Nederlandsche Volkskunde

Chapter 26

Chapter 263,778 wordsPublic domain

Verder loopt de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal niet evenwijdig met die in sociale groeptalen, welke berust op de maatschappelijke struktuur van elke taalgemeenschap. Hiermee worden bedoeld de verschillende sociale groepen, die hare eigenaardige spreekvormen en uitdrukkingen hebben, waardoor rimpeling en golving de effen gladheid van het taalniveau verbreekt. De afzonderlijke sociale verhoudingen toch, zoo tastbaar en toch zoo onvoldoende onderzocht en in het oog gehouden, voeren tot zoogenaamde "Sondersprachen", waardoor meer taalvariatie bedoeld wordt, dan een afzonderlijk dialekt.

Somtijds bestaan zij slechts uit een komplex van enkele woorden of woordgroepen, maar andere malen hebben wij te doen met een uitgewerkt taalsysteem, dat door zelfstandige woord- en zinsvorming wordt gekenmerkt; zie verder mijne Rede over Sociale Klassieke Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 12 vlg. De sociologische struktuur der Nederlandsche taal wordt voortreffelijk behandeld in de twee eerste deelen van het Handboek der Nederlandsche Taal van Dr. J. Van Ginneken.

Men mag zeggen, dat de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal die in groeptalen snijdt. Bij den groei en de ontwikkeling der taal is zij de latere. Immers, bij het voortschrijden der kultuur wordt de hoofdgroepeering der maatschappij zelf anders, en loopt de scheidslijn veeleer tusschen de spreekvormen der lagere maatschappelijke klassen, en die van het meer beschaafde gedeelte der maatschappij. De sociale hervorming differentiëert dus de taal in volkstaal en kultuurtaal. Dan volgt definitieve integratie in de algemeene kultuurtaal.

Nu ligt het echter voor de hand, dat het volksleven en volkswezen zich het trouwst weerspiegelt in de dialektische volkstaal. Dáar komen het best de algemeene caracteristica der volkstaal tot hun recht; dáar geeft zich de man-uit-het-volk met heel zijn eigenaardig begrips- en gevoelsleven, met zijn breedsprakigheid, zijn herhalingen van woorden of zinsneden, hetzij in hun geheel, hetzij in verkorten vorm, zijn schijnbaar onlogische konstrukties, zijn emphatisch karakter, zijn voorliefde voor spreekwoorden en zegswijzen, zijn volkswijsheid en volksredeneerkunde. In deze taal krijgen de sprookjes hun tooverglans. "Jede Provinz", zegt Goethe, "liebt ihren Dialekt, denn er ist doch eigentlich das Element, in welchem die Seele ihren Athem schöpft". In de streektaal is de volksman op eigen terrein; daar groeit de volkstaal uit de gemeenschap; daar spreekt het volkswezen het best, óok omdat de sociale bestanddeelen zich daar huwen aan momenten van ethnischen aard. Wij wenschen dus de volkstaal vooreerst en hoofdzakelijk te leeren kennen in en uit het dialekt; een zuiver-taalkundige behandeling der dialekten ligt natuurlijk buiten het bestek van dit werk.

I. Het Taaleigen.

Onze Nederlandsche tongvallen behooren tot de westelijke groep der Germaansche dialekten. Deze omvat nl., behalve de weinig bekende taal der oude Longobarden, de dialekten der Germaansche veroveraars van Engeland: Angelen, Jutten en een deel der Saksers; verder het Friesch, dat zich uitstrekte tusschen Schelde en Weser; het Saksisch van het vaste land; het Frankisch; het Hessisch en Thuringisch; het Allemannisch en Beiersch, de voornaamste dialekten van het Opperduitsch. Overeenkomstig den stam der volken, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, om onze gewesten te bevolken, zijn onze Nederlandsche dialekten van Friesche, Saksische en Frankische herkomst. Plaatselijk zijn ze met andere, met name Keltische bestanddeelen vermengd.

Ook heeft men gemeend Ooreuropeesche invloeden en bestanddeelen te kunnen waarnemen, zooveel als Ooreuropeesche fossielen [10]: overeenstemming met Keltische en Slavische taalverschijnselen, die zou berusten op gemeenschappelijk Ooreuropeeschen grondslag. Als zulk een fossiel beschouwt men b.v. de ratelende _z_ (_zr, rz, rs_), die in Oost-Brabant, d.w.z. het grootste gedeelte van de Meijerij, met de landen van Cuyk en Ravensteyn, tot in het westelijke deel van Maas en Waal in het Noorden en tot in Peel- en Kemperland in het Zuiden gehoord wordt in plaats van de gewone _r_, b.v. rooster: _rzeuster_; berispen: _berzispen_; kar: _karz_. Deze klank vertoont inderdaad groote overeenkomst met de Boheemsche _r_. Maar fonetische overeenkomst behoeft niet noodzakelijk door gemeenschap van herkomst te worden verklaard.

_1. Het Friesche taaleigen._ Friesch leven, taal en volkaard, wij zagen het reeds (I, bl. 6), heerschte eertijds in de provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijsel en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Thans is het Friesch gebied heel wat ineengekrompen. Het Landfriesch, zoo heet het zuiverste Friesche dialekt, wordt gesproken tusschen Vlie en Lauwers en omvat 1. de tongvallen der Waldjers in het Noordoosten; 2. die der Klaikers in het Westen en 3. het Zuidhoeksch, dat grenst aan den Saksischen tongval van de Stellingwerven. Verder behoort hiertoe 4. het taaleigen van West- en Oost-Terstelling. Te Midsland op Terschelling wordt tegenwoordig hetzelfde Noordhollandsche dialekt gesproken als op Texel.

De Klaikers zijn de bewoners van de kleistreken, de Waldjers de bewoners van de Dokkumer woudstreken of zandgronden. Het is zeker niet louter toevallig, dat hun dialekt eenigermate afwijkt, al wordt dit verschil thans met den dag geringer. Gesteldheid van den bodem op de alleerste plaats, wellicht in samenwerking met het klimaat, heeft een sociologische differentiatie tot stand gebracht, die niet zonder invloed op het dialekt gebleven is. Ook de lokale afwijkingen van visschersdorpen als Wierum en Moddergat zijn sociologisch licht verklaarbaar; zie vooral Joh. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon ('s Gravenhage 1874) I, bl. 428 vlg. Ligging en bedrijf hebben ongetwijfeld ook hun invloed doen gelden op het afwijkend taaleigen van Schiermonnikoog en eveneens op het Hindeloopensch, dat over de taal van Molkwerum meer de overige, boven genoemde dialekten nadert. Is Hindeloopen niet in alle opzichten uitermate karakteristiek, zoo in vorming als in kleeding, zoo in volksvoorstellingen als in zeden en gebruiken?

Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de zee. Theod. Siebs verklaart den naam _Fresa(n_) door verwantschap met het Oudhoogduitsche _freisôn_ "in gevaar zweven", waardoor bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de Germaansche talen dan ook een geheel bijzondere plaats in: zij is een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch--met name het Northumbrisch--bestaat haar het naast in den bloede. De Friezen behooren tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap: _skieëp;_ jaar: _jieër;_ rijk: _riek_; voet: _foeët;_ huis: _hoes_; deel: _deel;_ steen: _stieën;_ oog: _eea_g; sturen: _stjoere;_ hand: _haan_; oud: _aald;_ vogel: _foegel;_ hond: _hoen_ enz. [11] De drie persoonsuitgangen eindigen in het meervoud allen op een toonlooze _e_. De _n_ wordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen na toonlooze _e_ weggelaten. Het verleden deelwoord kent geen voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groep _sk_ blijft in 't begin, midden en einde der woorden: _skieëp, woskje, fisk_; _ch_ wordt _ks_: _okse_, en niet _ss_ als elders. Ook is zangerigheid aan het Friesche taaleigen vreemd,--zegt men niet: "Frisia non cantat"?

Dit Landfriesch of Boerenfriesch heeft zich weten te verheffen tot een rijk kultuurdialekt. Laat ik aan de hand van Winkler hier de namen vermelden van Gysbert Japicx, "den frieschen Vondel"; Tjeerd Ritske's Velstra, "den frieschen Poot"; Waling Dijkstra, "den frieschen Fritz Reuter". Verder de gebroeders Halbertsma, Rein Postumus, die o.a. eenige werken van Shakespeare in het Friesch vertaalde, en Tiete Roelof's Dijkstra, oprichter van het Selskip for frîske tael- end skriftekinnisse.

Friesch.

(_Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door_ F. U. Lourensz).

De klokken fen Sint-Odolf.

It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în 'e earste helte fen 'e 9e ieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.--By in tîge lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.--Dit plak în 'e Sudersé wirdt troch de séljue nog altijd as "it tsjerkhôf fen Ald-Starum" oanwîsd en hja komme as 't kin, der net tichte bij.--

Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer de klokken üt te sprekken; mar dat hie în 't bigjin gjin neidélige gefolgen.

Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it by oerlevering lîke te witen, de saek oan 'e biskop fen Utert forklapt;--dy, tîge lilk wier do 't er det hearde, en rîp: "Dan binne dy klokken des dîvels".--Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în 'e groun, sa great, dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier meî dizze bût sa în 't snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde tsjoenster, dy 't in bulte kwea die.

Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken te keatsen.

Omke siet te Himelum en neef op 'e Galamadammen; sa smieten se elkoar de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong in nacht of whet goed.--Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen 'e klokken liet er în 't wetter fen 'e Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch de ierdkoarste hinne en kamen în 'e onderwrâld torjuchte.

Sint dy tyd hearre de fiskers op 'e Fluessen en de biwenners van de Galamadammen 's nachts soms in dof gebombam în 'e djipte.

Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is whet better.

Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în 'e Haagsche lotterij de hûndert tûzen trokken hat.--Dan is der blydskip în 'e hel.

Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men het Saksisch-getint Friesch dan wel Friesch-getint Saksisch moet noemen. Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische bijzonderen de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn: _sk_ voor _sch_; de scherpe uitspraak van _v_ en _z_ als _f_ en _s_ in het begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen, b.v.: "Dou hât dat wel laten kunnen" (Je hadt dat wel kunnen laten); eindelijk de uitspraak _bien, tien, breg, pet_, voor been, steen, brug en put.

Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan de overzijde der Zuiderzee, te beginnen met Strandhollandsch (of Strandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond, Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen. Hoe verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen! Men hoort hier ook nog de Engelsche _w_ als beginletter. Dan volgt het Noordhollandsch met de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de kluchten van Bredero bekend, komt in meer dan éen opzicht overeen met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het oorspronkelijkst echter, en het minst door Hollandschen invloed gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen.

Zaansch.

(_Uit Leopold, Van de Schelde tot den Weichsel I, bl. 274_).

Oitje met een Jachie.

't Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.

Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onder jachie of glaze jachie verstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.

Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.

Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeen gelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter pleizier kende, dan zoo'n oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, 't gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, 't Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan "gepot" wordt voor vele soort van zaken.

Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alle dikke-nieuwe-centen, om aan 't des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.

't Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en 't was ook wel te begraipe. Op zoo'n kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is 't alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is 't nag zoo. Maar met zoo'n kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.

Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met 'et jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze 'et esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.

Dus, 'et jachie en die het roeie most, ware 'ehuurd voor Vraidag; den most het beure--weer of gien weer;--ze hadde er al goeie lucht op.

Maar wie zou 'et jachie oitreste?

Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: "Nou, den zei ik 'et wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;--wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar."

"Goed", zegge de are, "of-esproke".

De Vraidag kwam. 't Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan 't klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.

De knecht kwam met 'et jachie en nou wier de boel 'elade. Wel man, 'et zag er maar avvenant oit.

"Hè", zai Griet, "ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe."

De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.

Je konne wel zien, dat ze 'et alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om 't lekker oitje en dat ze nou al zoo'n lol hadde.

Op iens zait Neel: "Groote groen in 't hoissie, weer is me knippie?"--Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.

"Wat," vrage de are, "je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?" "Nee," zegt deuze, maar da's nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. 'k Heb het leete legge op 't bontje, vlak bij 't hoochie van den smoiger. Da's een malle boel.--Maar wacht eres. 'k Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule."

"Nou," zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt, "je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene."

"Wet," zait Neel, "ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene."

"Hou nou je groote babbelbek maar es dicht," zait Griet. "Deer hê-je een avvekaatje."

"Zoip, zwager, oome Jan is jarig!"

Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an 't kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.

Maar ik kom nog even terug op het Amsterdamsch dialekt, dat van groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in verschillende tongvallen, waarop door Joh. Winkler in zijn Dialecticon II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral te doen met de inwerking van het _bedrijf_ op de taal, waardoor afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz., anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt, en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Jan's Molenbeek enz. Ook te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men heeft hier vooral twee onderscheiden tongvallen. De eene heet te Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek, en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking, zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat van dat der andere. J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste thans nog in leven zijn. Ik schakel hier het Jodenhoeksch uit, dat weer uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder vooral nog het Kattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.: "moet je ook geschoren worden" luidt in den Kattenburgschen tongval: "mój jók geskórre wórre". Hiervan verschilde vroeger het Rapenburgsch eenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. Het Nieuwmarktsch wordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen, sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is het Bierkaaisch, de tongval gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. Het Komkommerbuurtsch hoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt: 't Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. Het Franschepadsch werd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en uitdrukkingen, aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten slotte nog vermelden het Kalverstraatsch, het Gebed-zonder-endsch, een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo merkwaardige Duvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid, "doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten, _négociants, nomades, colporteurs, vagabonds, chevaliers d'industrie,_ duitsche kwakzalvers, luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten- en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ""verdrijvers van wandgedierten" ", savooische lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun verblijf hielden en er te zamen een duvelshoeksch _jargon_ prevelden": Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92.

Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijke Hasseltsch, de volkstaal het Beeksch, dewijl deze meestal door de minder gegoeden gesproken wordt, die "obbe Beek" wonen. Zie Gittée, Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310.

2. _Het Saksische taaleigen_. Het zuiverste Saksisch wordt op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den deminutiefuitgang _-ien,_ en door _lief, bier_. Het Oostdrentsch (Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekte _a_ in het Oostdrentsch den _oa-(ao_)klank heeft aangenomen, terwijl zij in het Twentsch den helderen _a_-klank bewaard heeft. Dus: Twentsch _dage, hane_, Drentsch _doage, hoane_. Prof. Te Winkel, Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen, door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV, bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische kernland. Daar vindt men nog het "lösse hoes", de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen, dat men te Staphorst en Rouveen aantreft--type, zooals wij zagen, met beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)--stemt overeen het feit, dat het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen verschoven veenkolonies.