Nederlandsche Volkskunde

Chapter 38

Chapter 383,859 wordsPublic domain

Naar men weet heeft Laistner den droom als mythischen faktor ingevoerd; en inderdaad kunnen vele motieven als _droommotieven_ worden beschouwd. Aldus in de sprookjes van den tooverslaap, die ons Doornroosje, Sneeuwwitje en de Zevenslapers in het geheugen roepen. Al de hoofdpersonen van deze sprookjes moeten wachten op verlossing uit den slaap; een gewaarwording, die den droomenden mensch herhaaldelijk bevangt. Talrijk zijn ook de sprookjes, waarin een droom een beslissende rol speelt, doordat hij of wel de werkelijke toekomst voorspelt, of de menschen tot ijdele hoop verleidt,--vertelt Homerus ons niet reeds van de twee droompoorten aan het paleis van den nacht? De eene is van hoorn, de andere van elpenbeen: door deze gaan de vleiende, bedriegelijke droomen, door gene de waarachtige, die ter voleinding voeren. Hiertoe behooren verder het wenschmotief, men denke aan het wensch-tafeltje met allerlei spijzen en het overbekende tafeltje-dek-je; het vergeetmotief, als in het sprookje van de Ware Bruid; het raadsel- of sfinxmotief, ons bekend uit het verhaal der koningsdochter, die slechts wilde trouwen met iemand die haar kon vastpraten, en van den koning, die geen andere vrouw tot koningin wilde nemen dan haar, die zich voor hem zou vertoonen "niet bij dag en niet bij nacht, niet gekleed en toch niet naakt, niet te voet en ook niet te paard", zie Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven II, bl. 50, 68, 71; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 31, 352, 390 (een vernuftige boerendochter zette zich bij het vallen van den avond op een ezel, omhing zich met een groot vischnet, en trok zoo naar 't paleis); en dat van de zware, onoplosbare taak of van het labyrinth, in de Germaansche sprookjes vervangen door het groote, sombere woud.

Zoo kom ik eindelijk aan de _karakter-motieven,_ waartoe op de allereerste plaats wel de sluwheid behoort, meestal verbonden met kleine lichaamsgestalte, als bij Klein-Duimpje, in het Groningsch _Keuteldoemke_, zie Volkskunde XIII, bl. 111, in het Limburgsch _Duumpke-Mezuumke,_ wellicht ontstaan uit _Duumpke-mie(n)-zeunke;_ zoo ook in het Geldersch verhaal van den Slimmen Jan, Volkskunde XIII, bl. 247, en van den Slimmen Schoenmaker, De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 216. Andermaal wordt de domheid tot motief, veelal verbonden met forsche, rijzige lichaamsgestalte. De domme begrijpt meestal een gegeven leer niet. Hiertoe behooren onze sprookjes van Diertien, Jan den Boer, Sterken Hans of Wolfjonk en Nog dommer dan dom. De historie van Tijl Uilespiegel wijkt slechts in zoover af, dat hij in al zijn dwaze streken een opzettelijke schalk is.--Sterkte en dapperheid, lafheid, geluk vertoonen zich zóo regelmatig, dat zij kwalijk een motief kunnen genoemd worden. Het ongeluk wordt tot motief bij den ongeluksvogel, wien alles tegenloopt. Ook de luiheid is een gewild motief, maar dan een grootsche, ekstatische luiheid, een eigenschap, die den drager begenadigt, burger te worden van het Luilekkerland! Het lange slapen is het eerste sprookjes-kenteeken dezer luiheid. De nieuwsgierigheid wordt doorgaans bestraft en hangt nauw samen met het motief van het verraden geheim, dat wij in het oude sprookje van Midas met de ezelsooren vinden, en van het vraagverbod: Amor en Psyche, de Zwaanjuffer, Blauwbaard, wanneer dit verhaal althans om zijn historische kern niet tot de sagen moet gerekend worden, zie Funck Brentano in de Vragen van den Dag XIX, bl. 483, 556, 649. Ook wordt de eenvoud vaak beloond, hetgeen wij zien in de formule van Asschepoester, een meisje trouwens zóo schoon, dat haar schoonheid zich reeds door haar schoentjes verraadt.

In het Oosten, en ten deele ook in Italië, was het sprookjesvertellen een beroep, uitgeoefend door vakmannen in het vertellen, aan het hof, in de paleizen, voor de groote volksmenigte. Vertellers van dien aard bezitten een zekere kunstvaardigheid en techniek, en berekenen en versterken den indruk door dramatische middelen; zij verhoogen de spanning en maken jacht op effekt. Zóo ontstonden b.v. de sprookjes der Duizend en een Nacht. In den Oosterschen verhaaltrant is veel novellistisch en fantastisch, de volksaardige grondslag wordt niet zelden geheel door kunstmatig geteelde woekerplanten overgroeid.

De Nederlandsche, Duitsche, Engelsche, en grootendeels ook de Fransche sprookjes zijn geheel anders. Zij zijn kinderlijk en schijnen voor kinderen bestemd. Zeker, zij worden verteld onder de dorpslinde op zomeravonden, zij korten de gezelligheidsuren der spinningen, voor zoover die nog in eere zijn (I, bl. 273). Maar het midden, waar zij bij uitstek thuis hooren, is toch de huiselijke kring, met name de kinderkamer: moeder en grootmoeder vertellen, de kinderen vormen het luistergrage publiek.

Dit feit vindt weerklank in vorm en aanleg onzer sprookjes. Een slot, dat de vernietiging van het goede en edele beduidt, verdraagt de kinderziel niet. Maar ook in den loop van het verhaal zelf wordt het harde en gruwzame, dat b.v. de IJslandsche sprookjes kenmerkt, zooveel mogelijk verbannen. Verder vermijdt men het geraffineerde, het te zeer prikkelende, het eindeloos spannende: het kind moet naderhand kunnen inslapen en vriendelijke droombeelden moeten het omzweven. Maar vooral, het sprookje moet eenvoudig zijn en verstaanbaar, moet liggen binnen het bereik der kinderziel. Juist hierdoor echter is de oude sprookjeskern beter bewaard gebleven: vooreerst, omdat het gekunstelde ontbreekt, maar ook, dewijl het kind steeds op dezelfde wijze wil verhaald hebben. Zelfs een lichte verandering duldt het niet: "dat is niet juist, niet goed," zegt het dan. Want het kind houdt de sprookjes voor waar.

Een bijzonder karakter vertoonen nog de Nederlandsche sprookjes. Onder de dieren heeft de ooievaar natuurlijk een eereplaats, maar merkwaardiger is de natuurschildering. In 't Oosten en Zuiden van ons land speelt het verhaal meestal nog in het woud, maar in het Noorden aan en op zee. Toch voelt het sprookje zich in het woud beter thuis, en het verwaait en vervaagt wel eenigszins in onze kale, kille laaglanden. Hoe schenkt het dichte, donkere bosch ook zoo echt de sprookjes-stemming, de zalige beklemdheid, het heerlijke angstgevoel! Dáar drukt verlatenheid en eenzaamheid op het verdwaalde kind. Aan reuzen en dwergen, monsters en verscheurende dieren is het weerloos prijsgegeven. Vooral wanneer de nacht neervlerkt. Maar eindelijk herleeft toch de hoop op redding, als ginder, heel ver, een zwakke lichtschemer trilt: "en toen zagen ze in de verte een lichtje branden".

Met name echter: humoristische gemoedelijkheid kenschetst onze sprookjes. Maar deze gemoedelijkheid is inniger in het zuidelijk volksgebied, en helt meer over tot het banale of platte in het noordelijk.

Een afzonderlijke groep vormen de natuurverklarende sprookjes; deze behandel ik in het Zesde Hoofdstuk III.--

--Daar was eens een man, --Toe, luistert dan, --Daar was eens een' vrouw, --Toe, luistert nou, --Daar was eens een heer, --Och! ik vertel niet meer.

Ziedaar een staal van de zoogenaamde kwelsprookjes, die ik tot het laatst bewaard heb, en wier finale werkt als een koude waterstraal. Algemeen verspreid zijn ook de kwelvertelsels van het Kalverstaartje en van den Gouden Sleutel:

Er was eens een man, die groef zijn tuintje wat om en vond toen een houten doosje. In dat doosje vond hij een kalverstaartje,--en ware dat kalverstaartje wat langer geweest, dan zou mijn vertelseltje ook wat langer geweest zijn.--

Eens 's winters, toen er veel sneeuw lag, werd een arme jongen door zijn ouders met een slede uitgezonden om brandhout te halen. Toen hij nu in het bosch de slede opgehoopt vol had geladen met doode takken, wilde hij, voor hij naar huis terugkeerde, een vuurtje maken om zich wat te warmen. Hij ruimde daartoe de sneeuw wat weg, en vond toen op den grond een kleinen gouden sleutel. Verder zoekende vond hij aldra onder de sneeuw ook een ijzeren kistje, met een sleutelgat zoo klein, dat men het nauwelijks zien kon. Hij probeerde, en gelukkig! de sleutel paste. Hij draaide het sleuteltje eenmaal om,--en nu moeten wij wachten, tot hij het kistje heel en al geopend heeft, dan zullen wij verder vernemen, welke wonderbaarlijke dingen er in waren opgesloten.

Minder bekend wellicht is het volgende Limburgsche kwelsprookje.

In overoude tijden kwam eens een groot geheimzinnig schip de rivier afdrijven en ankerde nabij een havenstad. Zwart was de kiel, zwart de mast, zwart de zeilen en al het takelwerk. Geen kapitein stond op de brug, geen stuurman aan het roer, geen matrozen op het dek of in het want,--alles was eenzaam en akelig stil. Het volk uit de havenstad drong op de kade om het schip samen, maar niemand verstoutte zich het vaartuig te betreden. Eindelijk achtte de magistraat het zijn plicht een onderzoek in te stellen. Ook het ruim vond men ledig, op éen kajuit na: daar zat een klein, zwart manneke, en ter linkerzijde van hem lag een zwaard, ter rechter een korst brood.

Toen nu niemand wist te zeggen, wat dit beduidde, ontbood men een eerbiedwaardig kluizenaar uit den omtrek, en deze gaf eindelijk de gevraagde verklaring. "Het zwaard", zoo sprak hij, "beteekent lange jaren van bloedigen oorlog; de korst brood even zoo vele jaren van bitteren hongersnood"....

"En het zwarte manneken dan?" vraagt wellicht een ongeduldige hoorder. Waarop het antwoord luidt: "Dat moogt gij zoolang likken, tot het blank is".--

Behalve de reeds vermelde literatuur, zie nog A. De Cock, Rond den Heerd, Sprookjes voor jong en oud (Gent 1890); Uit de Wonderwereld, Sprookjes voor groote en kleine kinderen (Gent 1889); Fr. Coeckelbergs, Sprookjes, Legenden, Sagen en Liederen, afgeluisterd te Heyst-op-den-Berg (Antwerpen 1903); C. Claerbout, Sprookjes en Verhalen uit het Thieltsche (Pithem 1890); J. van Lantschoot, Volksvertelsels uit Meetjesland, (Gent 1895); J. Vermast, Vertelsels uit West-Vlaanderen (Gent 1890); Ad. Lootens, Oude Kindervertelsels in den Brugschen tongval (Brussel 1868); H. Poelhekke, Woordkunst, bl. 99; Ad. Thimme, Das Märchen, (Leipzig 1909), _passim_; Gustav Meyer, Essays und Studien zur Sprachgeschichte und Volkskunde (Berlin 1885) I, bl. 145 vlg.; M. A. Perk, in De Gids 1882 III, bl. 237; Prof. J. V. D. Vliet, in De Gids, 1894, II, bl. 452; Prof. J. J. Speyer, in De Gids 1892, III, bl. 520 vlg.

Van het sprookje verschilt de _sage_, dewijl deze, zooals reeds gezegd, gebonden is aan tijd, gewoonlijk zelfs aan éen moment, als hoofddatum opgevat; het sprookje immers breidt zich uit over jaren en jaren. De sage is ook plaatselijk beperkt, hecht zich vast aan een bepaalden berg of stroom of meer van het geboorteland en heeft een meer nationaal karakter; het sprookje speelt ergens ter wereld, onbepaald, en gaat van pool tot pool, van oceaan tot oceaan. De sage eischt geloof aan de waarachtigheid van het verhaalde; ook het sprookje vraagt vertrouwen, doch slechts schertsender wijze, en het is meer novellistisch van aard. De sage is armer, eentoniger, het sprookje geestiger en biedt meer afwisseling. Waar de sage een religieus bestanddeel omvat, heeft het bovennatuurlijke den boventoon; het sprookje is in weerwil van al het wonderbaarlijke meer menschelijk. De sage staat ethisch, het sprookje artistiek hooger. Vooral de Germaansche sage wordt gekenmerkt door den adel der persoonlijkheid, de hooge opvatting van eer en plicht, de innigheid en reinheid van het zieleleven. Geschonden trouw wordt doorgaans door de straf op den voet gevolgd. Op Nederlandschen bodem onderscheidt de sage zich door grooten eenvoud en soberte, hoogen ernst en rustigen verhaaltrant.

De _mythische sagen_ wortelen over het algemeen in animistische opvattingen, of in een bepaald mythologisch systeem. Na de uitvoerige bespreking der volksreligie in het eerste deel, bl. 62 vlg., kunnen wij ons hier met deze algemeene verklaring en verdeeling tevreden stellen. Ook vindt men daar ter plaatse reeds tal van Nederlandsche mythische sagen vermeld; ik wensch hier nog slechts enkele voorbeelden aan toe te voegen.

Spook- en Tooversagen. Een typische spookgeschiedenis mag m.i. in een boek als dit niet ontbreken. Ik ontleen ze aan de Vlaamsche Vertelsels van De Mont-De Cock, bl. 321. Het zeer verspreide verhaal draagt den naam: Van het betooverd Kasteel. Spooksagen als deze vormen vanwege haar geringe lokaliseering als het ware den overgang tusschen sprookje en sage. Jan, die twintig jaar den koning had gediend, waagt het, te gaan overnachten in een kasteel, waar het spookte.

...In éen, twee, drie had hij een warm vuurtje aangelegd en zijn beslag gereed gemaakt. Dan zette hij zich in eenen leuningstoel, op zijn zeventien gemakken, bij den haard, in afwachting, dat de koekdeeg aan 't rijzen zou gaan. Intusschen was het elf uur van den nacht geworden, en Jan begon te bakken. Maar de koek was nog maar half gaar, of pardof! daar viel een heel menschenbeen door den schoorsteen in de pan, en--de koek lag in de asch!

"Suikerloot", riep Jan, "al éen bedorven". Hij raapte het been op, smeet het in den hoek der schouw en herbegon te bakken. Maar, pardof! een tweede been plofte in de pan, en ... de koek lag weer in de asch!

"Sapperlot", vloekte Jan, "al twee bedorven!" Hij gooide het been bij het andere en ging weer aan 't werk, ongelukkiglijk met hetzelfde gevolg, want nu viel er een menschenarm in de pan, en de koek was weer om zeep. En zoo duurde het nog eenigen tijd voort: den vierden keer viel de andere arm, den vijfden de heele ribbenkast, en ten slotte een menschenschedel!

Jan wierp heel dien santenboetiek op 'nen hoop in den hoek van den schoorsteen, zonder zich daarvoor kwaad bloed te maken. "Zou 't nu eindelijk gedaan zijn!" riep hij, terwijl hij eens even naar omhoog in de schouwpijp keek. "Nu wordt het tijd, want mijn beer begint te dansen". En hij opnieuw aan 't bakken. Ditmaal liep het goed af, ook eene tweede en eene derde maal, en Jan speelde de koeken gretig binnen. Maar toen hij nu eens met een vluchtigen blik naar "zijn knekelhuis" keek, bemerkte hij tot zijne verwondering, dat de verschillende beenderen leven gekregen hadden en zich samenvoegden tot een menschelijk geraamte!

"Wel, vriend Magermans", zei Jan tot het spook, "hebt gij geenen lust, om een koekje mee te eten?" Maar hij kreeg geen antwoord. "Die zwijgt, stemt toe", zei Jan, en meteen nam hij een halfgebakken pannekoek, en smeet dien het spook in 't aangezicht, dat hij er aan bleef plakken.

Daar sloeg het middernacht op den toren van de dorpskerk. "Doe de deur open", zei het spook nu, en het wees met den vinger naar de kelderdeur.

"Doe ze zelf open, als ge niet te lui zijt", zei Jan. Het spook wenkte den soldaat hem te volgen en ging de kelderdeur openen.

"Daal nu de trappen af", sprak het.--"Doe het zelf", zei Jan. Het spook daalde de trappen af, gevolgd door den soldaat met een brandende kaars in de hand. Vóor een grooten blauwen steen, in den keldervloer, bleef het spook stilstaan. Hier raakte het eventjes de handen van onzen gast aan, en deze voelde, dat ze gloeiend heet werden. "Hola, kerel, denkt ge mij te verbranden?" riep Jan. "Herbegin maar niet, of ik zal u 'nen anderen dans leeren".

"Hef dien steen op", sprak de geest.

"Hef hem zelf op, als ge niet te vadsig zijt", zei Jan. Het spook nam nu den steen weg, en Jan bemerkte eenen put, waarin drie volle kisten goud naast elkander stonden.

"Ziet ge dit goud?" vroeg het spook. "Dat alles heeft mij toebehoord, toen ik op dit kasteel leefde, maar ik heb er geen goed gebruik van gemaakt. Daarom moest ik branden en hier elken nacht terugkeeren, tot er iemand gevonden werd, die dat geld een goede bestemming zou geven. Gij zult het doen, en van nu af is mijne straf uit". Tot teeken der waarheid legde het nogmaals de hand op Jan, en hij voelde, dat ze nu koud was. Dan sprak het weer: "De eerste kist is voor u; de tweede is voor den arme; de derde is voor de kerk". Daarop verdween de geest, en Jan stond daar alleen.

's Morgens ging hij zijn wedervaren aan den graaf (den kasteelheer) vertellen. Deze was heel blij, dat zijn kasteel nu van de spoken verlost was, en liet Jan gewillig toe het goud uit te deelen, zooals het spook had voorgeschreven. Onze soldaat, thans schatrijk geworden, keerde terug bij zijne moeder, en leefde met haar nog lang en gelukkig.

Daar kwam de Dood met zijn wagen met doodenkruid, en voerde hen alle twee de wijde wereld uit.

De spooksage is hier met een schatsage verbonden; dit is o.a. ook het geval met de Neerlintersche sage van het Blauwe Spook, die men vindt in Hagelander IV, bl. 90 vlg. De spoken zijn veelal familieleden, die terugkeeren en om gebed vragen of om vervulling eener door hen of door een ander niet volbrachte gelofte, zoo b.v. het spook van de Langesloot en van Tusschendijken, bij Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 146, 154. Overeenkomstig luidt een sage, ons door Boekenoogen in Volkskunde XIX, bl. 150 meegedeeld:

Een bakker te Hoorn had een vrouw en twee kinderen. Zijn vrouw werd doodziek en hij beloofde haar op haar sterfbed, dat hij de kinderen bij een buurvrouw, een heel braaf mensch zou uitbesteden. Maar toen zij gestorven was, kwam hij die belofte niet na.

Van dien tijd af begon het avond aan avond te spoken. Er werd gerommeld, geschuifeld, gestampt en ander leven gemaakt. En altijd op denzelfden tijd begon het leven weer en werd het na een poos weer stil.

Hij wist niet wat hij er aan doen moest en sprak er den predikant over. Deze besloot zich met eigen oogen en ooren te overtuigen en bleef dus op een zekeren dag waken en las onderwijl in den bijbel. Op den gewonen tijd begon het spoken weer en toen dat een poosje zoo geduurd had, zei de dominee: "Wat is er van uw verlangen?" "Ik heb geen rust", antwoordde het spook, "voor mijn man zijn belofte omtrent de kinderen vervuld heeft". "Die zal vervuld worden", sprak de dominee.

Toen vertelde hij den bakker wat hij gehoord had en deze heeft de kinderen toen bij de buurvrouw uitbesteed; en het spoken is sedert voorgoed opgehouden.--

Hoeveel betooverde meren en kasteelen schenken er niet een tooverwaas aan het Nederlandsche landschap! Diep bedolven in het Bleeke Meer--ook Prinsenmeer en Koningsmeer genoemd--nabij Stavoren ligt de schat der Friesche Koningen, gelijk de schat der Nibelungen in den Rijn. En waar de Niers met groote kronkelwegen de velden doorstroomt, daar verjoeg eens een hoogmoedige ridder in zijn verwaten trots een arme pelgrim van zijn erf. Slechts de jongste dochter had deernis met hem, maar vermocht den vloek niet meer te bezweren, die zich ging ontladen over het misdadig slot. Daar doet de torenklok twaalf doffe slagen weerklinken...en het kasteel zinkt weg in de diepte. Maar toen de lente weer kwam, ontsproten aan den voet van den heuvel, waarop de burg gelegen was, hyacinthen, primula's en anemonen, als herinnering aan de jonkvrouw, die niet geheel was ontaard.--Andere plaatsen, als het Solsche Gat, zijn betooverd, omdat daar een moord werd gepleegd. Klokkekuilen, die het gebeier der verzonken klokken nog menigen nacht, vooral op Kerstnacht, doen hooren, hebben allen hun genetische sagen. Voeg bij deze toover- en spooksagen nog de groep van volksverhalen, die betrekking hebben op personen, welke het vermogen bezitten, iemand "vast te zetten" of, zooals het heet, die "de vrije kunst" verstaan; van deze vindt men een zeker aantal bij Boekenoogen in Volkskunde XIX, bl. 142 vlg., en De Cock, ib. XXIV, bl. 142. Zie verder De Cock, Brabantsen Sagenboek I, bl, 118-161; Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 46, 51; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen (Amsterdam 1909) I, bl. 96; Geldersche Volksalman., 1835, bl. 28; 1845, bl. 37; P. Oosterlee, Legenden3 (Nijmegen 1913), bl. 96.

Daar bestaat een soort van betoovering, die zeer oud of onsterfelijk maakt of voor geruimen tijd de gave der vergetelheid schenkt. Algemeen vermaard is de sage, zooals zij is gelokaliseerd in het Zevengebergte, onder de benaming van _Der Mönch von Heisterbach_; men kent ook de Nederlandsche bewerkingen van W. Müller's gelijknamig gedicht. Maar ook in Groot-Nederland is dergelijke sage inheemsch, getuige het volgende, te Hekelgem uit den volksmond opgeteekende verhaal over "Het Kluizevogelken van Affligem".

Op zekeren dag wandelde een heilige pater uit de abdij van Affligem in de wijde bosschen, rondom het klooster gelegen. Op eens werd zijn oor getroffen door het hemelsch gezang van een vogeltje. Vol bewondering houdt hij het vogelken in 't oog en daar het van boom tot boom vliegt, volgt hij het immer na. Zoo brengt het hem tot bij een kluis, die met een gouden draad is afgespannen. De draad opent zich bij het naderen van den monnik en sluit zich achter hem weer dicht. De pater zet zich neer op een bank naast de kluis en luistert nog altijd even gretig naar het wonderbaar gezang van het vogeltje.

Maar ten slotte houdt het gezang op, en toen eerst dacht de pater er aan, naar de abdij terug te keeren. Hij komt voor de poort en klopt aan. Een portier verschijnt en vraagt: "Wien mag ik bij den Abt aandienen?"--"Wel broeder, kent ge mij niet? Ik heb slechts eenige uren geleden het klooster verlaten", antwoordt de monnik.--"Gij zijt mij geheel vreemd", herneemt de portier.--"Onmogelijk", protesteert de pater; "ga den heer Overste en mijne andere broeders verwittigen; die zullen mij wel herkennen".

Maar niemand herkende hem. Toen kwam de abt op de gedachte, den vreemdeling zijn naam te vragen; en zoekend in de vergeelde en bestoven registers der oude abdij bevond men, dat de onbekende monnik juist honderd jaar geleden de abdij verlaten had. Ter herinnering aan dat voorval is naderhand op de plaats der oude kluis een kapel gebouwd, die men de _Kluizekapel_ noemt. Vergel. De Cock, Brabantsch-Sagenboek I, bl. 69.

In deze lezing van de sage is een nieuw sagenmotief ingelascht, n.l. het vogeltjesmotief, dat men in een andere, wellicht meer oorspronkelijke lezing, ons door Wolf, Niederländische Sagen no. 148 meegedeeld, met het tekstmotief verbonden vindt. De kloosterling denkt n.l. na over het schriftwoord: "Duizend jaren zijn voor Uw oogen als de dag van gisteren". Zie nog Zeitschr. d. Vereins für Volkskunde XI, bl. 298.

Men zou tot deze groep de sage van den Wandelenden Jood kunnen rekenen, en ik moet toegeven, dat zij eenige trekken van het zoogenaamde Matthusalem-motief bevat. Maar ik reken ze toch liever tot de historische sagen.

Zeer merkwaardig voor inhoud en verspreiding der sagen in het algemeen is die van den te Gast genooden Doode, over geheel Europa verspreid. Te 's-Hertogenbosch luidt zij als volgt:

Langen tijd geleden leefde te 's-Hertogenbosch een Jonker, die aan God noch gebod geloofde en een zeer zondig leven leidde. Op zekeren avond twistte hij in een drankhuis over de vraag of er na den dood nog een leven is, en hij hield staande dat, wat dood is, dood blijft. Bij het naar huis gaan moest hij over een kerkhof en toevallig schopte hij tegen een doodshoofd. "Ha ha!" riep hij luid, "dat treft. Als gij nog leeft, kom dan straks het avondmaal met mij nemen!" En lachend ging hij verder. Thuisgekomen ging hij welgemoed aan tafel. Daar gaat de bel en de meid ziet een vreemdeling voor de deur staan. Zij brengt hem binnen en de vreemdeling zegt tot den Jonker: "Gij hebt mij zooeven te gast gevraagd, zooals gij ziet, beantwoord ik aan uwe uitnoodiging". De Jonker voelde zich ijskoud worden, maar nog meer, toen de man zijn mantel aflegde en zich vertoonde als een afschuwelijk geraamte. De Jonker viel in onmacht en de meid, die kwam toeloopen, vond geen spoor meer van den vreemdeling. De Jonker bleek zijn verstand te hebben verloren en stierf krankzinnig.