Nederlandsche Volkskunde

Chapter 32

Chapter 323,242 wordsPublic domain

Venloo: _Wannevliegers_. Een snaak had doen uitroepen, dat hij met behulp van twee wannen over den Lichtenberg zou vliegen. Toen de burgerij vergaderd was, vroeg hij, of ze al ooit een mensch hadden zien vliegen. Neen, riep het volk. Welnu, hernam hij, dan zult gij het ook heden niet zien, en maakte zich met het te voren opgehaalde geld uit de voeten. Naar een eigenaardige gebaksoort spreekt men ook van Venloosche _Moppen_. Door de Blerikschen worden de Venlonaars _Reubeslikkers_ (Raapslikkers) genoemd.

Blerik: _Wortelepinnen_, door de Venlonaars aldus genoemd. Vergelijk de spotnamen van St-Anna-Parochie en Onze-Lieuwe-Vrouwen-Parochie.

Venraay, Horst enz.: _Peelhazen_.

Helden: _Kuzen_.

Sittard: _Laammekers_. Lam maken = zwaar op de hand zijn. De Sittardenaars zelf bedoelen: zich op hun manier ten koste van anderen vermaken.

Noord-Brabant. Heusden: _Wieldraaiers_. Het stadje voert een wiel in zijn wapen.

Os: _Dubbeltjessnijders_.

Werkendam: _Brijbroeken_.

Woudrichem: _Mosterdpotten_.

Schijndel: _Hopbellen_.

Uden: _Kaaieschijters_.

Sint-Oedenrode: _Papbuiken_.

Zeeland. Cadzand: _Peren_. Dit _pere_ is het Fransche _père_ en wordt gebezigd tusschen personen van ongeveer gelijken leeftijd in de vertrouwlijke omgangstaal.

Middelburg: _Maanblusschers_. Het schijnen van de maan op den toren werd voor brand gehouden. Men noemt ze ook _Schavotbranders_.

Vlissingen: _Flesschedieven_, van de flesch op het wapenschild.

Goes: _Ganzekoppen_, van de gans in het wapen.

Zierikzee: _Koedieven_, _Steenkoopers_, _Torenkruiers_.

Axel: _Aardappelkapers_.

Zaamslag: _Strooplikkers_.

Sluis: _Windmakers_.

Noord-Holland. Schagen: _Roodjes_. Naar men beweert hebben vele Schagenaars rossig haar.

Alkmaar: _Gortzakken_, ter oorzake van de vele grutterijen. Ook _Ketelkruipers_.

Schermerhorn: _Mollen_, naar den mol in het wapen.

Langendijk: _Koolstruiken_, omdat in de vier dorpen, die den Langendijk vormen, kool de hoofdteelt is.

Egmond aan Zee: _Vischteven_, men denke aan de Tsjoensters van Molkwerum.

Groot Schermer: _Wildjes_, naar hun woest gedrag bij het kermishouden.

Oostzaan: _Kooleters_.--Men noemt ze ook het _Volk van Klaas Kompaan_, een naam, dien zij te danken hebben aan hun ouden dorpsgenoot, den beruchten Oostzaner kaper Claes Gerritsz Compaen; zie Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, bl. 488.

Zaandam: _Galgezagers_. De oorsprong ligt in het omzagen van de galg, waaraan de schuldigen van het Zaandammer turfoproer (Mei 1678) hingen: Boekenoogen, t.a.p. bl. 223.

Amsterdam: _Koeketers_, een zeer oude spotnaam. Maar men zegt het ook van de Zaandammers, en eveneens van de inwoners van de Koog, Krommenie en Uitgeest. Die van Medemblik, Hoorn, De Kreil, De Beemster en Jisp heeten _Moppen_.

Texel: _Kwallen_.

Den Helder: _Traanbokken_.

Enkhuizen: _Vijgen_.

Hoorn: _Krentebollen_.

Lutjebroek: _Uilen_.

Heiloo: _Rapenplukkers_.

Ursem: _Langslapers_.

Monnikendam: _Monnikentroeters_.

Purmerland: _Platpooten_.

Zaandijk: _Krentekakkers_.

Westzaan: _Kroosduikers_.

Wormer: _Boonpeulen_, _Steenegooiers_, _Uilen_.

Wormerveer: _Gladooren_.

Broek-in-Waterland: _Vinken_.

Beverwijk: _Klapbessen_.

Assendelft: _Kiplanders_, _Spanjaarden_.

Haarlem: _Muggen_.

Naarden: _Kalven_.

Zuid-Holland. Leiden: _Peueraars_, _Blauwmutsen_, _Hondendooders_ en _Sleuteldragers_, het laatste weer naar de sleutels in het wapen.

Delft: _Kalfschieters_. In 't jaar 1574 wilden eenige Spanjaarden een aanslag op Delft beproeven. Maar tijdig ontdekt zijnde werd hun, toen ze al lang buiten schot waren, een hagelbui van kogels achterna gezonden. Slechts een kalf werd hierdoor gedood: De Navorscher III, bl. 373.

Gouderak: _Rakkers_, berustend op volksetymologie.

Schiedam: _Toovenaars_. Men zegt: "Twintig van Schiedam, negentien kunnen tooveren."

Hillegom: _Hangkousen_.

Den Haag: _Ooievaars_ (naar het wapen), _Waterkijkers_, _Bluffers_.

Gouda: _Gapers_.

Oudewater: _Klokkedieven_, vgl. Franeker, Delfzijl enz.

Rotterdam: _Kielschieters_, omdat zij een bootje, dat met de kiel naar boven in de Maas dreef, voor een walvisch hielden, waarop zij hun geweren afvuurden.

Dordrecht: _Schapedieven_.

Den Briel: _Zeelepers_ en _Puiers_.

Gorichem: _Blieken_.

De Zuidnederlandsche spotnamen zijn zeer talrijk. Dit strookt wel is waar met den opgewekten, levendigen, schalkschen gemoedsaard van Vlamingen en Brabanders. Maar als de gemoedsaard den doorslag geeft, dan is het vreemd, dat juist de zuidelijke provinciën van Noord-Nederland zoo betrekkelijk arm aan spotnamen zijn, terwijl zij hoogtij vieren in de Friesche gedeelten en in Noord-Holland met zijn rijken Frieschen inslag. Het wil mij voorkomen, dat woelzucht en onbuigzaamheid, uitbottend in twist en tweedracht, in dezen tot een overeenkomstig partikularisme hebben gevoerd.

West-Vlaanderen. Brugge: _Zotten_.

Kortrijk: _Pastei-eters._

Diksmuiden: _Boterkoppen_.

Meenen: _Taartenbakkers_ en _Wagenwielvangers_.

Poperingen: _Keikoppen_ en _Gekken_.

Heist-op-Zee: _Keuns_ (Konijnen).

Blankenberge: _Geernaarts_, d.i. Garnalen, vergelijk den spotnaam der Dokkumers.

Nieuwkerke: _Schapen_.

Yperen: _Kinders_. Deze naam heeft een loffelijke beteekenis. Hij is, volgens de overlevering, ontleend aan een gezegde van Margaretha, wier zoon Willem van Dampierre door geldelijke bijdragen van de bewoners van Yperen uit de gevangenschap der Turken was bevrijd. "Het zijn onze kinders van Yperen", zou Margaretha gezegd hebben, "die ons dit bewijs van liefde hebben gegeven." Zie Belgisch Museum I, bl. 270.

Oost-Vlaanderen. Gent: _Heeren_ en _Stroppedragers_; zie Volkskunde XXIII, bl. 242.

Dendermonde: _Knaptanden_.

Baasroode: _Kalefaters_.

Opdorp: _Platte Keesboeren_.

Ninove: _Wortels_.

Ronse: _Zotten_, _Vliegenvangers_ en _Slekkentrekkers_.

Oudenaarde: _Boonenknoopers_. Men noemt ze ook _Kiekefreters_.

Dat komt zóó: De Gentenaars lieten voortijds de kiekens en ander pluimgedierte op de markt te Oudenaarde opkoopen. Toen ze nu eens, om Philips den Goeden rijkelijk te kunnen onthalen, volgens de Oudenaarders hierin wat te radikaal te werk gingen, trachtten deze hen dit te beletten en voegden hun toe: "Wij kunnen zelf onze kiekens wel opvreten"; zie Belgisch Museum V, bl. 440.

Geeraartsbergen: _Bergkruipers_.

Onkerzele: _Tooverheksen_, vgl. de _Toovenaars_ van Schiedam.

Mendonk: _Palingstroopers_.

Wachttebeke: _Zotten_.

Moerbeke: _Smeerkoeketers._

Exaarde: _Blauwbuiken_.

Aalst: _Witvoeten_, _Draaiers_ en _Ajuinen_.

Akkergem: _Koolkappers_.

Limburg. Neerpelt: _Torenblusschers_.

Peer: _Muggeblusschers_, vgl. de Muggespuiters van Meppel.

Hasselt: _Beekrotten_ (maar slechts de Hasselaars, die op de Beek wonen, vgl. bl. 15).

Antwerpen. Antwerpen: _Sinjoren_. In dezen naam schuilt een herinnering aan den Spaanschen tijd, toen de aanzienlijke Antwerpenaren den Spaanschen titel van _Señor_ droegen.

Mechelen: _Maneblusschers_, zie Volkskunde XXI, bl. 236.

Turnhout: _Muggeblusschers_, vgl. Peer en Meppel.

Lier: _Schapekoppen_.

Rethy: _Kortooren_.

Ramsel: _Poteerddabbers_.

Huigene: _Eters_.

Meerhout: _Katten_ en _Knikkers_.

Arendonk: _Gorteters_, _Tjokkers_ en _Pinnekenmakers_.

Poppel: _Janhagelmannen_.

Liezele: _Pieren_.

Breendonk: _Meutes_ (nuchtere kalven).

Hoboken: _Mestblusschers_.

Wilrijk: _Geitekoppen_.

Bornhem: _Boschkrabbers_.

Gierle: _Schijters_.

Hove: _Keeskoppen_.

Loenhout: _Pezerikken_ en _Moeszakken_.

Oost-Halle: _Joden_.

West-Halle: _Smousen_.

Willebroek: _Vaartkapoenen_.

Hoogstraten: _Speelzakken_.

Brecht: _Struiven_, _Halfhouten_ en _Mastendoppen_.

St. Amands: _Gipsheeren_.

Zoersel: _Drijvers_ en _Kluppelaars_.

Ook hier weer, zooals men ziet, naast louter smaadnamen, verscheidene benamingen aan nering en bedrijf of aan plaatselijke eigenaardigheden ontleend.

Volge nu een keuze uit het overgroote aantal der Brabantsche spotnamen; voor de volledige opsomming en meer ampele verklaringen betreffende sagen raadplege men A. De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 197-241 en J.Th. de Raadt, Les Sobriquets des communes belges (Bruxelles, 1904), _passim_.

Beersel: _Keesboeren_ en _Boterdieven_.

Bertem: _Tuischers_ (paardenkooplui).

Boschvoorde: _Bessembinders_.

Brussel: _Kiekefretters_. Deze schimpnaam zou opklimmen tot de XIVe eeuw, nl. tot den veldslag van Baesweiler, waar een sterk Brabantsch leger door de hertogen van Gulik en Gelder en den graaf van Berg totaal verslagen werd. Deze nederlaag wordt door den kroniekschrijver Jean Froissart aan de gulzigheid der Brusselaars toegeschreven; er dient echter gezegd, dat hij slechts van zalm-, forel- en palingpastei spreekt, en niet uitdrukkelijk van kiekens gewaagt.

Zij heeten verder: _Apendrillers_. Eens betrokken twee bejaarde burgers te middernacht op den toren van Wollendries (bij de Wolstraat) de wacht. Plotseling zagen zij een vreemdsoortig wezen het wachthuis binnendringen, en vol angst sloegen zij op de vlucht--voor een aap, zooals naderhand bleek.

Diest: _Mostaardschijters;_ zie Ons Volksleven IX, bl. 102.

Dormaal: _Weerwolven_ en _Vuurmannen_.

Elsene: _Hondenknagers_; deze spotnaam dagteekent wellicht uit tijden van hongersnood.

Esschene: _Patattenboeren_.

Gooik: _Telloorlekkers_.

Hal: _Vaantjesboeren_, van wege de processievaantjes.

Leuven: _Peetermannen_. Sint Pieter is de patroonheilige van de stad. Men noemt ze ook de _Koeischieters_, omdat naar verluidt, de Leuvenaars een kudde hoornvee voor vijanden aanzagen. Zie Volkskunde V, bl. 169; Ons Volksleven VIII, bl. 38.

Linkebeek: _Moeliedauwers_. Zij duwden eens iemand uit scherts in een moelie (baktrog); maar de grap liep verkeerd af.

Messelbroek: _Kalotten_.

Molenbeek: _Vaartkapoenen_; vgl. Willebroek.

Schaarbeek: _Ezels_. Oud-Schaarbeek telde vele hoveniers en molenaars, die Brussel voorzagen van groenten en meel; het gewone vervoermiddel was een ezelkarretje.

Scherpenheuvel: _Keerskatten_, naar de processiekaarsjes, die zij aan de pelgrims verkoopen.

Sichem: _Heeren_. Ten tijde van Maria-Theresia zond het gemeentebestuur van Sichem, naar verluidt, een verzoekschrift naar de Generale Staten van Brabant, dat aldus aanhief: "Wij, Heeren van Sichem, vragen aan U lieden de toelating om eene merkt te mogen oprichten." Waarop geantwoord werd:

"Als gij sijt Heeren en wij lieden, Dan sal de merkt van Sichem nooit geschieden."

Den spotnaam van _Heeren_ draagt een groot aantal Brabantsche dorpen.

St. Gillis: _Koolkappers_.

Tienen: _Kwêkers_. Tijdens een oorlog wilden de Tienenaars de Leuvenaars in een hinderlaag lokken, maar het gesnater der eenden waarschuwde den vijand; zie echter Ons Volksleven VIII, bl. 37.

Men noemt ze ook _Maneblusschers_ en _Boterpotten_, omdat ze in 1830 hun veste met boterpotten verdedigden.

Ukkel: _Kersenkrakers_.

Vilvoorde: _Peerdefretters_.

Vorst-bij-Brussel: _Hondenfretters._

Wambeek: _Klaverboeren_.

Zout-Leeuw: _Waterheeren_.

DE VOLKSKUNST.

Staat de mensch tegenover God en de maatschappij als redelijk en maatschappelijk wezen, als zinnelijk wezen staat hij tegenover de natuur, en als zoodanig zijn zijne betrekkingen deels van praktischen, deels van theoretischen aard. Praktisch is hij werkzaam op ekonomisch gebied;--bij het volk, wij zagen het reeds, gaat de ekonomie geheel op in woningbouw en grondbeheer; theoretisch werkzaam toont hij zich in kunst en wetenschap. Immers de geest van den mensch is een spiegel van het heelal: een mikrokosmos. Maar die wereldopvatting is geen doode, volstrekt-passieve afspiegeling, maar veeleer tevens een opgewekte werkzaamheid. Want bij het aanschouwen voegt zich het wèl-bewuste omvatten en doordringen van het objekt, de reproduktie van het aanschouwde in beelden en vormen, kleuren en tonen, groepen en typen.

Kunst is: _zelf-openbaring van den geest door belichaming van het ideale in de stof_. Zij beduidt een streven, met de beste zielekrachten in te grijpen in de buitenwereld, en kan zelfs beschouwd worden als een worstelen om bezit en behoud van de ideale goederen des levens. De volkskunst streeft niet steeds naar de hoogste idealen; maar zij volgt toch ook den zieledrang, te scheppen en te belichamen, en met streelende zelfvoldoening vermeit zij zich in hetgeen verstand en wil en fantasie konden wrochten. En waar het scheppend vermogen te kort schiet, daar neemt het volk volle welbehagen in de bevrediging van zijn navolgingsdrift. De enkeling kan als volwassene met zijn nuchter verstand de momenten van lust en welbehagen meestal zelfs niet meer bevatten, die de speeldrift hem als kind zoo ruimschoots toedeelde. Maar het volk leeft en blijft leven, evenals het kind, in een tooverland van fantasie; zijn navolgingsdrift is speeldrift, en die speeldrift verwekt den lust te zingen, te rijmen, te bouwen, te schilderen, te sieren. In dezen zin mag men zeggen, dat ook bij de hoogere, de kultuurkunst, de speeldrift ten grondslag ligt.

Want volkskunst en kultuurkunst, of, zoo men wil, beschavingskunst [17], zijn geen wezenlijk-verschillende begrippen; zij berusten beide op dezelfde aesthetische grondvesten, gelegd in den bodem der éenvormige menschelijke natuur. Principieele verschillen bestaan tusschen volkskunst en kultuurkunst evenmin als tusschen de kunstuitingen der kultuurvolken en die der natuurvolken, hoe ruw en tastend deze laatste dan ook zijn mogen.

Wat de volkskunst soms mangelt aan scheppend kunnen of aan bewuste stelselmatigheid, dat wint zij niet zelden in oorspronkelijkheid, in spontaneïteit van uitingsvermogen, in frischheid van opspattende levenskracht. Teert de kultuurkunst op konventioneelen vormenschat en slijt zij droeve dagen in kwijnende bloedarmoede, dan kan de volkskunst haar versche levenskracht in de aderen gieten. Al mist zij den glans der polijsting, al vormen tal van onedele bestanddeelen vaak het ruwe omhulsel,--kernglans en kernreinheid zijn er niet minder om, ja zijn er vaak te veiliger om beschut.

Bovenkultuur zonder kunst is ondenkbaar; maar onderkultuur evenmin. De volkenkunde kent dan ook geen kultuur_looze_, wel kultuur_arme_ volken; en men mag zeggen, dat mèt het kunstgehalte de kracht en teerheid van het volkswezen groeit. "Een volk zonder kunst is geestelijk dood", schrijft Poelhekke. Het sterft den hongerdood. Want het haken van het volk naar kunst onder allerlei vormen, zelfs dan, wanneer overbeschaving in die vormen het snelstwerkend venijn verborgen heeft, kan mede gelden als bewijs voor de eeuwige waarheid: _dat de mensch van brood alleen niet leven kan_.

Gevoel voor het schoone en behoefte aan uiting en bevrediging van dit schoonheidsgevoel behoort tot het mensch-zijn, is het normale bij het individu en moet tevens als een normaal maatschappelijk verschijnsel worden beschouwd. Want bij de volkskunst treedt het sociaal-psychische element sterk op den voorgrond; ook de volkskunst behoort tot de "sociale feiten", wier substraat de gemeenschap is, en die met hun imperatief karakter een sterken, dwingenden invloed op het individuëele leven uitoefenen.

Kunst, zelf-bewust vormen en scheppen, is een terugwerken, een op beurt ingrijpen van den vrijen menschelijken wil in de buitenwereld, die wil en gedachte door haar inwerking heeft bepaald. Kunst is zelfopenbaring, en volkskunst is de zelfopenbaring der volksziel, maar tevens een worstelstrijd om levenslicht en levenslucht, om niet onder te gaan in het individuëele en banale, om niet te worden overweldigd door de doode en doodende stof. Waar het volk zijn eigenwaarde nog beseft, daar kan het op den duur geen weerstand bieden aan die drift, dien scheppingslust van eigen beeld en gelijkenis, die wortelt in zijn verstandelijk kenvermogen en het koningszegel drukt op zijn pogen en wrochten; ja, die een trek is zijner Godverwantschap. Het gevoel dezer Godverwantschap is zelfs de bron van het menschelijk artistieke welbehagen.

Natuurlijk staan niet alle kunsten en takken van kunstnijverheid op dezelfde trap, en evenmin staan den kunstdrang geschikte middelen ter realiseering in gelijke mate ter beschikking. De volkskunst kan soms gering en onbeduidend schijnen; andermaal beweegt zij zich in de lijnen van een stuitend realisme, al is dit niet het produkt eener ziekelijke hyperkultuur. Maar weer andermaal--welk een schat van naïeve frischheid en oorspronkelijkheid!

Van de zoogenaamd permanente kunsten bespreek ik slechts de bouwkunst en de dekoratieve kunst; van de momentane, wier scheppingen strikt genomen verdwijnen met de spanne tijds, waarin zij voltooid worden, behandel ik eerst de lagere vormen van raadsels, spreekwoorden en zegswijzen, om daarna langs de sprookjes- en sagenladder op te klimmen tot het volkslied.

I. Raadsels en Spreekwoorden.

De _raadsels_ behooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken--ik denk o.m. aan de bewoners der Battalanden--zoo goed als uitsluitend uit raadsels en volksverhalen bestaat.

Meestal zijn de raadsels gestoken in rythmischen vorm, en naast het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Het waardevolle ligt stellig in de eigenaardige karakteristiek der dingen, al is die uiteraard vaak duister en al mag men hierbij niet uit het oog verliezen, dat het volk de dingen en begrippen niet zelden zoo geheel anders karakteriseert dan wij. Zoo worden in een oud raadsel van de zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis meegeteld. Het intieme wezen van het raadsel is de drang, het onpersoonlijke te verpersoonlijken, het gewone op te smukken, het zinnelijke te vergeestelijken, en aan die beeldspraak de scherpzinnigheid van een ander te toetsen.

Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw, die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit:

Daar vloog een vogel Vederloos Op een boom Bladerloos, Toen kwam een juffrouw Mondeloos, Die at den vogel Vederloos Van den boom Bladerloos.

Ik schrijf "Vederloos" enz. met hoofdletter, want het is hier werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kers _Roodrok_, het varken _Knorrepot_, de appel _Gladkop_, de ooievaar _Hap-op_, de donder _Holderdebolder_, de wieg _Wikkeldewakkel_, de kikvorsch _Hipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik_, de zwaan _Mijnheer De Wit_, het water _Juffer De Lang_. Dit zijn klanknabootsende en begrips- en gevoelverklankende benamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten benamingen bekend en vertrouwd te raken.

Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën, de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens, wat de onderlinge verwantschap betreft, met de raadsels als met de sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm:

Daar was een man, en 't was geen man, Hij liep op een pad, en 't was geen pad, Hij droeg water zonder vat; Rà, rà, wat is dat?

(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand).

Een Latijnsch raadsel luidt bij ons:

Die het maakt behoeft het niet, Die het vraagt behoudt het niet, Die het koopt begeert het niet, Die het heeft die weet het niet.

(Een doodkist).

In vele gevallen is vervorming van litteraire raadsels (kultuurraadsels) tot volksraadsels na te wijzen of althans zeer aannemelijk. De gewone gang van zaken is echter omgekeerd.

1. De beschrijvende raadsels zijn verreweg de schoonste. Het regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen, en allerlei levende en levenlooze dingen. "Hier ziet gij beurtelings de wijde natuur met heure verschijnselen", schrijft Amaat Joos, "de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over land en zand spreiden komt; den donder, het roode veulen dat ginder verre staat te briesschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas valt en 't niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt;--den mensch met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden, witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald, stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge boom die altijd bloem draagt;--de dieren die loopen en vliegen: den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin, aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken 't onderste boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers, vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van Noorwegen tot de Alpen];--de boomen en planten met hunne vruchten: de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt; den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd; het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen; de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan."

Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het, kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naar de geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt het een plaatslijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek, waar het vertoeft.

1.

Holderdebolder Liep over den zolder; En zeven mansheeren Die konden Holderdebolder niet keeren.

(De donder).

2.

Verre boven de drieschen Hoorde ik een peerdeken brieschen; Daar is noch wijf noch man, Die dat peerdeken breidelen kan.

(De donder.--België).

3.

Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen, Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen, Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.

(Hemel, maan, sterren).

Belgische vorm:

Laken, dat ge niet vouwen kunt, Een appel, dien ge niet schellen kunt, En geld, dat ge niet tellen kunt.

4.

Tusschen hier en Romen Staan zeven hooge boomen; 't Zijn geen iepen, 't zijn geen esschen, Je zult het niet raden, al was je met z'n zessen.

(Het zevengesternte).

5.

Achter in mijn vaders tuin, Daar staat een boom met kralen, En die die kralen tellen kan, Die is de baas van allen.

(De sterren).

6.

Lapken, lapken, Duizend lapken, 't Is genaaid zonder naald of twijn, 'k Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.

(Een wolk.--Dendermonde).

7.

Tusschen hemel en aard Staat een lange groene gaard. 't Zijn geene eiken, 't zijn geene esschen, Je zult het niet raden, al waart je met zessen.

(De regenboog.--Limburg).

8.

Ons Lieve Vrouwken van Laken Spreidt een wit laken Op land en zand, Maar niet op den waterkant.

(De sneeuw.--Antwerpen).

9.

Daar staat een juffrouw in de deur, Met een witte schorldoek veur. Hoe meer dat ze staat, Hoe meer dat ze vergaat.

(De sneeuw).

10.