Chapter 36
Hoe het komt, dat deze varianten in het oude sterrelied werden ingelascht, is op afdoende wijze door Boekenoogen in het Jubelnummer van Volkskunde (1914), bl. 24 vlg. verklaard. Maar men wachte zich, parodieën als deze te zwaar op te vatten en aldus verkeerd te beoordeelen. Het is een feit, dat de parodie, met name in het zuidelijk volksgebied, vooral geestelijke personen en zaken treft, ja het heiligste niet schijnt te sparen. Maar inderdaad kunnen de meeste dezer parodieën als vrij onschuldige scherts beschouwd worden, die zelfs een zekere gemeenzaamheid en vertrouwelijkheid met het geestelijke veronderstelt. De geparodiëerde gebeden, die plaatselijk den naam dragen van _wilde gebeden_ en veelal in de kinderwereld terecht gekomen zijn, vindt men uitvoerig behandeld in De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 168 vlg. Een andere groep vormen de pastoorspreeken, ook in het noordelijk gebied niet onbekend; zie Volkskunde XX, bl. 73, 117, 178, 232; XXI, bl. 37, 80, 101, 150, 239. Een geliefd thema is dat van den pastoor, die op den preekstoel zijn meid wil waarschuwen, dat zij den eendvogel niet mag laten aanbranden. En zoo begint hij dan:
Marie tentum Keert en wentum Want de entum Die verbrentum.
De dienstbode begrijpt de bedoeling en het onheil is afgewend. Maar de aandachtige toehoorders waren van oordeel, dat de pastoor nog nooit zoo veel en zoo mooi Latijn gesproken had.
II. Sprookjes, sagen en legenden.
Sprookjes, sagen en legenden zijn dichterlijke volksverhalen, die ontstaan zijn en opgroeien uit het volk en door de mondelinge volksoverlevering worden voortgeplant.
De meest dichterlijke onder deze scheppingen van den volksgeest is het _sprookje_. Het is een volstrekt-fantastisch volksverhaal, zonder beperking van plaats, persoon of tijd. Het ontstaat in den volksmond zonder bepaalde aanleiding, enkel en alleen om der wille van zich-zelf. Het wordt geboren uit den naïeven, spontanen drang, zich te verlustigen in het spel der verbeelding. Niet onjuist heeft men het sprookje genoemd: "een anonieme schepping der volksfantasie".
Daarentegen is de _sage_ gebonden aan plaats, persoon of tijd; somtijds hangt zij samen met een bepaald volksgebruik. Men onderscheidt mythische sagen, aldus genoemd, omdat zij wortelen in algemeen-animistische opvattingen of in een bepaald mythologisch systeem (zie I, bl. 63); Christelijke sagen, die Christelijke figuren of tafereelen borduren op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon; en historische sagen, met een historische kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Heeft nu zulk een historische sage betrekking op de levens of de krachtdadige voorbede der heiligen, dan noemt men ze met den bijzonderen naam van _legende_.
Aan ruimte noch tijd gebonden zwerft het _sprookje_ rond, raadselachtig vaak in zijn oorsprong, raadselachtig in zijn plotseling verdwijnen; nu eens geblakerd door tropischen zonnebrand, dan weer verkleumd door het striemen van de noordsche kou,--maar steeds het aanminnige, blonde volkskind, steeds de weldoende lichtfee, die hutten en paleizen met haar hemelgaven binnenzweeft. Het sprookje... verplaatst niet alreeds het verkleinwoord ons terstond naar de sfeer van het kinderlijke, naïeve, aanminnige en ongekunstelde?
Nu eens legt het de plechtwade aan van het kultuurdicht, dan weer het stralenkleed van de mythe, een ander maal den bonten lijfrok van het volkslied of het schamele plunje van het volksverhaal, maar ook dan vertoont het zich niet zonder lieflijke majesteit, zonder frissche bekoorlijkheid.
De sproke is echter niet slechts zwervelinge, niet slechts wereldburgeresse. Zij heeft óok een nationaal karakter en voegt zich geheel in het koloriet der vertelling en in de karakteriseering der personen naar de zeden en gewoonten van het land, waarin zij leeft. En hierin ligt een bewijs voor het feit, dat het sprookje werkelijk een volksleven leidt, dat het zijn immer jeugdige levenskracht put uit het volk, dat sprookjeskunde en volkskunde hand in hand gaan.
"Daar was eens een koning en een koningin en die hadden drie dochters. De jongste, braaf en onschuldig, werd door haar vader medoogenloos tot vrouw gegeven aan een grimmig monster. Dit nu was een schoone, betooverde jongeling, die elken nacht zijn werkelijke gedaante weer aannam, maar zóo door zijn geliefde niet mocht gezien worden. Geduldig droeg de zwaarbeproefde koningsdochter haar lot; vaak echter zwichtte zij voor menschelijke zwakheid, en telkens moest ze dan haar vergrijp zwaar uitboeten. Doch eindelijk vatte zij liefde op tot haar man en op hetzelfde oogenblik wierp deze zijne gedaante van draak (leeuw, wolf, beer) af en vertoonde zich in volle schoonheid."
Ziedaar, geachte lezer, de kern van een bekend Nederlandsch sprookje. Maar ook elders is het geen onbekende. Bij Slaven, Grieken, Albaneezen, Rumenen, Italianen, Kelten en Kalmukken kort men de avonden met gelijkluidende verhalen. Als sprookje van Amor en Psyche vinden wij het in een roman van den Romeinschen schrijver Appuleius; Raffaël bracht het op doek; Thorwaldsen en Canova belichaamden het in het kille marmer; Calderon achtte het niet te gering, om het te vereeuwigen in een _Auto Sacramental_. Zoo hebben ook onze _Sprookjes van Moeder de Gans_ hun parallellen bij alle Indogermanische volken; de schurkerijen van Reintje zijn bij de Zoeloe's bekend; en Kaffers, Samojeden en Kalmukken scheppen behagen in vertelsels als die van Tijl Uilenspiegel en Hans den Reuzendooder.
Waar lag dan wel de bakermat dezer "anonieme scheppingen der volksfantasie"? Hoe zijn ze gevormd, wie gaf hun de gedaante, waarin zij zich thans vertoonen?
Toen de gebroeders Grimm in 1812 hun Kinder- und Hausmärchen der Deutschen in het licht gaven, deed de vergelijkende sprookjeskunde haar intrede in de wetenschappelijke wereld. Wel was hun hoofdstreven er op gericht, dezen sprookjes-schat te maken tot gemeengoed voor geheel Duitschland, maar de grootsche onderneming kon ook haar wetenschappelijk resultaat niet missen. Jammer genoeg was hun theorie al te eenzijdig. Naar hun oordeel zijn de Germaansche sprookjes de afgesleten vorm, het diamantgruis der mythen van eertijds: "das Mythische gleicht kleinen Stückchen eines zersprungenen Edelsteins, die auf dem von Gras und Blumen überwachsenen Boden zerstreut liegen". Het sprookje weerspiegelt dus de mythologische voorstellingen en gebruiken onzer Germaansche voorouders, ja van het geheele Indogermaansche ras. Sprookjes zijn niets dan verkleurde mythen van goden of halfgoden. Taalverwantschap en stamverwantschap gaan met sprookjesverwantschap hand in hand. Hieruit volgt, dat de oorvorm onzer sprookjes behoorde tot het religieuze gemeengoed der Indogermanen.
De oorsprong der sprookjes dekt zich dus met den oorsprong der mythologie. Jacob Grimm kan op algemeen-mythologisch gebied beschouwd worden als de voorlooper van Max Müller; en zoo huldigt dan ook hij de meening der naturalistische school, dat de mythen een afspiegeling zijn van de meest indrukwekkende natuurprocessen. Het kon niet anders, of het op- en ondergaan der zon, het dagelijks wederkeeren van dag en nacht, de heldere sterrenhemel, de strijd tusschen licht en duisternis, tusschen zomer en winter,--dit alles moest een diepen indruk maken op den natuurmensch. Wilde hij nu zijn gewaarwordingen ten opzichte dezer natuurtafereelen aan anderen meedeelen, dan werden deze door persoonsverbeelding als menschelijke handelingen voorgesteld. Ging de zon op of onder, men zeide, dat zij geboren werd of stierf; werd ze verduisterd, dan heette het, dat zij met een ontzaglijk monster den strijd aanbond. Maar weldra ging de oorspronkelijke beteekenis der beeldspraak verloren, en nu werden de voorstellingen der natuurprocessen tot mythen, en naderhand veelal tot sprookjes. Volgens de latere natuurmythologen, die meer de animistische opvatting huldigden, stelden de Indogermanen zich de hen omringende natuur van meet af aan als bezield voor. Zoo is dan de Schoone Slaapster oorspronkelijk de in winterslaap verzonken aarde, en de prins, die haar wekt met een kus, de lentezon; zoo is de reus in Klein Duimpje de ijzige wintervorst.
In het jaar 1859 stelde de groote Sanskritist, Theod. Benfey, hoogleeraar te Göttingen, tegenover deze theorie, die de bakermat onzer sprookjes ten slotte in het Indogermaansche stamland zocht, zijne Indische hypothese. In de klassieke inleiding zijner vertaling van het _Pantschatantra_ beweert hij, dat de bakermat der sprookjes in Indië ligt, en wel in het Indië der geschiedenis. Dáar spon de spin haar web, dat zijn draden over geheel de bewoonde wereld wierp. Eerst sedert de XIe eeuw n.Chr. zijn deze Indische sprookjes Europa binnengedrongen. In het Noorden diende het Boeddhisme als voertuig en liep de weg over Tibet, Mongolië, Siberië en Rusland; in het Zuiden ging de propaganda uit van den Islam, en deden de Perzen, Arabieren, Turken en Grieken dienst als bemiddelaars. Deze bemiddeling was hoofdzakelijk van literairen aard.
Deze hypothese trok in ruime kringen de aandacht en werd door velen gevolgd; ik noem slechts Cosquin. Het feit valt dan ook niet te loochenen, dat een groot aantal sprookjes uit Indië tot ons gekomen zijn, óok reeds door Alexander den Grooten, door de volksverhuizingen, de Tartaren. Maar anderzijds blijft het onbetwistbaar, dat er vóor het tijdperk van het historische Indië in Europa reeds tal van volksverhalen hebben bestaan. Over de prioriteit van de Grieksche, in het bijzonder der Aesopische fabels, kan worden getwist. Maar de sprookjes, die door de Homerische gedichten worden omsloten of aangeduid, maar het verhaal van Midas met de Ezelsooren kan onmogelijk aan het historische Indië zijn ontleend. Verder wordt in dit systeem de invloed der letterkunde niet weinig overschat. Het ligt in den aard der zaak, dat de letterkunde meer uit den volksmond, dan het volk uit de letterkunde overneemt. Geschreven verzamelingen oefenen op het volk slechts een zeer geringen invloed uit.
Maar het zou onbillijk zijn, Benfey eenzijdig naar de Indische hypothese te beoordeelen. Hij heeft méer gedaan. Hij heeft, en dit is voor ons van het grootste belang, het sprookje getrokken uit den dichten mythologischen nevelsluier, en het gekenmerkt als een _produkt der volkskunst_ met mythologischen en kultuur-historischen achtergrond. Hij heeft open oog gehad voor de wisselwerking tusschen literaire en populaire traditie, en het begrip der ontleening heeft hij ter overwinning gevoerd.
Intusschen werd het vasthouden aan de Indische hypothese steeds moeilijker, steeds onhoudbaarder, naar mate men meer opvallend-overeenstemmende sprookjes ontdekte bij de meest verscheidene en verst afgelegen volken, over den geheelen aardbodem. Vooral de sprookjesschat van Amerika vroeg om oplossing. Hoe kwamen de letterkundige sprookjes van het historische Indië bij de Huarochiri's van Zuid-Peru? Hoe kwam de Boeddhistische Jason-mythe op Samoa? Hoe kwam het oudste ons bekende sprookje, opgeteekend ten tijde van Mozes, naar Egypte?
Bédier scheen in zijn Fabliaux (Paris 1897) een bevredigende oplossing te brengen. Zonder aan sommige sprookjes en sprookjesbestanddeelen een groote mate van autochthonie en zelfstandigheid te willen betwisten, en zonder ook het feit der ontleening in twijfel te trekken, ontkende hij slechts den overwegenden invloed van Indië, de strooming van uit éen bevoorrecht centrum, op éen gegeven tijdstip der geschiedenis. Bij alle volken kunnen sprookjes wording en wasdom verkrijgen, en zoo gebeurt het, dat van uit verschillende milieu's, veelal bezwaarlijk nader aan te duiden, tal van sprookjes de grenzen hunner bakermat overschrijden en zich tooien met de nationale dracht en aannemen de eigenaardige denk- en zegswijze van de meest onderscheiden volkeren.
Hand in hand met beschouwingen en verklaringsmethoden als deze ging een verruiming der theorie van het animisme. Men leerde het beschouwen als een primitieve wijsgeerige wereldbeschouwing, geboren uit een geestestoestand, waarin de mensch geen scherpe scheidslijn weet te trekken tusschen zich zelf en de hem omringende natuur; waarbij de kloof tusschen mensch, dier, plant en mineraal is overbrugd (I, bl. 64); terwijl men door animisme in engeren zin ging verstaan zielengeloof en doodenkultus. Maar zulk een geestestoestand doet ook allerlei opvattingen, maatschappelijke instellingen en gebruiken ontstaan, die evenzeer voor mythen- en sprookjesvorming in aanmerking komen. Hij overheerscht bij de natuurvolken, maar is ook in zekere mate bij de kultuurvolken aanwezig en kweekt daar nog steeds soortgelijke voorstellingen en gebruiken, men denke slechts aan den _Vegetationsdämon_ bij de Germanen. Het sprookje is dus niet _slechts_ diamantgruis, niet _altijd_ de afgesleten vorm der mythen van eertijds. De sprookjes-telende aandrift van het volk is nimmer gedoofd en, zonder toevoeging van het religieuze moment, stond en staat de sproke naast de mythe, ja zij kan ook de embryonale vorm der mythe zijn, in zoover bij de niet-kultuurvolken de mythe zich vaak ontwikkelt uit het sprookje. De lentezon, die de aarde uit haar verstijving roept, kan het aanzijn schenken aan een zonnemythe, maar ook aan sprookjes als dat van de Schoone Slaapster in het Bosch, door den prins uit haar slaap gekust, en hetzelfde geldt voor de vertelsels van Klein Duimpje, Blauwbaard enz. En wanneer de natuurmensch bij het neerdwarrelen van de sneeuwvlokken zei, dat de goede God zijn ganzen plukte--een nog thans gangbare uitdrukking--, dan kon dit gezegde, deze voorstelling van het natuurproces, het begin eener natuurmythe zijn, maar evengoed van een sprookje, dat onafhankelijk van, zij het ook parallel mét een mythe, die in soortgelijke natuurbeschouwing wortelde, kon voortleven.
Ziedaar de uitkomsten, waartoe de voornaamste vertegenwoordigers der anthropologische school: Mannhardt, Bastian, Tylor, Andrew Lang in deze materie geraakten.
"De verrassende overeenkomst der sprookjes berust op de gemeenschappelijke denkwijze des volks, onafhankelijk van plaats en van tijd, stoelt op een overeenkomstige openbaring der volksziel"--dat is wel de formuleering, die wij aan Bastian's _Völkergedanken_ verschuldigd zijn. Zoo zijn dan de groote menigte der sprookjes niet in éen land, maar op verschillende plaatsen en tijden ontstaan: een polygenesis, de zon-rijpe vrucht van den algemeen-menschelijken drang naar het wonderbaarlijke en van de algemeen-menschelijke scheppende fantasie. Jammer genoeg hebben Bastian c.s. niet voldoende rekening gehouden met het feit, dat de geestelijke eenheid van het menschelijke geslacht slechts een eenheid is van aanleg, geschiktheid en neigingen. Maar een psychische neiging gaat niet steeds, of niet steeds op eenvormige wijze, of niet steeds in denzelfden graad tot de daad over, omdat de menschelijke vrijheid tusschenbeide treedt.
De laatste theorie draagt den naam van "Finsche theorie" en wordt hoofdzakelijk verdedigd door Antti Aarne in zijn Leitfaden der vergleichenden Märchenförschung (Hamina 1913).
Aarne verwerpt de naturalistische en anthropologische theorie en keert vrij wel tot de historische opvatting terug. Voor hem is elk sprookje oorspronkelijk éen gesloten geheel, éen afgeronde vertelling, die slechts eens, op een bepaalde plaats is ontstaan. Daarin vindt men beschouwingen en gebruiken, die dagteekenen uit een vroegere kultuurperiode, maar het is onnoodig daarom het geheele sprookje tot die periode terug te brengen. De sprookjes zijn dichtwerken, gewrocht met het opzettelijk doel, de hoorders op te vroolijken door de grillige speling der fantasie; maar zij zijn niet alleen in Indië ontstaan, doch eveneens in Noord- en Zuid-Europa. De varianten berusten louter op psychologische gronden: de verteller vergeet een trek, lascht aan het begin of het einde een verwanten trek in, verbindt, kontamineert verscheidene sprookjes tot een geheel. Hierbij speelt het drietal en de analogie een groote rol, een dierengeschiedenis wordt tot een menschelijk avontuur, een sprookje tot ik-vertelling, een verhaal wordt pasklaar gemaakt voor andere landen, tijden, zeden.
Hoeveel waars deze historisch-geografische methode ook bevat, wij mogen ze slechts als een korrektief van de anthropologische (of juister: ethnologische) aanvaarden. Aarne scheert de verschillende soorten van sprookjes veel te veel over éen kam. Het sprookjeslied vertoont inderdaad een vrij vasten vorm, maar soepeler is reeds het dierensprookje en het allerbeweeglijkst zijn de tooversprookjes. Men dient niet alleen open oog te hebben voor het zuiver-konstruktieve, maar ook voor het individueel-artistieke moment: in hoeverre is het sprookje een kunstprodukt, en welk aandeel hebben in de uitwerking de verteller en het luisterend publiek?
Aarne heeft vooral te weinig aandacht gewijd aan de studie der _sprookjes-motieven_. Natuurlijk is elk sprookje een vertelling van een bepaalde, vaste samenstelling, maar het heeft toch zijn voorgeschiedenis. Natuurlijk is het niet ontstaan door willekeurige vermenging van bepaalde motieven, maar de dichter kan toch geput hebben uit den voorraad van oud, ja zeer oud volksgoed, gangbaar in zijn omgeving. En waarom zouden die motieven niet een afzonderlijk bestaan kunnen hebben geleid? En waarom zouden enkelvoudige motieven niet op verschillende plaatsen, onafhankelijk van elkaar, kunnen zijn ontstaan, zoodat hun aanwezigheid in meerdere sprookjes niet pleit voor verwantschap?
Slechts dan kan de overeenkomst tusschen bepaalde volksverhalen onmogelijk door het gemeenschappelijke denken en voelen van den mensch verklaard worden, wanneer het patroon, de bewerking, de bijkomende omstandigheden dermate identiek zijn, dat men een genetischen samenhang redelijker wijze niet in twijfel kan trekken.
Zoo vinden wij b.v. in de Punjâb, in Bretagne, bij de Albaneezen, moderne Grieken en Russen, een sprookje, waarin een jong man in het bezit is van een tooverring. Deze ring wordt hem ontstolen, en teruggebracht door de hulp van dankbare dieren, aan wie de jonge man weleer diensten bewezen had. Zijn vijand heeft den ring in den mond, maar de dankbare muis steekt haar staart in den neus van den dief, doet hem niezen, en zoo komt de tooverring te voorschijn.
Nu wil het mij voorkomen, dat Oskar Dähnhardt in zijn Beiträge zur vergleichenden Sagen und Märchenforschung den regel onjuist stelt, door te bepalen, dat telkens "Wanderung" moet worden aangenomen, zoodra sprookjes of sagen in meer dan éen motief overeenstemmen. De twee motieven van den tooverring en van de dankbare dieren in bovenstaand sprookje vind ik beslist onvoldoende om te besluiten tot verwantschap. Daarentegen lijkt mij het handelen van de dankbare muis dermate individueel, dat deze bijzonderheid éens voor altijd moet zijn uitgedacht. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 205 vlg.; Aug. V. Löwis of Menar, Kritisches zur vergleichenden Märchenforschung, in de Zeitschrift des Vereins für Volkskunde XXV, bl. 154; Gustav Meyer, Essays und Studiën zur Sprachgeschichte und Volkskunde (Berlin 1885) I: Zur vergleichende Märchenkunde, bl. 145-289; A. Gittée, Curiosités de la vie enfantine (Paris 1899), bl. 109 vlg.
Een trek, dien de natuurmensch met de kinderwereld gemeen heeft, is o.a. deze, dat hij in nauwere gemeenschap leeft met de _dierenwereld_, dat de afstand tusschen mensch en dier aanmerkelijk inkrimpt. Het lijkt in zulk een geestestoestand dan ook niet meer dan natuurlijk, dat de dieren spreken en handelen als menschen. En dit geldt niet alleen voor de huisdieren, neen, ook de dieren en vogelen des wouds en des velds deelen in die sympathie en treden in de sprookjes handelend, helpend, waarschuwend, beloonend, straffend op. Zoo ontmoeten wij muggen, vliegen, bijen, mieren, kevers en vlinders; everzwijn, vos, wolf, haan, beer, hert en ree; vrij schaarsch ezel, otter en wezel. Fabelachtige sprookjesdieren zijn de meerkat, de beruchte zeeslang--óok bekend uit onzen komkommertijd--en eveneens de zeeslang der lucht, dan de grijpvogel, die vaak als bewaker van schatten dienst doet. Het eenhoorn is het symbool van het diepe, van menschen verlaten woud. Vooral de draak is een fantasiedier, dat wel oorspronkelijk een uitbeelding is van de vurige onweerswolk. Hij vereenigt de gedaanten van slang, hagedis en vogel, ligt op den grond en hoedt de schatten met zijn vlammenden adem. Het draakmotief is dan ook ruim verspreid. Merkwaardig is het, dat ook de leeuw zoo vaak voorkomt, zonder dat persoonlijke aanschouwing mag worden verondersteld. Men vergisse zich niet, door dit feit te plaatsen op rekening van een vreemde herkomst; het geldt hier slechts den sterken indruk, door uiterlijk en levenswijze van dit koninklijk dier op de volksverbeelding gemaakt, maar enkel door de faam en de talrijke wapenschilden. Ook de adelaar kan als zoodanig worden beschouwd. Mythologische beteekenis hadden aanvankelijk naar alle waarschijnlijkheid stier, koe, paard, wolf, bok en everzwijn. De visschen zijn slechts zelden naar hun soort aangeduid; de snoek komt dan het meest voor, terwijl de dolfijn het sprookjesdier der oudheid bij uitstek was. In het volgende Vlaamsche sprookje is sprake van een goudvischje, dat echter plaatselijk door een kikvorsch vervangen wordt. Wij hebben hier de motieven van den dankbaren visch, over de geheele wereld verspreid, en van de drie wenschen, waartoe de hier geuite reeks van wenschen moet worden teruggebracht. Ik ontleen het aan Pol de Mont en Alfons de Cock, Dit zijn Vlaamsche Wondersprookjes (Gent 1896), bl. 238.
Van Janneken Tietentater en het Vischje uit de Zee.
Er was eens een manneken en die heette Janneken Tietentater. Het ventje was doodarm, zóo arm, dat hij met zijn vrouw onder eenen mostaardpot woonde, en, om iets te eten te hebben, alle dagen naar de zee ging visschen.
Zoo, op zekeren dag, dat hij weer op de vangst uit was, ving hij een schoon goudvischken, en tot zijn groote verwondering begon het eensklaps te spreken: "Och Janneken", zei het, "laat me toch leven, ik zal U al geven wat gij verlangt. Als gij iets wilt hebben, roep me maar".
Zonder aarzelen wierp Janneken het wonderbare vischje terug in 't water en spoedde zich naar huis, om dat vreemd geval aan zijne vrouw te vertellen. Deze had al zoo dikwijls over hunne armoede geklaagd, en was dus niet weinig verheugd, toen zij dat nieuws hoorde. "Keer seffens weer naar de zee", zegde zij, "en vraag ons een schoon huis, want dat wonen onder eenen mostaardpot staat mij al lang tegen".
De man trok op naar het strand en riep:
"Vischken, vischken uit het water, Kom bij Janneken Tietentater!"
Op hetzelfde oogenblik stak het goudvischje zijn kopje boven.
--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?" vroeg het.
--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje".
--"Wat is er haar willetje dan?"
--"Ze zou zoo gaarne in een schoon, groot huis wonen, gelijk de rijke menschen".
--"Ga naar huis, ge zult het hebben".
Daarop keerde de visscher terug en in plaats van zijnen mostaardpot, vond hij inderdaad een prachtig huis, met een koetspoort, prachtig genoeg voor den burgemeester van eene stad! Zijne vrouw stond hem af te wachten, zoo fier als een kalkoensche haan.
"Wij wonen nu in een rijk huis", zei ze, "dat is waar, maar het is niet gemeubeld. Ge zult dus weer bij het vischken moeten gaan en meubels vragen".
's Anderen daags trok de man nogmaals naar het zeestrand en riep:
"Vischken, vischken uit het water, Kom bij Janneken Tietentater!"
--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?" vroeg het vischje dadelijk.
--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje".
--"Wat is er haar willetje dan?"
--"Zij zou zoo gaarne haar huis vol schoone meubels zien".
--"Ga naar huis, ge zult ze hebben".