Nederlandsche Volkskunde

Chapter 25

Chapter 253,771 wordsPublic domain

Na den dood worden onmiddellijk deuren en vensters geopend in het sterfvertrek, althans op enkele plaatsen in Zuid-Limburg, een scheidingsgebruik, dat de ziel er vrij uit kan _pfluderen_ (fladderen), zooals men in Zwaben zegt. In de Graafschap, en in 't algemeen in 't Oosten van Nederland, wordt onder het bed, of in de buurt ervan, een bak met water of met water en melk gezet; dit gebruik heerscht ook in Westfalen en andere streken van Noord-Duitschland. In Groningen meent men, dat dit met een hygiënisch doel geschiedt, omdat dan alle vuiligheid op dit water trekt; elders zegt men, dat anders alle water en de melk in huis onrein wordt. Waarschijnlijk was de oorpronkelijke bedoeling, de ziel een bad in water en melk te schenken. In Oostenrijk keert men alle vaatwerk om, dat de ziel daar niet aan blijve hangen. In Friesland wilde het gebruik, drie handjes vol gerstekorrels rond den doode uit te strooien; het strooien van gerst of zand heeft over het algemeen geestenwerende kracht; vgl. bl. 76.

Nu zet men de klok stil en omfloerst den spiegel of keert hem om, "omdat er anders spoedig een tweede sterfgeval in het huis zou volgen", meent men in Friesland. De verklaring hiervan is deze, dat het spiegelbeeld van den mensch met de ziel wordt gelijk gesteld; het is dus te duchten, dat het spiegelbeeld van de overlevenden door den geest van den overledene worde meegevoerd. Dit zelfde gebruik vindt men plaatselijk, buiten onze grenzen, ook bij geboorte en huwelijk; immers ook in deze gewichtige levensmomenten wordt de mensch in hooge mate door de geesten bedreigd.

Naderhand worden deuren en vensters weer gesloten, eigenlijk en oorspronkelijk eerst na de begrafenis, om de ziel te verhinderen, terug te keeren. Dit blijkt o.a. hieruit, dat men in Noord-Duitschland aan de achterzijde van het sterfhuis een brok muur neerlegt, om zich voor het wederkeeren der ziel te vrijwaren. Wil men in Limburg uitdrukken, dat iemand reeds lang overleden is, dan zegt men: "Hij komt al haast terug." Het luiken der vensters werd later rouwsymbool, òok bij de naastbestaanden.

Een krachtig middel, om den terugkeer der schimmen te beletten, is ook het leggen van twee stroowisschen kruiselings over elkaar op de kruiswegen, of in het algemeen tusschen woon- en begraafplaats op den weg, dien de lijkstoet volgde: want de doode keert langs denzelfden weg terug, dien hij gekomen is. Inderdaad wordt het lijk-, schoof- of doodenstroo op verschillende wijze behandeld.

1. Men verbrandt het, en dit is nog op tal van plaatsen in het zuidelijk volksgebied het geval. Immers, de geest van den doode zou aan het stroo kunnen blijven hechten; dit is dus een reinigings- en scheidingsgebruik. In alle geval:

2. Men verwijdert het na den dood uit het huis, evenals de plank, waarop de doode gelegen heeft. Dit is natuurlijk weer een reinigingsgebruik, evenals het keren van het huis en het verbranden van kleêren en andere voorwerpen, waar de dood mee in aanraking kwam. Vandaar het gebruik in Zeeland, Noord-Brabant, Gelderland, Vlaanderen en enkele jaren terug ook in Limburg, na den dood bossen stroo aan de deur van het sterfhuis te leggen, met of zonder rouwbanden; naar den ouderdom van den overledene neemt dit grootere afmetingen aan. In de Noordbrantsche buurten Loon-op-Zand, Sprang, Capelle enz. wordt kort gesneden stroo onder drie naast elkaar liggende steenen gevlijd. Naderhand dienden lijkstroo en lijkplank als teeken, dat iemand overleden was.

3. Het stroo wordt kruiselings voor de deur gelegd, of men maakt er wisschen van, die op de kruiswegen gelegd worden. Ook wordt de kist op het reestroo geplaatst, en op den weg naar het kerkhof worden stroowisschen of enkele halmen van de kar op den grond geworpen. Aldus in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Limburg, Gelderland enz. Dit stroo dient om den geest het terugkeeren te verhinderen. Zelfs legt men o.a. te Sittard twee stroohalmpjes kruiselings op hoofd, borst en voeten, om den geest den lust te benemen, zich weer met het lichaam te vereenigen. Deze en dergelijke gebruiken heet men te Mechelen dan ook zeer juist "den doode verloren spelen"; zie H. Coninckx, Mechelsche gebruiken II, bl. 51. Naderhand werd het gebruik ten deele gekerstend en vroeg de stroowisch op kruiswegen om een gebed voor de "geloovige zielen".

Aldus verklaart men ook, waarom het stroo vóor het sterfhuis wordt verbrand, terwijl het stroo langs of op den lijkweg daar moet blijven liggen, tot het verrot is.

Een aandoenlijke trek in het volksleven is het aanzeggen van den dood aan de huisdieren, die geacht worden in nauwer betrekking te staan tot den huiselijken kring en hun deel te hebben aan het wel en wee van het gezin. Aan het vee, maar vooral aan de bijen wordt de dood van den meester aangezegd. Het best is deze trek bewaard gebleven daar, waar de huisgemeenschap van menschen en vee het innigst was, nl. op de Oudsaksische hoeve; aldus te Weerdinge en Emmen, dan ook eertijds te Meppel en Hoogeveen. Te Barneveld maakt men een zwarte streep op de linkerzijde van elken korf als teeken van rouw; elders in het Oosten van het land worden de bijenkorven van rouwstrikjes voorzien; zie Driem. Bladen XII, bl. 52, vergel. III, bl. 81. In Westfalen luidt de formule:

Imme, Imme, din Heer is dood, Nu bliw bi mi in mine Nood.

Ook in West-Vlaanderen, de Kempen en het Meetjesland klopt men op de korven en zegt: "Bietjes waakt, want de meester slaapt", of "de meester vertrekt."

Het overlijden wordt aangezegd door de naaste buren of door de lijkbidders, en de buurt, vooral de _noodwakers,_ komen, om bij het lijk te waken en te bidden. Wij hebben hier het overoud gebruik der lijkwake of doodenwake, een gekerstend afweergebruik, dat echter tegenwoordig, bij de protestanten althans, grootendeels in onbruik geraakt is. Vroeger werden hierbij klaagliederen gezongen en een lijkmaal gehouden. Of hier of daar bij deze gelegenheid nog opzettelijk geweeklaag wordt aangeheven, is mij niet bekend; maar in Twente en ook wel elders wordt die lijkwake nog etende en drinkende doorgebracht.

Burenplicht is eigenlijk ook het overluiden, waarbij natuurlijk _luibier_ behoort. Het gebruik is vrij algemeen, en volgens den regel wordt driemaal geluid voor volwassenen en éenmaal voor kinderen, of voor een volwassene wordt met de groote, voor een kind (ook wel voor een vrouw) met de kleine klok geluid. Dichterlijk is de Duitsche uitdrukking: _das Heimläuten_; bij ons is behalve de term _overluiden_ ook wel _uitluiden_ gebruikelijk. Zooals uit vergelijking met tal van analoge gebruiken blijkt, had zoowel de luide doodenklacht als het overluiden oorspronkelijk ten doel, de geesten af te weren, die zich van de scheidende ziel wenschten meester te maken.

's Avonds vóor de begrafenis wordt het lijk gekist; voor de doodkist werden vroeger de planken opbewaard. Staat een doode 's Zondags over, dan volgt binnen twee weken een tweede lijk. Ligt iemand "mooi" in de kist, dan is dit insgelijks een teeken, dat weldra een nieuw sterfgeval in dezelfde familie zal plaats hebben: "hij is mooi bestoorn", zeggen de Friezen. Nu weet men, dat, volgens een zeer verspreide animistische opvatting, de ziel een min of meer stoffelijk leven leidt in of bij het graf; vandaar, dat men den doode meegeeft al datgene, waaraan hij tijdens zijn leven bijzonder gehecht was. Vroeger waren dit kleeren, wapens, mondvoorrraad, amuletten van allerlei aard,--in Zweden geeft men nog heden ten dage tabakspijpen en zelfs gevulde brandewijn-flesschen mee. Gouden en zilveren kostbaarheden werden op den duur in geld omgezet en ten slotte vormde nog slechts een kleine munt het rudimentaire en reeds meer symbolische overblijfsel. Den doode zulk een munt in de hand te geven of in den mond te leggen is nog vrij algemeen in verschillende streken van Duitschland. Dit geschiedt hier te lande niet meer. Wel geeft men nog den doode het scheermes mee, maar m.i. omdat dit door de aanraking, evenals de naald, waarmee het doodskleed genaaid werd, "gevaarlijk" geworden is; dan ook rozenkrans en medailles ter vervanging der amuletten van eertijds; aan vrouwen wordt nog wel eens schaar, vingerhoed e.d. toegevoegd.

Bij het kisten moet de doode met de voeten naar de deur gelegd worden, en zóo draagt men hem uit de woning, recht door de _lijkdeur_, de hoofddeur van het huis, maar die anders niet geopend wordt, dan wanneer een lijk wordt uitgedragen of het bruidspaar zijn intrede doet (bl. 241); aldus in Friesland, terwijl men ook op vele plaatsen in Noord-Holland in ouderwetsche huizen nog de staat- en sterfdeur wijst, die alleen bij trouw- en begrafenisplechtigheden geopend werd; zie De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 209. Uit vrees, dat de geest terug keert, zegt menig drager en menige draagster uit den omtrek van Aalst, wanneer de lijkstoet zich in beweging zet: "Geest, ga voor, ik zal u volgen"; en als de deuren 's avonds gesloten worden: "Geest, blijf buiten, en ik binnen."

Zoo komen dan de naastbestaanden en buren ter _begrafenis_. In Brabant hebben de buurmeisjes den avond te voren in 't sterfhuis _gepeeld_, d.i. een kruis van groen en bloemen gemaakt, dat bij de begrafenis door kinderen wordt gedragen, gedurende den lijkdienst op de kist ligt, en naderhand het graf zal tooien. De familie verschijnt in rouwkleeren, de vrouwen geheel in het zwart, zonder gouden sieraden, en dragen somtijds den doek "met de krange kante buiten", zooals men in het oostelijk volksgebied zegt. Te Weert, Nederweert, Neerbosch, Lent enz. dragen de vrouwen dan nog de falie; te Lent dragen de mannen bij deze gelegenheid mantels van een bepaald model, door den doodgraver bezorgd. Bij deze mantels behooren natuurlijk bepaalde hoeden, die plaatselijk na afschaffing van de mantels gebleven zijn. Zoo komt het, dat b.v. te Neer de mannen bij den rondgang om het altaar, elders gedurende de eerste helft der lijkmis, den hoogen hoed opzetten. Op Zuid-Beveland wil de gewoonte, dat ieder lijkganger den breeden rand van den Zuidbevelandschen hoed naar omlaag buigt, waardoor een zoogenaamde _treurhoed_ ontstaat.

Buiten 's huis wordt b.v. te Reusel de kist nog eens, en nu voor het laatst, geopend. De buren dragen het lijk, en zoo zet zich dan de lijkstoet in beweging, reeds door velen als _begangel_, d.i. in schijngestalte drie dagen te voren gezien, zelfs door paarden, schichtig voorbij rijdend langs het kerkhof. Ook hebben reeds dagen te voren de hekkenopzetters de hekken geopend op den weg, dien de stoet moet volgen.

Na de begrafenisplechtigheden in de kerk, of ook wel terstond vanaf het sterfhuis, wordt de kist op kar of wagen gezet en rijdt men ter laatste rustplaats. De naaste buurman moet het lijk rijden, en de regel geldt, dat wie den bruidswagen rijdt, ook de dooden ter rustplaats moet brengen. De te volgen weg, die volgens oude gewoonte voor iedere buurt en hoeve vast staat, is in Overijssel, Drente, Gelderland, Friesland algemeen de _lijkweg, noodweg_ of _reeweg_; hij wordt uitsluitend genomen bij het doopsel, huwelijk en begrafenis (bl. 241). Veelal wil het gebruik, dat de stoet op bepaalde plaatsen, b.v. bij kruiswegen, grenzen, bruggen, kapelletjes, een oogenblik halt maakt, om dan na enkele gebeden of ceremoniën den weg te vervolgen. Op de kar nemen twee of vier der naaste verwanten plaats, meestal vrouwen. Ja, in verscheidene dorpen van Limburg, Friesland, Drente, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant enz. zat de weduwe op de kist, en dit gebruik is nog volstrekt niet geheel uitgestorven; wellicht hebben wij hier te doen met een afweergebruik. Achter den wagen volgen verdere bloedverwanten, buren en vrienden, meestal ook vrouwen. "Opmerkelijk", zegt De Cock, "is nog het West-Vlaamsch gebruik, dat den ""boever"" oplegt, 's avonds te voren reeds in 't oor der paarden te gaan fluisteren: ""Morgen moet ge 'nen doôn voeren"", anders zouden de dieren weigeren te trekken (Volkskunde, bl. 223). In de streek van Ootmarsum droegen degenen, die het lijk volgden, palmtakken, versierd met bladgoud, die ze naderhand in de kist wierpen of daarop plantten. Dit gebruik leeft ten deele nog in Noord-Brabant, Limburg en waarschijnlijk ook elders; te Vucht b.v. worden voor overleden meisjes door meisjes palmtakken gedragen, voor overleden jongens door jongens hulstakken: wij ontmoeten hier het treffend en dichterlijk gebruik van den graf- of doodenmei.

Het kerkhof ligt op de meeste dorpen van het zuidelijk volksgebied nog om de kerk. In sommige gemeenten van Friesland en Overijssel heeft zich het gebruik staande gehouden, op het kerkhof gekomen, driemaal het pad om het kerkhof rond te gaan; ook volgens het Oudindisch lijkritueel schreed men driemaal om het lijk, ten einde dit tegen invloeden van boozen aard te beveiligen. Men vergelijke den rondgang om de akkers, die immers een afweer-, en bijgevolg, voor dat geval, een bevruchtingsritus is. In de groeve wordt het lijk georiënteerd, d.i. met het gelaat naar het Oosten gericht, een gekerstend heidensch gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het Oosten was de lichtzijde, maar Christus is het Licht, in het Oosten is Christus verrezen, in het Oosten ligt het Paradijs, in het Oosten zal Christus verschijnen ten oordeel.--Rust de kist in de groeve, dan werpt eerst een der familieleden, vervolgens elk van de buren een schop aarde er op, een ver verspreid gebruik, dat b.v. ook in China bekend is. De bedoeling is, de ziel te nopen, rust te houden binnen het graf. Gewoonlijk bedankt de naaste bloedverwant voor de bewezen eer.

Het graf wordt getooid met groen en bloemen. Een eigenaardig gebruik vind ik vermeld voor oostelijk Noord-Brabant, het eiland Schouwen, en Staphorst en Rouveen; bij de begrafenis van een vrouw, die in kraambed gestorven is, wordt een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Te Veldhoven (N.-B.) wordt die doek op het graf aan de vier hoeken met een steen bezwaard en blijft liggen, tot hij geheel verteerd is.

Tot het verleden behoort het gebruik, mondkost op de grafstede neer te leggen: een waar doodenoffer. Daarentegen is het aloude doodenoffer in den vorm van een lijkmaal plaatselijk in gewijzigden vorm of ook slechts als _survival_ blijven voortbestaan. Het Oudgermaansche doodenmaal werd bij het graf zelf gehouden en in christelijke tijden herhaaldelijk verboden; in de XIe eeuw ijvert o.a. Burchard van Worms er tegen in een zijner dekreten.-- Nog thans wordt in sommige streken van het buitenland de doode geacht, aan deze smulpartijen, die echter ten sterfhuize gehouden worden, onzichtbaar deel te nemen; men laat zelfs een plaats voor hem open en de spijzen worden opgediend, alsof hij tegenwoordig ware.

In ons land wordt het begrafenismaal vóor of na de begrafenis gehouden; bij welgestelde boeren neemt het wel eens den vorm aan van een vollen maaltijd. Het draagt den naam van _groevemaal, lijkmaal, grafmaal_, alsook van _lijkbier, troostelbier, leedbier_ enz. Een begrafenis zonder lijkmaal heet in de _Trijwâlden_ (F.) een "begrafenis zonder leed". Hoe meer hierbij gegeten en gedronken wordt, des te beter, want het komt den doode ten goede; het verzuimen van een lijkmaal wordt beschouwd als een oneer, den doode aangedaan.

In België vindt men dit lijkmaal verder nog in gewijzigden vorm terug in de zoogenaamde _eten-uitvaart,_ waarbij het _uitvaartbrood_ aan den arme wordt uitgedeeld. Dit lijkt mij daarom zoo belangrijk, omdat de kerstening hier eenzelfden weg is ingeslagen, als in de eerste eeuwen van het Christendom. Toen werd nl. de lijkmaaltijd vooral gekerstend, door de armen en ongelukkigen daartoe uit te noodigen: de lijkmaaltijd werd liefdemaal of _agape_, en kreeg ekonomische beteekenis, trad in dienst der christelijke armenzorg.

In de omstreken van Kortrijk heet de rouwmaaltijd _molleprooi_, en aan dat maal deelnemen noemt men "naar de _molleprooi_ gaan." Deze uitdrukking zal wel zooveel beteekenen als op de _mollejacht_ gaan, waarin het Bargoensche _mol_ "dood" beteekent.

Men zou echter verkeerd doen, in dezen lijkmaaltijd uitsluitend het overleefsel van een offermaal te willen zien. De rouwtijd is een tusschenperiode, een middentoestand, vooral de tijd tusschen het overlijden en de begrafenis. In dezen toestand treden de nagelaten betrekkingen door scheidingsgebruiken, terwijl opnamegebruiken hen weer in de wereld der levenden terugroepen. Tot deze wederopnamegebruiken behoort ook het lijkmaal, dat de overlevenden tegen de doodsmachten moet sterken. Zie V. Gennep, Les rites de passage, bl. 211; Preuss, in Globus LXXXVII, bl. 418.

Nog éen gebruik blijft ter vermelding en verklaring over. Bij het terugkeeren van de begrafenis wordt op enkele grensplaatsen van Friesland en Drente een licht uitgeblazen, dat den ganschen tijd gebrand heeft, zoolang de doode boven aarde stond. Bedrieg ik mij niet, dan hebben wij hier te doen met de ver verspreide volksvoorstelling van het levenslicht. Na de begrafenis, als het lijk voor goed geborgen is in het graf, is de doode ook voor goed uit de gemeenschap der levenden geweken: zijn levenslicht is voor goed uitgedoofd. Vandaar ook, dat elders een licht wordt aangestoken bij de geboorte van een kind.

De rouwende familieleden, het werd reeds gezegd, vormen een soort afzonderlijke gemeenschap, die staat tusschen leven en dood. De duur van den rouwtijd wordt geregeld door de graden der verwantschap. Ook de dienstboden dragen rouw. De rouwkleur is in den regel zwart, soms ook grijs, bruin, blauw en wit.

Op de graven rouwt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria Magdalena, de lelie en de rosmarijn, die de bruidskroon tooide, rouwen de iep, de taxis en de cypres, door den guren winter nimmer van hun bladertooi beroofd, en daardoor troostbiedende symbolen der onsterfelijkheid.

Zie Gallée, Volkskunde XIII, 84, 122; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 404; De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 129, 217; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 330; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 78; Volkskunde XIV, bl. 101; XX, bl. 69; XXV, bl. 164; Limburg's Jaarboek I, bl. 181; XVI, bl. 13; Rond den Heerd XXV, bl. 154.

DE VOLKSTAAL.

De volkstaal wordt veelal gelijkgesteld met taaleigen of dialekt. Dit nu is onjuist. Tegenover het taaleigen staat de algemeene taal, of landstaal. Deze ontstaat meestal uit een tongval en is het gewrocht van 't staatkundig, maatschappelijk, kerkelijk en letterkundig overwicht van zeker gewest, partij of richting. De Nederlandsche algemeene taal of landstaal ontstond in Limburg en onderging achtereenvolgens den overheerschenden invloed van Vlaanderen, Brabant en vooral van Holland. Zoo werd ook eens het dialekt van het Ile-de-France de Fransche omgangstaal, zoo werd in het Oude Griekenland het Attisch de algemeene taal of Koine.

Maar tegenover de volkstaal of vulgaire taal staat de beschaafde--in de beteekenis van hooger beschaafde--taal of kultuurtaal. "Algemeen" wijst op het opgaan van de verschillende tongvallen in een centraal dialekt; "beschaafd" wijst op het verschil in spreken tusschen de hoogere en de lagere standen der maatschappij. De volkstaal is uiteraard en in de normale gevallen slechts spreektaal, de kultuurtaal is beide: spreektaal en kultuurtaal.

Nu kan men wel zeggen, dat de algemeene taal hooger staat dan het taaleigen in sociale waarde of beschaving. Maar dit neemt niet weg, dat ook het taaleigen zijn volks- en kultuurtaal heeft. In kultuurdialekt gestoken zijn niet alleen tallooze dicht- en prozawerken van Westvlaamsche, Friesche, Limburgsche en Geldersche schrijvers; maar kultuurdialekt spreken ook de beschaafde kringen van menige Nederlandsche stad, waar de algemeene taal, het "algemeen beschaafd", wèl in openbare bijeenkomsten, maar lang niet algemeen als omgangstaal zelfs in de meest gegoede families gebezigd wordt. Het algemeen beschaafd is dus niets anders dan een kultuurdialekt, dat zich tot landstaal heeft weten op te werken.

De volkstaal is een realiteit, al vertoont zij tal van schakeeringen en afwijkingen. De kultuurtaal volgt wel een bepaalde norm,--al is zij blootgesteld aan verschuiving bij verschuiving der maatschappelijke verhoudingen; maar voor duizenden is zij toch een abstraktie, een maatstaf, die aangeeft, hoe in beschaafde kringen gesproken mòet worden. Zij is als een wetboek, dat gewijzigd kan worden volgens de eischen van den tijd. Terwijl de volkstaal vrij is en ongebonden, is de kultuurtaal binnen enge grenzen beperkt.

De volkstaal is doorgaans gedifferentieerd: zij houdt vast aan overleverde taal, aan plaatselijke vormen en uitdrukkingen, aan zegswijzen, die in de kultuurtaal aldra voor verouderd gelden en dus zoo ongeveer voor minderwaardig. Deze is integreerend van aard, streeft naar eenvormigheid, vermijdt het te individuëele, het ongewone, het platte, het onwelluidende. Het te bijzondere lijkt haar tegenover sprekers uit andere kringen onheusch, het onkiesche stootend en hinderlijk. Zij heeft grootere sociale waarde dan de volkstaal, die over het algemeen op hooger natuurlijke kunstwaarde kan bogen.

Immers, de volkstaal is kleurig en karakteristiek; daarentegen verliest de kultuurtaal vaak in expressieve kracht, wat zij wint door polijsting in netheid en door vereenvoudiging in vaardigheid.

Maar welke de voortreffelijkheid der volkstaal ook zijn moge,--overal waar zij een ernstigen strijd te voeren heeft met de kultuurtaal, moet zij de vlag strijken. Wij zien dan ook dagelijks de volkstaal terrein verliezen, elk onzer in zijn naaste omgeving. En evenzeer moet de dialektische kultuurtaal onderdoen voor de algemeene kultuurtaal. Dit blijkt wel het duidelijkst uit den taalstrijd in België. Het is mijn vaste overtuiging, dat de zoo rechtmatige eischen der Vlamingen in veel ruimere mate zouden zijn ingewilligd, wanneer zij tegenover de Fransche kultuurtaal van meet af aan een algemeene Nederlandsche kultuurtaal hadden gesteld. Hier kant zich weer het praktisch belang tegen de kunst. "De taal is de taal gelijk de sterren sterren zijn", schreef Guido Gezelle; en waar zijn verdediging wordt opgenomen door Hugo Verriest schrijft deze: "Moet hij daarom als particularist gedoemd worden, dan is elke vogel te bossche en te velde een particularist, en de nachtehaal de grootste van allen". Maar die betooverende verscheidenheid heeft met het oog op praktisch nut wellicht te lang de noodige kultuurkrachtige eenheid tegengehouden. Ik weet zeer goed, dat heden ten dage de voornaamste Vlaamsche voormannen vrij wel de algemeene Nederlandsche kultuurtaal bezigen. Ik zeg "vrij wel", want het ligt in den aard der zaak, dat de Vlamingen bij voorkeur zullen putten uit den rijkdom der Vlaamsche tongvallen, en dat hun spreken en schrijven de meerdere expansieve kracht en soepelheid zal vertoonen, die het zuidelijk volksgebied met zijn Keltischen grondslag eigen is. Maar toch ook zóo slechts vermogen zij een evenwaardige, in elk geval gelijkgeaarde taal te stellen tegen de algemeene kultuurtaal der Waalsche provinciën. Niet zoozeer de vasthoudendheid aan de dialekten heeft de Vlamingen parten gespeeld, maar veeleer de verkeerde, kortzichtige gevolgtrekkingen uit het feit, dat sommige dezer dialekten zich tot hoogstaande literaire kultuurdialekten hadden ontwikkeld, getuige de taal van een Gezelle, Streuvels en zoo vele anderen: deze nl., dat bedoelde tongvallen ook in voldoende mate kultuurkrachtig zouden blijken in den strijd met het Fransch. En waar in België zelf ter aaneensluiting een kultureel centrum met voldoende overwicht ontbrak, daar bleef het zich-aansluiten aan de Noordnederlandsche algemeene kultuurtaal de eenige aangewezen weg. Maar laten wij niet te streng rechten. Het taaie vasthouden aan eigen idioom, óok waar het gemeenschappelijke belangen geldt, heeft iets licht-verklaarbaars, ja iets groots, iets edels: het weerspiegelt de volksziel met haar trotsche zelfbewustzijn, dat ook de kleinste der kleinen siert. Slechts vergete men niet, dat in dit zelfbewustzijn kracht en zwakheid liggen beide.--