Chapter 34
Rijmlooze weder woorden. 't Is uit en amen.--Iets voor een appel en een ei verkoopen.--Baas en meester zijn.--Iets achter banken en stoelen steken.--Begekken en bespotten.--Over berg en dal.--Op dag en uur.--Door deur en venster slaat de rook naar buiten.--Na lang dingen en bieden.--Iemands doen en laten kennen.--Hij is al lang dood en begraven.--Eenzaam en verlaten.--Eer en faam verliezen.--Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig).--Door eksters en kraaien uitgescholden worden.--Eten en smullen.--'t Is gedurig gaan en komen.--Iemand bedreigen met galg en rad.--Gelaarsd en gespoord.--'t Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast).--Bij leven en welzijn.--Iemand kennen van haar tot pluim.--Vol haat en nijd zijn.--Daar zijn haken en oogen aan.--Hals over kop.--Met handen en voeten.--Have en goed.--Hij geeft om hel noch duivel.--Een leven, dat hooren en zien vergaat.--Een man van ijzer en staal.--Als kat en hond zijn.--Men moet kiezen of deelen.--Met koets en paard.--Het heeft kop noch staart.--Met kousen en schoenen in den hemel komen.--Lachen en boerten.--Iets wagen op leven en dood.--Mager en gezond.--Iemand man en paard noemen.--Bedorven in merg en been.--Moord en brand roepen.--Bij nacht en ontij.--Oud en wijs genoeg zijn.--Tusschen pot en glas spant de duivel zijn netten.--Proper en net.--Rust noch duur hebben.--Iemand snap en beet geven (bits antwoorden).--Slaven en wroeten.--Stellig en vast.--Vergaan tot stof en asch.--Loopen langs straten en wegen.--Op tijd en uur.--Verhuizen met tafel en bed.--Van toeten noch blazen weten.--Vast en zeker.--Met vedel en fluit.--Van iemands vleesch en bloed zijn.--Vloeken en zweren.--Vrede en peis (peis en vree).--Bij weêr en ontij.--Iets doen uit wrok en nijd.--Zang en dans, zang en spel.--Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen uitstaan). --Zonde en jammer.
Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen; ik noem slechts: "waar het hart van vol is, loopt de mond van over";--"die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in" enz., zie b.v. Dr. E. Laürillard, Opgave en toelichting van spreuken en gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), en C. F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook de invloed van Vader Cats is niet te onderschatten. Maar voor ons meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke: wij bevinden, dat onze volksspreekwoorden en uitdrukkingen worden gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven, door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid.
Bij de Saksers met hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente:
't Mot nen grooten sprekkert wezen, diê 't nen zwiêgert verbettert.
In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken.
Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen.
Aj 'n ekster uutstuurt, krie 'j 'n bonte vogel weer in huus.
Aj 't gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is buurmans gek).
Leer um leer, kulst doe mîj, ikke dîj weer!
Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; IV, bl. 127, V, bl, 65.
Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij niet bij uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor "als het wintert": "as de witte bijen vleegt?" Dit karakteristieke hallehuis vinden wij met al zijn onderdeden in de spreekwoorden weer.
Het dak: Doar is te völ dak op 't hoes (er zijn te veel luisteraars).
De onderschuur: Wisse bis doe baas--in 't onderschoer as de hond er nig is (Denekamp).
De hilde (zoldering boven den koestal): Asset eenmoal op de gaffele hef, krigget ok wol op de hilde.
De haard: Ieder raakt de assche op ziênen kooken.--Den 't vuur schelt (mankeert), zoch 't in de assche.--An de pan sloan, dat 'n kettel der van rapt (grootspreken, ook wel lasteren).
De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: "met een metwo(r)st noa een ziêje spek gooien." Het gelag betalen is "het haal schoeren."
Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het Saksische spreekwoord:
Wat hes door? "Niks." Door kans de kat met doodvoeren.
Der um hen drêjen as de kat um 'n gleuinigen pap.
Ai-j de kat op 't spek bindt, dan wil het 't nich vretten.
Alles moêst, wat van katten komp.
Van 't hondengeleuve wezzen.
't Geet um as 't hondebiêten (op beurt).
Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef.
Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot.
Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente betreft, "eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten, lang op zich zelf aangewezen", hier hebben uiteraard tal van oude zegswijzen het leven kunnen rekken; zie Dr. J. Bergsma, Woordenboek bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906) I, _passim_, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel poëzie mag men bij de stroeve bevolking der Drentsche veendorpen niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het: "hij heeft het achterhek mede gekregen";--iemand in gevaar brengen: "iemand het vuur op de hilde beuten";--wie wil geven, maar liefst het geld in den zak houden: "hij wil poesten en houden het meel in den mond"; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte zijde zou dit echter moeten zijn: "poesten en houden het meel in den _zak_". Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er uit _poesten_ of met den mond blazen, zóo weinig, dat de inhoud van den zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards.--De een is nog minder dan de ander vertolkt de Drentenaar: "huis is karnemelks borge" (echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch is vooral de zegswijze voor het begrip _sterven_: "de vork neerleggen".
Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek, hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 293, 294). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: "hoe meer de iemen winnen, hoe heiliger zij binnen";--hoe meer werk, hoe meer verdienste, luidt: "hoe meer werk, hoe meer honig";--wie wil verdienen, moet vaak het zure voor lief nemen: "die honig wil likken, moet lijden, dat de bijen hem steken".
Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral een gezond en typeerend realisme. "As-te Grönnegers 't lief vol (h)ebb'n, goan ze vot", klinkt wel wat erg prozaïsch. Maar ook ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: "'t is nou oart, moar 't zal wel voart wor'n", gezegd van iemand, die in overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo zijn de echte Grönnegers: "frisch weer zegg'n ze nog, al klappertann'n ze van koalle". Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118.
Het besliste, vastberadene, stugge Friesche karakter uit zich in den stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het zeemanswezen zijn weerklank.
Der iz modder oonne kloet (als de kloet veel gebruikt wordt, valt heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt).
Teecken je dij kaets (aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wèl).
It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea.
Hij makket schien fjild (hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig, is een verkwister).
It giet oer koarren in klampen (het gaat alle maten te buiten, eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het schip binnendringt).
Hâd je mar dom, den bin je frij fen pompen.
Dij het ien swiere boppelest (hij zeilt met een te zwaren bovenlast; wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die "topzwaar" is).
Az de schippers sijllen, schôftjen se neat.
Al tijden isser op sijn afterschip (hij komt altijd te laat).
Aade tiercken (kerken) habbe tioestre glesfinsteren.--
Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog:
Quaelck won, quaelck spon (kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen).
Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae (oud goud, hooi, brood komt iemand wel te stade).
It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de man sterft, is zijn goed opgeteerd).
Hij kin doeke noch swimme (hij kan duiken noch zwemmen, weet zich niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar).
Sa scheper, sa hoen (zoo schaapherder, zoo hond).
Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frissche zeewind tegen en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid, als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed, dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat "men moet zeilen, terwijl de wind dient." Maakt iemand veel verteringen, dan "haalt hij zijn zeil in top"; versukkelt hij zijn tijd, dan "gaat hij met de laatste schepen onder zeil"; inslapen is "onder zeil gaan"; toornig opstuiven "met opgestoken zeilen komen aanzetten"; bedaren is "het zeil inbinden"; en verder:"stijf onder zeil zijn";--"achteruit zeilen";--"klein zeil voeren";--"zeil op iets maken";-- "een oog in 't zeil houden";--"alle zeilen bijzetten";--"iemand in de zijde zeilen";--"met een nat zeil loopen";--"langs den wal zeilen";--"met zeilen voor den mast liggen";--"bakzeil halen";--"in iemands zeilen waaien." Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname rol. "Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil," meent men; en wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de uitspraak: "dat is geen zeil voor dat schip."
Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering brengen. "Iemand aanklampen";--"iemand afschepen, aftakelen, van bakboord naar stuurboord zenden";--"iemand aan boord klampen, op sleeptouw nemen, in 't vaarwater zitten, een steek onder water geven";--"het anker lichten, laten vallen";--"roeien met de riemen, die men heeft";--"tegen den stroom oproeien"; --"in het riet sturen";--"met de nachtschuit komen";--"leelijke streken op zijn kompas hebben";--"aan het roer zitten";--"de vlag strijken";--"bijdraaien";--"de huik naar den wind hangen";--"voor de haaien zijn";--"naar wal sturen";--"kant noch wal raken";--"aan lager wal zijn";--"de beste stuurlui staan aan wal";--"oude schepen blijven aan land";--"uitkaaien"; --"iemand aan den dijk zetten";--"op 't droge zitten."
Luide spreekt ook het visschersbedrijf. "Visschen, terwijl het water blond is";--"een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen"; --"een visch (snoek) vangen";--"visch moet zwemmen"; --"geen vin verroeren";--"in troebel water is het goed visschen"; --"glad als een aal";--"iemand aan zijn angel krijgen";-- "geld (boter) bij de visch";--"aan den haak slaan";--"achter het net visschen"--"het neusje van den zalm."
Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der bevolking tot uiting moeten komen.
Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen uitdrukkingen als: "het ijs breken";--"zich op glad ijs wagen";-- "op oud ijs vriest het licht";--"over ijs van éen nacht gaan";-- "beslagen ten ijs komen";--"een scheeve (rare) schaats rijden". Betrekking op den veestapel hebben: "de koe bij de horens vatten";-- "de koetjes loopen in mijn weiden";--"zijn koetjes op het droge hebben";--"over koetjes en kalfjes praten";--"als de kalveren op het ijs dansen";--"oude koeien uit den sloot halen". Belangrijk is vooral de zegswijze "veel koeien, veel moeien", niet slechts, omdat hier _moeien_ bewaard is gebleven, het meervoud van _moeie_ "moeite", vergelijk het Hoogduitsche _Mühe_, maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt.
Holland is ook het land van de windmolens: "dat is wind op zijn molen";--"de molen is door den vang" (de zaken loopen verkeerd);--"hij heeft een slag van den molen weg (beet)";-- "hij loopt met molentjes". Maar Holland is vooral het waterland, "door den mensch ontwoekerd aan de zee", schrijft bewonderend Edmondo de Amicis, "een kunstland, door de Hollanders gewrocht, in stand blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de Hollanders het prijs gaven". Bevat het spreekwoord "die 't water deert, die 't water keert" niet heel wat volkswijsheid en historie? Hier wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de kracht van den enkeling bleek aldra onvoldoende tegen het geweld van storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht, uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen.--Wat zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis zijn van dat andere spreekwoord "Gods water over Gods land (akker) laten loopen"? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet-loome berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal, de Maas, de Schelde loopen.
Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens; immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander koper- en ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karaktertrek onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij uitstek: Rust Roest.--En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog eens herinneren aan het wèlverdiende: "goed rond, goed Zeeuwsch?"
Bij de zuidelijke Franken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkelpaadjes, of over de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of mogen wij aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid, terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt.
Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in spreekwoorden en zegswijzen:
Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs. [18]
Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd.
Hê hêt de paplêpel weggelag (is gestorven).
Wie doller gebrouwe, wie bêter beer (hoe lichter men de zaak opvat, des te meer valt zij mee).
Den bessem oêtstêke (zie I, bl. 276).
Beer van Paters vêtje.
Beer op melk verhaampt zich neet (verdraagt zich niet).
Op de foekepot speule (lawaai maken, zie I, bl. 142, 157).
Geine gek van Sint Merte make (niet overdrijven, heeft betrekking op het Sint Maartensfeest).
Hê is good gelaaie (heeft veel gedronken).
Det geit door 't getuug hêr (gaat te ver).
Hê is van naat holt gemak, van de nate gemeinte, lös (lust) zie naat.
_B_otermelk is _b_oere-medesien.
Van eine _k_ale _k_ermis toês kome.
Achterum is 't kermis.
Achter mienen rök is 't kermis.
Lache wie (as) 'ne kermishond.
Zoeë zinge ze neet, as ze van Kêvelêr kome.
Gein schutterie zonder keuning.
Drij moal keuning is keizers rech.
Koeël is good ête, maar dan mot 't verke der door loupe.
Land bemiste lieët zich neet foppe.
Lekker is gouw de kêl aaf.
Eine lintworm in 't liêf hebbe.
Melk is beer veur de jonge, beer is melk veur de alde.
Ik bin 't meug (moe) wie kalde pap.
Moos is geine spekkóok.
't Zoeë drök hebbe as de pan mit Vasteloavend.
Ein ploog (ploeg), die werk, roes neet.
De ploogestert stik (steekt) um door de boks oêt.
't Geit um zoeë dun as pompwater.
Hê lieët reube good moos zien.
Hê hêt 't spek hoeëg hange.
Det is zoovuël as 'n vleeg in 'nen brouwkêtel.
Eine mnd hebbe as 'n woafelpan.
Zoolang de vogel op de mas (mast, schietboom) steit, maag me der noa scheete.
Pêrstand (paardentand) en vrouwehand mote noeëts stil stoan.
Einen in de wan kriege, mit eine wanne (met iemand sollen).
Van ei joar mot me de ploog neet aan de wand hange (als 't een jaar tegenvalt, moet men nog niet moedeloos worden).
Zoeë zak, zoeë zoatgood (zoo ouders, zoo kinderen).
Waat m'n aan 't verke voort, krieg m'n aan 't spek truuk.
Alles vergeit, behalve de koestert, dê blief altiêd achter.
Geliêk vieë lek zich gêr.
Now is de bok vet!
Det is gei klein beer (dat is geen smaldoek).
Ermeluus pannekeuk en riekeluus krengde (ziekte) ruuk me wiêd.
Eine vildershond, ein halversdochter (pachtersdochter), en ei meulepêrd,--zien veur 'nen boer niks wêrd.
Kald beer zit werm blood.
Hê is 'nen dröpkeshèlige, dê in alle herberge verierd wuurd.
Hê hêt de plaat um (ziet er deftig uit, als een schutterskoning).
Hê hink mier aan de vaan as de ganse bronk wêrd is (_bronk_ is hier de gilde-optocht).
Hê hêt zien bein mit muggevet ingesmêrd (om te dansen).
Den eine speulman is den andere ein deuntje schüldig.
De letste man de zak ophalde (tot het laatst blijven).
Hê hêt de vogel aaf.
Maar men zou verkeerd doen, met te meenen, dat de Zuidnederlandsche spreekwoorden zich uitsluitend bewegen op het terrein van spel en scherts en feestgelag, met het landleven als ondergrond. Kent gij spreekwoorden, die in diepen levensernst kunnen wedijveren met dat hoog-ernstige: "Groeëter is 't leid, det gevare (gereden), as det gedrage wuurd"? Kent gij er, die het in warmte en innigheid kunnen halen bij dat gevoelvolle: "Al is de mooder nòg zoeë erm, ze dek (dekt) toch werm"?
Zeer veelvuldig zijn ook de spreekwoorden en zegswijzen van religieuzen aard, of die tot het Roomsch-Katholieke geloof in zekere betrekking staan. Tot deze laatste groep behooren:
Hê is in Roeëme gewês en hêt de Paus neet gezeen.
Me mot de kerk in 't midde loate.
Doa is gei kerkske zooë klein, of ter duvel bouwt zich ei kapelke dernêve.
Pastoeër zêgent zich zelf 't iers (eerst).
Pastoeër deut gein twieë misse veur eí geld.
Rêgent 't op de pastoeër, dan druubdet (of: druubbet) op de köster.
Hê steit doa wie 'n Poaskers (stijf-deftig).
Me mot eeder hellige ziene was (kaars) gêve (men moet ieder geven, wat hem toekomt).
Ein hieël litanie schöld op zien rêkening hebbe.
Waat 'n kruuts--geí (geen) kruuts!
Hê hêt den oferstok gevêg.
Eemand zien evangelie, de ach zalighede lêze.
Zich eine stoal in den hemel verdeene.
Hê hêt eine kop wie eine Karthuzer.
Têge de klippe van de hel aan (met de uiterste krachtsinspanning).
Me mot O.L. Hieër neet noa de ouge wille stêke.
Hê zuuter oêt as 't ieëwig lêve.
Hê zuuter oêt as 'n bedrökte Magdalena.
Maar ik sprak daar zoo juist van spreekwijzen, die een beslist Christelijk volkskarakter openbaren, en ook deze zijn niet gering in aantal. Ik volg hier met enkele wijzigingen den bekwamen schrijver van de Kijkjes in Limburg in den Limburger Koerier (CCCLXIX), en noteer de spreuken weer, voor de eenvormigheid, in het Venloosch dialekt; ik wensch echter uitdrukkelijk op te merken, dat zij algemeen-Zuidnederlandsch zijn.
Waat God wilt behalde Zal verheite (verheeten) noch verkalde
klinkt het met kalme berusting. Kan het anders? Als iemand zijn werk begint, zegt hij: "In Gods naam". Soms klinkt dat: "In Godsnaam: des neet gevlook". Vertelt hij van zijn voornemens voor de toekomst, dan zal hij nooit verzuimen er bij te voegen: "As God bleef' (als 't God belieft). Verricht hij het een of ander goed werk, dan doet hij dat "ter iere Goads" of "om Goads wil." Wil hij met aandrang iets vragen, dan zegt hij "Ik bêj dich um Goads wil." Met elk goed werk weet hij, dat hij verdient "eine Godsloeën." En slaagt hij in een zijner ondernemingen, heeft een moeilijk werk ten einde gebracht, ontvangt hij een gunstige tijding, dan volgt een hartelijk "Goddank."
"God loeënt och", zei vroeger de kerkmeester voor elk centje, dat in de schaal gelegd werd bij zijn rondgang door de kerk. "God loeënt och", zegt thans nog de arme, als hij een aalmoes krijgt aan de deur. Maar komt de arme om een aalmoes bij iemand, die niets te geven heeft, dan zegt deze: "God wil os helpe." Of hij hiermede te kennen wil geven, dat hij zelf geholpen moet worden?
Gaat iemand op reis, dan luidt het nog vaak ten afscheid: "Gank, det dich God bewaar!" En spreekt men over een afgestorven maag of vriend, dan blijft diens naam wel zelden zonder de bijvoeging "zaliger gedachtenis", of: "God gêf um den hemel", of "God truës zien zieël."