Nederlandsche Volkskunde

Chapter 39

Chapter 393,702 wordsPublic domain

Men ziet het, de sage moraliseert: goddeloosheid en onteering van den doode worden streng gestraft. Ongeveer eensluidend zijn de lezingen, die wij aantreffen in Vlaamsch-Brabant (Wambeke en Ternath), Oost-Vlaanderen (Welle, bij Denderleeuw), Noord-Holland, waar de sage nog als lied gezongen wordt, b.v. te Broek in Waterland, Antwerpen en Gent, Limburg (Vroenhoven), waar volgens 't Daghet in den Oosten XX, bl. 100 vlg. insgelijks de sage nog als lied voortleeft, in West-Vlaanderen (Brugge) en in Fransch-Vlaanderen (Godewaartsvelde). In het buitenland blijft de moraal: eer de dooden. Aldus in de lezing: het Doodshoofd te Gast, die wij ontmoeten in Bretagne, Morbihan, Nantes, Zevenburgen, Tirol, IJsland, Spanje, Luik, Metz, Picardië, Gascogne, en eveneens in de lezing: de Gehangene te Gast, vooral in Duitschland verspreid: Saksen, Pruisen, Meklenburg, Silezië, maar ook wel in Bretagne; eindelijk in de lezing op het motief: de Doode (niet: gehangene) te Gast, welke zich over Denemarken, Zweden, Noorwegen, Rusland, Holstein en Bosnië uitbreidde, maar ook wel in den Elzas en Zevenburgen gevonden wordt. De ongeloovigheid wordt echter in geen dezer lezingen gestraft, zoodat deze trek uitsluitend karakteristiek blijft voor de Nederlandsche inkleeding der sagestof. Nu heeft A. de Cock in eene voordracht, gehouden in de Koninklijke Vlaamsche Academie (Verslagen en Mededeelingen 1909) de stelling zeer aannemelijk gemaakt, dat deze trek afkomstig is van eene redaktie, die men in Poirters' Masker van de Wereld vindt; hij zelf ontleende hem aan een schooldrama, dat in 1615 te Ingolstadt gedrukt en in den herfst van hetzelfde jaar door de studenten van het Jezuïten-college aldaar werd gespeeld. Dit drama berust waarschijnlijk weer op een Italiaansche volkssage.

Met opzet heb ik deze sage wat uitvoeriger behandeld, omdat ik ze van belang acht voor het goed begrip der onderlinge verhouding tusschen volkssage en kultuursage en der inwerking van de kultuurdichting op vorm en voortbestaan der sage. Wij zien de sage ongerept en onafhankelijk van den kunstvorm. Andermaal levert zij aan den dichter stof tot bewerking. Maar opnieuw dringt het thema de volksmassa's binnen en legt het populaire sagenkleed weer aan.

"Van oudsher is de band tusschen sagen en kunstdichten nauw geweest", schrijft Poelhekke. "Veel sagen danken hun voortbestaan alleen aan den dichtvorm, waarin zij zijn overgebracht. Zou de Loreley-sage zoo verbreid zijn, als Heine ze niet had bezongen? En heeft Staring niet veel aandeel in het blijven voortleven van de sagenstof in zijn Jaromir en andere gedichten verwerkt? Er is zelfs voor nagenoeg alle sagen een tijd gekomen, waarin dichters de overgeleverde stof opzettelijk gingen omwerken, ze gingen verdiepen vooral, waarin ze het zieleleven der personen nader uitsponnen, en zoodoende menige sagenfiguur geheel wijzigden": Woordkunst, bl. 84, 85; vgl. De Beiaard I, i, bl. 49.

Maresagen. Op de Veluwe gaat de sage van een boerenknecht, die met de kar hakhout van Wiessel naar Nunspeet moest brengen en 's avonds bij den Hoogen Duvel belandde. Een uitdagend:

"Griepke, Griepke, grauw, A'j' me hebben wilt, griep me dan gauw"

bekwam hem slecht. Want een vlam sloeg uit den weg omhoog, een dreunende slag volgde, 't paard steigerde hoog op, en tegelijkertijd zag de man een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige klauwen naar hem greep. Het werd een rit op leven en dood. Straks stootte de mare een woedend gebrul uit en een aantal weerwolven met groen-lichtende oogen sprongen te voorschijn. Eindelijk bereikten ruiter en paard den reddenden stal. Maar des anderen daags vond de boer het arme dier dood op het stroo liggen. Want de mare had zich weten te wreken op het onschuldige dier. Zie G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 100; Welters, Limb. Legenden II, bl. 38, 39; De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 96, 99.

Vooral heksensagen vindt men allerwege. Het eigenaardige bestaat hierin, dat deze in den grond animistische sagen sterk met Christelijke bestanddeelen zijn vermengd; zie I, bl. 77.

Een afzonderlijke groep der mythische sagen vormen de natuursagen, die berusten op verpersoonlijking der elementen of op verklaringen der natuurverschijnselen. Over de _kabouters_ weet o.a. de Noordbrabantsche Volksalmanak 1870, bl. 253 vlg. te verhalen, hoe een boer uit Duizel, die den heelen dag in de hei turf had gestoken, in het schemeruur met zijn "spaai" op den rug over den Eerselschen dijk huiswaarts keerende, eenige schreden voor zich uit een knaapje zag voortdrentelen, dat hem, wonder genoeg, niet ouder leek dan enkele maanden. Maar toen hij het wicht had ingehaald, bleek dit een mannetje te zijn met grijze haren en grijzen ringbaard; het haalde zijn "smoorske" voor den dag en vroeg hem een pijpje tabak, waarvoor de boer ten slotte rijkelijk beloond werd. Sagen over _Witte Vrouwen_, _reuzen_, _dwergen_, _vuurmannen_ en _meerminnen_ treft men rijkelijk aan, zoo b.v. in de verzamelingen van Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. II, 18, 52; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 44; Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 29 vlg., 38; De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 168-215; De Mont-De Cock, Vlaamsche vertelsels, bl. 326, 331. Het schoone verhaal van het Meerminneken (_ib._ bl. 332), dat met lange, losse haren vol waterbloemen uit het water oprees, terwijl zij zong:

"Een wateren dak, een paleis van kristal.... Daar spelen mijn lievekens allemaal.... Visscherken, werp er uw tonneken uit.... De walvisch komt en zoekt naar buit",

is veeleer wondersprookje dan sage. Wat de natuurverklarende sagen en sprookjes betreft, deze zullen wij naderhand afzonderlijk behandelen.

De _Christelijke sagen_ borduren Christelijke figuren of tafereelen op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon. Wanneer van Sinterklaas verteld wordt, hoe hij, hoog te paard, den ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen, op zijn trouwen schimmel over de daken rijdt, om zijn geschenken door den schoorsteen te werpen,--dan is dit een Christelijke sage, want de Sleipnir berijdende Wôdan-Odhin levert het patroon. En evenzeer is dit het geval met de Christelijk-getinte verhalen, die men wel eens in bezweringsformules vindt ingelascht; daar staan Jezus, Petrus, Michaël en Stephanus eenvoudig op de plaats van Wôdan en de zijnen, die op hun avontuurlijke aardsche tochten niet zelden een verrekten paardenpoot genazen.

Van dien aard is ook de sage van Sint-Elooi en den smid.

Op zekeren keer, vertellen De Mont en De Cock, bl. 364, was St.-Elooi op wandeling en hij kwam in een vreemd dorp. Daar zag hij een smidse, en boven de deur, op een uithangbord, las hij deze woorden:

Bij Jan Hamers, paardesmid, Meester-boven-meesters.

"Wat", dacht St.-Elooi, "is die kerel zoo verwaand, dat hij zich boven heel de wereld durft verheffen? Ik ga eens zien".

Hij trok binnen, en vroeg aan den smid, of hij bij hem mocht werken.

"Kunt gij beslaan?" vroeg de smid.

"--Ik geloof, dat het wel gaan zal", was 't antwoord.

"--Welnu, toon wat je kunt", zei de smid, die zag hoe een boer naderde met een paard, dat aan zijne achterpooten moest beslagen worden.

Sint-Elooi trok een schootsvel aan en zette zich aan 't werk. Op éen, twee, drie had hij een hoefijzer gereed. Dan nam hij den poot van 't paard, sneed hem af met zijn mes, en met éenen slag van den hamer zat het hoefijzer vast. Daarna paste hij den afgesneden poot aan het been, en zette ze weer aaneen. En wat vooral wonder was: het paard had geen enkelen druppel bloed verloren. Voor den tweeden poot handelde Sint-Elooi op dezelfde wijze.

De smid, die alles van nabij had gadegeslagen, kon zijne oogen niet gelooven. "In alle geval, nu weet ik, hoe het in zijn werk gaat", peinsde hij. En daar hij erg jaloersch was, zond hij den Sant twee, drie dagen nadien weg.

Kort daarop kwam er een ander paard, en de smid wilde St.-Elooi nu eens nadoen. Hij haalde zijn broodmes voor den dag en sneed het paard zijnen poot af. Het bloed stroomde uit de wonde, dat het deerlijk was om te zien, en het beest brieschte, sloeg en trappelde van de pijn. De verschrikte smid haastte zich om het hoefijzer vast te nagelen, maar den afgesneden poot weer aan het been zetten, dat ging volstrekt niet. Intusschen bloedde het paard altijd voort en was bijna dood. En Meester-boven-meesters, die van den stalknecht eene heele karrevracht verwijtingen en verwenschingen naar den kop kreeg, wist niet wat beginnen, en stond daar te zweeten van schaamte. Gelukkiglijk kwam St.-Elooi juist voorbij. De smid riep hem binnen en smeekte hem om hulp.

"Waarom zet gij dan op uw uithangbord " "Meester-boven-meesters?" " vroeg St. Elooi. En de hoovaardige kerel wist geen woord in te brengen. St.-Elooi wilde evenwel hand noch vinger aan het paard steken, vooraleer de smid hem beloofd had zijn uithangbord weg te nemen en op den zolder te werpen; toen zette hij den poot weer aaneen en het paard was volkomen hersteld.

De smid van zijnen kant hield woord, en was van zijnen hoogmoed genezen.--

Volstrekt-fiktief, omdat persoon en hoedanigheid van den heilige totaal sekondair worden, zijn de fantastische sagen van Sint-Petrus aan de hemelpoort. Men tracht den goeden heilige op allerlei wijze beet te nemen, om toch maar niet voor eeuwig te worden buitengesloten. Nu heeft de portier des hemels ook wel zijn nukken en grillen; en zoo wilde hij eensdaags uitsluitend kavalerie toelaten. Een arme kerel, die zich niets te verwijten had, werd onbarmhartig afgewezen. Maar een kwezel, die daar juist aankwam, weet raad. "Zet U op mijn rug", stelde zij voor, "dan rijden wij zoo de hemelpoort binnen". Zoo gezegd, zoo gedaan. Sint Pieter keek hen glimlachend achterna en mompelde: "Daar heb je nu een merrie zonder staart".

Een afzonderlijke groep vormen de sagen van den Wandelenden Christus, die hetzij alleen, hetzij in gezelschap van Petrus, of van Petrus en Johannes, evenals voorheen de goden, op aarde komt rondwandelen, om te zien, hoe alles reilt en zeilt. Deze sagen zijn niet zelden verbonden met het motief der _drie wenschen_.

Met het Christendom deden leer en voorstelling van een volstrekt-boosaardig wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in de Germaansche wereld. De duivelssagen behooren tot de Christelijke groep. Deel I, bl. 95 vgl. heb ik uitvoerig besproken, op welke wijze en onder welke gedaanten de duivel optreedt en hoe hij de menschen tot een kontrakt met hem weet te verleiden. Hij verschijnt veelal om vloekers, zondagsschenders en drinkebroers te straffen, en ook bij verwenschingen, al zijn die zoo ernstig niet bedoeld. Verder komt in menige historische sage een duivelsmotief voor, ik herinner slechts aan de Faustsagen en haar Nederlandsche parallel, Marieke van Nimegen. Zie ook Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 49; Wolf, Niederländsche Sagen, no. 316, 319, 324, 325, 327; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen II, bl. 64; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 316, 319; Limburg's Jaarboek IV, bl. 253; enz.

Ik kom nu tot de _historische sagen_, volksverhalen met een historische kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Met "historische kern" bedoel ik een historisch feit, maar ook een historische persoon, een historisch woord, een historische voorstelling, teekening, opschrift, benaming enz.

De feiten zwellen aan, groeien in omvang en beteekenis, worden met andere verward en verbonden, vereenigen zich met de meest heterogene bestanddeelen. Zoo of anderszins worden oorspronkelijk-zelfstandige sagen vereenigd, als b.v. de sagen van de Tafelronde, den Graal en Parzival; andermaal wordt de oorspronkelijk-eenvormige sage in meerdere gesplitst.

Ook de personen groeien sterk in de volksverbeelding, tot haast bovenmenschelijke wezens. Zij vereenigen niet zelden op zich de daden van naamverwante of bloedverwante personen, ja van figuren, hun aanvankelijk geheel vreemd. Toovermotieven hechten zich aan hen vast, met name dat der onsterfelijkheid. Immers: groote mannen kunnen niet sterven. Vandaar, dat Karel de Groote slaapt in den Karlsberg bij Nürnberg, Barbarossa in den Kyffhäuser.

Historische gezegden kunnen eveneens aan sagen het aanzijn schenken. M.i. is de Ahasverus-sage, de sage van den Wandelenden Jood, hoogst waarschijnlijk ontstaan uit het woord van Jezus tot Petrus: "Zoo wil ik, dat hij blijve, totdat ik kome; wat gaat het u aan? Volg gij mij!" (Jo. XXI: 22, 23). En de tekst vervolgt: "Er ging dan de sprake onder de broederen, dat deze discipel niet zal sterven." 't Is waar, deze woorden hebben betrekking niet op Ahasverus, doch op "den discipel, dien Jezus lief had." Maar tot _gevleugelde_ woorden herboren, konden zij spoedig op andere personen overgaan.

Historische voorstellingen, teekeningen, opschriften hebben tal van sagen geteeld; dit feit behoort tot de zoogenaamde _ikonografische_ volkskunde. Naar alle waarschijnlijkheid ontstonden b.v. de legenden der martelaars, wien men den naam van _Cefaloforen_ of "hoofddragers" gegeven heeft, als volgt. Men dient te weten, dat de kern dezer legenden deze is, dat onmiddellijk na de marteling het lichaam van den heilige zich verheft tot groote verbazing der beulen, het bloedige hoofd in de hand neemt en zich begeeft òf naar zijn woning, òf naar de plaats, waar hij wil vereerd worden. Pater Cahier heeft een lijst van ongeveer tachtig zulke martelaars opgemaakt, en nog, zegt hij, is zij verre van volledig. Welnu, in een der homilieën van den H. Johannes Chrysostomus vindt men dezen tekst: "Evenals soldaten zich met vertrouwen tot hun koning wenden, wanneer zij hem de wonden kunnen toonen, in zijn dienst ontvangen, zoo ook vertoonen zich deze heilige martelaren aan den Koning des hemels, _hunne hoofden in hunne handen_, en verkrijgen van Hem alles, wat zij maar wenschen." Tengevolge dezer woorden werd de voorstelling van een heilige, die het hoofd in de handen droeg, het type der onthoofde martelaren. Doch weldra ging de oorspronkelijke beteekenis van dit type te loor en mèt de symbolische voorstelling ontspon zich een net van legenden, dat zijn draden over geheel Europa, met name over Frankrijk wierp.

Eindelijk, sagen kunnen ontstaan uit den drang naar verklaring van duistere benamingen; maar dit verschijnsel, dat tot de _etymologische_ volkskunde behoort, behandel ik afzonderlijk, evenals de sagen, die berusten op natuurverklaring.--

Aldus geboren verlaat de sage allicht haar bakermat, en fladdert rond, al is zij vrij wat meer gebonden en meer beperkt in haar vlucht dan het kosmopolitische, slechts nationaal-getinte sprookje. Gaarne tooit zij zich met het gewaad der heldensage en neemt zij den epischen kunstvorm aan. Volgens den Leipziger psycholoog Wilhelm Wundt, Völkerpsychologie V, 2, ontspringt zij uit het sprookje om dan, volgend de lijn harer geleidelijke ontwikkeling, zich te ontplooien in heldensage en epos. Uit het sprookje is zij ontstaan door het binnendringen van historische elementen. Deze opvatting kan echter den toets der kritiek niet doorstaan. De sage verschilt niet slechts van het sprookje door de bewuste scheiding der twee werelden van het zinnelijke en bovenzinnelijke, die in het sprookje vervloeien, en door hare sterke individualiseering van personen en zaken en haar ethische strekking; maar bovenal verschilt zij juist door haar wording. Zij kronkelt niet slechts als klimop om de verweerde bouwvallen van een oud kasteel, zij bestraalt niet slechts personen en gebeurtenissen,--maar zelfs een gezegde, een naam, een teekening kan haar doen ontluiken. Wel is het vaak moeilijk, haar van het sprookje te onderscheiden: zij loopen evenwijdig, zij nemen motieven van elkaar over,--wat wonder bij tweelingdochters van eenzelfde frissche volksopvatting en volksverbeelding?

Vooral de heldensage wortelt niet in de wazige sprookjeswereld, maar in de historie, of liever, in de berichten van indrukwekkende, beteekenisvolle historische gebeurtenissen. In haar kern en oorsprong is zij tot poëzie geworden geschiedenis en zij wordt verder voortgeplant door de kunst van dichter of zanger. En de Germaansche heldensage bij uitstek is de schepping van een in het licht der geschiedenis vóor ons liggend tijdperk. "Het sprookje is de groote schatkamer geweest", schrijft Prof. Sijmons, "waaruit helden- en godensagen de edelgesteenten en kleinodiën haalden om haar figuren te tooien. Sprookjestrekken fladderen nauwelijks zichtbaar rond als zomerdraden en hechten zich aan den helm van Achilles en Siegfried zoo goed als aan Apollo's en Balder's plechtgewaad. In den loop van enkele eeuwen worden tastbare historische personen sprookjeshelden. Diederik, de groote Oostgotenkoning, bestrijdt reuzen, dwergen en draken. De sage meent het goed met haar lieveling; zij versmaadt geen enkel uit de bonte menigte van losse motieven, die de sprookjeswereld haar kwistig aanbiedt, om haar held steeds meer los te rukken van zijn menschelijk-historischen wortel, en toch blijft ze in haar opvatting van zijn geheele verschijning, van zijn rechtvaardigheid, zijn kalme rust, zijn lankmoedige vredelievendheid en tevens onweerstaanbare dapperheid, aan het geschiedkundige beeld van den edelen vorst, wien zelfs zijn vijand bewondering schonk, op merkwaardige wijze trouw": Heldensage en Sprookjes, in de Verslagen en Mededeel, der Koninkl. Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1910, bl. 597.

Zóo is dus de sage een stuk werkelijke geschiedenis. Hoogst onbetrouwbaar wat de feiten betreft, verdient zij wat den geest betreft soms volle vertrouwen. Zij beeldt de idee uit, die in de historische gebeurtenissen leeft, zij vertolkt den geest der natie. De Germaansche heldensage is opgebloeid in de stormen der volksverhuizing, wier merkwaardige persoonlijkheden zij op merkwaardige wijze heeft weten vast te houden. Zie ook Poelhekke, Woordkunst, bl. 79, 90.

Meerdere onzer historische sagen zijn van elders hierheen gekomen. Aldus de reeds vermelde Ahasverus-sage met haar sterk-uitgesproken ethische strekking: Ahasverus heeft zich vergrepen aan den Gezalfde des Heeren, tot straf zal hij op aarde moeten rondzwerven zonder rust noch duur. Het blijven-leven is hem ten vloek, het niet-kunnen-sterven de gruwzaamste pijniging--want de dood is toch óok rust, is weldaad en verzoening.

Wolf verhaalt in zijn Niederländische Sagen de Vlaamsche lezing aldus: Omstreeks 1640 ontmoetten twee burgers, die in de Looierstraat woonden, in het _Soniënbosch_ een ouden, grijzen man, met gehavende kleeren van overoude snit. Zij verzochten hem, mee de herberg binnen te gaan, hetgeen hij ook deed; maar hij zette zich niet, doch dronk staandevoets. Toen hij met beide burgers weer buiten kwam, vertelde hij hun heel veel, en wel meestal geschiedenissen, die voor vele eeuwen waren afgespeeld. Hieruit bemerkten de burgers spoedig, dat hun gezel Isaak Laquedem was de Jood, die Jezus het rusten voor zijn deur weigerde, en verlieten hem hevig ontsteld.

De sage van den Joodschen Wandelaar is nog steeds gangbaar onder ons volk. En hier, evenals elders, maken de dichters zich met graagte van de plooibare stof meester, om Ahasverus te maken tot een strekkings-figuur, en eigen streven en aanschouwing tot uiting te brengen. Aldus Ten Kate in zijn Ahasverus op den Grimsel, Heijermans in het schouwspel Ahasverus, Vermeylen in den roman De Wandelende Jood.

Van elders kwam ook de sage van Faust, van Karel Martel, van Koning Arthur, van Keizer Karel. Daarentegen zijn de sagen van de Vier Heemskinderen--"de Vier Heysmanskinderen op éen paard", zooals het in Limburg heet--en van den Zwanenridder van Nederlandschen oorsprong, al kregen zij hun literairen vorm, die naderhand weer produktief werd, het eerst in het buitenland.

Ieder gewest heeft zijn eigenaardige sagen; niet het minst het land van de zee en van de duinen, het land van de wouden, wildernissen en waranden, het land van de eindeloos vele poelen, van de burchten, ridders en minstreelen:

O Kenmerland! o Kenmerland! O land van meiren en van wouden! O land, door 't forsche woord bezield! Hoe heeft m' een stoute pracht vernield, Die voorgeslachten hier aanschouwden! Hoe heeft (helaas!) een later teelt De paerlen van uw kroon verspeeld. En 't êelgesteente er uitgewrongen! O land van trotschheid en van kracht-- Hoe is uw eikenknots geknakt, En u een rietstaf opgedrongen! Hoe heeft m' een boozen moord gepleegd Aan 't fiere schoon van uw waranden, En in behoeftes maagre handen De schatten van uw pronk geleegd.

Maar die grootheid van weleer sluimert nog in de sagen voort, door Hofdijk zoo keurig gestoken in dichterlijke kleedij. Te Aelbrechtsberg en Tetterode verhaalt men van den meirplas, welks oeverzoom bijna de oorzaak was geworden van een noodlottigen broedertwist. Spaarndam en Akersloot's sagen: Volbrachte Eed en Proef van Trouw weerspiegelen het bonte, gevaarvolle visschersleven; Heiloo herdenkt in de Kracht des Geloofs de oude tijden onzer kerstening; kloosterrozen bloeien en wierookwolken walmen rond Bergen, Egmond, Alkmaar en Heiloo, ter gewijde stede, waar gebeden werd en geleden en geboet: Prior Henryck van Heyloo, Hoogste Troost, Sint-Cosmas-en-Damiaan-kapel, Sint-Aelbrechts Aanklacht, de Moedervloek, de Groote Worp, Kloosterroof. De strijdknots suist en de oorlogskreet schalt in den Sint-Vincents-Nacht van Schoorl. Bloedige oorlog met de Friezen drenkt den bodem en de overlevering van heel Kennemerland; maar ook de strijd met de Noormannen galmt na in zoo menige sage van de Egmonden en van Haarlem, getuige het Paardenrif en O.L. Vrouwe van Haerlem. In den Stalboef van Castricum en den Jachtstrooper van Santpoort dreunt paardengetrappel en hoorngeschal; in den Lijfknaap van Castricum kruisen elkaar de zwaarden om het bezit eener betwiste schoone; elders kletteren de wapenrustingen der ridders op het steekspel, rinkelen de bekers en bokalen, klinkt het smeltende lied der minstreelen. Maar Bergen en Egmond, Alkmaar en Heiloo, Limmen en Akersloot, Castricum en Heemskerk, Heemstede, Assendelft en Santpoort, zij allen gewagen van minnelust en minnesmart, van vrouweneer en riddertrouw, ja trouwe tot aan gene zijde van het graf.

Mag ik afscheid nemen van Holland zonder de Damiaatjes van Haarlem te herdenken, en den Bouwmeester van Sint Bavo, die onbekend wilde blijven, een sage, die slechts deze idee schijnt te willen uitbeelden, dat geweldige kunstwerken als de Sint Baafskerk niet het gewrocht zijn van éen persoon, maar van het geheele volk, in zijn moedig streven door hoogere macht gesteund?

De sagen der Friezen, zoo prat op hun eigen aard en volkswezen, zijn voor een groot deel oorsprongssagen: Friso, Saxo en Bruno; Naam en Herkomst der Friezen; Hengist en Horsa; Afkomst der Westfriezen; het Roode Vaandel en de IJzeren Kroon; het Roode Klif enz. Andere verhalen hebben betrekking op de bekende Friesche onbuigzaamheid: Koning Radboud weigert zich te laten doopen; Koning Karel en de Friezen; Friesche Stijfkoppen e.a. Ook weet men te verhalen, hoe Leeuwarden door vrouwen werd gered. Dit nu is geenszins merkwaardig, daar hetzelfde van tal van andere plaatsen wordt verhaald; zoo werd ook Haarlem gered door Kenau Hasselaer en Venloo door Geertrui Bolwater. Eigenaardiger is, dat Franeker gered werd, doordat twee maagden de laatste brooden van de wallen wierpen. De vijand dacht nu, dat de stad geen gebrek had en hief de belegering op. Naar men weet, ging in de Oudheid een dergelijk verhaal over het opbreken van de belegering van het Kapitool door de Galliërs.

Ook Zeeland heeft zijn oorsprongssagen, zoo b.v. de Herkomst van hertogen en volk van Walcheren.

Utrecht, de bisschopszetel, kent natuurlijk grootendeels bisschopssagen: Bisschop Frederik van Utrecht; Odulf van Utrecht en de Kerk te Staveren; Dood van Bisschop Koenraad van Utrecht. Ook weet de sage te verhalen, hoe Albertus Magnus de gunst verkreeg, dat de Predikheeren zich te Utrecht mochten vestigen.