Nederlandsche Volkskunde

Chapter 33

Chapter 333,795 wordsPublic domain

Eene planke Van Godes danke; Het en is noch hout noch eeke, Noch eeke noch hout. Als gij het kunt raden, Geef ik u eene ton met goud.

(Het ijs.--België).

11.

Daar gaat een ding om het huis, Dat kijkt door alle gaatjes.

(De zon).

12.

Rondom de meulen Liepen twee pèretjes speulen. Der is geen eenen ouwen man, Die déé twee pèëren keeren kan.

(De zon en de maan.--Zeeland).

13.

Toen ik was jóng en schóon, Droeg ík een bláuwe króon. Toen ík was óud en stíjf, Slóegen ze me óp het líjf. Tóen ik wás genóeg gedrágen, Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.

(Het vlas).

14.

Eerst zoo wit als vlas, Dan zoo groen als gras, Dan zoo rood als bloed, En dan zoo zwart als roet.

(De braambes).

15.

Van binnen wit, van buiten zwart, Drie ruggen en geen start.

(De boekweitkorrel).

16.

Der sit in jifferke yn 't grien, Mei in mooi read rokje oan. Als men ze knypt den skriemt se, En dôch het se in stiennen hert.

(De kers.--Friesland).

17.

Daar staat een boom in 't Westen, Met twee en vijftig nesten, Ieder nest met zeven jongen, Râ, wat namen zij ontvongen?

(Het jaar).

Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij alle Germaansche stammen.

Ons bekend rijmpje:

18.

Hummeltje Tummeltje klom op den wagen, Hummeltje Tummeltje viel van den wagen, Daar is geen eene timmerman, Die Hummeltje Tummeltje maken kan,

waarvan een Vlaamsche lezing luidt:

19.

Hippekentippeken op de bank, Hippekentippeken onder de bank; Daar is geen smid in Ingeland, Die Hippekentippeken maken kan,

vertoont in Brunswijk den vorm:

Hummelke Trummelke lag up'r bank, Hummelke Trummelke feil von'r bank; Et was kein doktor in'n gansen land, De Hummelke Trummelke we'er mâken kann.

In Engeland luidt het raadsel aldus:

Humpty Dumpty sate on a wall, Humpty Dumpty had a great fall, Three score men and three score more Cannot place Humpty Dumpty as he was before.

Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch Limburg) is het eiraadsel:

20.

Ik klopte al op een witte deur, Daar kwam een bruine pater veur.

Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met de noodige varianten:

21.

Achter in mijn vaders tuin Daar staat een boom met groente; Hier een boom, daar een boom, Ieder boom een tak; Hier een tak, daar een tak, Ieder tak een nest; Hier een nest, daar een nest, Ieder nest een ei; Hier een ei, daar een ei, Ieder ei een zwart plek op 't gat; Râ, râ, wat is dat?

Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen, waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel voor het landschappelijk-schoone spreekt:

22.

Oude, grijze, grauwe, Staat alle nachten in de dauwe, Heeft vleesch noch bloed En is voor alle menschen goed.

(De molen).

23.

Er vloog een vogel snel Al over de diepe del (de zee); Hij droeg botten en beenen En had er zelve geene.

(Het schip).

24.

Achter molens duun Dèr leit in oud peerd bruun, Zonder kop en zonder steert, Al syn ribben leggen verkeerd.

(Een omgeploegd stuk land.--Ameland).

25.

Daar waren eens vier zustertjes, Die klommen op hooge mutstertjes; Daar waren eens vier broertjes, Die klommen op hooge stoeltjes; Ze naaiden zijden kapjes Van honderd duizend lapjes, Zonder naald en zonder twijn: Je zult het niet raden, al ben je fijn.

(De spin, die haar net maakt).

26.

Er ging een mannetje door den dam Met een fluweelen wammesje an.

(De mol).

Of ook:

27.

Jan De Bruin Zat in den tuin, Hij had geen paard of ploeg, En toch bouwde hij land genoeg.

(De mol).

28.

Daar is een ding Dat pinkt Dat knipt en winkt En lacht en vinkt ... 'k Zou alzoo wel willen pinken, Knippen en winken Lonken en vinken, Gelijk dat ding Dat pinkt En knipt en winkt En lonkt en vinkt.

(Een Ster--Vlaanderen).

29.

Daar gíng een mánnetje óver den díjk Mét zijn óogjes kíjkerdekíjk, Mét zijn háartjes krúlderdekrúl; Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.

(Het schaap).

30.

Het is, waarin het water vloeit, Het is, waarop de bloeme bloeit, Het is, waarop bij dag en nacht De moede mensch de rust verwacht, Het is, gelijk men dikwijls zegt, Van dat, waarin men dooden legt.

(Het hout.--Land van Waas).

Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit:

31.

Dribbel drabbel dribbelgat, Hwêr komst dou fen dinne? --Ut de ierde, Swart forbarnde tsjettelkop.

(Friesland).

Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer oud is en wijd en zijd verspreid:

32.

--Du kromme, du lange, Van waar komde gegangen? --Ei du met dijn geschoren gat, Waarom vraagde mij dat?

De Zeeuwsche vorm luidt:

33.

--Joe kromme, joe slomme, Wèr kom je van dèn gezwomme? --Joe afgeschoren schietgat, Wèrom verwiet je me dat?

Men vergelijke hiermee het Brunswijksche:

--Lanke krummumme, wo wutte hen? --Korte vorschorne, wo frägste nâ, Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.

2. De verhalende raadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude Testament. Zoo b.v.

34.

De kist, die leefde, Die er in zat, beefde; De kist, die at, Die er in zat, Bad.

(Jonas in den visch.--België).

Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 87), is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door de zonnewarmte en droppelt er van af.

35.

In 't Land van Cadsant Ging een man over zijn land Met 'nen ginger, Met 'nen springer, Met 'nen hoepsasa; Hij hield iets in zijn handen; Hij ging al zoo zeere Om zijn land te keeren.

(Hij ging met een paard en een riek).

36.

Hoop en vrees zat op den wagen: Hij zag tweebeen vierbeen dragen. Heeren raadt en zegt het mij, Als ge 't niet raadt, dan ben ik vrij.

Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen, waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen hoogernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te geven. De raadsels behooren tot de groep van folktoristica die, bij het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald. Dit bewijst niet, dat wij in de hedendaagsche raadsels den _detritus_, den afgesleten vorm hebben, maar dat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik enz. (vgl. I, bl. 104, 194). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi, hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie oogen, tien voeten en één staart,--antwoordende, dat het Odhin op het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 72).

Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een ooievaar zien vliegen met een kikvorsen in den snavel. Hij hoopte, dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige, die verzoekt het raadsel te mogen opgeven.

Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het Meetjesland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bij het ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen, waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel:

37.

Ik ging en ik kwam Waar ik vijf levenden uit éenen doode nam; Die vijf maakten mijn drij vrij; Weet ge 't, zegt het mij.

Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het raadselverhaal op:

38.

Toen ik henenging en wederkwam, Vijf levenden uit den doode nam, De zesde maakte den zevende vrij, Nu, heeren, raadt en zegt het mij.

Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief, dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel:

39.

Gezogen, gezogen, Landsheeren bedrogen, Kind geweest En moeder geworden.

Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus:

40.

Heeren bedrogen, Muren doorzogen, Wiens kind ik ben, Wiens moeder ik wierd.

"Muren doorzogen", omdat hier de dochter haar vader door een buis in den muur met voedsel laafde.

Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der beenen of pooten _tweebeen, driebeen_ enz. genoemd worden. Zoo b.v.:

41.

Tweebeen zit op driebeen En trekt aan vierbeen.

(Het melkmeisje).

42.

Tweebeen zat op driebeen, Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten, Toen nam tweebeen driebeen, Om er vierbeen mee te smijten.

(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten).

3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden door Guido Gezelle _kwelvragen_ genoemd. Het zijn inderdaad kwelraadsels in zoo ver zij den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen, door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht, hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting.

Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond:

43.

_K_eízer _K_árel _h_ád een _h_ónd, _H_óe _h_éet _K_eízer _K_arels _h_ond?

De naam van den hond was _Hoe_. Let hier vooral weer op het stafrijm en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak: "Ik leg het woord al in uw mond", of iets dergelijks, Deze regel is stellig een bijvoegsel van jongeren datum.

Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het Achterhoeksche:

44.

Krom omgebogen, Vlecht door getogen (getrokken), Wan ik jou 't zekg, Zul ei 't niet roan.

(De wan).

Zeer bekend is nog het kattenraadsel:

45.

Daar ging een mannetje over de brug, Met zeven katten op zijn rug, En ieder kat had zeven jongen, Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?

(Twee).

Op de tweeduidigheid van het woord _heeten_ spekuleert het raadsel:

46.

Koolwarmoes, die koud is En drie dagen oud is, Hoe heeten ze dat in Brabant?

(Boven het vuur).

Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond:

47.

A'msterdám, die gróote stád, Met hóeveel létters spélt men dát?

(Met drie: d a t).

Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 48. Waarom dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals).--49. Wat voor haar had Mozes' hond? (Hondenhaar).--50. Hoe is de eerste vloo over den Rijn gekomen? (Bruin).--51. Hoeveel eieren kon de reus Goliath nuchteren op? (Eén).--52. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een pond lood? (Even zwaar).--53. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (De spijkers in de schoenen).--54. Hoeveel krullen zijn er in een rechten varkensstaart? (Geen een).--55. Welke weg wordt niet begaan? (De melkweg).

Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim, zijn raadsels als deze: 56. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent).--57. Wie heeft de eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier).--58. Wie steekt er 's morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel).--59. Hoe hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje).--60. Wie zit tot over de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet betaald is).

Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 61. Wat staat er midden in den hemel? (De letter _m_). Zoo ook:

62.

't Is in de vrouw en niet in den man, 't Is in 't bier en niet in de kan, 't Is in 't koren en niet in de wan, 't Is in Karel en niet in Jan; Zeg mij wie dit raden kan.

(De letter _r_).

4. In de raadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen: "Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten is een sprookje als het volgende, ons door Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 143 meegedeeld:

Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe die ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooi groot slot had, daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver, zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong:

Het maantje dat schijnt er zoo helder, Het paardje dat loopt er zoo snelder, Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?

Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en moeder teruggekomen.

Raad eens, wat is dat?--

Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood.

Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen,--in geen zeven jaar,--al ben je fijn,--al werdt je dol,--tot Baafmis,--tot Sinter Merten,--tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen: Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet geven, gelaakt. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe; wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid.

Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr. Boekenoogen, in de Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden, 1900-1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige beschouwing ontleende; en A. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk (Gent 1885), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels. Verder Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 257; A. De Cock, Volkskunde XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45; Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg.

Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in de _spreekwoorden_ van een volk openbaart zich vooral de volkswijsheid en praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bijzonder geval.

De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels, maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak een emphatisch karakter. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord, en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort, wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal zich vertoont. Voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed van het geheele menschdom. Het zijn "gevleugelde woorden", die, hebben zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen, landen en zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken grondslag. Laat ik hier slechts wijzen op het verdienstelijke boek van Dr. W. Suringar, Erasmus over Nederlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen van zijnen tijd (Utrecht 1873); de verhouding van Nederlandsche spreekwoorden tot Grieksche en Latijnsche springt er duidelijk in het oog.

Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden, steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding, de sociale groepeering der taal- en kultuurgemeenschap. Het krijgt een lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige wijze. Het spreekwoord is een kunstvorm van de taal van den gemeenen man--, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te behandelen.

Natuurlijk kan te dezer plaatse van een verzameling van spreekwoorden in de verste verte geen sprake zijn. Noch Tuinman's, noch Harrebomé's spreekwoordenboek, noch Stoett's magistrale verzameling wensch ik te overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid.

Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als: "beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht" vindt men ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in "kap en kogel (kat en kogel) verliezen", "met bed en bult vertrekken" enz., is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men denke b.v. aan het Latijnsche _cras credo_, of _sanus salvus_, dat in het Fransch _sain et sauf_ werd. Alleen mag men beweren, dat de allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen nog welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor de assonantie en het rijm: zij staan in gunste, en verschalken ons, als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo berust de uitdrukking "zooals het _reilt_ en _zeilt_" (of "treilt en zeilt", Zuidnederl. "reist en zeilt") op een rijmloos: "zooals het _rijdt_ en _zeilt_", d.i. zooals het schip voor anker ligt ("rijdt") en zooals het zeilt; zie Stoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie in onze spreekwoorden, het streven om beide zindeelen aan elkaar gelijk te maken, als: "wat niet weet, wat niet deert",--"komt tijd, komt raad", is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooral Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 159 vlg.

Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormen in onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in groote getale bijeengebracht door A. Joos in zijn keurig boekje: Schatten uit de Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de "Gepaarde woorden of wederwoorden" bevat, ontleen ik het volgende.

Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn).--Biezen en bijzen.--Hij is begraven zonder bimmen of bommen.--Blikken noch blozen.--Boe noch ba zeggen.--Buigen of bersten.--Vóor dag en dauw.--Door dik en dun.--Ditje's en datje's.--Van alles dubbel en dik hebben.--Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk).--Gibberen en gabberen (zonder reden lachen). --Groen en geel.--Daar zal hen noch haan over kraaien.--Hij kwam hink en honkel aan (stijf of krom).--Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaai ontleend).--Kant en klaar.--Hij gaat naar kerk noch kluis.--Kijven en krakeelen.--Kind noch kraai hebben.--Iemand buiten de deur zetten met kisten en kasten.--Klitsen en kletsen (met de zweep).--Klodderen en kladderen.--Spreken over koetjes en kalfjes.--Kort en klein slaan.--Voor kost en kleeren zorgen.--Kris en kras.--Iemand van lap en leer geven (een pak slaag).--Lief en leed.--Listen en lagen.--Lonken en liefoogen.--Lui en lekker.--Vergaan met man en muis.--Perk en paal stellen.--Van Pontius naar Pilatus sturen.--Met potten en pannen.--In rep en roer.--Rijden en rotsen.--Schade en schande.--Schobben en schooien.--Slag om slinger vechten (hevig).--Dat gaat zonder slag of stoot.--Sloffen en sleffen (al slepende gaan).--Stijf en stom staan.--Taal noch teeken geven.--Vast en veilig.--Iemand nijpen tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen).--Visch noch vleesch zijn.--Het is altijd vuur en vlam.--Vrij en vrank.--Wankelen en weifelen.--Hij gaat door weêr en wind.--Hij weet van wijken noch wankelen.--In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het aan).--Wisjes en wasjes.--Zuur en zoet.--Zuchten en zagen (ontevreden zijn).--Zwieren en zwaaien.--Zwoegen en zweeten.

Eindrijmen. Blikken en flikkeren.--Bobbels en knobbels.--Brassen en plassen.--Dringen en wringen.--Drinken en klinken.--Hij kan gaan noch staan.--Garen en sparen.--Gedrang en geprang.--Gelapt en getapt, gelapt en getrapt (gansch versleten).--Met geld en geweld.--In geur en fleur staan.--God noch gebod ontzien.--Goed en bloed geven.--Hij komt aan zijn kost met habben en krabben (moeilijk).--In handel en wandel.--Zich verdedigen met hand en tand.--Daar bleef helder noch pelder of spelder over (niets).--Tegen heug en meug.--Van hoeten noch toeten weten.--Hoog en droog zitten.--Hotst het niet, dan botst het.--Hou en trouw.--Huis noch kluis hebben.-- Jan en alleman.--Kikken noch mikken.--Zich kunnen kleeden en reeden.--Knotteren en stotteren (lastig zijn).--Krinkelen en winkelen (bochten maken).--Land en zand koopen (rijk worden).--'t Is alles krank en mank.--Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen (de gelegenheid laten voorbij gaan).--Iets van naadje tot draadje uitleggen.--Naam en faam verliezen.--Met pak en zak vertrekken.--Met raad en daad iemand bijstaan.--Rapen en schrapen (gierig zijn).--Rooken en smoken.--Wij hoorden ruit noch muit (niets).--Schot noch lot betalen (niets).--Schrijven en wrijven.--Smeren en teren (smullen).--Stank voor dank.--'t Vriest steen en been.--Steen en been klagen.--Loopen langs stegen en wegen.--Met tijd en vlijt.--Vrij en blij.--De zaak zooals zij waait en draait.--Wasschen en plassen.--Wroegen en zwoegen (hard werken).--Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over.--Altijd zot of bot zijn.--Zwieren en tieren.

Halve rijmen. Dag en nacht werken.--'t Zijn al eindjes en tuitjes (stukjes en brokjes).--Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn.--'t Is met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter).--Iets volhouden bij hoog en bij laag.--Jokken en gekken.--Iets opeten met ooren en pooten (vgl. het allitteerende "met huid en haar").--Met stukken en brokken.--Tusschen waken en slapen.