Chapter 24
Zeer verspreid is de gewoonte, vóor het zaaien een kruis te slaan en ook de drie eerste worpen in kruisvorm te doen, en wel onder een spreuk, waardoor Gods zegen wordt afgeroepen. Maar meer mag men niet spreken, opdat de vogels het niet merken. Het zaad moet men hoog opwerpen, dan groeit het graan hoog op (weer sympathetische magie). Laat men des nachts ploeg of eg op het land staan, dan zet men deze recht op in het veld, dat de heksen er onder kunnen vluchten (Limburg).
Intusschen schiet het graan welig op. Het is voor den landman een heilige tijd, een tijd van bange zorg en blijde hoop, als de velden zich steeds rijker bekleeden met den zegen des hemels. Nu rijdt men om de akkers, dat de oogst moge gedijen; nu bezigt men allerlei afweermiddelen tegen hagelslag, onweer, brand, vooral tegen de vratige vogels: de vogelverschrikkers hebben niet slechts een praktisch doel, maar doen tevens eenigermate als fetis dienst. Op de Duitsche grens leest men plaatselijk 't Sint Jans Evangelie tegen de musschen; tegen misgewas steekt men in Vlaanderen en Limburg een gewijd palmtakje op de vier hoeken van den akker. Het is een belangrijke, hoog-ernstige tijd: dans en andere vermakelijkheden moeten nu rusten ...
Het omrijden der akkers en het rondtrekken om de graanvelden, wat ook eertijds te Rome in zwang was, heeft ten deele een gekerstenden vorm aangenomen in de processies. Het is zeker niet toevallig, dat de _litania maior_, de voornaamste processie met litanie-gebed op Marcusdag (25 April), juist op denzelfden datum valt, waarop eertijds te Rome het voornaamste _ambarvale_ plaats had: ommegang, bedegang door en om de velden voor het gedijen der veldvruchten en het afweren van schadelijke invloeden. Ook bij deze en dergelijke heidensche processies sprak men wisselgebeden in dialoogvorm. De heidensche processie op den 25sten Maart werd gehouden ter eere van _Robigo_, een godheid, aangeroepen ter afwending van ziekte in het graan of van den meeldauw. Met het feest van den H. Marcus heeft de _litania maior_ niets gemeen.
Maar reeds heeft de kwartel den oogst aangekondigd; en de landman weet het, als de kwartel slaat, dan korrelt het graan goed:
"zooveel maal als hij slaat, zooveel vat uit de vim", zegt een Limburgsch spreekwoord.
Weldra, als de wind door de aren speelt en het graanveld doet golven, dan gaat de koorndaemon door de halmen, evenals de boomgeest zich openbaart in het ruischen van het loof. "De roggehonde loopt er deur", zegt men dan in de Graafschap, of "de roggemeuje het de varkens oet." Hier ontmoeten wij voor het eerst den genius der vruchtbaarheid op het graanveld. Hij neemt nu eene menschelijke gedaante aan (_korenmoeder, roggemeisje_), dan weer die van een dier (hond, wolf, haan, haas, bok enz.). Kinderen, die het graan vertrappen, waarschuwt men voor het korenwijf, de roggemoeder of den bok. De hond, haas enz. komt er bij de laatste schoof uit; dan moet een der binders met open schort voor de halmen gaan zitten, om hem te vangen. Zoo komt het, dat elders de laatste schoof den vorm van een hond, haas enz. aanneemt. Zie Sartori, Sitte und Brauch II, bl. 87; Mannhardt, Baumkultus, bl. 611; Roggenwolf und Roggenhund2 (Danzig 1868), _passim_; Die Korndämonen (Berlin 1867), _passim_.
Het is een weldoende toon in het volksleven, dat de _graanoogst_, het moeizaamste en gewichtigste werk van het geheele jaar, als een feest wordt opgevat. Op Jacobidag (25 Juli) pleegt hij een aanvang te nemen. Het nijvere landvolk zweet en zwoegt, de buren bieden de helpende hand, maaien de halmen, binden de schooven, stapelen op de oogstkar het kostbare loon van zooveel moeiten en zorgen, en bij het haren der zeisen en het zwaaien der sikkels klinken vroolijke oogstliederen als deze:
De wumpel de strumpel de kanne met bier, Die hebben we hier op ons pleizier! Zoetemelk met roome, Jan Dirksen is mijn oome, Peet Trijn, dat is mijn bestemoer, Zoo gaane we mee op het leste voer.
(Noord-Holland).
Het laatste voer is op de baan, Dat in den boer zijn schuur moet gaan. De luie boeren alleen hebben nog staan.
(Oost-Vlaanderen).
En nog komt met _Sint Joapik_ de boer handen te kort. Dit blijkt uit verscheidene zegswijzen. Als 't heeft geijzeld, en de boeren de hoefijzers der paarden moeten laten scherpen, zegt men: "'t Hef glad iêzelt, de boer hef vandaag zienen Sint Joapik", en zijn er veel huwelijken na den gesloten tijd, dan hoort men wel eens: "Onze pastoor hef regtevoott zienen Sint Joapik".
Eindelijk bindt men de laatste schoof. Evenals in de lentegebruiken de vegetatiedaemon door den meiboom of door een omloofde menschenfiguur wordt voorgesteld, aldus ook de koorngeest in de oogstgebruiken. Men beeldt hem uit in een schoof, met bonte linten en bloemen gesierd en veelal gebonden in den vorm van een pop, en deze draagt benamingen als: _korenmoeder, roggewolf, roggehaan_ enz.; immers, het dier, dat sprong door het golvende graan, heeft men gevangen in de laatste garve. Buiten onze grenzen wordt ook wel de maaier in de laatste schoof gebonden en in water gedompeld. Zij wordt ook vaak met eetwaren als appelen, gebak, eieren enz. gesierd en men danst er om heen, als om den meiboom. Een verdere overeenkomst met den meiboom is deze, dat b.v. in Westfalen de laatste schoof wordt bekroond door een uit hout gesneden en op een stok bevestigden haan, die met den haanvorm, waarin somtijds de laatste schoof gebonden wordt, niets gemeen heeft. Deze haan rust op den oogstkrans, en troont dan veelal op den zoogenaamden _Harkelmai_, die zijn benaming aan de bijeengeharkte halmen dankt: de overeenkomst met den kleinen meiboom, dien wij palmpaasch noemen, is weer bijzonder treffend. Na afloop der feestviering spijkert men den haan met den oogstkrans aan den gevel van het woonhuis, waar hij tot het volgende jaar blijft prijken. Zoo verklaart men de gewoonte van het hanenslaan in sommige streken na het oogstfeest--in den Elzas bindt men een levenden haan aan den oogstmei!--en evenzeer de Twentsche benaming voor het oogstfeest: _stoppelhanen_.
De laatste schoof wordt ook de _geluksgarve_ genoemd, omdat men van haar geluk en rijkdom verwacht voor het volgende jaar; want de genius van de groeikracht en den wasdom, dien de oogstmei uitbeeldt in betrekking tot de graanhalmen, welke hij tooit, wordt ook beschouwd als de onafgebroken voortlevende groeikracht der veldgewassen. Andere benamingen zijn: _de Olle, 't Olde Wief_ enz., welke wellicht betrekking hebben op een Oudgermaansche goddelijkte verpersoonlijking der vruchtbaarheid.
Te Hengeloo, Steenderen, Zelhem, Ruurloo en andere dorpen van de Graafschap maken de binders, als de laatste halmen gemaaid zijn, een bijzonder groote garf, die uit vijftien gewone garven bestaat. Deze wordt dan met groene takken en bloemen gesierd en draagt den naam van _'t Olde Wief_. Straks komen de knechten met een langen staak, steken haar dien door 't lijf en dragen haar in optocht naar de woning van den boer, waar ze voor de deur wordt neergezet. Met eenige plechtigheid wordt dan de feestgarve aan de vrouw, die inmiddels naar buiten gekomen is, aangeboden. Ook draagt men de reuzenschoof wel eens naar binnen en dan wordt er om heen gedanst.
Ook elders bestaat een dergelijk gebruik. Te Neerbosch (G.) en omstreken, Heel, Geleen, Vlodrop, Reuver, Tegelen enz. (L.) maakt men de laatste schoof dubbel zoo dik als naar gewoonte; zij wordt met groen en bloemen, met een _mei_, opgesmukt en dan op de kar geladen. Een joelende menigte van jongens en meisjes omstuwt het voertuig, en langs den grootst mogelijken omweg begeeft de stoet zich huiswaarts. In het dorp zet men het feest tot laat in den avond voort, want rijkelijk wordt de jeugd door den eigenaar op koffie, bier, brandewijn en vla onthaald. Te Nederweert vergast men zich op _Zichtezondag_ aan bier en zoete melk. Elders wordt alleen de laatste kar _gemeid_. Te Schinveld maakt men nog een stroopop, waarmee gesold wordt.
In sommige Friesche woudstreken is het de gewoonte, dat op de laatste van het veld komende wagenvracht boekweit een meiboom wordt geplaatst, en wel een tak van den lijsterbessenboom met de rijpe bessen er aan. Op het Bildt zaten voorheen op den laatsten wagen boonschoven, die werden binnengehaald, twee jongens met een strooman. Zij zongen aldus:
Moer, moer, de pan over 't vuur! Hier hê wij _de leste gerven_ Boven in de bergen, Boven in de toppe. Wanneer selle wij soppe? Soppe wij van avond niet, Dan soppe wij 't heele jaar niet.
In Zuid-Limburg draagt het oogstfeest de eigenaardige benaming van _martelgaus_ (of _-gans],_ klaarblijkelijk een vervorming, zonder eenige betrekking tot den gansvogel; een afdoende verklaring werd tot nog toe niet gegeven. Elders op Nederlandschen bodem biedt het oogstfeest weinig karakteristieks. In het Noorden heeft de vlag meestal het meiboompje vervangen. In West-Vlaanderen draagt het oogstfeest, of liever de feestmaaltijd, den naam van _oogstfooie_, elders dien van _oogstkermis_.
Ten slotte zij nog vermeld, dat in Oldenburg, Brunswijk, Hannover enz. een stuk koren ongemaaid op den akker blijft staan: het _Vergôdendêl,_ dat kwalijk anders kan vertaald worden, dan als: "Frau Godens Anteil", een hooioffer dus aan Wôdan's gemalin. Hiermee vergelijke men het schamel overleefsel, dat ons rest in het hooi voor het paard van Sinterklaas (bl. 123).
Het arenlezen is het recht der armen. Te Eibergen (G.) zingen de kinderen, als ze na het _pungelen_ (aren lezen) huiswaarts keeren:
Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld, Der was neet meer te kriêgen, Want as der nog meer te kriêgen was, Dan ha'k wal meer noa 't hoes ebrach; enz.
Terstond na het ten einde brengen van den veldarbeid begint het _dorschen_: een zwaar, moeitevol werk, waar men gaarne reeds vroeg in den morgen mee aanvangt. Volijverig hanteeren de dorschers den vlegel, en uit het rythme van den dorschvlegel groeit het dorschlied met zijn gespierde en toch zoo smijdige klankbeweging:
It klitst, it klatst, 't Giet juwn toa gest, Op tzies in brea Mey 't heale gea.
(Friesland)
[Het klitst en klatst, Het gaat van avond te gast, Op kaas en brood Met het halve dorp].
Zouden er geen liederen gezongen worden in den trant van Cremer's Betuwsch dorschliedje? Wij geven het natuurlijk met het noodige voorbehoud:
Lange vlegel, wonderklop, Sloa d'r helder lochtig op Vief en twintig duuzend slag, Ielken korten wienterdag, Met verdrag. Vlêgel! klap 'm, klep 'm, klop, Die 't niet gleuft op stuggen kop.
Vooral het dorschlied steunt in zoo ruime mate de stelling van Karl Bücher, dat het arbeidslied zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, dien het volk aan inspannenden, eentonigen arbeid gaf, om het eentonige te breken en de vermoeienis te doen vergeten.
Het gewichtigste oogenblik bij het uitdorschen is dat van den laatsten slag. In ons zuidelijk volksgebied bestaat vrij algemeen het gebruik, dat bij het afdorschen van het laatste koren alle dorschers tegelijk met de vlegels op den vloer slaan; in het Oosten van ons land heette dit de _drobbelslag_. Uit vergelijking met uitheemsche gebruiken blijkt, dat deze slag oorspronkelijk den koorndaemon gold, die immers mee in de schuur gevlucht is. Tegenwoordig is het een teeken, dat de vrouw van den eigenaar moet komen, om de arbeiders te trakteeren.
De greidboer heeft geen bouwland, hij is enkel veehouder, hij kent alleen den _hooi-oogst._ Maar de gebruiken, hiermee verbonden, zijn over het algemeen veel minder ontwikkeld dan die van den graanoogst. Na afloop volgt het hooimaal, een afscheidsmaal, dat de boer aan zijn werkvolk geeft; het bestond van ouds uit spekpannekoeken. De laatste wagens worden op Ameland met vlaggen versierd.
Worden de groote schuurdeuren geopend, dan gebeurt het vaak, dat zwaluwen komen rondfladderen in de ledige ruimte der schuur. Dan zingt de jeugd--en ook wel in het voorjaar bij den terugkeer,--het zwaluwgetjilp nabootsend:
Verleden jaar, toen ik hier was, Was dit vak vol en dat vak vol, En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd.
Of wel:
Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol, Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd, verslierd, verslierd.
Men vergelijke het Brunswijksche:
As ik weggung, as ik weggung, Was dit fak vull, was dat fak vull, As ik wê'erkam, as ik wê'erkam, Was alles verslickert, verslüert.
Laat ik nog vermelden den vlasoogst, vroeger zoo belangrijk met het oog op het algemeen gebruikelijke, huiselijke spinnen; den hopoogst, die eertijds aanleiding gaf tot het befaamde Geldersche hopmaal met zijn lekkere, gerezen pannekoeken; eindelijk den koolzaadoogst, daarom niet onbelangrijk, dewijl de laatste zak door een groenen tak, een _mei_ werd gesierd. Met de muzikanten voorop ging de stoet zingende naar het huis van den boer. Maar reeds in 1839 was, volgens den Gelderschen Volksalmanak, dit feest kwijnende.
In Noord-Brabant, b.v. te Duizel, kent men nog de _aardappelfooi_, vroeger in de omstreken van Breda de _boekweitfooi_, vergel. de Antwerpsche _pataatfooi_, naast de Vlaamsche _oogst- vlas-_ en _zaadfooi_ (bl. 283). Het woord _fooi_ heeft hier de beteekenis van "afscheidsmaal", die ook het Middelnederl. _foy, voy_ bezat. Een nog oudere beteekenis is "reis, weg"; immers het woord heeft zich ontwikkeld uit het Fransche _voie_: "reis, reispenning, teerpenning."
Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 190 vlg.; Driem. Bladen I, bl. II, bl. 70; Dr. De Vooys, in Volkskunde XXIV, bl. 154; Schrijnen, in Limburg's Jaarboek I, 3, bl. 25 vlg.; H. Welters, Feesten enz.; bl. 50; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 312 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 261.
De _veeteelt_ is reeds elders ten deele besproken, zoo b.v. de stalling bij de verschillende huistypen en eveneens de afweermiddelen, die ter bescherming van het vee tegen onheilvolle invloeden worden gebezigd. Ook de hooioogst behoort tot dit onderwerp.
Vooral de paarden staan bloot aan betoovering en aan kwelling van de maar, die onontwarbare knoopen in de manen vlecht en de dieren in zweet drijft. Hiertegen bestaan afzonderlijke bezweringsformules. Ook paardekoppen in den gevel oefenen beschermenden invloed uit. De koeien en schapen worden op gezette tijden door de vaart gedreven, om ze vruchtbaar te maken en tegen ziekten te beveiligen. Op een meidag drijft men de koeien in de weide en tegen Sint Katherijne komen zij weer op stal. In den omtrek van Bredevoort en Aalten (G.) hebben de koewachters hun eigen deuntje, waarmee ze elkaar toeroepen: "Alleli, allo, Derk, Jan, enz., allo, kom hier allo, gauw dan alio, alleli, allo". Dit "Alio, alleli" dient ook om des avonds de koeien bijeen te roepen.
Bijzondere voorschriften gelden bij het melken, om te maken, dat de melk overvloedig is, niet blauw, dat zij niet onmiddellijk stolt, dat zij niet botert; hiertegen beveiligt vooral de vlierstruik. Ook palm en kruidwisch worden in den stal aangebracht; spinnewebben ziet men er graag.
Schapen, geiten en varkens spelen in het volksgeloof een ondergeschikte rol. Van meer belang zijn hond en kat, die vooral het weêr voorspellen, maar toch ook geluk of ongeluk aankondigen. De kat staat in betrekking tot het huwelijk (bl. 90, 253), kondigt bezoek aan en ziet sterfgevallen vooruit. Van groot belang is, zooals wij zagen, de haan bij de vruchtbaarheidsgebruiken, bij het oogstfeest enz. Hij beveiligt tegen schadelijke invoeden en is daarom wel vooral symbool der vruchtbaarheid, zooals ik reeds op bl. 96 en elders heb betoogd. Eindelijk, in hooge eere staan de bijen, het eenige insekt, dat huisdier geworden is. Zij staan in nauwe betrekking tot het gezin van den iemker; zijn dood wordt hun aangekondigd; met de naastbestaanden dragen zij rouw.
V. Ziekte, dood, begrafenis.
Na de genoegens van het leven komen _ziekte_ en de dood. Menige zwakte en menig lijden slaat de landbouwer lager aan dan de stedeling met hooger kultuur, en het is zelfs een bekend feit, dat hij eerder den veearts voor de stalbeesten zal ontbieden, dan den geneesheer voor zich zelf of voor de leden van zijn gezin. En nog gaat hij dan bij voorkeur bij waterdokters en konsorten te rade. Daarentegen is hij voor kleine misvormingen zeer gevoelig, getuige b.v. het heirleger van bezweringsformules tegen de wratten. Maar ik kom hier op het gebied der volksgeneeskunde, die uitvoerig in het Zesde Hoofdstuk zal besproken worden.--
Intusschen wordt de kwaal erger en erger en nadert de _dood_. Reeds heeft men herhaaldelijk geheimzinnige lichten waargenomen, die onder den naam van _veurbuken_, (_veurbukes, veurbuksel_ enz.) bekend zijn, althans in het zuidelijk volksgebied. Voortdurend krast de uil en de raaf, de waakhond slaat aan in het holle van den nacht, de klok blijft stil staan of twee klokken slaan te gelijk, de katten bijten elkaar; nu eens springt een glas, dan weer worden deuren plotseling dichtgeworpen, en voortdurend laat het houtwormpje zijn eentonig getik hooren. Hierbij komt nog, dat de huisgenooten voortdurend droomen van huwelijk en bruiloft (vgl. bl. 241), of den priester aan het altaar zien staan: geen twijfel meer mogelijk, spoedig zal de zieke "het gewaagd hebben". "Hij gaat de gard af", fluisteren de vrienden en magen, "hij riekt naar de schup". Bij kinderen klinkt de volksuitdrukking zachter, gevoeliger: groote kinderoogen, luidt het, zijn "kerkhofbloemen".
Men kan niet zeggen, dat de landman den dood meer vreest dan de stedeling, maar hij wordt er voortdurend aan herinnerd door zijn intiem samenleven met de natuur, wier opvallende verschijnselen hij als voorboden beschouwt. Hierop wijst m.i. het meest sprekend de volksverklaring van een ontijdigen bloei:
Een bloem buiten den tijd Is een bruid of een lijk.
Ook hier weer de verwantschap van dood en huwelijk als het telkens wederkeerend refrein.
De dood wordt door het volk beschouwd als een overgang, niet als een einde: vandaar een heele reeks van scheidingsgebruiken uit de wereld, die den mensch omringt, zoowel bij het sterven, als na den dood, tot hij veilig en wel geborgen is in het graf. Want, dat ieder mensch bestaat uit een tweevoudig ik, dat er bij den dood een scheidingsproces plaats heeft, ten gevolge waarvan het onsterfelijke gedeelte overblijft, om een nieuw leven te beginnen, was een overtuiging, door de Oude Germanen met alle andere volken en volkengroepen gedeeld. Deze overtuiging is algemeen-menschelijk, en behoort tot de goudaderen in veelal waardeloos of minder waardevol erts. Tot dit soort van gebruiken behoort het afknippen van nagels en haar, het omwerpen van de stoelen en banken, het openzetten der vensters, het rondgaan om het kerkhof enz. Ook bij de geboorte hebben wij een dergelijken scheidingsritus ontmoet (bl. 214, 215); hier is hij op zijn eigen domein. Zelfs voor de overlevenden is hij van toepassing, ten einde scheiding te bewerkstelligen van den doode en de doodsmachten en ter wederopneming in de wereld en in de gemeenschap der levenden. Natuurlijk vermengen zich hiermee gevoelens van teedere piëteit met den dierbaren stervende of doode.
Na de berechting, in katholieke streken, wacht men met bange vrees en klimmende bezorgdheid het naderend einde af. Komt het stervensuur en heeft men allen grond, te duchten, dat de zieke het spoedig zal hebben afgelegd, dan ontsteekt men de gewijde doodenkaars--in Vlaanderen wordt dit _uitlichten_ genoemd--en roept de familie om het sterfbed. Men tracht den stervende het verscheiden zoo licht mogelijk te maken. Hij mag geen kleedingstuk aanhebben, waaraan op Zondag genaaid is, want daarin kan hij niet sterven, maar blijft voortdurend in doodstrijd. Men vraagt hem gaarne, of hij niets meer "op zich heeft", een laatsten wensch, maar ook wellicht een belofte, die men hem dan afneemt. Bestellingen en beschikkingen van een stervende moet men volbrengen, anders kan hij geen rust vinden in het graf; en evenmin vindt hij rust, als men de begrafenisgebruiken verwaarloost. Houdt men na den dood ter volbrenging eener belofte van den overledene een bidweg, dan moet men een stok of regenscherm voor de deur zijner woning zetten en zeggen: "In den naam van God, ga voor, ik zal u volgen." Blijkbaar wil men aldus den geest verschalken en alvast voorop sturen; anders moet men hem dragen.
In dit beslissend tijdsgewricht ducht men vooral het twaalfde uur; immers dan "verzet" de tijd.
Heeft de stervende den laatsten snik gegeven, heeft de ziel het lichaam verlaten, naar het volk meent als ademtocht, dan wordt de mond gesloten, de naaste verwanten drukken de oogen dicht, en in katholieke streken omklemmen de saamgevouwen handen een kruis of rozenkrans. Eertijds werd de stervende, naderhand ook de doode afgelegd, en kwam hij van het bed op het lijkstroo te liggen, in geheel België _reeuwstroo_, in Hollandsch Limburg _schoofstroo_ genoemd; _reeuw_- beteeken "lijk", vergel. het Gothische _hraiw_- in _hraiwadûbô_ "tortelduif, lijkduif." Het feit, dat de uitdrukking "op zijn reeuwstroo liggen" in heel Vlaamsch België en in de aangrenzende gewesten mondgemeen is, bewijst voldoende, dat zij verband houdt met een algemeen verspreid gebruik. Het afleggen op stroo mag als Pangermaansch, ja als algemeen Indogermaansch beschouwd worden. In België schijnt het sedert enkele tientallen van jaren uitgestorven; ook in Westfalen (_Revestroh_) en Rijnland is het gebruik veel verminderd. In Nederland is het, voor zoover mij bekend, nog slechts in Friesland en in Hollandsch Limburg in zwang: "Wanneer het gewasschen en in het doodshemd gekleed is," schrijft Th. Dorren in Limburg's Jaarboek XVI, bl. 13, "wordt het lijk--gewoonlijk op twee aan elkaar geschoven tafels--in de beste kamer _op schouf_, d.i. op stroo gelegd. De tijd, dat het lijk onbegraven daar ligt, heet het "_euver eerd_ liggen." Vandaar de uitdrukking: "Hij komt van het bed op het stroo," d.i. van euvel tot euvel, zonder dat het er beter op wordt. Oorspronkelijk werd het lijk van het bed op een plank gelegd, en deze, in Beieren het _Rebrett_ genoemd, dient in ons land nog op tal van plaatsen, om den dood aan te kondigen. Zwart geverfd en met een doodshoofd, waaronder de letters R.I.P., beschilderd, wordt het _liêkbreed_ naast de deur van het sterfhuis geplaatst.
Het lijk wordt dus gewasschen, geschoren, en men legt een doekje onder de kin. Kinderen tooit men met een kransje, ook de ongehuwden krijgen den bruidstooi, dien zij gedurende hun leven moesten ontberen: den mirten- of rosmarijnkrans. Dan vangt het _verhennekleen_ aan, d.i. het doodskleed of _hennekleed_ wordt den doode aangedaan of liever over hem heen genaaid. De Friesche benaming is _hinnekleed_; in Oost-Groningen zegt men ook _reekleed_, en met volksetymologische vervorming _regenkleed_. Dit kleed is het eerste, wat de jonge vrouw voor zich en haar man spint. Het wordt oospronkelijk met éen draad en éene naald om het lijk vastgenaaid. Deze naald is "heilig" en "gevaarlijk" tevens; beide begrippen raken elkaar (bl. 86). Zij wordt dus doorgebroken en de stukken worden in de kist gedaan; ofwel men werpt ze in het vuur. Raakt men er een kies mee aan, dan zou hij uitvallen; éen prik er mee geeft een ongeneeslijke wonde. Anderzijds brengt zij geluk bij het loten.
In Limburg wordt de vrouw met het hemd bekleed, dat zij den eersten huwelijksnacht en daarna nooit meer gedragen heeft. Elk jaar wordt het gewasschen en dan zorgvuldig opgeborgen; wij ontmoeten hier wederom de verwantschap van dood en huwelijk in het folklore (bl. 241).