Nederlandsche Volkskunde

Chapter 31

Chapter 313,182 wordsPublic domain

Wij weten, dat de _marke_ een grensland was, een binnen bepaalde grenzen omsloten gebied. Ieder markgenoot had recht op een of meer aandeelen in de onverdeelde gronden; hij mocht dus ook in later tijd bepaalde gedeelten ontginnen, die dan wéer later in privaatbezit overgingen. _Rode_ en _rade_ drukken dus den aard der werkzaamheid uit èn het verkregen resultaat. Een vaste grenslijn tusschen de plaatsnamen met beiderlei vormen samengesteld is moeilijk te trekken, te meer, daar de vroegere spelling van een plaatsnaam zoo vaak afwijkende vormen vertoont. Over het algemeen mag men echter zeggen, dat namen met _-rade_ bezuiden de _Uerdinger linie_, dus in Ripuarisch Limburg, het meest voorkomen: _Asenraai_, _Bingelrade_, _Doenrade_, _Vaasrade_, terwijl het domein van het Salische Frankisch voor het meerendeel den vorm _-rode_ vertoont: _Brederode_, _Berkenrode_, _Sint Oedenrode_. In België vindt men, met uitzondering van _Rade_ bij Lembeek en _Rath_ bij Antwerpen, uitsluitend _rode_: _Sint Pietersrode_, _Nieuwrode_, _Waanrode_ enz., een feit van niet te onderschatten beteekenis, vooral wanneer men bedenkt, dat de namen op _-rade_ eigenlijk slechts in de Nederlandsche provincies Limburg, Overijssel en Gelderland voorkomen. Westelijk van de Maas, en in de provincies Noord-Brabant, Holland, Zeeland en Utrecht vindt men _-rade_ zoo goed als niet (merkwaardig is echter de groep _Venray_, _Tienray_, _Castenray_). Ook in het zuiden en in het midden van Hessen hebben de namen op _-rode_ en _-roth_ verre de bovenhand, en eveneens in de streken, die zuidelijk van de Moezel gelegen zijn. Maar in oostelijke en noordoostelijke richting heerscht pariteit tusschen _-rode_ en _-rade_, tot in Sleeswijk toe. Dit alles wijst in ieder geval op een grooter eenheid voor de bevolking der westelijke en zuidwestelijke _rode_-groep.

Hiermee is weer een belangrijk gegeven gewonnen voor de stambepaling van ons land. Ook de studie eener enkele provincie kan ons hiervan overtuigen. Beschouwt men de plaatsnamen van Gelderland, dan zal men zien, dat een deel, grootendeels ten oosten van den IJssel, en als welks zuidgrens ten naasten bij de Oude IJssel kan dienen, in taalkundig opzicht dichter bij de plaatsnamen van Overijssel staat, terwijl de plaatsen tusschen Waal en Maas meer tot het Brabantsch naderen, die in de Lijmers zich eng aansluiten aan de taal van het land van Kleef en Emmerik, en het Noorden van de Veluwe tot aan het Gooi weer meer het idioom van de Graafschap en Overijssel nadert. Naar wij zien, komt hier het Saksisch, Frankisch en gemengd Saksisch-Frankisch karakter der bevolking vrij goed tot zijn recht.

Ook op Franschen bodem treft men Nederduitsche plaatsnamen aan; zie hierover Joh. Winkler, Plaatsnamen in Frankrijk (Gent 1894). Hoofdbron voor de studie der plaatsnamen zijn de ten deele aangehaalde studiën in de Nomina Geographica Neerlandica, uitgegeven vanwege het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Zie ook Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 139 vlg.; C. V. D. Bergh, Handboek der Middelnederlandsche Geographie2, _passim_; R. Andree, Braunschweiger Volkskunde, bl. 59, vlg.; Tijdschrift IV, bl. 212; Friesche Volksalman. 1897, bl. 48.

4. Nadere opmerkzaamheid verdienen nog de straatnamen, die een eigenaardige, vrij zelfstandige groep vormen te midden der Nederlandsche plaatsnamen. Hier geldt dezelfde opmerking, dat nl. de onbewuste benamingen--wat betreft het doel der naamgeving--ook de meest karakteristieke zijn, althans eenigermate innerlijk met de bedoelde straat samenhangen. Kunstmatig is de naamgeving naar bekende persoonlijkheden, hoeveel goeds en nuttigs daarin ook mag gelegen zijn, en hoe onbeduidend de organische straatnamen ook mogen lijken of zijn. Tot de meest eenvoudige behooren _Langstraat_, _Hoogstraat_, _Houtstraat_, _Beekstraat_, _Nieuwstraat_, _Breestraat_, _Varkensmarkt_; verder namen, die de richting aangeven en natuurlijk meer belang hadden in een tijd, die geen stoomwezen of elektriciteit kende: _Utrechtschestraat_, _Naamschestraat_, _Mechelschestraat_, _Haarlemmerstraat_. Herhaaldelijk treffen wij hier dezelfde formatieve bestanddeelen aan als in de namen van steden en dorpen; zoo b.v. _Bemuurde Weerd_ (Utrecht), de dijk langs de Vecht, even beneden de stad. Historische namen zijn niet b.v. _Waterlooplein_ of _Plein_ 1813, maar wèl de Venloosche _Keisersgats_ (steeg, vlg. _Gasse_), waardoor keizer Napoleon volgens de overlevering zijn weg nam. Hiertoe behooren ook--of zullen behooren--de straatnamen, die wijzen op kerken, gestichten, kloosters, in die straat gelegen: _Mariastraat_, _Jansstraat_, _Minrebroederstraat_, _Agnietenstraat_,--ik behoef hier slechts een greep te doen in de straatnamen van Utrecht, zoo rijk aan historie! De Utrechtsche _Keistraat_ schijnt haar naam te danken aan het huis _De Krakeling_, door Jonker Meyster gebouwd _Achter Sint Pieter_, en waar een stuk kei boven de achterdeur was aangebracht; zie Scheltema, Mengelwerk V, 2 bl. 214. De Groninger _Kijk-in-'t Jatstraat_ schijnt aldus genoemd naar het hoekhuis, prijkend met een zonderlingen kop, waaronder de woorden: "ick kick nog int", dat moet worden aangevuld door: "in 't jat", d.i. ik kan nog in de straat zien; zie Groninger Volksalman. 1838, bl. 134. Natuurlijk vinden wij in de straatnamen ook tal van verouderde vormen, b.v. _rak_ in _Damrak_, met de beteekenis "strook land langs het water", en in het Venloosche _Schriksel_, immers het werkwoord _schrikken_, Middelnederl. _scricken_, beteekende oorspronkelijk "met groote passen loopen", ook "springen", men denke aan _schrikkeljaar_. Het Hasseltsche _schrikschoen_ beteekent "schaats."

5. In de plaatsnamen vertoont zich op zeer sprekende wijze het psychologisch moment van den klemtoon, zoowel in plaatsnamen in den engeren zin des woords (stads- en dorpsnamen), als in namen van straten, grachten enz. Deze klemtoon wordt door Jespersen zoo juist de _Einheitsdruck_ genoemd, omdat hij wil vereenigen wat bijeenbehoort, en scheiden, wat dient uit elkaar gehouden te worden. Dit accent is nu eens _initiaal_, dan weer _finaal_. Rust de klemtoon op het eerste lid, dan verleent hij dit een zekere waarde; wij kunnen dan spreken van waardeaccent. Daarentegen ligt de eigenlijke karakteristieke eenheidsklemtoon steeds op het laatste lid. Hierdoor wordt sterker de eenheid van het geheel op den voorgrond geschoven, doordat men nl. over het eerste lid als 't ware heenglijdt, en den hoorder voorbereidt op hetgeen komen moet; en dit is weer overeenkomstig den algemeenen regel, dat de spreker het tempo verhaast, als hij er zich van bewust is, dat hij nog een lange reeks van klanken moet afwerken. Hij spreekt dan "in éen adem." Aldus spaart de spreker in deze benamingseenheid zijn krachten op voor het laatste lid als einddoel, en hij slaat de finale zoo krachtig mogelijk aan. Ook de hoorder vat eerst bij deze finale de voorafgaande syllaben samen. Wij spreken hier van het eigenlijke eenheidsaccent. Vgl. Jespersen-Davidsen, Lehrbuch der Phonetik (Leipzig 1904), bl. 175, 212.

Bij woorden als _bloémkrans_, _áchterdeur_, _uítpakken_, in tegenstelling met _burgemeéster_, _volvoéren_, _misbruíken_, _verpákken_ is dit alles helder en klaar. Maar bij aardrijkskundige namen, vooral bij plaats- en straatnamen wordt de zaak meer ingewikkeld, en alleszins gerechtigd was een vraag, door Prof. Niermeijer over "De klemtoon in Amsterdamsche straatnamen" in Vragen en Mededeelingen I, Ser. I, 8, 25 Febr. 1910, bl. 92 gesteld.

Het wil mij voorkomen, dat wij, uitgaande van de natuur en de algemeene vereischten voor waarde- en eenheidsaccent, voor aardrijkskundige woorden den regel aldus kunnen formuleeren: 1. Zij dragen het initiale accent, wanneer het eerste lid als het voornaamste beschouwd wordt; zij dragen het finale accent, wanneer het tweede lid òf het geheele woord belangrijker beschouwd worden dan het eerste lid. 2. Het eerste lid kan als het belangrijkste beschouwd worden òf om zich zelf, òf ter wille van de tegenstelling. 3. Het tweede lid wordt als het belangrijkste beschouwd, wanneer men oordeelt, dat het de plaats op voldoende wijze bepaalt.

Laat ik nu allereerst als voorbeeld kiezen de straatnamen der stad Venloo, wat men mij als geboren Venlonaar niet ten kwade zal duiden. Men zegt: _Kérkstraat_, _Maásstraat_, _Vleéschstraat_ enz.; maar _Maaspoórt_, _Keulschepoórt_, _Gelderschepoórt_, _Roermondschepoórt_, en eveneens _Oude-márkt_, _Ariënsplaáts_, _Hakkesplaáts_. Waarom? Omdat men desnoods kan zeggen: "die of die persoon woont aan de poort, op de markt, op de plaats", welke aanduiding dan nader kan worden bepaald; maar het is vlakweg onmogelijk te zeggen: "hij woont in de straat". Zoo kan men ook best zeggen: "hij woont op het _Schriksel_", en daarom draagt bij samenstelling deze straatnaam zelfs terwille van de tegenstelling niet het initiale accent: _Maasschríksel_, _Helschríksel_. Slechts als antwoord op de vraag: "Op wèlk _Schriksel_?" zal het antwoord luiden: "Op het _Maásschriksel_" of "op het _Hélschriksel_". Maar waarom dan _Moésmarkt_ (groentemarkt)? Omdat de koop- en verkoopwaar hier het eerste lid tot het voornaamste maakt.

Maken wij nu de toepassing voor de Amsterdamsche straatnamen. Altijd: _Heerengrácht_, _Prinsengrácht_, _Martelaarsgrácht_;--_Torensluís_, _Weteringscháns_, _Nieuwendíjk_, _Zeedíjk_, _Muiderpoórt_, _Weesperpoórt_, _Waterloopleín_, _Marinierspleín_, _Nieuwmárt_. Het meest kenschetsende, en op-zich desnoods voldoende lid draagt het accent. Maar: _Heérenstraat_, _Prínsenstraat_, _Kálverstraat_, waar _straat_ ten slotte een soort van toonloos achtervoegsel geworden is; en eveneens: _Bótermarkt_, _Áppelenmarkt_. Schijnbare uitzonderingen zijn _Utrechtschestraát_, _Leidschestraát_ (evenals te Leiden _Haarlemmerstraát_), omdat _straat_ daar oorspronkelijk de beteekenis had van "straatweg". Ook het initiale accent op _Káttenburg_ en _Wíttenburg_ is goed verklaarbaar, omdat _-burg_ alle determineerende beteekenis verloren heeft. Wat eindelijk het accent op de samenstellingen met _steeg_ betreft, dat hangt af van een plaatselijk waardeeringsoordeel. In de meeste steden schijnt men het met _gracht_, _plein_ op éene lijn te stellen, en zoo spreekt de Amsterdammer dan ook van _Halvemaansteég_, _Torensteég_, _Balkinhetoogsteég_, _Heintjeshoeksteég_; te Rotterdam daarentegen schijnt men te accentueeren: _Mólsteeg_, _Hoófdsteeg_.

Ten slotte de plaatsnamen. Men kan zeggen: "Hij woont op den Dam, in de Meer", vandaar: _Amsterdám_, _Watergraafsmeér_, _Enkhuízen_, _Blokzíjl_; maar: _Voórburg_, _Veénendaal_, en eveneens _Vénloo_, _Óploo_, _Héngeloo_, _Zwíjndrecht_, _Dórdrecht_, _Sássenheim_, _Núnhem_, _Aúdergem_ (Brabant), _Sint Oédenrode_.

Nu konstateeren wij, dat het finale accent, het ware eenheidsaccent, veld wint ten koste van het initale waardeaccent; en wel, omdat de naam langzamerhand meer in waarde en beteekenis verliest, afslijt en zuiver formule wordt. De plaatsnamen volgen in deze de algemeene sociale richting der taal, en zij zullen te spoediger deze richting volgen, naarmate de plaatselijke taal een levendiger sociaal karakter draagt. Zoo zien wij het initiale accent vaak in finaalaccent veranderen. Maar zoo gebeurt het ook, dat sommige plaatsnamen verschillend worden uitgesproken. De bewoners zelf noemen hun woonplaats b.v. _Genemuíden_, omdat de naam voor hen tot simpele aanduidingsformule is afgesleten; terwijl personen daarbuiten ofwel het oorspronkelijke initiale accent nòg houden, of ook blijven houden, om de plaats van andere op _-muiden_ te onderscheiden, en dus zeggen: _Génemuiden_.

_6_. De spotnamen van steden en dorpen berusten grootendeels op een bekrompen gevoel van plaatselijke genoegzaamheid en laatdunkendheid, dat ruime wederzijdsche waardeering, ja zelfs erkenning van volks- en stamgenootschap belet. Natuurlijk draagt een te nauw besloten-zijn binnen de wallen en een te eng vasthouden aan de plek, waar men geboren en getogen is, hiervan de meeste schuld. Zóo blijven de oude volkseigenheden stellig het best bewaard; maar de keerzijde der medaille is niet zelden kleingeestig chauvinisme en min vriendelijke verhouding vooral tot naburige steden en dorpen, somtijds zelfs onderlinge afgekeerdheid, die voorheen tot bloedige vechtpartijen aanleiding gaf.

Nu moet men deze afgekeerdheid ook weer niet te hoog aanslaan. Het mag dwaas lijken, dat men de Leeuwarders en Dokkumers elkaar als _Leeuwarder Galgelappers_ en als _Dokkumer Garnaten_ hoort uitschelden, en evenzeer, dat Amsterdammers en Haarlemmers elkaar spottend de namen van _Koeketers_ en _Muggen_ toevoegden,--men moet ook open oog hebben voor de komische zijde van het geval en in aanmerking nemen, dat de spotnaam veelal boozer lijkt dan de bedoeling en niet zelden slechts een onschuldige, typische en typeerende uiting van schalkschen spotlust is. Somtijds is de spotnamen zelfs een eerenaam.

De plaatselijke spotnamen zijn oud en levenskrachtig; ook teelt de volksgeest telkens weer nieuwe, al is het in mindere mate. Kieskeurig is het volk hierin allerminst. De namen berusten op een geschiedkundig feit, op het wapen van de stad, op een bijzonder voorval, waarvan dan de belachelijke zijde het sterkst belicht wordt; andere zijn ontleend aan een bijzonderen tak van handel, van nering of bedrijf, of danken hun ontstaan aan de een of andere plaatselijke lekkernij. Van de tallooze spotnamen laat ik hier de meest bekende volgen. Plaatsruimte belet mij, telkens de verklaring er bij te voegen; laat ik hiervoor verwijzen naar het desbetreffende hoofdstuk in Winkler's Studiën in Nederlandsche Namenkunde, bl. 3 vlg. en naar De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 197 vlg. Het talrijkst zijn de spotnamen in de Friesche en Vlaamsche gewesten.

Friesland. Leeuwarden: _Speknekken_ en _Galgelappers_. "De Leewarders, omdat se soo skriel waren, dat se gien nije galge betale waden, die hewwe daar fan de bijnaam kregen van _Leeuwarder Galgelappers_ tot 'e dag fan fandaag toe."

Harlingen: _Tobbedounsers_, d.i. Tobbedansers, daar de Harlinger stoffenverwer als 't ware te dansen stond in de tobbe.

Sneek: _Dúmkefretters._ Dúmkes zijn een bijzonder soort klein gebak in vorm en groote als een mansduim.

Bolsward: _Oaljekoeken_ (oliekoeken, worden bedoeld lijnkoeken).

Hallum: _Koekefretters_.

Dokkum: _Garnaten_ (Garnalen). Hoe ze aan dien naam kwamen, wordt uitvoerig verteld in de Rimen ind Teltsjes fen de Broarren Haltertsma.

Franeker: _Klokkedieven_, omdat het wapenschild hunner stad een gouden klok vertoont op een blauw veld. Ook de ingezetenen van Oudewater, Delfzijl, Schermerhorn en Carolinensijl (Oost-Friesland) dragen dezen naam.

Ameland: _Balkedieven_, immers hun wapenschild vertoont op de eene helft drie balken; verder _Schalken_ en _Guiten_.

Workum: _Brijbekken_, hetzij van _brij_, hetzij van het eigenaardig rollen der _r_, dat de Hollander _brouwen_ heet. Men zegt dit ook van de Zwollenaars.

Hindeloopen: _Tjeunken_, oorsprong onbekend; ook wel _Uilen_.

Staveren: _Ribbekliuwers,_ van het eigenaardige, snel-vorderende schaatsenrijden (_ribben_ wijst op een overoud gebruik van te rijden op koeribben), dat men "klauwen" noemt.

Berlikum: _Hounefretters_ (Hondevreters), wellicht naar aanleiding van een gevelsteen, voorstellende een hond in een pan.

Peasum: _Hountsjes_ (Hondjes).

Wierum: _Katsjes_ (Katjes).

Winaldum en Baard: _Katten_.

Midlum: _Rotten_.

Warga: _Brêgebidlers_ (Bruggebedelaars), vanwege den bruggetol.

Ureterp: _Oanbreide Hoasen_ (Aangebreide Kousen).

Eernewoude: _Luzeknippers_.

Warns: _Skiepeloarten_ (Schapekeutels).

Winsum: _Spinsekken_ (Spinzakken), daar zij eertijds het gesponnen garen in groote zakken naar de naburige stad brachten.

Irnsum: _Kattekneppelders_ (Kattenknuppelaars), een naam, die met het bekende kermisvermaak samenhangt (I, bl. 140, 269).

Rinsumageest: _Hounewippers_ (Hondewippers), van een soortgelijk kermisvermaak.

Sint-Anna-Parochie: _Raapkoppen_.

Onze-Lieve-Vrouwen-Parochie: _Wortelkoppen_.

Oldeboorn: _Toermjitters_ (Torenmeters). In de XVIIe eeuw zou te Oldeboorn een nieuwe kerktoren gebouwd worden. Het moest de hoogste toren worden, hooger zelfs dan die van Tzum. De Boornsters vaardigden dus twee man af, om den Tzummer toren te meten. Maar toen zij na volbrachten arbeid in de herberg zaten, wisten de Tzummers listiglijk een paar ellen van het touw af te snijden. Van daar de spotnaam van

Tzum: _Lyntjesniders_ (Lijntjesnijders).

Grouw: _Tsjiisfordounsers_ (Kaasverdansers). Een groepje lustige Grouwsters hadden eens geen geld meer, om den speelman te betalen. Een van de dansers deed dit toen met kaas uit zijns vaders pakhuis.

Akkrum: _Skytstoelen_. Of deze meubels te Akkrum bijzonder mooi waren? Zulk een oud meubelstuk uit het begin der XVIIIe eeuw, dat gespaard bleef, vertoont niets opmerkelijks. Wèl opmerkelijk is het rijmpje, dat er op geschilderd staat:

In 't jaer 1710 Werd ick voor het eerst gesien, Ick was versierd al nae behooren Als kackstoel voor den eerstgeboren Uyt de houwlickstrou Van Geert Ackrum en syn vrouw.

Makkum: _Strânjutten_ (Strandroovers). Daarentegen is _Miigen_ een eerenaam, want hij wijst er op, dat de Makkumers dit Friesche woord, dat "magen, bloedverwanten", in 't bijzonder "neven, kleinzonen" beteekent, nog in eere houden.

Lollum: _Stippers_. Door _stip_ wordt een mager sausje aangeduid.

Molkwerum: _Tsjoensters_ (Heksen) heeten de vrouwen.

Birdaard: _Skiepekoppen_ (Schapekoppen).

Wirdum: _Toerkefretters_ (Torentjevreters), dewijl zij in 1680 een der beide kerktorens, toen de geldmiddelen gering waren, voor afbraak verkochten.

IJlst (Drylst): _Kjipmantsjes_ (Koopmannetjes), een soort moppen.

Zie verder nog het rijke materiaal bij Waling Dijkstra t.a.p. I. bl. 288-294.

Groningen. Groningen: _Molboonen_ (Kindersnoeperij), _Kluunkoppen_ (_Kluun_ is een bijzonder soort bier), _Klaereproevers_.

Delfzijl: _Klokkedieven_, _Krabben_. Men beweert, dat de bewoners een ruim geweten hebben, wat het plunderen van gestrande schepen betreft. Bij ongeluk komt eensdaags een _Delfsylster_ in den hemel. Maar een _Damster_ (Appingedam en Delfzijl kunnen elkaar niet zetten) weet den H. Petrus, die met de zaak verlegen is, goeden raad te geven. Een paar engelen moeten buiten de hemelpoort roepen: "Een schip in nood!" Aldus geschiedt, en ziedaar, bij 't hooren van dien kreet snelt de _Delfsylster_ naar buiten, zoo hard hij loopen kan.

Wagenborgen: _Aardappeldoggen_.

Ter Munten: _Koedieven_.

Zuidlaren: _Witmakers._

Uskwerd: _Metworsten_.

Meeden: _Ketelschijters_.

Grijpskerk: _Smalruggen_.

Garnwerd: _Gortvreters_.

Bafloo: _Koarschoevers_ (Kaarschuivers).

Winsum: _Gladhakken_.

Bedum: _Geutslikkers_.

Holwierde: _Doofpotten_.

Ezinge en Sauwert: _Koevreters_.

Onderdendam en Niehove: _Poepen_.

Den Andel: _Turken_.

Drente. Meppel: _Muggespuiters_ of _Muggen_. Een groote muggenzwerm omzweefde eens de spits van den toren te Meppel. De burgers dachten, dat het rook was, en begonnen den vermeenden torenbrand te blusschen. Men denke aan de Maneblusschers van Mechelen en Middelburg. Een anderen naam, de _Kloeten_, danken zij aan de groote kluiten boter, die nog tot in de tweede helft van verleden eeuw door de boeren uit den omtrek daar ter markt werden gebracht.

Grolloo: _Knollen_.

Anderen: _Moeshappers_,

Elp: _Koekoeken_.

Annen: _Oelen_.

Assen: _Straatslipers_, _Tellerlikkers_ en _Biggen_.

Borger: _Schöttellikkers._

Broekskreek (d.i. Mantinge, Balinge en Garminge): _Stalpoalen_.

Buinen: _Poepen_.

Duurse: _Geldbeurzen_ en _Boksen_.

Dwingeloo: _Doeven_.

Eelde: _Hekkenspringers_ en _Geelgatten_.

Zie verder Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1903, bl. 55.

Overijssel. Zwolle: _Blauwvingers_. In 1682 viel te Zwolle de toren van de Sint-Michiels kerk in. Het klokkenspel werd aan Amsterdammers verkocht, die den aanmerkelijken prijs in louter dubbeltjes betaalden, waaraan de Zwollenaars zich blauwe vingers konden tellen.

Kampen: _Steuren_. Naar verluidt, vingen de Kampenaars oudtijds in hun rivier eens een reusachtigen steur. Met het oog op een gastmaal, dat zij over eenigen tijd wilden aanrichten, werden zij te rade, hem voorloopig nog wat te laten zwemmen; en om hem naderhand beter te kunnen vinden, bonden zij hem een bandje met een belletje om den hals. Men zegt, dat een echte Kampenaar, als hij over de IJsselbrug gaat, nog heden altijd in 't water tuurt, of de steur er soms nog is, want: "Je kunt het toch maar nooit weten."--Ik maak hier de opmerking, dat de spotnamen in vele gevallen samenhangen met een domineerenden karaktertrek van de bevolking: vasthoudendheid, gierigheid, sluwheid, bekrompenheid enz. Nu is het een feit, dat men meestal de minder gunstige hoedanigheden bij zijn gebuur opmerkt en de gunstige over het hoofd ziet.

Blankenham: _Brijhappers_.

Blokzijl: _Katten_.

Genemuiden: _Rudekikkers_ en _Ruusvorens_.

De Kuinder: _Kroggen_.

Zwartsluis: _Bleien_ of _Bleisteerten_.

Hengeloo: _Windmakers_.

Delden: _Kwekkeschudders_.

Oldenzaal: _Gruppendrieters_, d.i. die hun behoefte doen in een greppel.

Deventer: _Stokvisschen_, _Poepen_ en _Geutendrieters_.

Borne: _Meelvreters_.

Over de benaming _Tukker_ voor Twentenaar is veel geredetwist. De waarschijnlijkste afleiding lijkt mij die van _tukker_, een vogeltje, dat zich veel in de eenzame heidestreken van Twente ophoudt; elders draagt het den naam van _heikneutje_ of _robijntje_. Naar dezen vogel zijn dan ook verscheidene Twentsche hoeven benaamd, en deze vindt men steeds aan den heikant. In de volkstaal noemt men de heidebewoners vaak _Heettukkers_: Driem. Bladen VII, bl. 84; VIII, bl. 51; anders VIII, bl. 92. Laat ik hier terloops aan de zegswijze herinneren: "Ij kommt oet 't land van de Tukkers, woar ze onzen leeven Hèèr "Doe" neumt."

Gelderland. Nijmegen: _Knotsendragers_.

Zutfen: _Metworsten_.

Lochem: _Koolhazen_.

Doesburg: _Mosterdpotten_.

Enspijk: _Hanenknippers_. Deze benaming zou het gevolg zijn van een artikel in de Tielsche Courant, waarin de inwoners van Enspijk als "Enspiksche Hanenknippers" werden begroet. Men zou daar nl. hebben voorgesteld, ter gelegenheid van het kroningsfeest den 12den Mei 1874 tot opluistering der feestelijkheid hanen, van hun vederen ontdaan, tegen elkander te laten vechten; zie het opstel van Anspach in De Navorscher XXVI, bl. 264.

Nunspeet: _Knutten_ en _Huibasten_. Hieronder verstaat men personen, die veel wei of hui in hun "bast" drinken.

Driel: _Vleescheters_. De bewoners van Driel hadden in de Middeleeuwen een kerkelijke vergunning, waarbij hun werd toegestaan, ook in den Vastentijd zuivel- en vleeschspijzen te gebruiken: Kist, Kerkelijk Archief I, bl. 176, III, bl. 469.

Elburg: _Pepernoten_.

Harderwijk: _Bokkingkoppen_.

Uddel: _Heugters_.

Haaften: _Kraaien_.

Ek en Ingen: _Kladden_.

Zoelen: _Kozakken_. In 1814 was daar een troep kozakken gelegerd, die weigerden het veld te ruimen, nu hun diensten niet meer noodig waren. Op bevel van den souvereinen vorst moest nu de Tielsche schutterij in samenwerking met den landstorm deze plunderzieke gasten verjagen; zie Driem. Bladen III, bl. 54.

Utrecht. Amersfoort: _Keisleepers_ of _Keitrekkers_. De bewoners vonden nl. eens op een heideveld een zeer grooten keisteen. Triomfantelijk sleepten zij hem naar de stad, en plaatsten hem op de Varkenmarkt (1661).

IJsselstein: _Apenluiders_, dewijl zij eens bij vergissing de doodsklok luidden voor een dooden aap: De Navorscher IV, Bijblad, bl. XXXVIII.

Limburg. Weert: _Rogstekers_. Men verhaalt, dat er oudtijds een vrachtkar o.a. met rog beladen van Antwerpen naar Roermond reed. Bij Weert viel een rog van de kar en bleef in het wagenspoor liggen. Een Weertenaar zag het hem onbekende gedrocht en liep verschrikt naar de stad om hulp te halen. Gewapend trok men er op uit, dreef den rog een spiets door het lijf en voerde hem als oorlogsbuit zegepralend naar het stadje mee.

Nederweert: _Pinstekers_.