Nederlandsche Volkskunde

Chapter 29

Chapter 293,489 wordsPublic domain

Op ein half oor van de stad, aan de Winkelveldstroat, leet Besjeshoaf, en dên hoaf hebbe de akkerlu Van R. sterk twieë ieëwe van elder tot elder bewoeënd. Op ein paar noa de leste van eur, die doa den reek hanteerde, waas Jan van R., eine strausse mins mit snuje geis, dê ei nateurlik slaag had van vertelle en al waat de stadsboetenieë raa_g_de, hoarklein kinde. Bij de Venlu stonte veur gelierd, want hê kos in den almenaak lêze, ziene naam schrieve en mit kriêt rêkene. Ouk waasse drijmoal keuning gewês: twieëmaol bij 't vogelschete in 't Kraneveld, en eine kier bij 't rieje van de gaas aan Sinter Banus. In 1848 isse gestorve, 92 joar ald,--des neet in de weeg, wie?

Mit eine Julidaag van 1778 trok Jan mit ziene knech Helmus, eine Veldese jong, noa de Hêringse hei um struitsel te houwe in eine kamp, dêje veur zes vette kukes 's joars, aan 't hoês Caan in Stroale te levere, gepach had. 't Waas dên daag schreujend heit, en doarum ginge ze iers smiddaags um vief oor van den hoaf, veurnemes door te werke zoeë laat azzet gong. Veur de lochtigheit zote eeder eine lichte vink op en as oavesête nome ze drij bokeskeuëk mei in vere gesneje, en daobij twieë tuite botermelk, die ze op de gebroekelike meneer mit reemkes aan de heizigs gebonde euver den rök honge.

Weus en akelig waas in dên tiêd nog de Venstreek, die ze ein ind meuste doortrekke. Aan weerszie van den alde Stroalse wêg loge wiedluipige zompe en peul, dich begreuid mit luus en reet en umzuimp mit elze holt, vane en broamelestruûk. Doa hoort me niks as 't gekwaak van de kikvors en 't gesnater van de ênde, woavan der soms 'n kloch oêt de zomp opvloog.

Toe Jan mit zienen Helmus bij de kamp waren aangekome, loge ze eure knapzak tösse einen berke stroêk en begoste te hakke. Jonk en ieferig wie ze ware, gunde ze zich gein rös as um wat oassem te schöppe en te drinke of knips ein half oor um eur proviand aan te sprêke. Ze wisten ouk van gein oêtscheije, en doe ze 't struitsel in huip hadde gezat, waas den oavond al ein hieël ind gevalle. Ze nome de heizigs weer op de schouwers en gongen noa den hoaf truuk.

Doeëd meug door de zwoaren en lankwieligen erbeid sukkelde oos Besjeslu gedoek en druimerig veuroet, in volle kompenie mit de hiere van 't brook, die bij eeder stap verschrik veur eur opspronge. Maar klam hadde ze den _Arenborg_ en _Genroai_ achter den rök, of doa, aan einen tomp van de wêg, meinde Helmus inens ein gedruus en gejuister in de loch te hure. De mood za_g_den--um in de hoaze, en vol engs greeppe Besjesboer bij den erm en reep: "baas, kiek ens umhoeëg. Eine veurige wage mit veer pêrd en eine mins derin, dê lammenteert!"

"Jong", zag Jan, "zêgen dich en bêj eine Vaderons, det os gei kwaod euverkump. Ik weit wê 't is."

Doe ma_g_de ze bein en kêrde ze den diek euver noa den alde Stroalse wêg, op de hakke gezête, wie ze meinde, door allerlei buës gespuus, woatêge einen heizig niks vermaag. En neet veur det ze de töp van Besjes hoeëg linde in 't verscheet krege, veel eur de de schrik van et hert en doe vroog de knech: "baas, wê hebbe we gezeen? Zoe et de man mit ziene wage zien, dê now en dan door de loch riet en woavan Sint Hoeberts Drik nog pas hêt opgehoald?"

--"Precies jong", zag den ander, "hê was et. Hazepoeët de Schelm, dê de loeën van de werklu achterheel.

"Zien straf is nog neet oet; zoolang motte mit ziene gleujende wage door de loch rieje en wuurte geschreuid, totte zal hebbe voldoan: ein waarschouwing veur andere van zie slaag.

"Now is 't te laat, maar ezondaag zal ik dich zien hieël historie waal ens van nödje tot zökske vertelle, ik kin ze".

Ter kenschetsing van de dialektische volkstaal steunden wij in het bovenstaande, zooals gebruikelijk, vooral op klankleer en flexie. Toch zijn ook _woordenschat_ en _syntaxis_ van het grootste belang, vooral wanneer men de volkstaal behandelt in tegenstelling met de kultuurtaal. Wij kunnen hier echter onmogelijk diep op de zaak ingaan en verwijzen dus naar de afzonderlijke idiotica. Zoo b.v. Gallée voor het Geldersch-Overijselsch, Molema voor het Groningsch, Bergsma voor het Drentsch (onvoltooid), Waling Dijkstra en Buitenrust Hettema voor het Friesch, Boekenoogen voor het Zaansch, Bouman voor de volkstaal in Noord-Holland, Opprel voor het Oudbeierlandsch, Van Schothorst voor het N.W. Veluwsch, Van de Water voor de volkstaal in het Oosten van de Bommelerwaard, Simons voor het Roermondsch, Jongeneel voor het Heerlensch. Zuid-Nederland heeft in het opteekenen der idiotismen meer ijver en belangstelling getoond dan Noord-Nederland. Wij kunnen hier wijzen op het omvangrijke Algemeen Vlaamsche Idioticon van Schuermans, op het Westvlaamsche Idioticon van De Bo, op het tot een Idioticon omgewerkte Gezelle-tijdschrift Loquela. Verder maakte Cornelissen en Vervliet zich verdienstelijk door het opteekenen van de volkstaal van Antwerpen, Tuerlinckx en Claes voor het Hagelandsch, Rutten voor het Haspengouwsch, Teirlinck voor den woordenschat der Zuidoostvlaamsche tongvallen; enz.

Hier liggen inderdaad "schatten van de volkstaal" opeengestapeld. Hoeveel beter dan in de kultuurtaal zien wij hier de strooming en tegenstrooming van integratie en differentiatie, het zich splitsen, zich vertakken, en weer ineenvloeien van de verscheidene beroepstalen, het eenerzijds stoer-behoudende en anderzijds ook weer koen-vooruitstrevende in het leven der taal. Archaïsmen, ware survivals uit overoude tijden, vindt men in de meest gewone populaire zinswendingen. Zoo b.v. het Limburgsche "met bed en bult vertrekken", waar _bult_ nog _de_ beteekenis heeft van het Middelnederlandsche _bulte, bult_ "stroozak"; de uitdrukking "van het bed op het stroo komen" herinnert aan een overoud lijkgebruik (I, bl. 290). In het Sallandsche: "hi kan lêzen en broodsnieën", d.i. hij kan twee dingen tegelijk doen, heeft _lêzen_ de oude beteekenis van "bidden". De algemeene Nederlandsche volkstaal kent uitdrukkingen als "van den hak op den tak", waar _hak_ nog de oude beteekenis bezit van "krommen tak";--"hij heeft kind noch kraai", waar _kraai_ "den kraaier" beteekent, d.i. den haan, welk woord immers etymologisch samenhangt met het Latijnsche _canere_ "zingen";--in "kap en kogel verliezen" is _kogel_ de halskraag;--in de zegswijze "wie het onderst uit de kan wil hebben, die valt het lid op den neus" is _het lid_ de deksel. Naast deze archaïsmen staan echter ook weer neologismen, vooral, naar wij zullen zien, in de woordvorming.

De volkstaal beweegt zich in analytische richting. Regelmatig worden de omschrijvende naamvallen voor de verbogen naamvallen gebezigd. Men zegt dus niet: "vaders jas", maar "de jas van vader", of "vader zijn jas". In plaats van den vergrootenden of overtreffenden trap wordt somtijds het woord in den stellenden trap herhaald: "het is droevig en droevig"; en zoo vervangt men ook het bijwoord: "het gaat beter en beter", d.w.z. steeds beter. Het woord _beter_ wordt echter ook als positief beschouwd, en dan vormt het volk den eigenaardigen komparatief _beterder_. Het meervoud, of liever het begrip "enkele", vindt men niet zelden omschreven door "een of twee", of door "een gas", "een koppel". Potentieële vormen treft men zeldzamer aan, naar mate men dieper in de lagen der volkstaal doordringt. Het twijfelende en onzekere bij vermoeden of veronderstelling wordt uitgedrukt door een bijwoord als "misschien" of door een hulpwerkwoord. Bij deze richting sluit zich aan het sloopen van de werkwoordelijke tijden. De verleden tijd gaat in de volksvertelling hard achteruit. Meestal bezigt men het praesens of perfectum, dat veelal nog de plaats moet ruimen voor het plusquamperfectum: "wij waren geweest, wij hadden gezien", voor: "wij zijn geweest, wij hebben gezien". Deze meer dan voltooid voltooide tijd komt vooral veel voor in Zuid-Limburg. Het praeteritum weet zich echter te handhaven in het zoogenaamd apologische spreekwoord (zie Vijfde Hoofdstuk I); terwijl de tegenwoordige tijd het tempus is van het volkslied als praesens historicum. Het futurum wordt dikwijls vervangen door het praesens. Zoo vloeien de grenzen van het feitelijke en het mogelijke, van het verleden en van de toekomst meer ineen dan in de kultuurtaal.--Daarentegen beweegt zich een tot indirekt reflexivum verzwakte dativus ethicus weer in synthetische richting: "zich een pijp rooken, zich een glas drinken."

Het terrein der werkwoorden _doen_ en _laten_ strekt zich in de volkstaal veel verder uit dan in de kultuurtaal. Hoogst belangrijk is ook de woordvorming, stout en realistisch, met bepaalde voorliefde voor frekwentatieven en diminutieven. Als voorbeeld van de verscheidenheid en het koloriet der populaire woordvorming diene de synonymie (natuurlijk met genuanceerde beteekenis) van het werkwoord _gaan_ in de Graafschap (zie Driem. Bladen III, bl. 105 vlg.). Men kent daar _goan_: gaan; _sjoksen_: loopen en in de knieeën zakken; _snoksen_: de voeten bij het loopen op ongewone en tevens onverschillige manier neerzetten; _gèspelen_: draven; _flearen_: het vlug en driftig loopen eener vrouw; _zobben_: op een draf loopen met zwaren gang; _bizzen_: vlug loopen; _bozzeken_ en _foddeken_: vlug met kleine passen loopen; _sabelen_: vlug met groote stappen loopen; _schriêden:_ stappen; _loopen; kuiern; hompelen_: gebrekkig loopen; _strompelen; geiselen_: zoo vlug mogelijk loopen; _drapsen_: herhaaldelijk eenzelfden weg loopen; _striéken:_ flink stappen zonder de voeten hoog op te lichten; _steigern_: met den neus in den wind loopen; _tippeln_: licht loopen met vluggen tred; _krummeln_: langzaam met kleine passen loopen; _pladdeken_: met bloote voeten loopen.

Dat deze expressieve en oorspronkelijke populaire woordvorming vooral ook bij de scheldwoorden en scheldnamen tot uiting komt, behoeft wel geen betoog. Laat ik nog enkele volksuitdrukkingen voor _drinken_ aanhalen, door De Cock bijeengegaard (zie De Navorscher, XLVII, bl. 56; XLVIII, bl. 40; IL, bl. 130): _Bekeren; pimpelen; borrelen; borlesoesen; borleboppen; toeteren; fleppen; swobbelen; gulpen; duimen; loreeren; zich bekladderen; tullen; pullen; avoezen; sippen; lepelen; leppen; lepperen; petteren; pampelen; sassen; heften; kiepen; spichteren; kwasten; kwiskwassen; schossebrokken; zoppedoppen; swijnswansen; swijnswollen; slampampen;_ enz. enz.--Typisch is ook het klanknabootsend element in de scheppingen der volkstaal; het is zoo goed als interprovinciaal. Hoe roept de boer het vee? De jonge ganzekuikens met _wiede-wiede-wiede-wiede_ (of _wiele_ enz.); de eenden met _piele-piele-piele-piele;_ de jonge kippetjes met _tik-tik-tik-tik-tikketikketik._ Het roepwoord wordt, naar men ziet, meest viermaal herhaald. Dit geldt ook voor het roepen op de kippen: _tuut_; op de jonge katjes: _pie_; (het roepwoord voor oudere katten is _poes_); op de geit: _sik_; op de jonge schaapjes: _suuk_; op jonge kalveren: _kies_; op het veulen: _siesken_; op de koei: _hooi_. Biggetjes roept men door een smakkend geluid met de tongpunt, die artikuleert tegen het gehemelte. Den hond roept men bij zijn naam. Zie Driem. Bladen VI, bl. 58.

Merkwaardig zijn nog de uitermate veelvuldige en expressieve vormen, die een bevestiging, ontkenning of verwondering te kennen geven, als: _ménschekinderen! héeremijntijd! wélallemáchies! kindergóads! jóngesjóngens!_ dit laatste is zelfs tot in Sleeswijk doorgedrongen. De ontkenningspartikel wordt somtijds verdubbeld zonder de ontkenning op te heffen; men denke aan "niets niemendal". De Maastrichtenaar kent twee bevestiginspartikels, éen gewone en éen beleefdere, welke met _het_ is samengesteld, dus _joa_ en _joat_.

De woordvoorraad en de semantiek der volkstaal eischen verder onze volle aandacht. Het is een fabel, dat deze heele voorraad slechts uit een paar duizend woorden zou bestaan. Zonder twijfel ontbreken in de volkstaal tallooze uitdrukkingen voor begrippen uit het gemoeds- en geestesleven, uit het gebied van wetenschap en techniek. Zoo is het zelfs met de verklanking der gevoelens van liefde en vriendschap gesteld, toch zoo diep geworteld, en van sommige zinnelijke waarnemingen, met name van kleur en reuk. Maar hier staat tegenover, dat het volk woorden in overvloed heeft om schakeeringen van de een of andere handeling uit te drukken, zooals wij dit zagen voor het begrip "loopen". Het kan weergeven de meest verscheiden toestanden en soorten van planten en dieren, van weêr en natuurverschijnselen in het algemeen, van lichaamsdeelen, huisraad, maten en gewichten enz. enz.

Ook moet men bij de beoordeeling van dit alles zeer voorzichtig zijn. Ik zal mij tot enkele voorbeelden bepalen, omdat, zoodra de tijdsomstandigheden dit gedoogen, het rijke voor ons dialektonderzoek bestemde materiaal ook ten bate der semantiek zal verwerkt worden. Op tal van plaatsen in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland noemt het volk elken kleinen vogel een _musch_, evenals de Amsterdammer over een _finkie_ spreekt. Wat is echter gebeurd? Het woord _musch_, hoogstwaarschijnlijk aan het Latijn ontleend, waar het "vlieg" beteekende (_musca_), heeft een groote uitbreiding, een verwijding van beteekenis ondergaan en heeft generische waarde gekregen als synoniem van "kleine vogel". Of liever, het heeft "vogel" in deze beteekenis verdrongen. De afzonderlijke vogeltjes missen dan ook geenszins hun afzonderlijke benamingen, soms ruw, andermaal geestig, steeds karakteristiek. Het muschje zelf heet b.v. te Beesel _koarerakker_, te Lottum _koarevrêter,_ te Blitterswijk _koarepikker_ of _koarejietser_ (Limburgsch _jietsen_ is synoniem van _biesen_, d.i. "vlug loopen, vliegen, schieten"), te Swolgen _korepikker_, te Swalmen en Neer _guut_ (guit), te Niftrik _huiskrits_, te Groesbeek _huusklets_, te Grubbenvorst _floets_, te Maasbree _schroep_, te Helden _hoeskets_. Om beurt wordt het landelijke, diefachtige, huiselijke, vlugge, brutale, ja komische van dit bij uitstek populaire vogeltje voortreffelijk uitgebeeld! Men denke ook aan het Hoog-duitsche _Spatz_, een komische kortnaam voor _Sperling_. Hoe rijk vertoont zich hier de volkssemantiek, waarvan echter slechts gekleurde kaarten in den trant van die van Gilliéron een overzichtelijk en tevens verklarend beeld zullen kunnen geven.

Een ander voorbeeld. Voor "kikvorsch" kent het volk de benamingen _kikker(t), kwakker(t), kwekker(t), kwakvorsch, kwakvos, kwak_ (Panningen), maar ook _kikbil_ (Wanroy) en _peddemoeëk_(Weert). "Êrst kuulkop zeen, êr men kwakkert wêrtj", meent men te Beegden, en te Lottum gaat men hiermee akkoord: "Hê mint enne kwekvôrsch te zien, en hên is nog genne pannestart."

De groote, zwarte korrels in rijpende roggearen, het zoogenaamde moederkoren (_secale cornutum_), dat bij bevalling medische toepassing vindt, vanwaar zijn naam, is ook onder dezen naam bij het volk bekend. Maar het heet ook _wolfskoare_ (Maashees), _wolvepitten_ (Reusel), _wolfstand_ (Nifkrik, Wanroy), _doevekoare_ (Weert), _mössekoare_ (Panningen), _pèrdentaand_ (St. Anthonis, Deurne), _krog_ (Berghem), _duvelsköre_ (Swolgen), _brantj-in-'t koare_ (Beegden, en met fonetische wijziging te Mheer).

Tot de belangrijkste verschijnselen op het gebied der beteekenisleer behooren wel de benamingen van den _vlinder_ in de volkstaal. Men treft in Limburg en Noord-Brabant vooral verscheidene samenstellingen met -_vogel_ aan; zoo b.v. _zomervogel, roevogel, pannevogel, pennevogel, kapelvogel_ (d.i. manteltjesvogel), vereenvoudigd tot _kapel, fenienvogel_ (rupsvogel) enz.; elders komen namen als _kog_, en _snuffelter_ voor, deze laatste in noordwestelijk Limburg. Van uit het Romaansche taalgebied drong het woord _pepel_ binnen, zooals onze isethnenkaart aanwijst.

In den zinsbouw treft ons weer vooral de analytische richting, die zich hier uit in de _parataxe_ of nevenschikking, waar wij in de kultuurtaal meestal onderschikking aantreffen. In plaats van: "Wil je zoo goed zijn, mij dat boek te geven", konstrueert de man-uit-het-volk: "Wil je zoo goed zijn en mij dat boek geven", of: "Wil je zoo goed zijn en geef mij dat boek". Opvallend is ook de voorliefde voor werkelijke tusschenzinnen, die b.v. de bevestiging van den spreker inhouden, dàt hij spreekt, of de reden, waarom hij spreekt: "Dat kan wel zijn, zeg-ik, dat hij ziek is, zeg-ik". Hier speelt het emphatisch moment wel een hoofdrol, waarover nader. In andere gevallen hebben wij te doen met een streven naar verduidelijking, zoo b.v. in het boven aangehaalde: "_wie_ het onderst uit de kan wil hebben, _die_ valt het lid op den neus; --_die_ eerst komt, _die_ eerst maalt". Een streven naar vereenvoudiging ligt ten grondslag bij het weglaten van voorzetsels, als het taalgevoel sterk genoeg is, b.v. in de spreekwijze "hê geit heim" (Zuidlimb), voor "noa heim," d.i. huiswaarts, en bij de ellipse van woorden als "jaar" en "dag."

Wat ik als den meest markanten trek van de volkstaal beschouw is haar emphatisch, eenigszins gezwollen karakter. Luister slechts naar het verhaal van een representatief man uit den volksstand, en let op zijn breedsprakigheid, zijn samengekoppelde voegwoorden _alsdat, alswanneer_, luister, hoe hij herhaaldelijk spreekwoorden of zegswijzen in zijn verhaal- en betoogtrant invlecht, hoe hij aldoor vergelijkingen en omschrijvingen bezigt en in herhalingen valt, somtijds in beknopten, resumeerenden vorm: "Mijnheer, ik zeg, dat is niet eerlijk; neen, dàt is het stellig niet". Of ook: "Piet moet maar blij zijn; dàt moet-ie." Ook het negatieve parallelisme is den volksman niet vreemd.

Hij wil u de zaak ophelderen, u overtuigen. Daartoe bezigt hij--nog afgezien van gebarenspel en mimiek--krachtige, ja pikante uitdrukkingen, frekwentatieven, deminutieven, superlatieven ja desuperlatieven, zelfs dichterlijke uitdrukkingen, als het gewone hem te slap voorkomt. Inderdaad raken de dichterlijke taal en de volkstaal elkaar niet zelden, omdat beide behoefte hebben aan ruimheid en vrijheid.

Deze breedsprakigheid en zucht tot vergelijking uit zich tot in de straatroepen: "Haal Zeeuwsche moss'le, ze benne zoo fijn", --"leest burgers, leest";--"kom nou, juffrouw, kom nou";--"elft as zalm";--"rapen as kinderhoofies." De term "haal" is van ouds typisch in de straatventerstaal. Ik herinner nog aan den straatroep der vrouwen, die te Nijmegen met kersen venten: "En vier cent het pond, riep en rond." De mosselenverkoopster uit de Schietschijfstraat te St. Joos-ten-Oode roept: "Mosselen, álderschoónste mosselen!"

Hoe verder te lange en te korte woorden verdwijnen; hoe woorden en woordkonstrukties opkomen, vervormd worden, zich handhaven of de plaats ruimen voor andere, dit alles is onze aandacht overwaard en dient door gezette studie nader onderzocht. Maar reeds bovenstaande vluchtige schets heeft ons in voldoende mate het bewijs kunnen leveren, hoe door archaïsmen en neologismen, nuchtere en dichterlijke spreekwijzen, omslachtigheid en streven naar vereenvoudiging, uitsterven en herleven van woorden en taalvormen, begripsverwijding en begripsvernauwing vooral ook de golving en deining in de levende volkstaal voortreffelijk zichtbaar wordt: de wetten van integratie en differentiatie, die de hartslag zijn van elk levend taalorganisme.

II. Onze plaatsnamen.

(_Met inleidend overzicht over onze persoons- en geslachtsnamen_).

De namenkunde heeft zich in den laatsten tijd een belangrijke plaats in Volks- en Volkenkunde weten te veroveren. De reden hiervan is het archaïeke karakter der verschillende benamingen. Plaats-, persoons- en geslachtsnamen zijn in staat ons een menigte bijzonderheden te verhalen over dingen, die op geen andere wijze kunnen worden achterhaald; en zoo zullen zij ook over den volksaard en zijn herkomst getuigenis kunnen afleggen voor tijden, waaromtrent de taal van zeden en gebruiken, van volksopvattingen, volkskunst en volkswetenschap verstomt. Laat ik hier terloops aanstippen, hoe A. Fick er in slaagde, door middel der plaatsnamen de eenheid te bewijzen van de oude bevolking van Klein-Azië, en van het Zuiden van het Balkan-schiereiland en de eilanden in de Aegeïsche Zee vóor de volksverhuizing der Helleensche stammen; en vooral, hoe de geniale onderzoekingen van Wilh. Schulze over de Latijnsche eigennamen den diepgaanden invloed van Etrurië op Rome en de Romeinsche kultuur hebben aangetoond. De stad Rome zelf en de Tiberstroom dragen Etruskische namen.

Toch ligt het in mijn bedoeling, alleen de plaatsnamen iets uitvoeriger te behandelen, zooals reeds uit het opschrift van deze paragraaf blijkt. Reden is, dat de studie der Nederlandsche persoons- en geslachtsnamen eigenlijk meer behoort tot het domein van de geschiedenis der Nederlandsche taal in het algemeen, dan van de Nederlandsche volkskunde.

1. De oude Germanen hadden slechts éen naam, die eigenlijk gelijkwaardig was met onzen doop- of voornaam. Zoo b.v. _Gerhard_ "de sterke met de speer", _Adelbrecht_, "de schitterende door adeldom", _Everhard_ "sterk als het everzwijn", _Wigburga_ "steun in den slag" enz. Van _Gerhard_ (of _Hardger_) is dan _Gero_ de verkleinnaam, de vleinaam (_epicoristicon_), streelnaam of kortnaam die, wat de funktie betreft, van Indogermaanschen oorsprong en ook Indogermaansch gemeengoed is.

Toch stelde men zich hiermee niet steeds tevreden en trachtte men ook de afstamming of verwantschap uit te drukken en wel door alliteratie (_Heribrand_, _Hildebrand_ en _Hadubrand_: grootvader, vader en zoon in het Hildebrandslied); of ook men maakte gebruik van een deel van den vaderlijken naam om den naam van den zoon samen te stellen.

Oorspronkelijk hebben de ouders hun kind den naam gegeven als wensch, b.v. "hij moge sterk zijn als een beer": _Berinhard_; maar later werd deze oorspronkelijke beteekenis niet meer gevoeld en was het doel uitsluitend, den drager van een bepaalden naam van anderen te onderscheiden. Ook toen het Christendom zegevierend zijn intrede deed in onze Germaansche landen, kwam in deze naamgeving weinig verandering. De Christelijke doopnamen drukken het heuglijk feit der wedergeboorte uit of wel den dag des doopsels; maar al dagteekenen deze uit de IIIe eeuw, in onze landen heeft de kerstening lang op zich laten wachten, en het heeft allen schijn, dat de Kerk--afgezien van de namen, die een heidensche godheid aanduidden--ook hier een Oudgermaansch gebruik, waarin niets heidensch stak, liever niet met geweld wilde keeren. Slechts enkele malen vinden wij een _Stephanus_, _Nicolaas_, _Johannes_ of _Christianus_, tusschen de Germaansche benamingen als verdwaald. Deze blijven regel en ondergaan regelmatig de gewone verkorting, vanwaar de namen _Otte_, _Huig_ en _Koen_ ontstonden.

Maar omstreeks de XIIIe eeuw heeft een belangrijke verandering plaats gehad. In een register van de abdij van Egmond vinden wij de namen vermeld van _Jacob_, _Katerine_, _Pieter_, _Clare_ enz. naast _Garbrant_, _Dideric_ en andere. Wij vinden dus specifiek-Christelijke namen, doch niet in den Latijnschen vorm, maar in dien, welken zij in de Germaansche wereld hadden aangenomen. En zoo staat het ook met de namen, gedragen door heiligen van Germaansche afkomst: zij zijn in hun Germaanschen vorm in gebruik gebleven; en eerst later zijn zij gelatiniseerd. Na de Hervorming zijn een groot aantal Bijbelsche namen in zwang gekomen. Ook heeft de Renaissance haar invloed doen gevoelen. Zoo krijgen wij dan:

_a_. Profane Germaansche voornamen, nog in gebruik. Men vindt deze het meest bij de Friezen, die trouwens het minst van de heiligennamen der Martyrologiën hebben gebruik gemaakt. Dit geldt ook voor Noord-Holland met zijn doorslaand Frieschen aard; de naamlijsten komen daar op treffende wijze met de Friesche overeen. Zoo luidde _Dieuwer_ in zijn oorspronkelijken Frieschen vorm _Thiadewara_; _Guurtje_ is waarschijnlijk uit _Gundrada_ ontstaan; _Ermpje_ is kortnaam van _Ermengaarde_. Men denke nog aan _Wendert_ (_Windhard_), _Jelbout_ (_Ethelbold_), _Nanning_ enz. Over het groot aantal voornamen in Friesland zie R. Posthumus in den Nieuwen Frieschen Almanak 1859, bl. 49.