslied in hoofdzaak moet worden teruggebracht. Hoe ouder de arbeidsgezangen zijn, des te enger schijnen zij met de arbeidsverrichting samen te hangen.

Zoo is dan het volkslied een dichtzang, die organisch uit het volk in zijn gevoelen en verrichten is gegroeid; het is onmiddellijk ontsprongen aan het gevoel der natuurvolken en, van de kultuurvolken, in zooverre hun gewaarwordingen en uitingen behooren tot het domein der onderkultuur. In en door het zingen plant het zich voort. De dichter is meest onbekend, omdat op den bodem der onderkultuur, der naïeve volkskunst, dichterlijke individualiteit kwalijk gedijt. Het lied is alles, op den zanger wordt weinig acht geslagen. Het lied wordt beschouwd als gemeengoed, omdat het uiting geeft aan de gevoelswereld, welke aan alle volksgenooten gemeenzaam is. Ging het ook niet aldus met de grootsche scheppingen der Middeleeuwsche bouwkunst? Gelijk het volk deze als zijn eigendom beschouwde, door er voortdurend aan te wijzigen en aan bij te bouwen naar willekeur, zoo heeft ook het volkslied nimmer een authentieken vorm, is het als 't ware steeds in vlottenden toestand, staat het aan allerlei veranderingen, verkortingen en toevoegsels bloot. De aanhef van het lied openbaart echter meestal zijn afkomst.

Het volkslied deelt dus het lot van het sprookje; en evenals van sprookjes-motieven, zoo mag men ook van liederen-motieven spreken. Trouwens volkslied en sprookje bestaan elkander in den bloede door hun gemeenschappelijk sterk-algemeen karakter, óok dan, wanneer zij niet geheel samenvloeien, zooals in het sprookjeslied. Bijzonderheden worden verwaarloosd, tijd en plaats zelden vermeld. Veelal wordt de hoorder in eens midden in de handeling verplaatst. Ook moraliseert het volkslied evenmin als het sprookje.

Toch verraden de motieven doorgaans hun herkomst, en wel niet alleen de sociale groep, waarin zij geboren werden, maar ook den landaard en het klimaat van hun geboortegrond. In laaglanden als de onze is een Hoogduitsche _Juchzer_ ondenkbaar. Weidevelden geven iets eentonigs en zwaarmoedigs. Maar de zee schenkt opgewektheid en kleurigheid van toon. "Friesland zingt niet": die uitspraak is overdreven, maar geenszins van waarheid ontbloot. De innigheid van het Saksische halle-huis vergoedt veel van het trage en monotone in taaleigen en landschap. In het land der Franken, met den Keltischen ondergrond, voelt het volkslied zich het behaaglijkst.

Wat is nu het verschil tusschen volkslied en kunstlied? Laat ik vooreerst opmerken, dat ik de benaming "kunstlied", wanneer zij moet dienen, een tegenstelling te vormen met volkslied, niet aanvaard. Is het volkslied dan géen kunst? Tegenover het _volks_lied staat niet het kunstlied, maar het _kultuur_lied, evenals tegenover de _volks_taal staat de _kultuur_taal: "kultuur" heeft hier natuurlijk de waarde van "bovenkultuur". Welnu, een wezenlijk verschil zie ik tusschen beide niet. Kan het anders? Er bestaat immers geen wezenlijk, maar slechts een gradueel onderscheid tusschen onder- en bovenkultuur. Het kultuurlied geeft slechts veredelde, of somwijlen _zoogenaamd_ veredelde volkskunst. De vorm is meer verfijnd, de auteur is zich ook bewust, een kunstprodukt te scheppen. Verder is hij meestal bekend en zorgt voor de rechten van zijn vaderschap. Maar hij kan putten uit de volksschatkamers, en zóo kan het volkslied vaak tot kultuurlied worden, om straks wellicht weer in den volksmond tot volkslied te worden vervormd: maar dán zal het de afgesleten vorm zijn! Steeds dient de kultuurdichter echter met het volk voeling te houden; en laat ik het woord van Poelhekke hier bij voegen, dat de verfijnde kunst der hooger ontwikkelden, van de meerderen in de techniek, "nooit de bron waaruit zij is ontsproten mag vergeten, op gevaar af aan bloedarmoede te gaan lijden": Woordkunst, bl. 122; vgl. De Beiaard I, 1, bl. 43 vlg. Verder: Karl Bücher, Arbeit und Rhythmus. Abhandl. der Philolog.-histor. Classe der königl. Sächsischen Gesellschaft der Wissenschaften (Leipzig 1896) XVII, V, vooral hoofdstuk 4, bl. 74: Der Ursprung der Poesie und Musik; Otto Schell, Das Volkslied (Leipzig 1908); Otto Bremer, Zum Versbau der Schnaderhüpfel, in het Festschrift Karl Weinhold gewidmet (Strassburg 1896); Gustav Meyer, Essays und Studien I, bl. 289-408: Zur Kenntniss des Volksliedes; Schrijnen, Essays en Studien bl. 258 vlg.: Litausche Volkszangen; Dr. N. Geerts, Oorsprong en wezen van het volkslied, in de Handelingen van het zevende Nederl. Filologenkongres, bl. 109 vlg.

Het Nederlandsche volkslied heeft lang gewacht op de waardeering, die het toekwam. Ik bedoel hier niet de historische waardeering, die het profane en geestelijke lied ruimschoots gewerd door den voortreffelijken arbeid van Kalff, Moll, Acquoy, De Vooys, Knuttel en anderen. Maar eerst in 1907 was Groot-Nederland in het bezit van een verzameling van volksliederen, die de vergelijking b.v. met de Duitsche soortgelijke werken van Böhme en Erk kon doorstaan: ik bedoel de drie deelen van Flor. van Duyse's Oude Nederlandsche Volksliederen (Den Haag 1900-1907). Ook kunnen wij niet ontkennen, dat het Hoffmann von Fallersleben is, dus een Duitscher, die hier te lande de belangstelling in onze eigen vaderlandsche liederen heeft gaande gemaakt. Sedert dien kunnen wij wijzen op de gedeeltelijke verzamelingen van Snellaert, J. F. Willems, De Cousemaker, Carton, Lootens en Feys, Jan Bols, Van Vloten, J. en L. Alberdingk Thijm en Blyau en Tasseel. Oud en nieuw, volkslied en kultuurlied, oude, bewerkte en nieuwe melodieën vindt men vergaderd in Coers' Liederboek van Groot-Nederland. Zie vooral Dr. F. Scheurleur, Nederlandsche Liedboeken ('s Gravenhage 1912).

Behoudens haar vergelijkende waarde zijn al deze verzamelingen voor de volkskunde slechts van belang, in zooverre zij liederen zeer onlangs uit den volksmond opteekenden. Want, ik kan het niet vaak genoeg herhalen, de volkskunde is de kennis en het wetenschappelijk onderzoek van het _heden_, is de ethnologie der thans levende kultuurvolken. Ik geef dus van elk der verschillende soorten volksliederen slechts die stalen, waarvan ik ofwel persoonlijk kennis nam, of van wier voortleven ik mij anderszins kon vergewissen. Sommige liederen berusten, wat den tekst betreft, op schriftelijke overlevering, welke uitsluitend ten doel heeft, het geheugen ter hulp te komen. Eenige families houden er zelfs lijvige geschreven liederboeken op na. In dit geval is de schriftelijke traditie gelijkwaardig met de mondelinge.

Een enkel woord ook over de _muziek_ van het volkslied. Zij berust voor een groot deel op de volksmuziek der Middeleeuwen, die zelf gesproten is uit de Oudchristelijke Latijnsche kerkmuziek. Wanneer wij nu weten, dat deze kerkmuziek in hoofdzaak niets anders is dan gekerstende Grieksche en Grieksch-Romeinsche muziek, zooals door Fr. A. Gevaert en A. Möhler uitvoerig is aangetoond, dan komen wij tot het verrassende resultaat, dat in de brokstukken van het hedendaagsche volkslied de muziek der heidensche klassieke oudheid nog voortleeft.

Inderdaad doorloopt het volkslied der Middeleeuwen de Aeolische, Dorische, Iastische en Hypolydische toonladders, door het Roomsche _Antiphonarium_ aan de oude muziek ontleend. En wanneer het ons heden voorkomt, of een volkslied sterk op een kerkelijke hymne of eenig ander Gregoriaansch kerkgezang lijkt, dan is dit geen verbeelding, maar werkelijkheid; en de overeenstemming berust niet op toeval, maar op genetischen samenhang. Zoo is de melodie van het bekende lied van Halewijn, dat nog op vele plaatsen en met vele varianten in den volksmond leeft, niets anders, dan die van het _Credo_ uit de _Missa in duplicibus_; en die van de Koninginne van Elf Jaren berust op het _Veni Creator_. Voor verdere beschouwingen verwijs ik naar Fl. van Duyse, Het oude Nederlandsche Lied I, Inleiding, bl. XVI vlg., en vooral naar zijn uitvoerige verhandelingen: Het eenstemmig Fransch en Nederlandsch wereldlijke Lied in de Belgische gewesten (Brussel 1896) en De Melodie van het Nederlandsche Lied in hare Rhythmische vormen (Brussel 1902).

Allereerst dus, met het oog op de geboorte van het volkslied in het algemeen, volge hier het _arbeidslied_. De melodie hiervan is zonder twijfel oorspronkelijker en zelfstandiger dan die der verhalende, erotische, geestelijke e.a. liederen, daar zij het nauwst met den inhoud samenhangt.

Niet alleen in Nederland, maar van den Brennerpas tot aan de Noordzee klinken hei-liedjes in den trant van ons

Hoog op een! een, twee, een, twee, drie! hoog op vier! vijf, een meer! hoog op zes! fiks op, enz.

Gegroeid in melodie en in vorm klinkt het lied:

Haal op je hei! Hij is gewassen Al in de klei, Al in den grond Daar staat hij prompt, Zóo staat hij beter, enz.

Overeenkomstig de sociale groepeering van het volk zal het arbeidslied zich verder moeten splitsen in dorschlied, smidslied, visscherslied enz., en vooral aan die bedrijven dienen te beantwoorden, waarin rythmische beweging het werk begeleidt. Men denke ook aan het liedje, dat bij het snijden der meifluitjes gezongen wordt, terwijl de jongens rythmisch met het hecht van het mes op de wilgenbast kloppen (I, bl. 191).

Een Zeeuwsch karnliedje luidt aldus:

Kêrne, kêrne beuter, Drie pond in een scheutel, Drie pond in een kannetje, 't Is van moeder Jannetje.

Uit Friesland:

Tsiis, tsiis, tsjerne! Bûter komt fer reamme [room], It gearret sa wol, it gearret sa wol, Mei eltse stiet in amerfol.

Spinlied uit Ochten:

1.

Spin, spin, m'n lieve dochter, Dan krijgde gij een hoed! Ja, ja, mijne moeder, Die staat mij zoo goed.

Refrein:

'k Kan lappen en spinnen, Een zweer aan den vinger Doet mij er zoo zeer.

2.

Spin, spin, m'n lieve dochter, Dan krijgde gij een jak! Ja, ja, mijne moeder, Dat staat mij zoo knap.

Refrein:

'k Kan lappen, enz.

(Driem. Bladen III, bl. 42).

Uit Zeeland:

Draaie, draaie wieltje, Morgen komt Machieltje, Als Machieltje nièt en komt, Dan komt Jacob Janssen, Die zal je leeren dansen, Hier een stoel en daar een stoel, Op ieder stoel een kussen.

Ten slotte een strofe van een Vlaamsch spinliedje, dat het midden houdt tusschen arbeidslied en sprookjeslied:

Al onder den weg van Maldegem, Malle-Malle-Malle-Malle-Maldegem, Al onder den weg van Maldegem, Daar zat een wijf dat spon. Dat wijf dat zat en spon, Gielegon, Al op een houten wieleken, Wiele-wiele-wiele-wiele-wieleken, Al op een houten wieleken, Daar was geen draaiing aan! (_bis_).

Oogstlied uit Woubrechteghem (Oost-Vl.):

Het laatste voer is op de baan, Dat in den boer zijn schuur moet gaan, De luie boeren alleen hebben nog staan.

Ik vermeldde dit liedje reeds I, bl. 281, en daarvóor het rhythmische Noordhollandsche oogstlied, dat inzet met de regels:

De wumpel, de strumpel, de kanne met bier, Die hebben we hier op ons plezier!

Ook enkele dorschliedjes gaf ik reeds op bl. 284. In zijn geheel luidt het Friesche liedje als volgt:

It klitst, it klatst 't Giet juwn toa gest, Op tzies in brea Mey 't heale gea.

As wij houndert krye Wy zilt neat zwye, Dan jouwt dy frouw Uws spek in strouw Goe bjear dar by Is aeck uws fly.

Dr. H. Blink vertaalt deze stroofjes:

Het klitst en klatst Het gaat van avond te gast Op kaas en brood Met het heele dorp.

Als wij honderd [zakken] krijgen, Wij zullen het niet verzwijgen Dan bakt de vrouw Voor ons spekpannekoeken En goed bier daarbij Dat voegt ons wel.

Op wisselmaat berust verder het vlasslijterslied, het visscherslied, het maaierslied, het smidslied, het touwslagerslied, het kuiperslied, het molenaarslied. Op maatbeweging gaat ook het soldatenlied terug, daar dit toch hoofdzakelijk een marschlied is. Ook het jagerslied is in den grond een marschlied. Sterk-rhythmisch is verder het schippers- en roeilied, en ook het matrozenlied, dat men hoort in de havensteden; dit ontstond bij het anker lichten of bij het hijschen der zeilen. Zie ook Dr. De Vooys, Volkskunde XXIV, bl. 154 vlg.

Ten slotte nog een weversliedje, ons door de Graafschapsbode van 16 Maart 1907 medegedeeld [vgl. Driem. Bladen VII, bl. 627]:

"Hungel de bungel de boeze, Achter onzen hoeze Daor steet 'nen grooten nöttenboom, Daor zat 'nen wêver op 'nen toog, He wos nich, watte etten zol, Zoere, zoere kernemelk Met gerstebrood, Sloat den luien wêver dood! Loat em nog en betjen lêven, Dan zal e wal better wêven; Zet em op 't spiendvat, Sloat em met de panne veur 't gat, Hè, boer, wat plêrt dat".

Het hoog-poëtische liefdeleven klinkt bijzonder zuiver door in het _bruiloftslied_. Oorspronkelijk omvat dit lied zoowel de klacht bij het verlaten van het ouderlijk huis, als het jolige vreugdelied bij het overschrijden van den drempel der nieuwe woning. Maar men vindt het nog slechts in bloei bij volken met hoogst eenvoudige en sobere levenswijze, zoo b.v. bij de Lithauërs. In de Nederlandsche gewesten is het vrijwel uitgestorven. Het lieve stroofje van Cremer in Bruur Joapik:

Hier 'en reuske, en doar 'en flikske, Weer 'en tekske en weer 'en strikske; Bluumpkes moar Bij mekoar Rood en gruun veur 't jonge paar

zal wel een kultuurdichtje in den volkstoon zijn. Laat ik echter wijzen op het Bathmensch bruiloftslied, dat wij vinden in de Driem. Bladen II, bl. 60, 61:

Algemeen Bathmensch Bruiloftslied.

Willen wij er eens ommegaan, En zien of ik ze niet vinden kan? Ja, hier heb ik ze gevonden, Ja, met haar bruin haar. 't Is gevonden, ik zal haar kiezen,

Al voor een draai. Zij is mager al om te geven. En geef niet over in dezen stond, Of geef haar een zoentje voor haren mond, Al zoo nat, Al zoo glad. Onder mijne voeten, Uitverloren, Uitverkoren, Waar zal ik het zoeken? Onder deze lesse besse, Mooie meisjes samen! Mooi meisje met je blauwe rok, Mag ik eens met u ganen? Neen, neen, dat ziet zoo niet! Ja, ja, dat ziet zoo wel! Keer u eens om en ik meen je wel! Keer je nog eens omme, Nog eens weder omme! Ik heb den heelen dag geloopen, Mijn geld is door de keel gekropen (geloopen) O, en zie zoo, En bij ons gaat alles zoo! En allo!

Met het bruiloftslied hangt ten nauwste het _danslied_ samen, en de schakel vormt het bruiloftsdanslied, oorspronkelijk wel op de deel uitgevoerd. Zoo b.v.:

Ik heb mijn geld Op hoopen gesteld, Gestapeld op elkander. Ik heb mijn liefje trouw beloofd, Een trouw van diamanten.

Ziedaar, schoone jonkheer, Daar heb-je mijn hand van eer. Ziedaar, schoone jonkvrouw, Daar heb-je mijn hand van trouw, En daarop zoen ik jou.

Het oude danslied vindt men vooral nog terug in het kinderlied. Wij zagen herhaaldelijk, hoe een oud gebruik overal elders werd uitgeschakeld, om in onzen tijd bij de kinderen terecht te komen; zoo b.v. het Paasch- en St. Maartensvuur, de ommegang met de Pinksterbloem en de Luilak, het kaarsje-dansen met Driekoningen, het raadselopgeven, het pandverbeuren enz. Dezen weg zijn vooral vele reidansen gegaan. Hier en daar, op bruiloften en boerenkermissen, wisten zij zich nog op het platteland staande te houden, maar zij verdwijnen meer en meer. En evenzoo ging het met allerlei drinkliedjes en pandspelletjes. "Reien als het ,Patertje langs den kant' ,de Zevensprong' en ,Haal open de poort' geven ons te zien, hoe onze voorouders dansten, voordat de uit den vreemde ingevoerde draaiende wals en polka de oude slepende reidansen verdrongen": Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 16.

Bij deze reidansen schrijden de kinderen langzaam hand aan hand voort op de maat van het gezang, terwijl zij nu eens een kring vormen en dan weer een ketting, die zich onder een poort van armen voortbeweegt. Wij hebben hier een rest van den Oudgermaanschen dans. Het "Patertje langs den kant," waarvan ik de eerste strofe met de melodie laat volgen, was echter geen bruiloftsdanslied, maar een Meidanslied; vgl. I. bl. 190.

Daar ging een pa-ter-tje langs den kant, Hei, 'twas in de Mei, hij vat-te zijn zoe-te-lief bij de hand, Hei, 't was in de Mei zoo blij, Hei, 'twas in de Mei!

Nog een enkel woord over de waarde van het kinderlied. Het vertoont de resten van nog zoovele andere oude volksgebruiken. In een rommelpotliedje, waarvan ik I, bl. 165 melding maakte, wordt gesproken van "een stroobant", welks beteekenis mij niet helder leek. Intusschen geloof ik, dat wij hier een aanduiding mogen zien van het oude gebruik, stroo onder het lijk in de kist te leggen, wat vooral kan blijken uit de vergelijking met de volgende regels uit een XVe eeuwsch handschrift:

Ende een wilghen kiste ende een stroen bant, Hiermede word ik sent int ander lant.

In den kindermond wordt de "strooband" in Drente wel eens tot "strop", waarbij dan gevoegd wordt de houtsoort van de kist; het resultaat luidt: "mit 'n eiken strop an." Zulke veranderingen in den kindermond zijn zeer veelvuldig en, hoe verbijsterend somtijds ook, steeds psychologisch uiterst leerzaam. Zie hierover b.v. Dr. J. Bergsma, Drentsche Volksalman. 1902, bl. 50 vlg.

Natuurlijk vinden wij ook heel wat survivals van oude geloofsvoorstellingen, die ik in het Eerste Deel besproken heb. Toch moet men in dit opzicht voorzichtig zijn. Wanneer bij het neerdwarrelen der sneeuwvlokken de kinderen te Assche jubelen:

See-se-ken schudt zijn bed-de-ken uit, en laat de pluim-kes vlie-gen!