Chapter 35
Meer bepaaldelijk in Vlaanderen hoort men nog: "Vree is God mee";--"God beschikt over nacht";--"geef God geen beschimmeld brood";--"God geeft de koe, maar niet bij de hoornen", d.w.z. de mensch moet krachtig meewerken en de handen uit de mouw steken;--"'t is alles goed wat God wil";--"men moet God naar de oogen zien";--"ik was liever zijn rozenkrans, dan zijn paard;--"als de eene bedelaar den andere iets geeft, dan lachen de engelen in den hemel." Zie Pr. Van Duyse, in het Belgisch Museum V, bl. 192. Het geestige, boertige van het Vlaamsche spreekwoord blijkt vooral uit verzamelingen als die van A. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk, in Volkskunde XI--XX (ook afzonderlijk uitgegeven). Verder: A. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken, in Volkskunde IX--XVII; Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op volksgeloof berustend, in Volkskunde XIX--(onvoltooid); Geldersche Volksalman. 1819, bl. 175; Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg; Limburg's Jaarboek VII, bl. 159, 293; VIII, bl. 73, 238; XVI, bl. 64, 228, 284; XVII, bl. 45; Mélanges Paul Frédéricq, bl. 51.
Vele van deze spreekwoorden vinden wij op de Veluwe weer, in zoo menig opzicht met het zuidelijk volksgebied verwant. Vooral tal van spreekwoorden en zegswijzen, die op den akkerbouw en het akkerleven betrekking hebben, zijn gemeenschappelijk. "Anspan kriigen" heeft te Uddel de beteekenis van een maat, een makker, een medehelper krijgen.
Zeer eigenaardig, vooral ook met het oog op het Veluwsche landschap, is de zegswijze: "met den plaggenwagen komen", d.i. geen aanzoek gekregen hebben. Als een boerendeern, bij gelegenheid van de kermis, geen vrijer gehad heeft en ze komt ook zonder jongen thuis, dan is ze "met den plaggenwagen weergekomen", en dan moet ze "den volgenden dag de speken (spaken) gaan opzoeken": Onze Volkstaal III, bl. 250, 251.
Het spreekwoord neemt een eigenaardigen vorm aan in de _apologische spreuk_ of exempel-spreuk. Deze legt een ervaringsbeginsel of ook maar een gewone zegswijze, aan een mensch, die zich in een ongewone situatie bevindt, in den mond, of nog komischer, aan een dier, en ontwikkelt aldus een groote komische kracht. Zoo b.v.: "Alles met mate, zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met den ellestok", een gezegde, ook in het buitenland ruim verbreid.-- "Elk zijn meug, zei de boer, en hij at vijgen".--"Alle beginselen zijn moeilijk, zei de boer, toen moest hij de koe bij den staart in den stal trekken".--"Dat heeft geen zwarigheid, zei de bakker, toen woog hij het brood te licht".--"Alle baten helpen, zei de wolf, en slikte een mug af".
Twente: Dat is 'n ander keurn, zèj de muller, en hê beet in 'nen moezenköttel.
Salland: Alles is maar een weet, zèj de boer, en hi bloazen met z'n gat de lampe uut.
Groningen: Das-t-er aine zunde staine, zee de oeling, dou vradd'e en slakk op en mainde, dat 'n proeme was.
Limburg: Waat now gezonge, zach de köster, doe stond de kerk in brand.
Getroffe, zach de jong, doe smeet hê zie vader en oug oêt.
Alles is maar gewuënte, zach den bekker, doe vêgde hê mit de kat den oaven oêt.--
Men vindt ook tweeledige. Zoo b.v. Limburg: Det is aangebrand, zach de vrouw, doe de jong wat in de botermelk vond.--Aangebrand, hêt det ouk bein? zach de jong, en heel (hield) eine mölder in de huëchte.
Nu zijn juist deze apologische spreekwoorden voor ons van groote waarde, omdat zij getuigenis afleggen van de wijze, waarop bepaalde maatschappelijke personen of standen denken en spreken, al dingt het luimige karakter dezer volksgezegden op de waarheid der opvatting heel wat af.
De Boer. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer, en hij keek in zijn muts.
Daar zal een bakkie theewater op smaken, Dominé, zei de boer, en hij had zijn vrouw begraven.
Dat is een groote wetering, zei de boer, en hij zag de zee.
Dat is een schoone vondst, zei de boer, en hij spleet een zwavelstok in zestienen.
Ik deug niet in de huid, zei de boer, toen hij op sterven lag, en hij sprak de waarheid.
Ik ga eens zien, of mijn familie slaapt, zei de boer, en hij keek in het varkenskot.
Ik houd niet van hangen, zei de boer, maar ik moet wel.
Het Besje. De jeugd wil er uit, zei het besje, en zij reed op een bezemstok.
De onderdrukten hebben het hard, zei besje, en zij zag een luis knippen.
Het is de jonkheid, zei besje, en toen speelde een zeventiger met buitelmannetjes.
Zuinig, zei besje, lekker is maar een vinger lang.
Zuinig, zei besje, de boter is duur.
De Vrouw. Het overleggen is 't al, zei de vrouw, en zij braadde het spek in de boter.
Zij maken den bokking hoe langer hoe kleiner, zei de vrouw, en ze zag sprot liggen.
Daar kom je kaal van af, zei de vrouw tegen haar man, en hij kwam van den barbier.
De Man. Alle ding laat zich eten, zei de man, en hij at garnaal en krabben.
Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijn vrouw een blauw gezicht.
De Knecht. Ik en mijn baas hebben de zolder vol hooi liggen, zei de knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld kreeg.
De Meid. Als ik eens vrij man word, zei de meid, dan eet ik ieder dag gort met rozijnen.
Die ligt op zijn uiterste, zei de meid, en zij zag een botertonnetje, dat tennaastenbij leeg was.
De Dief. Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste maal stal hij een aanbeeld.
Ik moet er meê wezen, zei de dief tegen het loopende volk, en hij reed naar de galg.
Kwaad gezelschap, zei de dief, en hij ging tusschen den beul en een monnik naar de galg.
De Ambachtsman. Goed overleg is het halve werk, zei de broddelaar, en hij zette den lap naast het gat.
Wat duurt er eeuwig, zei de metselaar, toen had hij een oven van Friesche turf gemetseld.
Een handwerk heeft een gulden bodem, zei de wever, en hij zat op een hekel.
't Is een vette buit, zei de visscher, en hij haalde een walbaars op.
Alle vrachtjes lichten, zei de schipper, en hij smeet zijn vrouw over boord.--
Ten slotte nog enkele voorbeelden ter verluchting van het apologische dieren-spreekwoord.
Laat de dooden rusten, zei de arend tot de raaf, en hij verslond een levende duif.
Hou je gemak, zei de havik, toen hij de duif plukte.
Wij scheiden zóo niet, zei de haan tegen de pier, en vrat ze op.
Scheiden is bitter, zei de hond, toen was hem de haas ontloopen.
Goeden dag samen, zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok.
Alle ding daar het behoort, zei het varken, en het kroop in de geldkast.
Kort beraad, goed beraad, zei de wolf, en hij hapte naar het schaap, dat hem ontsnapte.
Gelijk bemint zijns gelijk, zei de luipaard, en hij verslond een bonte kraai.
De druiven zijn zuur, zei de vos, toen hij er niet bij kon. Zie Kirghbijl ten Dam [J.A. Alberdingk Thijm], Vaderlandsche karakterschildering in onze spreekwoorden, in De Dietsche Warande IV, blz. 213 vlg.
Bij het bepalen der psychologische waarde van het spreekwoord dient men vooral te letten op oorsprong en ontwikkeling of vervorming. Zoeken naar den oorsprong beteekent zoeken naar den oudsten, niet naar den "waren" of "eigenlijken" vorm. Want de volksspreekwoorden behooren tot de levende taal- en begripsorganismen, die steeds nieuwe groeikracht vertoonen en immer nieuwe loten uitschieten, welke dan met evenveel recht groeien in de vrije lucht en ópranken naar het licht als de oude moederstam.
Om nu zekerheid te krijgen omtrent den oorsprong, dient men vooral niet te veel af te gaan op de innerlijke waarschijnlijkheid, maar de beste methode is, den taal- en voorstellingskring, de sociale groep op te sporen, waarin de uitdrukking het best past en waar zij zonder beeldspraak is. Dit is b.v. het geval met de uitdrukking "op zijn eigen houtje", aan de zeemanstaal ontleend, waar "zijn eigen hout" inderdaad in de beteekenis van "schip" gebruikt werd; zie Eymael, De Nieuwe Taalgids, bl. 97.
Maar aldra verlaat het spreekwoord zijn oorspronkelijk milieu en fladdert in velerlei gedaanten rond heinde en ver. Somtijds heeft opzettelijke nieuwvorming plaats, zooals in de uitdrukking van Busken Huet: "Gods water over Gods akker laten _kabbelen_"; maar Huet schreef geen volkstaal. Verreweg de meeste vervormingen zijn onbewust. Zij berusten op klankassociaties, als: "dat loopt de spuitgaten uit," voor "de spuigaten";--"over éen kant scheren", voor "over een kam scheren"; of ook op begripsassociaties. Zoo schrijft De Vooys in zijn artikel "Een principiële opmerking bij het etymologiseeren van spreekwoorden en spreekwoordelike uitdrukkingen" in De Nieuwe Taalgids, bl. 178 vlg., waar hij deze geheele materie zoo voortreffelijk behandelt: "_Voor een heet vuur staan_ zal waarschijnlik eerst een soldaten- of matrozenuitdrukking geweest zijn, maar het "hete vuur" kan nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen het oudste-- desnoods het "oorspronkelike"--beeld trachten te vinden, als men dat maar niet als het "echte" of "eigenlike" tegenover de latere "onechte" of "verbasterde" stelt. Feitelijk is de uitdrukking, ondanks de gelijkheid van klank en betekenis, iets anders, iets nieuws geworden. De vernieuwing gaat zich uiterlik openbaren, als er wijziging in de woorden het gevolg van is." Zoo dacht men bij de uitdrukking "de bom breekt uit" aanvankelijk aan een vat, waar de _bom_ (de spon) uitspringt. Maar door de klankgelijkheid van dit _bom_ met _bom_ "kogel" heeft zich weldra een ander beeld in de plaats geschoven, en in verband hiermee werd _uitbreken_ vervangen door _barsten, losbarsten_ of _springen_. Hier heeft het gewijzigde beeld ook de geheele beteekenis doen veranderen. De oude beteekenis "het geheim is uitgekomen" is geweken voor "er is een beslissende uitbarsting gekomen". Het volk heeft dus een geheel nieuw spreekwoord gewrocht, zoowel wat beteekenis als wat vorm betreft. Dit feit is van belang voor de psychologie van het volksleven, maar ook voor de historie der kunstvormen, waarin het volk zijn gedachten en gevoelens pleegt en weet te kleeden. Die vormen zijn ook lokaal gekleurd, niet alleen door de sociale, maar ook door de ekonomische, de geografische, de ethnische geaardheden en toestanden. "Er moet nog veel water door de Maas vloeien", wordt elders: door de Waal, den Rijn, de Schelde, de Leie, de Demer enz.;--"een schelvisch, een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen", wordt in Limburg: "een avel uitwerpen om een snoek te vangen", en in het Oosten van ons land: "met een metworst naar een stuk (zijde) spek gooien". Het Hollandsche: "zoo oud als de weg naar Kralingen", luidt in Limburg: "zoo oud als de weg naar Keulen, naar Aken, naar de Peel". Het Drentsche spreekwoord: "Armelui's ossen en rijkelui's kinder zijn gauw groot", heeft in Limburg den vorm: "Ermeluus holt is gauw gehouwe en riekeluus kinder zien gauw getrouwd".
Tot de kunstvormen van de volkstaal behoort ook de _volksluim_, die zich vertoont in de grilligste gedaanten.
1. Zeer veelvuldig zijn de woordspelingen op plaatsnamen, waarvan ik hier enkele staaltjes laat volgen. Ook gefingeerde namen vindt men er bij.
Naar Molleghem zijn; naar 't Pierenland zijn (dood en begraven zijn): Vlaanderen;--naar Piepenbroek zijn: de Veluwe.
Bleijenbeek (bij Afferden) gaat voorop (een blij lijk).
Well is Well, maar in alle huizen is het niet Well: Limburg.
Te Wellerlooi Daar zingen de veugelkes zoo mooi. Te Well ook wel, Maar niet zoo mooi als in in de Looi.
Naar Boxmeer gaan (zijn beurs trekken, zinspeling op het woord _boks_ "broek").
Van Lekkerkerk zijn.
Een mond opzetten zoo wijd als Montfort.
2. Plaatsnamen in luimige gezegden zonder woordspeling.
Zoo lang als Elmpt (een lang Duitsch dorp op de Limburgsche grens).
Een gezicht zetten zoo lang als Posterholt.
Zoo breed als Geilenkirchen: Sittard.
Hij is te Ool nog niet over! (gehucht bij Roermond).
Hij komt van de Merumer markt: Roermond.
Hij is een uit de Maaseyker vier uitersten (d.i. "lui, lekker, kaal en hoovaardig").
Dat ligt tusschen Maastricht en Allerheiligen (nergens).
Van Bommel tot Den Bosch (volop).
Van Helmond komen (drukte maken).
Naar Zuidbroek gaan, zegt men te Hoogezand voor "een dutje doen"; te Venloo heet dit: "naar Tegelen gaan", enz. Men noemt natuurlijk steeds een naburig dorp.
Ik ga naar Sebaldeburen apen drillen (als de Groninger niet wil vertellen, waar hij heen gaat).
Een boterham, waardoor men Maastricht kan zien.
Op Kessenicher veêren slapen: Belgisch Limburg.
Altijd hooger, als het orgel van Gangelt: Sittard.
Op de Akerstraat (buurt van Hoensbroek) bakt men de koek maar aan éen kant (de huizen liggen slechts aan éen kant van den weg). Hetzelfde zegt men b.v. van Buggenum (L.) en Oudeschild (Texel).
Iemand naar Geelbroek (tusschen Beilen en Assen), naar den Kollenberg (Sittard), naar den Heksenberg (Heerlen), naar de Mookerhei wenschen.
3. Spotrijmpjes op steden en dorpen.
Oostergoo het land, Westergoo het geld, De Wouden het verstand, De Steden het geweld.
Dokkum is een oude stad, Een oude stad boven maten, Daarom verkoopt men anders niet Als taai en ook garnaten.
De Amelander schalken, Die stalen eens drie balken s Avonds in den maneschijn, Daarom zal 't hun wapen zijn.
Neêr-Langbroek Die schrale hoek! Daar wonen niets dan edellui En bedellui, Ridders En broodbidders; Daar staan anders niet als kasteelen en nesten, Sterkenburg is het beste.
Deventer is een koopstad, Zutfen is een loopstad, Lochem is nog wat, Maar Borkeloo is een hondegat.
Amsterdam ligt aan het IJ, Monnikendam, daar wonen wij; Edam is een nest, Hoorn doet zijn best, Enkhuizen staat op tonnen, Medemblik heeft het gewonnen.
Peer is nog een stad, Achel is nog wat, En Bree is een paddegat.
Brugge is zot, Gent is bot. Kortrijk heeft 'nen zin, Ronse heeft van den duvel in.
Wing, Wang, Laar, Herpen over Orsmaal, Hal al bovenal, Dormaal is een verkensstal.
Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen, Om den Molschen toren te koopen, Die van Balen, die waren nie zot, En ze gongen er mee naar 't verkenskot.
Dendermonde Leeg van gronde, Klein van goed, Hoog van gemoed.
De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen) Die lieten stelen hun kanon. Zij exerceerden lijk de koeien, En zij stalen al de Savooien. Rakkedok--kedok! Mee 'nen krommen kop; Z'hebben een geweer Lijk 'nen bloemkoolstok.
Herenthals is 'ne nest, Die der wonen, weten het best.
Hersel--de macht, Westel--de pracht.
Hooglee--groote pracht, Verre gezien en weinig geacht.
Hooglee Schoone stee, Lichtervelde lacht er mee.
Eessen Is een deesem, Zane is een trog, Werken loopt er om nog, Handzame is een leegaard, Koekelare is alderbest, Bovekerke is 'n kakkernest.
Te Langedijk Daar zijn ze rijk, Daar eten ze gort met krenten! En waarom zouden zij dát niet doen, Ze leven er van hun renten.
Daar kwam 'nen boer van Leuven, Van Leuven kwam 'nen boer; Hij meende gaan te dorschen, En viel op zijnen vloer.
Enumatil Daar kijken ze gril, Daar staat geen kerk of toren; Als de snik komt, blaast de jong op 't horen.
Maasland, Vet land De bedelêren komen van dien kant.
Die van Mol die zijn geschoren, Ze hebben vier wijzers en geenen toren; Die van Geel, die zouden loopen, Om de wijzers af te koopen; Die van Balen zijn jaloesch, Ze hebben 'nen toren lijk 'ne kroes.
Rijke Vörsel Arm Mal Lomp Zoersel Mager Hal (Kempen).
Tiegem--berg en dal, Ingoigem--lang en smal, Ootegem--de fleure van al!
Te Zulte in 't zand, Hoe meer dat 't regent, Hoe beter land.
Loon-op-Zand, Licht volk, licht land, Ze schooien den kost, En ze stelen den brand.
Herten, Merum en Ool, Drie dorpen en éen pastoor.
De Bressianen (van Breskens) Zijn hanen, Maar voor Schoondijke Moeten ze wijken. En komen die van Groe, Dan houden ze beter hun deuren maar toe.
Koevorden is een fraaie stad, Dalen is een moddergat, Wachtum is een eendenpoel, Hesselen is een koningsstoel.
Zooals men ziet, wordt met sommige plaatsen de spot gedreven, om eigen woonplaats op te hemelen. Dit laatste is uitsluitend beoogd in het Veluwsche:
Kootwijk is een zoetendal, En die er is, die blijft er al.
En eveneens in het Groningsche:
Riepster klokkengeklang, 't Lopster örgelgezang, 't Zandster bouwland, En Steemer kouland, Dat is het kroontje van Grönnegerland.
Maar het kan óok zijn, dat de regels: "Kootwijk is een zoetendal, En die er is, die blijft er al" oorspronkelijk bij een meer uitgebreid rijmpje hebben behoord. Men vergelijke:
Zuidhorn is een bloemendal, Die er woont, die blijft er al, Noordhorn is een moddergat, Die er komt, die vindt er wat! Oldehove, die stompe toren, Daar wil de koster zijn wijf vermooren. Niehove loopt in 't rond, Daar loopen de meisjes kakelbont. Feerwerder katten Springen over latten, Vangen de muzen Bij honderd en duzend, Braden ze in de pan, En eten er alle dagen van.
Tiel is een stad, Echteld is een gat, IJzendoorn is een waterpoel, Ochten is een koningsstoel.
Bommel, Bommel blinkt schoon, Waardenburg spant de kroon, Tuil is 't alderbest, Hafte is een kraaiennest, Hellouw is een eendenpoel, Herwijne is een schettestoel, Vuren is een errem land, Dalem ligt aan den Waterkant, Gorkum is een schoone stad, Schelluinen is een hondegat.
Een enkel voorbeeld van plaatsnamenrijmpjes, die de taal kort en treffend karakteriseeren:
De Visvlieter bellen, Zeggen van zèllen en wèllen, De Boerumer bollen Zeggen van zollen en wollen, En de Kollumer luden Zeggen van zuden en wuden.
Zie Driem. Bladen IX, bl. 47, 48.
4. Spotrijmpjes op voornamen en familienamen.
Antoon:
Toontje Mijn zoontje, Wanneer zal 't zijn? T'avond in de maneschijn.
Jan Baptist:
Jan Baptiste, Suiker in de kiste, Vleesch in de pot, Jan Baptiste is waarlijk zot.
Jan:
Jan Koekepan, Met 'nen spijzen boterham.
Jan Bakt eieren in de pan, Bakt eieren in den schoen, Dan herre geen pan van doen.
Jan, mijne man, is altijd ziek, Heel de weke, heel de weke, Jan, mijne man, is altijd ziek, Heel de weke, maar 's Zondags niet.
Jozef:
Seven, Laat mij leven, 'k Zal u een stuk van mijn hemdslip geven.
Marianne:
Marjanne, Boter in de panne, Boter in de pot, Is Marjanneke nog nie zot!
Piet:
Piet Valt in 't riet, Dat men hem niet meer ziet.
De Smedt:
Smedt, Een panneke vet, Een panneke rapen, En daarmee moet Smedt slapen.
Van Boeck:
Frans van Boek, Dikke snoek, Zonder knoopen aan zijn broek.
Verbist:
Mijnheer Verbist Lag in de kist, Zonder dat vader of moeder het wist.
Verhagen:
Jan Verhagen Draagt zijn beste broek alle dagen.
5. Alliteerende volksluim.
_M_ulders _M_ans _m_oet _m_ijn _m_oeder _m_ooi _m_eel _m_alen, _m_ooi _m_eel _m_oet _M_ulders _M_ans _m_ijn _m_oeder _m_alen.
_W_ie _w_eet _w_aar _W_illem _W_aanders _w_oont? _W_illem _W_aanders _w_oont _w_ijd _w_eg, _w_ijd _w_eg _w_oont _W_illem _W_aanders (elders: _W_illem _W_itjes).
De _k_at, die _k_rabt de _k_rullen van de trap (tevens assonantie).
6. Spotrijmpjes op standen en ambachten.
Bakker:
O jonges wat 'n pret! Morgen wordt 't brood afgezet! Twee centen in 't geheel, O wat kijkt die bakker scheel!
De bakker van den hoek, Die heeft vannacht geblazen, De zemelen uit zijn broek, Hij hangt ze voor de glazen, Gelijk een peperkoek.
Apotheker:
Mijnheer den apotheker, Ik ben het niet zeker, Maar geef me voor twee cents en half Platluizenzalf. 't Is niet voor mij, 't Is voor mijn kameraad, Die aan de deur staat.
Boer:
Rotte patatten Mee schelle' va' visch, Dat eten de boeren As 't kerremis is.
Kleermaker:
Kleeremaker, Luizekraker, Lapkesdief! Ge heb gestolen van mijn gerief!
Koster:
Bimbambeieren! De koster lust geen eieren, Wat lust hij dan? Spek in de pan, Met een roggen boterham.
Paternoster, Slaat den koster, Slaat hem een bult, Dat hij rond de kerk krult.
Lantaarnopsteker:
Ik kom aan, Ik zet neer, Ik kruip op, Ik steek aan, Ik ga neer, Ik neem op, Ik ga heen.
Jantje komt, Jantje komt, Jantje de lanteernman! Vroeg en laat Op de straat, Om te zien, hoe alles gaat.
Molenaar:
Mulder, mulder, korendief, Groote zakken heeft-ie lief, Kleine wil-ie niet malen, De duvel zal hem halen!
Soldaat:
Soldaat Kameraad, In de Peperstraat! En hij pakte zijn geweer, En hij schoot ze omveer.
Wever:
Daar zat 'ne wever op zijn getouw, Blauw van honger en grauw van kou, Hij weefde al dit en hij weefde al dat, En hij weefde 't hemdeken van zijn gat
7. Spotrijmpjes op gebreken en mismaaktheden.
Bultenaar:
't Is den bult Zijn eigen schuld, Dat hij zijn kas moet dragen; Dat hij gaat Bij Pier van Timst, Die zal zijn kas afzagen.
Bult karkas, Viool op bas, Viool en fluit, Trekt er maar uit!
Gierigaard:
Gierigaard, Langen baard, Uitgedroogde moordenaar!
Linksche:
Slinkepoot Den duvel is dood, Ga naar d'hell' om uw vesperbrood!
Manke:
Mankepoot Den duvel is dood, Ga naar d'hell' om uw vesperbrood!
Rosharige:
Ros haar, Ros bloed, Zelden goed.
Scheelziende:
Schelewip, Schelewap, Papzak!
Ik heb een vogeltje gevangen En het beestje kan niet zien, Schele Pauwelien, Schele Pauwelien.
8. Wat de klokken vertellen.
De klokken van Ledegem luiden:
Lui Leegem Luizebestier, En hooveerdig!
Volgens Rond den Heerd IX, bl. 116 kleppen de klokken van Caneghem, als er iemand gestorven is:
Bim! bam! bom! 't Moet al dood, Klein en groot, Arm en rijk, Al gelijk.
De inwoners van Wieze bij Dendermonde worden door de naburige dorpen voor gekken uitgescholden. Vandaar, dat deze het klokkengelui van Wieze vertolken:
Wieze is zot, Toebak dol.
9. Tot de rubriek van de Volksluim behooren natuurlijk ook de duizenden uien, moppen of boertige verhalen, die bij het volk in omloop zijn en dermate onmisbaar lijken in het hedendaagsche volksleven, dat De Meyere zich afvraagt, of de moppenverteller van heden niet de sprookjesverteller van vroeger zijn zou?--Een zeer eigenaardige uiting van den volkshumor is ook de parodie, en hierover nog enkele korte opmerkingen.
Van het diep-gevoelvolle Sterrelied, dat wij I, bl. 143 hebben meegedeeld, bestaan parodieerende varianten als:
Herodes, de koning, kwam zelve veur: zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur.
Zij kwamen al veur een bakkerij: daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij.
Zij liepen tot bij een herbergier: daar dronken ze een pot en ze zaten bij 't vier.