Chapter 37
En het goudvischje had niet gelogen, want Janneken vond al de kamers van zijn huis, van onder tot boven, zoo rijkelijk gemeubeld, dat hij zijn oogen bijna niet kon gelooven. Maar zijne vrouw was niet voldaan. "Nu ontbreekt er ons nog geld", zei ze, "we moeten immers schoon gekleed gaan, en lekker eten en drinken hebben, en eene koets met een koppel paarden. Ge moet dus terugkeeren bij het vischje, en veel geld vragen".
Zoo 's anderen daags begaf de man zich weer naar het strand, en riep:
"Vischken, vischken uit het water, Kom bij Janneken Tietentater!"
--"Wat belieft er U, Janneke mijn manneken?" vroeg het vischje weer.
--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje".
--"Wat is er haar willetje dan?"
--"Ze zou gaarne veel geld hebben, om schoone kleederen te koopen, en goed eten en drinken en eene koets met twee paarden".
--"Ga naar huis, ge zult het hebben!"
En het goudvischje had wederom de waarheid gezegd, want toen Janneken t'huis kwam, vond hij al de kasten en laden vol goud- en zilverstukken. Nu hadden ze geld "met de macht", zoodat zij fijne brokjes aten, lekkeren wijn dronken en kostelijke kleederen droegen. Ook hielden zij knechten en meiden, en reden alle dagen met de koets uit. 't Was een koningsleven, en toch verlangde de vrouw nog meer.
"Ik zou wenschen, dat gij koning waart, en ik koningin", zei ze op zekeren dag tot haren man, "dan zouden we de rijkste zijn van 't land en iedereen zou voor ons moeten bukken. Keer terug naar de zee, en vraag dat aan 't vischje".
's Anderen daags toog de man opnieuw naar het strand en riep:
"Vischken, vischken uit het water, Kom bij Janneken Tietentater!"
--"Wat belieft er U, Janneken mijn manneken?" vroeg het vischje, dat weer onmiddellijk aan de oppervlakte verscheen.
--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje".
--"Wat is er haar willetje dan?"
--"Ze zou gaarne koningin zijn en ik koning!"
--"Ga naar huis, ge zult het zijn".
En van dien dag af woonden Janneken en zijne vrouw in een koninklijk paleis en overal, in de boven- en benedenzalen, blonk en schitterde alles, dat hunne oogen er van schemerden. Ze waren in 't goud gekleed, zaten op een gouden troon, aten uit gouden tellooren en dronken uit gouden bekers. Knechten en meiden gehoorzaamden hun als slaven en de rijkste menschen kwamen vóor hen nederbuigen. Doch, in hare hoovaardij, wilde de vrouw nog hooger klimmen en ze zei tot haar man: "We kunnen van het vischje toch alles verkrijgen, wat wij zouden wenschen; welnu, ga morgen nog eens naar de zee, en zeg aan het goudvischje, dat gij verlangt God te zijn, en ik Onze Lieve Vrouwe".
Ja, den volgenden dag ging de man weeral naar het strand en riep:
"Vischken, vischken uit het water, Kom bij Janneken Tietentater!"
Op éen, twee, drie, was het vischje daar weer, en vroeg:
--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?"
--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje".
--"Wat is er haar willetje dan?"
--"Ze zou gaarne Onze Lieve Vrouw zijn, en ik God".
En het vischje antwoordde met eene barsche stem:
"Daar is maar _één_--_één_ God, Gij zijt een zot, Kruip weer onder uwen mostaardpot".
En thuis vond Janneken zijne vrouw opnieuw onder den mostaardpot zitten, met eenen neus van eene el lang, en ze schreide, dat ze snikte.
(Santvliet en Wijneghem).
Het motief der Drie Wenschen vindt men nog in een sprookje van dezen naam bij Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 126, in Volkskunde XV, bl. 34: Van den smid, die niet sterven wilde, en XVII, bl. 17: Van de drie wenschen (Nederlandsche sprookjes en vertelsels, medegedeeld door G. J. Boekenoogen).--
Ook de vogels worden meestal slechts in het algemeen aangeduid; uitzondering maakt de musch: brutale huisgast, de leeuwerik: zangeres van het morgenrood, de zwaluw: geluksvogel, de nachtegaal: lenteverkondiger, de ooievaar: kinderbrenger en kindervriend; verder nog de uil, de adelaar en enkele anderen. In het hier volgende sprookje, eveneens aan de Vlaamsche Wondersprookjes ontleend (bl. 235), is slechts sprake van een vogeltje, dat zingt in de boomkruin. De booze moeder en de vogel die het uitbrengt zijn de motieven.
Van de booze Moeder en den straffenden Noteboom.
Daar waren eens twee kinderen en die heetten Janneken en Mieken. De Moeder kon Janneken niet lijden, maar Mieken zag ze doodgaarne.
Op zekeren dag zei ze tot de kinderen: "Gaat naar het bosch, om hout te rapen." En ze gaf Mieken eene lekkere, witte boterham, terwijl Janneken niets kreeg dan eene droge snede roggebrood.
Toen de jongen en het meisje nu naar huis keerden, had Mieken schier al het doode hout alleen opgeraapt; zij had een vollen schoot, terwijl Janneken bijna niets had kunnen zamelen.
Als de Moeder dat zag, gaf zij Mieken een schoonen, blozenden appel, maar aan Janneken niemandal.
"Krijg ik nu ook geenen appel, Moederf" vroeg hij, met een droef gezicht.
--"Gij!"... riep de Moeder met een groote verontwaardiging. Doch een oogenblik daarna bedacht zij zich en zei: "Welnu, voor dezen keer, ja, ga dan maar op den zolder naar de kist, en haal er eenen appel uit."
Maar het leelijke wijf volgde Janneken heimelijk op hare zokken, de zoldertrap op, en als de jongen het scheel van de kist had opgeheven, en zijn hoofd er juist instak, boef! sloeg zij uit al hare macht de kist weder toe, zoodat de kop af was, en met een harden bons neerviel....
Nu kapte de booze moeder haar kind in stukskens, om er soep van te koken, en de beenderen liet zij Mieken onder den noteboom in den tuin begraven.
Als de vader 's middags van zijn werk thuis kwam, vroeg hij, waar zijn Janneken was, want hij had het jongsken innig lief.
"Hij is hout rapen," zei de vrouw.
--"... Maar wat vreemden smaak heeft die soep toch!" merkte de man na een poosje zwijgens aan, terwijl hij zijn vrouw in de oogen keek.
--"Och, wat zou het anders zijn dan een beetje aangebrand!"
Als hij gegeten had, ging de vader in zijnen tuin, en toen hij onder den noteboom kwam begon op eens een vogeltje in de kruin te zingen:
Mijn moeder heeft mij vermoord, Mijn vader heeft mij geëten (gegeten) En mijn zuster heeft mijn' beentjes al' Onder den noteboom gesteken (gestoken).
En roef! daar viel met een zwaren plof een volle zak geld vóor vaders voeten neder. Dadelijk liep hij naar binnen en vertelde, wat aardig geval hem nu overkomen was.
Mieken ging ook in den tuin zien. En op den boom ging het vogelken weer aan den gang met zijn droevig liedje:
Mijn moeder heeft mij vermoord, Mijn vader heeft mij geëten En mijn zuster heeft mijn' beentjes al' Onder den noteboom gesteken.
En zie, daar viel uit de lucht een schoon blauw satijnen kleed vlak vóor de voeten van het meisje. Met een popelend hartje raapte zij het op en stormde er mee binnen.
Dan kwam de moeder toegeschoten, in de hoop dat er voor haar ook wel iets ten beste zou wezen. Maar nauwelijks was ditmaal het liedje ten einde of, pardaf! daar viel een zware zak met harde steenen recht op den kop der booze moeder,--zoodat zij morsdood bleef liggen. (Antwerpen).
Iets anders is het eigenlijke dierensprookje. Hier zijn de dieren veeleer uitsluitend de handelende personen, en slechts bij uitzondering wordt een mensch geduld.
Het dierensprookje is ook onderscheiden van de dierenfabel. Deze is er op uit, het menschelijke door het dierlijke uit te drukken en bevat strekking, moraal en satire. Het sprookje daarentegen moraliseert niet, althans niet oorspronkelijk, het wil slechts naïef waarnemen en trouw weergeven, wat in de dierenwereld plaats heeft. Tusschen mensch en dier loopt immers geen scherpe grenslijn, meent het volk; slechts openbaart het dier zijn eigenschappen en neigingen meer onbevangen dan de mensch. En de taal? Die bezitten de dieren evengoed, maar de mensch mist de gave, die te verstaan.
Ik geef nu een dierensprookje met het bekende verzamelmotief van een reisgezelschap, dat langzamerhand bij elkander komt, en dat men ook vindt in de _Bremer Stadtmuzikanten_. Het is ontleend aan de verzameling van Pol de Mont en Alfons de Cock: Dit zijn Vlaamsche Vertelsels (Gent 1898), bl. 47.
De Kerkzangers van Sinter-Goelen.
De molenaar van Zavelberg had een ezel, die in zijnen dienst stram en stijf geworden was. Nu was het beest zoo oud als de straat en deugde niet meer voor het werk. Daarom wilde zijn meester Grauwtje aan kant zetten en hem voor zijn vel verkoopen.
Toen de ezel gewaar werd, dat hij in den mulder zijn gratie niet meer stond, besloot hij de plaat te poetsen.
"Ik kan in Sinter-Goelen nog kerkzanger worden", dacht hij; "al ben ik oud, mijne stem klinkt nog goed en helder". En hij sloeg de Brusselsche baan in.
Als hij 't kasteel van den baron voorbijging, kwam hem de zwarte jachthond tegen, zoo treurig als een lijkbidder.
"Wat scheelt er u?" vroeg de ezel.
"Och", was 't antwoord, "omdat ik op de jacht met mijne stijve pikkels de hazen niet meer kan inhalen, loop ik hier iedereen in den weg. Van 's morgens tot 's avonds is 't altoos hetzelfde liedje: allo, oude rakker, van onder mijne voeten. Ge zoudt liever dood zijn dan zoo te leven".
"Sukkelaar, waar gij verdriet in maakt!" zei de ezel. "Ga met mij mede, ik trek naar Sinter-Goelen om kerkzanger te worden. Uwe stem is nog kloek, en 't is een vet postje op onze dagen."
De hond liet het zich geene tweemaal zeggen en ging met den ezel de Brusselsche baan op.
Een beetje verder, aan een leemen huizeken, zagen zij een kat aan de deur zitten met een gezicht gelijk Pietje de Dood, en haar miauw! miauw! scheen uit 'nen grafkelder te komen.
"Wat is er met u gebeurd?" vroeg Langoor.
"Ja", zei de poes, "vraag mij zoo'n dingen! Ik ben half blind van ouderdom, en kan bijkans geene muizen meer vangen. En ik krijg zoo luttel eten, dat ik somwijlen scheel zie van honger. Ik had nu juist een klein broksken spek gestolen, en voor zoo'n bagatel wierd ik de deur uitgesmeten en kreeg dan nog pardoef, terwijl de muizen in de schapraai mij vierkant uitlachten. Zoudt gij er niet van doodvallen?"
"Doodvallen", zei de ezel, "toe dan. Ga met ons mede. Al zingt ge valsch, ge zult altijd goed genoeg zijn om de vespers te helpen zingen. Wij gaan naar Sinter-Goelen kerkzangers worden".--En de kat trok mee de Brusselsche baan op.
In den valavond kwamen onze drie muziekanten aan een boerenhof. De haan kraaide zonder ophouden en zoo hard, dat de ezel hem vroeg, wat er ophanden was.
"Mijn liedje is hier bijkans uit", zei de haan. "Een uur geleden kraaide ik ""goed weder tegen morgen"", en als de pachteres dat hoorde, riep zij tot de meid: ""de haan voorzegt goed weêr tegen morgen, 't zal hem een dure keer zijn. Want nu mogen wij ons kermisvolk verwachten, en meester Rookop moet in de soep".
"Ge moet stapelzot zijn om hier te willen blijven", zei de ezel, "als gij weet dat zij u, vandaag nog misschien, een kopje korter zullen maken. Sterven is het laatste, jongen, en iets beters dan dat is niet ver te zoeken. Kom met ons mede; wij worden kerkzangers in Sinter-Goelen; met uwe stem is daar goud te winnen!"
De haan vloog bij 't gezelschap, en gezamenlijk wandelden zij de Brusselsche baan op.
Tegen den avond kwamen zij aan Zoniënbosch en zagen nergens huis noch kluis. Ze moesten van den nood een deugd maken en zich tevreden houden met het logement, dat er in 't gras en in de bladeren te vinden was. De ezel en de hond legden zich onder 'nen hoogen beuk; de kat klauterde in de takken en de haan vloog in den top. Eer hij zijn gemak nam om een uiltje te vangen, keek de haan, uit voorzichtigheid, eens naar alle kanten rond. En hem docht, dat hij ginder ver een flauw lichteken zag schemeren. "Daar moet een huisje zijn, en menschen", dacht hij. En seffens vertelde hij dat nieuws aan zijne kameraden. De ezel, die er bitter weinig van hield in bosschen te slapen, stelde voor, onmiddellijk op te kramen, en recht naar dat lichtje te gaan. De anderen keurden dat voorstel goed en op éen, twee, drie, waren zij op de been.
Langzamerhand zagen zij het lichteken dichter bij komen en grooter worden, totdat zij, op den duur, vóor een klaar verlicht roovershuis stonden. De ezel, die de grootste was, ging eens door het venster kijken. "Sapperdeboeren!" zegde hij, "ze zitten hier aan een kermistafel. Er wordt gedronken en geschonken, gegeten en gesmeerd, dat het gezicht alleen mij doet watertanden. Zoo ik daaraan mijn buiksken eens mocht deugd doen".
"Ja, dat ware een kansje voor ons", zei de hond, "want mijn buik is zoo hol, dat hij rammelt. Maar hoe die gasten buiten gekregen?" Ze staken de koppen bijeen, om te gaar die zaak te overleggen, en op twee minuten hadden zij een plan gereed. Zij wilden de roovers eens met eene fraaie serenade vereeren.
Langoor plaatste zich met zijne voorpooten op het venster, de hond wipte op zijnen rug, de kat klauterde op den hond, en de haan ging boven op de kat haren kop zitten. Dan begonnen zij, op een teeken, muziek te maken: de ezel giegaagde, de hond baste, de kat miauwde en de haan kraaide. En al te gelijk sprongen zij door 't venster het huis binnen, terwijl de ruiten, rammelend, in in duizend stukskens vlogen. Ge kunt denken, wat helsch lawaai dat maakte. De dieven meenden, dat al de duivels losgelaten waren, en vluchtten bijkans dood van schrik het bosch in.
Nu zetten zich onze vier kerkzangers op hun zeventien gemakken aan tafel, en aten en dronken, dat hun buik gespannen stond gelijk eene trommel. Moe gegaan en dik gegeten, begonnen ze naar rust te trachten, maar eerst en vooral bliezen zij het licht uit. Nu koos elk de slaapplaats, die hem best beviel: de ezel leide zich op den mesthoop neer, de hond aan de achterdeur, de kat op de warme assche van den haard, en de haan vloog op de vorst van 't huis. En drie minuten na dien waren ze allemaal in slaap.
Intusschen was 't middernacht geworden. En als de roovers geen licht meer zagen of geen gerucht meer hoorden, begonnen zij zich over hunne lafhartigheid te schamen. "Wij hebben ongelijk gehad zoo gauw op den loop te gaan", zei de kapitein, en hij zond zijnen luitenant op onderzoek uit. Deze vond alles stil en ging in de keuken om licht. Hij aanzag de vlammende kattenoogen voor gloeiende kolen en stak er een sulferstekje tegen, om zoo vuur te krijgen. Maar poesje verstond geen lachen, vloog in zijn gezicht en krabde hem links en rechts. Gij kunt peinzen, hoe de kerel verschoot. In een ommezien was hij de keuken uit en op de vlucht. Maar aan de achterdeur beet de hond hem in zijn been, en als hij den mesthoop voorbijstoof, gaf hem de ezel met zijnen achterpoot nog 'nen fellen stamp. En de haan, door al dat geroezemoes wakker geworden, kraaide er dapper op los: koekeloerekoe! koekeloerekoe!
Jemenis menschen! hadt ge toen den dief zien loopen; een haas kon hem niet volgen. Buiten adem kwam hij bij zijne kameraden toe, en had moeite om te vertellen, wat hem voorgevallen was. "Och!" zeide hij, "in ons huis zit een kwade tooveres. Zij is op mij gevlogen en heeft met hare lange nagels heel mijn gezicht opengekrauwd; en aan de buitendeur staat een schildwacht en die heeft mij een steek in 't been gegeven; en wat verder ligt een zwart monster, en dat heeft mij met 'nen ijzeren stok geslagen, dat mijn ruggebeen kraakte. En boven op het dak riep iemand: "Hou den dief! Hou den dief!" Ge kunt wel denken dat ik mij uit de voeten maakte".
De roovers trokken men 'n druipneus dieper het bosch in, en durfden sedert in hun huis niet meer te komen. Maar onze vier kerkzangers woonden er zoo goed en gerust, dat zij daar hun leven versleten en Sinter-Goelen Sinter-Goelen lieten. (Denderwindeke).
Men vergelijke hiermee no. XVIII van dezelfde verzameling, getiteld: De wereld vergaat, en eveneens no. XXXVI: Van den halven haan. In het sprookje van de vier reizigers, bij A. Joos, Vertelsels van het Vlaamsche Volk (Gent 1889-91) no. 86, heeft het reisgezelschap met wolven te doen en niet met dieven.
De lezer herinnere zich, hoe de booze moeder het arme Janneken aan stukken sneed om er soep van te koken. Men rekent dergelijke trekken tot de _ethnologische motieven_, en heeft gemeend, er sporen van kannibalisme in te kunnen ontdekken. Naar het welbekende verhaal in Homerus' Odyssee noemt men dit het Polyfemus-motief. In een sprookje der Duizend en éen Nacht luidt het als volgt. Op zijn derde reis leed Sindbad en zijne gezellen schipbreuk, redde zich op een eiland en bereikte een prachtig paleis. Bij avond treedt er een vreeselijke reus binnen, groot als een palmboom, en midden in het voorhoofd vlamt éen enkel overgroot oog. Achtereenvolgens begint hij nu de scheepsgezellen op te peuzelen, tot eindelijk Sindbad met de negen moedigsten den slapenden cycloop met een gloeiend braadspit het oog uitboort, om dan ijlings op in der haast getimmerde vlotten het ruime sop te kiezen. Maar de reus slingert hun geweldige rotsblokken na en allen, behalve Sindbad, komen om.
In onze Nederlandsche sprookjes is dit het Klein-Duimpjes-motief geworden: de volwassenen zijn in kinderen veranderd, Duimpje (Odysseus-Sindbad) is hier de pientere jongste broeder, en de reus verliest niet het licht zijner oogen, maar slechts zijn zeven-mijlen-laarzen. Ook komt het niet tot menscheneten, want Duimpje redt zich en zijn broeders het leven. Wellicht is de woning van den menscheneter het doodenrijk, waarop ook het vereenigd voorkomen der drie lijkkleuren: wit, zwart en rood (ook tooverkleur) schijnt te wijzen. Dat zoo vaak sprake is van den jongste van 3 of 7 of 12 kinderen, wien het beschoren is, koning te worden of de bruid huiswaarts te voeren, zou wellicht kunnen wortelen in het erfrecht van den jongste in de Germaansche landen. De jongste wordt door zijn broeders dan ook niet met goede oogen aangezien, maar hij is doorgaans de slimste, zooals blijkt uit het verhaal der Twee Broeders, het oudste ons bekende sprookje, dat ten tijde van Mozes in Egypte werd opgeteekend; zie hierover mijne Essays en Studiën, bl. 216. Sommige elementen hiervan vinden wij in onze sprookjes weer: "de man, wiens hart in een voorwerp bewaard wordt"; "de sprekende koe, die den held waarschuwt voor het hem dreigend gevaar"; "de opgeworpen hinderpaal tusschen vervolgers en vervolgde"; "het sympathetische teekenen, dat de dood van den afwezigen broeder verkondigt" enz. De verhouding tusschen de twee broeders is nog dezelfde in een Friesch sprookje, welks aanhef ik hier laat volgen (Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 3 vlg.).
Van grooten Oege en kleinen Oege.
Er waren eens twee broeders, die heetten beide Oege. De een was groot en sterk, maar zeer dom en lomp; de ander was een klein en nietig ventje, maar zeer leep en verstandig. Groote Oege was rijk, hij had wel dertig koeien, kleine Oege was arm, hij had maar eene koe. En zij hadden ieder een oude grootmoeder bij zich inwonen voor huishoudster.
Eens kwam er een bedelaar bij kleinen Oege om een aalmoes. De kleine man zei: "Ik kan u niets geven, ik ben zelf arm, maar ga naar mijn buurman, die is rijk".--De bedelaar ging nu bij grooten Oege vragen, maar die zei: "Denk je, dat ik je wat geven kan? Ik heb moeite genoeg om zelf aan den kost te komen".--"En je buurman zegt, ge zijt een rijke boer", zei de bedelaar.-- Dit maakte den grooten domkop wrevelig, hij zei: "wil die kleine leelijkerd mij de schooiers op het lijf zenden? Dat zal ik hem betaald zetten".--In zijn dolle drift liep hij naar den weg, waar de koe van den kleinen Oege liep grazen, trok zijn zakmes en sneed het beest den hals af.
Men vergelijke hiermee het begin van een door Boekenoogen, Volkskunde XIII, bl. 240, meegedeeld sprookje:
Van Grootoog en Klaainoog.
Waz'n rais twei neefs; ain haitte Grootoog en anner Klaainoog. Zei waz'n baaiden boer, maor Grootoog har 'n groot spul (boerderij) en molk 'n stuk of twaalf kôi'n en Klaainoog was maor 'n luddik keuterboerke en har ain kou. Nô wol 't ongeluk, dat Klaainoog zien kou wat aan schoensche kant was (niet in de weide wilde blijven) en nô en den ien Grootoog zien land kwam. Grootoog ging noa zien neef en zee: "As dien kou mie dat nog ainmoal weer bakt, den steek ik hom dood, doar kens dien reek'n maor noa moak'n". "'k Ken er nait meer aan doun", zee Klaainoog, "'n mensk mout doun, wat hai nait loat'n ken."
't Hil nait lank aan, of kou kwam weer ien Grootoog zien land en Grootoog hil zien woord en stook kou dood.
In Vlaanderen (Leuven, Aerschot, Wambeek, enz.) luidt de aanhef aldus:
Van Pachter Eentand.
Er waren eens twee broeders, en die woonden nevens malkaar. De een had drie paarden, de ander maar éen enkel, en daarom werd deze pachter _Eentand_ genaamd.
Vier dagen elke week leende Eentand zijn enkel paard aan zijnen broeder, die hem de twee andere dagen zijne drie paarden liet gebruiken.
Op zekeren dag, dat Eentand met alle vier de paarden aan 't werk was, riep hij, iederen keer dat er volk voorbijging: "Hu, al mijn paarden!"
Zijn broeder verbood hem zoo te spreken, maar vruchteloos. Toen dreigde hij Eentand zijn éene paard den kop in te slaan, in geval hij nog een enkelen keer "al mijn paarden" durfde roepen.
Eenige stappen verder, als Eentand volk zag afkomen, klonk het weer: "Hu, al mijne paarden!"
"Pardaf", zei de broer, en sloeg met eenen marteel Eentand's paard den kop in.
Talrijk zijn ook de _mythische_ motieven. Ik sprak reeds van het doodenrijk, dat de Oude Germanen zich dachten als het rijk van Wôdan-Odhin, als het schimmenrijk, en ook wel als gelegen in de diepte der zee. Deze verschillende opvattingen hebben hun neerslag in de sprookjesmotieven. De boomen en bloemen, die uit de aarde opgroeien, bevatten vaak de ziel van den overledene (I, bl. 65); bloemen ontspruiten ook op de graven. Op zielengeloof en doodenkultus berust verder het motief der dankbare dooden, niet zelden in den vorm van dankbare dieren, en het verlossingsmotief: de verlossing geschiedt door het oplossen van een raadsel, het beantwoorden van een vraag, het uitspreken eener formule of door standvastigheid in het gevaar. Hiertoe behoort eigenlijk ook het sprookje van Roodkapje, oorspronkelijk een door een monster verslonden, maar naderhand weer bevrijd goedaardig wezen. Van bevrijding door heldenmoed gewaagt het sprookje van Doornroosje. Al deze mythische opvattingen wortelen in den gemeenzamen bodem van het primitief-wijsgeerige animisme, dat de direkte ondergrond is van het omvangrijke motief der vormveranderingen.
De sprookjesgroep, die ons bezig houdt, noemen wij tooversprookjes in tegenstelling met de dierensprookjes. Toch worden alle min of meer met den tooverstaf aangeraakt en juist dit verleent hun de eigenaardige fantastische bekoorlijkheid. Tooverij of magie, in engeren zin, is een beslist mythisch bestanddeel, hoe dwaas het ook zijn moge, in de magie _de_ bron _der_ religie te willen zien. Tooverij schenkt ook de befaamde onwondbaarheid door tooverhemd, dierenvet, bad in tooverbloed enz. Zie hiervoor A. de Cock, De onwondbaarheid en de Achilleshiel, in Volkskunde XXIII, bl. 169.