Chapter 30
_b_. Door de heiligen van Germaanschen stam zijn tal van Germaansche namen bewaard gebleven, natuurlijk in verkorten vorm. Aldus _Wilbert_, _Willebrord_, _Wille_, _Wilfried_, _Huibert_, _Huib_, _Hille_ (_Hildebert_ en _Hildegundis_), _Siegfried_ enz.
_c_. Uitheemsche heiligennamen in Nederlandsche kleedij zijn o.m. _Pieter_, _Maarten_, _Trijne_, _Klaas_, _Aagje_, _Teunis_, _Nijs_ (_Dijs_, _Denys_, van _Dionysius_), _Tijs_. Ook _Arie_ en _Adriaan_, verkort tot _Janus_. In België vindt men o.a. _Janus_, _Baaf_, _Albrecht_, _Bert_, _Geertje_ (_Geertrui_) en _Roelke_ (_Rolendis_), die men vrij wel als nationale namen kan beschouwen. Vele Belgische namen vertoonen ook een Frieschen vorm en zijn dus waarschijnlijk van Westvlaamsche herkomst. Een lijst van de meest gebruikelijke Zuidnederlandsche voornamen is uitgegeven van wege de Koninklijke Vlaamsche Akademie (Gent 1902).
Merkwaardig is het feit, dat niet alleen elke streek, maar tot elke stad, ja elk dorp haar geliefkoosde voornamen heeft, die zich natuurlijk plooien naar de eischen van het plaatselijk dialekt. Maar over het algemeen raken de zuiver-Germaansch klinkende namen wel wat in de verdrukking. Terecht maakt hier J. J. Graaf de opmerking in zijn voortreffelijk werkje over Nederlandsche Doopnamen (Bussum 1915): "Wij ... meenen maar altijd, dat we, openlijk optredend, eerst dan naar behooren voor den dag komen, als we in het Latijn worden aangediend. En toch hebben we in den taalschat onzer vaderen wel degelijk vaderlandsche namen, die, in goed Nederlandsen, waardige vormen zijn voor de Grieksche of Latijnsche doopnamen. Maar ze zijn helaas, door onverstand in minachting geraakt, als waren zij ook slechts verbasteringen van een alleen-fatsoenlijk Latijn" (bl. 16).
Zie verder Joh. Winkler, Studiën in Nederlandsche Namenkunde (Haarlem 1900), bl. 171, 196, 225 vlg.; De Nederlandsche Geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en beteekenis (Haarlem 1885); Friesche Naamlijst (Leeuwarden 1898); Boekenoogen in zijn Inleiding op de Zaansche Volkstaal, bl. LXXXIV vlg.; Onze Voornamen, in De Gids, Aug. 1890, bl. 448 vlg.; Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 124 vlg.
2. De persoonsnaam was aanvankelijk en gedurende langen tijd de eenige benaming onzer Germaansche voorouders, en hierin bleven zij de Indogermaansche gewoonte trouw. Alleen de Romeinen bezaten een drievoudige benaming, bestaande uit persoons-, geslachts- en bijnaam; maar wij weten, dat dit benamingssysteem van Etruskische herkomst is.
Langzamerhand kwam een tweede naam op, voortgesproten uit de wenschelijkheid, iemand van een ander met denzelfden naam te onderscheiden, en ook uit de neiging tot het geven van bijnamen of spotnamen. Daar zijn ook in ons land bepaalde steden, die hierin uitmunten, en hoe intiemer het samenleven, hoe krachtiger deze neiging zich uit. Maar toen de bevolking aangroeide en deze aanwas de individuëele personen met heillooze verwarring bedreigde, werd een tweede naam haast noodzakelijk. Hiertoe koos men den naam van den vader of van de moeder, van den echtgenoot, van het beroep, van de woonplaats, of hiertoe konden ook de gemelde spotnamen dienst doen. Geslachtsnamen, met hun kenmerk van vastheid en onveranderlijkheid, werden deze namen echter eerst in den aanvang der XIXe eeuw, toen zij met de invoering van den Burgelijken Stand een staatsrechtelijk karakter kregen. Trouwens ook heden ten dage is het niet overal een vaste gewoonte, iemands geslachtsnaam te gebruiken, vooral ten platte lande. Men noemt iemand: "Jan van Piet", of "van Pieten"; "Klaas van Trijn", of "van Trijntjes"; men spreekt van "Dirk den Schilder", "Jan den Mulder", "Willem den Slager"; men heet iemand "Klaas van den Molen", "Jan van de Brug"; en vooral in het Oosten en Zuiden van ons land duidt men iemand gaarne aan door den naam der hoeve, waar hij geboren is: "Zandhof Willem". "Kees van den Krom" is Kees, wonende bij een kromming van den weg, en in "Mottige Willem" dient de spotnaam als herkenningsnaam en is op weg naar den geslachtsnaam.
Voor de vorming der geslachtsnamen maakte men vaak gebruik van het Germaansche achtervoegsel _-ing,_ dat de beteekenis aannam van "behoorende tot het geslacht van." Zoo ontstonden de namen der bekende koningsgeslachten bij de oude Franken: de Merov_ingen_, de Carol_ingen_, de Capet_ingen_. Maar zoo ontstonden ook onze Frankische geslachtsnamen _Benning_ (zoon van Benno), _Nolting_, _Budding_; de Saksische _Geerdink_, _Abbink_, _Eggink_; de Friesche _Stallinga_, _Idsinga_, _Hattinga_.
De patronymica gaan uit op _-zoon_ (_-sone_, _-soen_), _-son_, -_sen_, -_se_, _-s_: _Jansen_, _Harmsen_, _Japikse_, _Bartels_; maar ook op _-en_, den zwakken tweeden naamval enkelvoud, en op _-ens_, een jongere vorming; deze _-en_ wordt als tweede naamval nog gehoord in het Strand-hollandsch, waar men spreekt van "Dirken waegen", "Krijnen dochter." Zóó ontstonden de namen _Huijgens_ en _Huijgen_. In namen als _Smaassen_ (_Maas_ ontstond uit _Thomas_) gaat de _s_ aan den genitief van den naam vooraf. Vlaamsche vadersnamen hebben vaak het voorvoegsel _ser-_ (_des heren_) en _ver-_ (_der vrouwen_): _Serclaes_, _Vertruyen_.
Een belangrijke groep geslachtsnamen heeft _van_ als voorvoegsel, gevolgd door een bijzonderen of algemeen aardrijkskundigen naam. Dus of: _Van Deventer_, _Van Vlijmen_, _Van Wamel_, _Van Schijndel_ of: _Van Dijk_, _Van den Heuvel_, _Van den Berg_, _Van der Molen_, _Van der Heide_. In plaats van de praepositie _van_ vindt men niet zelden _aan_ en _in_, waardoor met plaatselijke dialektische vervorming de Limburgsche geslachtsnamen _Aangevoort_, _Aengenent_, _Ingendael_ ontstonden. Omslachtige omschrijvingen als _Van den Eerenbeemt_, _Van de Cleemputte_, _Van de Crommenacker_ enz. vindt men meestal in ons zuidelijk volksgebied.
Op lichamelijke eigenschappen wijzen de geslachtsnamen _De Lange_, _De Vette_, _De Jong_, _Mooi_, _Blauw_, _De Wit_, _De Bruin_ enz., maar ook: _Langbeen_, _Spillebeen_, _Crombeen_ e.a. Vele dezer familienamen vinden hun oorsprong in spotnamen. Eindelijk wordt een zeer groot aantal verklaard door ambacht of uithangbord: _In de Swaen_ (_De Swaen_, _Swaen_), _Van der Ploeg_, _Van de Wijnperse_, _Spillemaeckers_, _Brouwers_, _Smids_ enz.
Het zuidelijk volksgebied had eenige jaren vroeger min of meer vaste geslachtsnamen dan het Noorden. Hierin is de verklaring te zoeken van het feit, dat er meer namen van zuidelijken oorsprong te vinden zijn in de noordelijke gewesten, dan omgekeerd.
Laat ik ten slotte nog wijzen op enkele eigenaardigheden, die den volksstam kenschetsen. De Friesche patronymica gaan uit op de tweede naamvals-suffixen _-inga_ en _-a_; maar ook op _-ma,_ d.i. _man_, met de beteekenis van "zoon, afstammeling, hoorige"; terwijl _-stra_ dient om van bijzondere plaatsnamen Friesche geslachtsnamen te vormen, b.v. _Dijkstra_. Verder vertoonen sommige op algemeene wijze gevormde geslachtsnamen eigenaardige Friesche voornamen, als _Sikkes_ en _Doedes_, andere zijn met typisch Friesche woorden samengesteld. Zoo beteekent _Soepboer_: karnemelkboer; _Bouwfeint_: knecht van een landbouwer; _Skriemer_: iemand die weent of schreit.
De Groninger namen zijn met de Friesche nauwverwant, vooral de geslachtsnamen op _-sema_: _Geertsema_, _Ilpsema_. Eigenaardig zijn de--trouwens ook Friesche--namen met den uitgang _-ker_, _-tjer_, die de herkomst uit de een of andere plaats of streek aanduiden: _Veenker_, _Woltjer_ (woudbewoner). Buitenmate groot is het aantal namen, dat uitgaat op _-huis_; deze waren oorspronkelijk aan huizen, en niet aan personen eigen: _Bolhuis_, _Dijksterhuis_. Drente sluit zich bij Groningen en Friesland aan. De Saksische namen worden gekenmerkt door de patronymica op _-ink_ en de voorzetsels _ten_, _ter_, _te_, antwoordend op de vraag: "Waar woont gij?" B.v. _Ten Bruggencate_. In Overijssel ontmoet men de namen op _-belt_, kleine hoogten in het veen, b.v. _Knottenbelt_. Ook Holland kent veel Friesche namen. Een eigenaardigheid der Noordhollandsche familienamen in het algemeen, en der Zaansche in het bijzonder, is de kortheid, laat ik zeggen het monosyllabisme: _Top_, _Pot_, _Pan_, _Pont_, meestal wel teruggaande op een Frieschen voornaam in zeer verkorten vorm. De namen in Zeeland, Brabant, Limburg en Vlaanderen vertoonen het Frankisch cachet. In Noord-Brabant zijn vooral talrijk de namen op _-mans_: _Heuvelmans_, _Mosmans_. De Westvlaamsche gaan vaak uit op _-inck_, _-ynck_, _-incx_, b.v. _Teirlinck_, _Hebbelynck_, _Warblinckx_. Op Frieschen inslag wijst weer het feit, dat wij zooveel Westvlaamsche geslachtsnamen in Friesland weervinden.
Natuurlijk wijzen ook namen als _De Smed_ (smid) en _Temmerman_ (timmerman) op Zuid-Nederland; en evenzeer _Zulver_ (zilver) op Noord-Holland, _Groenewolt_, _Saverkoul_, _Eekholt_ op het Oosten van het land, _D'Haese_, _D'Hont_ op België. Zie vooral het boven aangehaalde werk van Joh. Winkler over de Nederlandsche Geslachtsnamen; verder Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 131; Boekenoogen, Zaansche Volkstaal CIII; Driem. Bladen I, bl. 29; V, bl. 101; XII, bl. 122.
3. Bij de studie onzer plaatsnamen komen de oudste lagen van onzen volksaard weer aan het licht; maar moeizaam is het opdelven. Op bl. 5 van het Eerste Deel gewaagde ik reeds van de Keltische herkomst der benamingen van de steden Nijmegen, Wijk-bij-Duurstede (?), Arnhem, Batenburg (?), Loosduinen, Heerlen is het oude _Coriovallum_, en onze drie groote rivieren: Rijn, Maas, Schelde dragen beslist Keltische namen, dus ook de talrijke plaatsnamen, die met een dezer riviernamen zijn samengesteld. Over het algemeen steekt in deze soort plaatsnamen veel waardevol taalgoed. Maar het onderzoek wordt hierdoor bemoeilijkt, dat sommige rivieren blijkbaar van naam verwisseld zijn, en anderzijds, dat rivieren hun loop hebben gewijzigd. Försteman beschouwt het in zijn Deutsche Ortsnamen als een der merkwaardigste uitkomsten zijner onderzoekingen, dat eertijds een Keltische volkstam zich van het Noordoosten naar het Zuidwesten gericht heeft en ongeveer ter hoogte van Keulen den Rijn overschreed. Den tak, die naar Nederland afboog, vinden wij deels aan den IJssel, deels in de Maasstreek: _Edana_, _Adanhe_ (Först. 510); _Edesthorpa_ (Först. 509); _Adingamore_ (Först. 137), Antwerpen; verder _Carambunt_, _Adrichem_ (Först. 138). Van Holland wijst de stroom naar Vlaanderen, waar de omstreken van Gent Keltische volksplantingen vertoonen, b.v. _Pitelinghem_, _Addingahem_. Zie ook K. Kaiser, Die Kelten des Bardengaus (Hannover--Berlin 1909), maar met omzichtigheid te gebruiken. In Holder's Altkeltischer Sprachschatz vinden wij eveneens enkele Nederlandsche plaatsnamen als Keltisch verklaard; zie echter Cuvelier-Huijsmans, Toponymische studie over de oudere en nieuwere plaatsnamen der gemeente Bilsen (Gent 1897), bl. 36 vlg. J. Claerhout, Het Belfort 1896, 2, bl. 287 (vlg. 1897, 2, bl. 200) wijst op de plaatsnamen _Gennep_, _Epe_ en _Velp_, die op het wellicht Keltische _apa_ "water" berusten; en verder op _Thuine_ bij Lingen, dat in 't jaar 1000 _Dune_ heette.
Ook de invloed van de Romeinen op volksaard en volkskultuur wordt door onze plaatsnamen betuigd; zie Deel I, bl. 10, waar de meeste plaatsen zijn aangegeven. Ik voeg hier nog bij _Santpoort_: _Sancta Porta_; _Kestre_: _Castra_; en _Kemenade_: _Caminata_. Maar het overgroote meerendeel is toch van Germaanschen oorsprong. Ik dien hier eigenlijk te beginnen met de huisnamen welke, zooals wij zagen, vaak geslachtsnamen geworden zijn, maar anderzijds ook niet zelden uit persoons- en familienamen ontstonden: _Stevenshuis_, _Hendriken_, _den Egberink_, _Wesselshuis_; en eveneens uit ambt, handwerk of bedrijf: de _Karsman_, de _Kistenmaker_, de _Roodververij_, _ter Meulen_, _Timmerije_, _Smitterije_. Het Limburgsche dorp _Reuver_, eigenlijk _Den Reuver_, ontleent zijn naam aan een hoeve, waarschijnlijk toebehoorende aan _Johan de Rover_. De _Enkevoort_, een hoeve onder Baarloo, is naar de _Enckevoorts_ genoemd; zie Limburg's Jaarboek II, bl. 292. Een menigte boerenhoeven heeten ook naar den eigenaar, van wien men ze in pacht heeft, b.v. _Sandershof_.
Een huis bij de oude landweren heette _Landweer_, en nabij de slagboomen en de verdedigingswallen vond men meestal den naam _Runneboom_. Een groot aantal huisnamen is ook ontleend aan de uithangteekens. Hiertoe behooren ten deele de diernamen, als _Nachtegaal_, _Koekoek_, _Snip_, _Pedde_; maar zij kunnen ook op persoonsnamen berusten, of wijzen op de omgeving, de ligging van het huis, wat vrij zeker lijkt van namen als _Oelenhorst_ en _Kraaienbelt_. Zoo ook _Valkenborg_, _Bijenhof_, _Voskamp_. Van omgeving en ligging vertellen ook _Lindeboom_, _Eikenhof_, _Sparrendaal_, _Hageveld_, _Muggebroek_, _Hulshof_, _Veenendaal_, _Lovendaal_, _Leemkuil_, _Stuivezand_; aan bepaalde gebeurtenissen herinnert wellicht een naam als _Jammerdaal_.
Volgen de benamingen van landerijen. Dikwijls wordt de bestemming uitgedrukt, vanwaar namen als _Vaarzenweide_, _Schapenkamp_, _Schaapsdijk_, _Ossenland_, _Bulven_ d.i. het stukje land, waarop de stier, de bul, alleen weidt, te Venloo volksetymologisch vervormd tot _Bultenven_. Andere stukken worden genoemd naar den eigenaar, waarbij valt op te merken, dat het stuk bij wisseling van eigenaar niet altijd ook van naam verwisselt: _Heintjesven_, _Louwesakker_; weer andere stukken drukken de plaatselijke gesteldheid uit: _Steenkamp_, _Muizenven_, _Vlietsven_, _Ilpakker_, of worden bepaald door hun vorm: _Lange Stuk_, _Tweebeen_, _Splitkamp_; enkele namen zijn ook historisch, als _Galgeland_, _Schinderskuil_, _Paaschweide_, en eveneens _Spaarpot_, _Koekepan_, _Kibbelaar_ of _Twistgrond_. Zie vooral Boekenoogen, Zaansche Volkstaal bl. CXXII, en Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 270 vlg. Eigenaardige namen dragen ook niet zelden de polders of sluizen; zoo b.v. _Achterklapspolder_, _Boerenverdriet_ (waar de boeren met hun groenteschuiten lang moeten wachten), _Kijfhoek_, _Kostverloren_ (als de aanleg onnoodig blijkt), _Pannekoek_, _Schuddebeurs_ (die veel geld kostte), enz.; zie E. Laurillard, Op Uw stoel door Uw Land (Arnhem-Nijmegen 1901), bl. 270.
Vrijwel dezelfde faktoren zien wij werkzaam bij het benoemen onzer dorpen en steden. Trouwens verscheiden plaatsnamen blijken zich uit benamingen van landerijen te hebben ontwikkeld, ik herinner slechts aan _Barneveld_, _Meerveld_, _Pijnakker_, _Franeker_, d.i. Vroonakker. Andere wettigen althans gegronde vermoedens, als _'s Heerenhoek_, _Zandkoek_, _Zuidhorn_, _Plorn_, _Uithoorn_, waar _horn_ de beteekenis heeft van "hoek".
_a_. Nederland is een waterland bij uitstek. Vooral het Noorden van ons land, door rivieren, grachten, kanalen doorsneden, wordt geheel door de golven omspoeld en zoo heeft het dan een voortdurenden strijd te voeren tegen het vochtige element, bron van welvaart en rampspoed, van trots, van blijheid, maar ook van duizend bange zorgen. Ligging en strijd met het water zullen in ruime mate tot uiting moeten komen in de plaatsnamen.
-Dam: _Amsterdam_, _Zaandam_ (uit _Zaanredam_), _Appingedam_; -dijk: _Odijk_, _Langendijk_, _Dijken_; -sluis: _Maassluis_, _Nieuwersluis_; -rak (strook lands langs het water gelegen): _Langerak_, _Gouderak_; -beek: _Oosterbeek_, _Bierbeek_ (Zuid-Brabant), _Hilvarenbeek_ (Noord-Brabant): in Brabant, met zijn door beekjes versnipperd grondgebied, zijn de benamingen met -beek buitenmate talrijk; -meer: _Diemermeer_, _Meerkerk_, _Boxmeer_; -monde (Frankische vorm): _IJsselmonde_, _Rupelmonde_, _Roermond_, _Helmond_; -muiden (Saksisch-Friesche vorm): _IJsselmuiden_, _Cellemuiden_, _Genemuiden_, merkwaardig in het Zeeuwsche _Arnemuiden_ en in het Westvlaamsche _Dixmuiden_; -broek: _Lutjebroek_, _Oldebroek_, _Bennebroek_, _Broekhuizen_; -ooi (weiland, aan het water gelegen en verwant met "ouwe" in Rijnouwe en landouw): _Renooi_, _Wadenooien_, _Genooi_; -waard, weerd, voord (ingedijkt land): _Zandvoort_, _Bekevoort_ (Brabant), _Lichtevoorde_, _Amersfoort_, _Bolsward_, _Valkenswaard_, _Weert_, _Stevensweert_, _Bredevoort_, _Westervoort_. De namen op -voort vindt men vooral in de Lijmers en de Graafschap; bewesten het land van Maas en Waal beginnen de namen op -waard, als _Heerewaarden_; -vliet: _Poortvliet_; -a (of aa, Oudgermaansch woord, dat "water" beteekent): _Breda_; -veen: _Rouveen_, _Venloo_, _Loven_, _Zutfen_; -zijl (sluis): _Delfzijl_, _Blokzijl_; -veer: _Wormerveer_; -polder: _Willemspolder_; -brug: _Brugge_, _Diemerbrug_ enz. Onnoodig hier te gewagen van de plaatsnamen met riviernamen samengesteld, voor zoover de rivier de plaatsnamen karakteriseert.
_b_. Maar Nederland is niet slechts een waterland. Lommer en koelte wuiven u tegemoet in bosschen en hagen, en de zegen der vruchtbaarheid rust op akkers en velden: -woud (Frankische vorm): _Woudenberg_, _Berkenwoude_, _Katwoude_; -wolde (Saksische vorm) _Ruinerwolde_, _Finsterwolde_; -bosch: _'s Hertogenbosch_, _Oudenbosch_, _Neerbosch_; -haag: _'s Gravenhage_, _Prinsenhage_; -hout: (Frankische vorm): _Voorhout_, _Aardenhout_, _Oosterhout_, _Turnhout_; -holt (Saksische vorm): _Posterholt_, _Engelanderholt_; -horst (dicht kreupelhout, struikgewas): _Horst_, _Nederhorst_, _Staphorst_; -veld: _Meerveld_, _Barneveld_; -akker: _Pijnakker_, _Franeker_ (Vroonakker), _Oostakker_.
_c_. Een kerkelijk karakter dragen natuurlijk op de eerste plaats de namen op -kerk: _Oudekerk_, _Lekkerkerk_, _Grijpskerke_;--maar ook de namen, samengesteld met het verwante -kerspel, -karspel (van kercspel, evenals kermis van kercmisse, met de beteekenis van "kerkgebied"): _Bovenkarspel_, _Weesperkarspel_; -parochie: _Sint Annaparochie_, _Jacobiparochie_. Groot is het aantal plaatsnamen, die heiligennamen zijn, of althans hiermee samengesteld: _Sint Nicolaas_, _Sint Truiden_, _Sint Anne ter Muiden_, _Sint Joris Winge_ (Z.-Brabant), _Sint Odiliënberg_.
_d_. Onze plaatsnamen bergen ook historie. Gaarne vermelden zij den naam van een persoon en een door iemand bekleede waardigheid: _'s Hertogenbosch_, _'s-Gravenhage_, _Zierikzee_ (waarschijnlijk verkort uit _Zierikseport_, d.i. stad van Zierik, d.i. van Siegerik), _Stevensweerd_, _'s Heerenberg_, _Hillegom_, _Doetinchem_: huis van den zoon van Dodo. Aan den oorsprong der plaats herinneren de stedenamen op -burg: _Middelburg_, _Doesburg_, _Valkenburg_ en, met behoud van het oude, vrouwelijke woordgeslacht, _Terborg_.
_e_. Sommige plaatsnamen drukken slechts in het algemeen een wijkplaats uit, vooral die op -wijk, poort, donk, dorp, stad: _Katwijk_, _Nieuwpoort_, _Beek en Donk_, _Raamsdonk_ (deze soort vooral in Brabant), _Noorddorp_, _Willemstad_; -heem, heim, veelal verkort tot -hem, -em, -um, -om: _Heemstede_, _Herdershem_, _Reckhem_, _Hattem_, _Woudrichem_, _Sassenheim_, _Haarlem (Heslehem_), _Heukelum_, _Heelsum_, _Hillegom_, _Bennekom (Benninchem_).
_f_. De plaatsnamen op -ingen en -ongen drukken, zooals gezegd (I, bl. 16), meestal de afstamming van een bepaalden persoon uit.
_g_. Eigenaardige vormen vertoonen de Friesche en Groninger plaatsnamen. Zij staan niet buiten de boven beschreven groepen, maar vormen toch in hun Friesche kleedij een merkwaardige eenheidsfiguur. Over den aard der nederzetting en vestiging vertellen ons: _Ureterp_; _Poppingawier_, _Oosterwierum_, _Engwier_; _Holwerd_, _Rauwerd_; _Gaasterland_; _Grootegast_, _Lutjegast_, waar _gast_ evenwaardig is met het Hollandsche _geest_, b.v. in _Endegeest_, _Oestgeest_. Ik vermeld nog: _Tietjerkseradeel_ (_tjerk_ beteekent kerk); _Oostergo_ (gouw); _Weststellingwerf_ (_stelling_ beteekent rechterstoel); _Abbega_, _Oudega_ (_ga_, _gea_ is dorp); _Munnekezijl_, _Pieterzijl_; _Koningsdiep_ (_diep_ is een kanaal of gegraven vaart). Zie Friesche Volksalm. 1840, bl. 137; 1841, bl. 165.
_h_. Sommige plaatsnamen werden ook door den lokatief uitgedrukt, die met den datief is samengevallen; b.v. _Venendaal_, d.i. -dale, _Bloemendaal_, d.i. -dale: in het Bloemendal. Zoo ook _Nieuwersluis_, _Ouderkerk_; en verder Den _Haag_, Den _Helder_, Den _Bosch_; eindelijk de plaatsnamen op -ingen, -schoten, -hoven, -huizen, -buren, -bergen enz., b.v. _Groningen_, _Voorschoten_, _Vollenhoven_, _Veenhuizen_, _Kloosterburen_, _Steenbergen_. Plaatsbepalend is ook het voorzetsel _te_, de proklitsche vorm van _toe_ (mag ik belangstellenden even wijzen op het verwante Oudlatijnsche _en-do_?), b.v. in _Terborg_, _Terneuzen_; ook _op_ komt herhaaldelijk voor: _Opbroek_, _Opmeer_.
Aldus zijn onze plaatsnamen gegroeid uit enkel- of meervoudige karakteriseerende benamingen van nationalen, historischen, kerkelijken, plaatselijken aard. Zij zijn een organisch produkt van den volksgeest, die oorspronkelijk alleen de bedoeling had, die plaats te kenmerken en te onderscheiden van andere, en niet, haar een blijvenden naam te geven. Zij hangen dus innig met de plaats zelve samen en zijn derhalve geen kunstprodukt, geen opgeplakte etiketten, zooals de nieuwere plaatsnamen,--even kunstmatig trouwens als de stichting van het dorp, de stad, die zij heeten te kenmerken. De etymologische, historische, folkloristische waarde van zulke moderne benamingen is nul.
Ten slotte nog enkele beschouwingen over de vormingen op -loo, -drecht, -rode: rade.
_Loo_ is de oude vorm voor "akkermaalshout, eikenbosch". Wij vinden het in plaatsnamen als _Venloo_ (Veenbosch), _Corbeek-Loo_, _Tremeloo_, _Baarloo_; maar ook in _Grolle_ (naast _Groenloo_), _Wamel_ (uit _Wameloo_), _Gorsel_ (uit _Gerstloo_), _Pamel_, _Steenhuffel_ enz. Den uitgang -drecht vindt men in _Woensdrecht_ = Wodani Trajectum (I, bl. 90), _Papendrecht_, _Zwijndrecht_. Somtijds beteekent het "veer, overvaart", andermaal "drift", d.i. veedrift, weideplaats, waarheen het vee gedreven wordt. Wij hebben hier weer de Frankische _cht_ uit _ft_, zie bl. 39. Waar wij te doen hebben met het Latijnsche _traiectum_, als in _Woensdrecht_ en eveneens in _Utrecht_ en _Maastricht_, wordt beslist een veerplaats of doorwaadbare plaats aangeduid.
Het meest belangrijk uit taal- en vooral uit kultuurhistorisch oogpunt zijn wel de plaatsnamen samengesteld met _-rode_ en _-rade_. Zij herinneren, evenals die op _-woud_, _-holt_, _-loo_, _-horst_, aan het feit, dat zoovele oude nederzettingen werden gevestigd aan den rand van een bosch. Langzamerhand werden de boomen gerooid en het land omgeploegd, en aldus voor bouwland geschikt gemaakt, en zulk land heette _rode_ of _rade_. Zie over dit onderwerp vooral Gallée, Nomina Geographica Neerlandica II, bl. 32 vlg., III, bl. 348, 352; Jos. Habets, ib. bl. 73 vlg.