Nederlandsche Volkskunde

Chapter 23

Chapter 233,566 wordsPublic domain

Na het middagmaal of _de noon_ volgt in den zomer de rusttijd, de _ungere_ (Limburg). Het koffie-uurtje heet dan de _achterungere_. Maar worden de dagen korter, dan vervallen beide: "Sint Mecheel (Michiel) verbuut den ungere en den achterungere".--Nog dient opgemerkt, dat bij het maal ook de ambachtslui aanzitten, als de boer die aan huis heeft, vooral de kleermaker of _snieder_. Vroeger vooral was het ambacht op de dorpen niet in tel. "De snieder is ene mins," zegt een Limburgsche spreekwijze, "as hê mit de andere minse oet de kerk kump." Lager nog stond de wever: in de herberg kreeg hij nimmer een gaaf glas. Werd aan een ander bij geval zulk een glas gebracht, dan luidde de verontwaardigde vraag: "Ben ik soms een wever?" Het laagst stond de vilder: hij mocht de herberg niet binnenkomen, maar bleef in de gang staan, waar hem het bier gebracht werd.

Voor eentonigheid en kleurloosheid wordt het gezinsleven behoed door het _familiefeest_. Oorspronkelijk en op de allereerste plaats was dit het naam- of patroonfeest van de ouders, later in Noord-Nederland door de verjaardagen vervangen; dan ook het naamfeest en de verjaardagen der kinderen. Nu doet de _mei_ weer dienst, en steekt men een groene twijg, later een ruiker, in een koek, dien men de(n) feestvierende vereert; vandaar de uitdrukking: "iemand _besteken_." Zoo noemde men het eertijds nog "een meisje besteken," wanneer men ring of klopper van haar huisdeur met groen versierde.

Op den vooravond van het patroonfeest worden plechtig de geschenken aangeboden onder het zingen van:

Van avond is 't den avond En morgen is 't den dag, Dat men Sint-N. besteken mag.

Vandaar, dat in Midden- en Zuid-Limburg de term _mei_ de benaming is van het geschenk op den vooravond, en van het naamfeest zelf.

De viering van den verjaardag mist doorgaans alle kleur. Maar plaatselijk is het _besteken_ veranderd in het _bestrikken_ der jarige kinderen, d.i. "kinderen op hun verjaardag een stuk koek enz. met linten op den arm vastbinden" (Molema, Wörterb. d. Groningschen Mundart, bl. 32). Maar oorspronkelijk kwamen er groen en kransen bij te pas, zooals nog blijkt uit een door Waling Dijkstra aangehaald versje:

Ik kom u versieren Met kransen en laurieren; Ik bind u met hemelsch lof; enz.

In wezen een familiefeest, met een kerkelijk feest eng verbonden, is ook de _kermis_. Het is een gedenkfeest der kerkwijding; immers het Middelnederlandsche _keremisse_ beteekent "mis bij 't feest van de kerkwijding", dan ook "viering van dit feest", en verder "jaarmarkt", men denke aan de _Leipziger Messe_. Deze dag toch wordt tot aandenken aan de stichting der kerk of van haar patroonfeest door een plechtige hoogmis opgeluisterd. Tevens wordt in het zuidelijk volksgebied de groote H. Sakraments-processie of _bronk_ gehouden; meien worden geplant langs den geheelen weg, dien de processie nemen zal.

Vele oude kermissen herinneren nog heden ten dage aan den dag van de oprichting der gemeente als parochie en van de inwijding der kerk. Den 7den Mei 1777 verordenden de Generale Staten, dat in hun gebied, in de landen van Overmaas, alle kermissen op Zondag na Sint-Martinus (11 Nov.) zouden plaats hebben en niet langer dan drie dagen zouden duren. Vandaar ontstond in Limburg de zoogenaamde _Hollandsche kermis_, nog heden bewaard te Heerlen, Meersen, Bunde, Geulle, Beek, Voerendaal, Itteren, Hulsberg, Klimmen, Margraten, Ubagsberg enz.

De kerkmis trok bezoekers uit de naburige dorpen en van elders; de toevloed van vreemden bracht markt en handel mee, en zoo trad het wereldlijk element naast het kerkelijke, om dit ten slotte verre te overvleugelen. In de groote steden met haar hoogere kuituur is de kermis zelfs dermate ontaard in formaliteiten en losbandigheden, dat men ze op verscheidene plaatsen wijselijk heeft afgeschaft.

Maar in de kleine steden en dorpen, van ons zuidelijk gebied vooral, daar viert zij nog hoogtij; daar kan men zeggen: geen plaats zonder kermis, ja sommige plaatsen hebben er twee. De wereldsche feestviering bestaat uit een groot komplex van overgeleverde gebruiken, genietingen en vermakelijkheden, van welke de familiale feestviering de kern vormt: wordt deze door het verslappen der gemeenschapsbanden of het verflauwen van den familiezin aangetast, dan ontaardt de rest en valt spoedig uiteen. Verwante of bevriende gezinnen, uren ver van elkaar verwijderd, vinden op kermisdag de gelegenheid, de familie- en vriendschapsbanden nauwer aan te halen. Ten bewijze, dat twee gezinnen met elkaar bevriend zijn, zegt men dan ook, "dat zij bij elkaar op de kermis komen." Hierbij komt, dat in een groot aantal gevallen de gedachtenisviering der kerkwijding zich met gebruiken uit het oogstfeest verbonden heeft, dat, zooals wij weten, een bij uitstek intiem karakter droeg. Vandaar ook wellicht de overvloed van gerechten: taart, knapkoek, krentenmik, rijstepap enz.; het kermisgerecht bij uitstek is echter de Limburgsche en Brabantsche _flaai_ (_vla_). Het kermismaal is een gebeurtenis van gewicht voor het geheele gezin, en voor de zorgzame huisvrouw in het bijzonder: met het oog hierop wordt het heele huis van onder tot boven geschrobd, geschuurd, geboend, en wat al niet meer.--

Vandaag is 't kermisavond Morgen is 't kermisdag, dag, dag, Da bierken, da gebrouwen es, Da ich wel drinken mag, mag, mag,

zingen de kinderen te Hasselt op den vooravond van den lang verbeiden dag. En inderdaad, de kermis is ook een kinderfeest: de markt is dan dicht bezet met kramen en tenten, en vooral de mallemolen--tegenwoordig veelal door vermakelijkheden van hooger volmaaktheid of kultuur vervangen--mag niet ontbreken; in Vlaanderen verlangen de kinderen naar hun _molens van plezier_. Maar laat ik ook _Jan Klaassen_ niet vergeten, en evenmin het bekende _koekslaan_, o.a. te Venloo met een stok, elders met een bijltje, vanwaar de benaming: _koekhakken_.

Tot de oude kermisvermakelijkheden voor de volwassenen behoort, of behoorde, het ringsteken, het afkeurenswaardige dassenbijten door gedresseerde honden, het ganstrekken of gansrijden, het katknuppelen, haanslaan, mastklimmen, kaatsen, schijfschieten enz. Aldus werd "kermis" synoniem van allerlei pret en vermaak, met het gevolg, dat menig andere ontspanning en feestelijkheid den naam van "kermis" kreeg. Zoo b.v. de Geldersche _öskeskermis_ in November, ten huize, waar een koe of os geslacht is, vgl. den Gelderschen Volksalm. XXXVI, bl. 45; de Veluwsche _schaapskermis_, beschreven in den Gelderschen Volksalm. 1862, bl. 151; de _Mulderskermis_; de _Haagsche Boschkermis_; ja, men spreekt zelfs van een kermis op het ijs. Minder bekend is de Noord-Brabantsche schaapskermis. Als te Reusel de schapen geschoren worder, verzoekt men de kinderen uit de buurt en van de gezinnen, op wier stoppelland de schaapherder zijn kudde drijven mag. De kinderen komen helpen bij het scheren, door "een pootje vast te houden."

Sedert eeuwen was de kermis onafscheidelijk verbonden met processie en ommegang. Van deze ommegangen verdienen een afzonderlijke vermelding de Reuzen-stoeten van Brussel, Leuven, Antwerpen, Mechelen, Brugge, met hun _Antigoon, Janneken_ en _Mieken, Grand'Papa, Op-Sinjoorken,_ de _Groote Turk_ enz. Nòg verschijnt te Hasselt de _Lange Man (Don Christoffel_) en te Venloo _Valuas_ en zijn vrouw. Deze trekken op met het akkermansgilde en voeren ten slotte een dans uit. Immers de kermis is het groote gilde-feest.

Met name de _schuttersgilden_ (vgl. bl. 200) trekken dan uit, zwakke resten van de aloude schuttersgilden met hun heerlijke landjuweelen. Toch schuilt nog heel wat kleur en poëzie, overgeërfde wapentrots en zelfstandigheidsgevoel in het optrekken der Limburgsche en Brabantsche _jonkheden_ met hun kapitein en andere gezagvoerders, zoowel in als buiten de processie. Te Eysden (L.) trekken de jonkheden van alle gehuchten met haar vaandels in de groote processie, elk achter haar beschermheilige, mee. Des Maandags en Dinsdags worden zielmissen gecelebreerd voor de overleden leden. Daarna heeft een plechtige uittocht plaats naar het kasteel, waar een reidans, de _cramignon_, wordt uitgevoerd: de leden der jonkheid houden elkaar bij de hand vast en vormen, met den kapitein aan de spits, een lange rij, die zich op de maat der muziek in allerlei slingeringen en bochten wringt. Merkwaardig is het nog, dat door de oude geweerschutterij van het gehucht Oost op Kermismaandag na de zielmis op de graven der afgestorven leden en eereleden geweersalvo's worden gelost.

Op Kermismaandag, Pinkstermaandag of op het patroonfeest van het gilde wordt meestal de vogel geschoten. In plechtigen stoet trekt de schutterij naar het feestterrein, waar de houten vogel op den mast staat. Maar plaatselijk wordt die vogel ook den dag te voren door de dorpsmeisjes _gepeeld_ (opgesierd), zoo b.v. te Sint Anthonis, gemeente Oploo (N.-B.); in dit geval wordt hij in den stoet mee gedragen en ter plaatse op de _wip_, d.i. den mast, den schutsboom, geplaatst. Bij raak schieten wordt de trom geroerd. De koning krijgt een premie, maar moet trakteeren, evenals zijn vrouw of aanstaande, die tot koningin verheven wordt. Hij wordt nu bekleed met de versierselen: zilveren halsketen met platen, ruitersabel of staf met zilveren knop, en generaalshoed of kroon. Deze platen, met inskriptie, worden door den koning gegeven en vormen, aaneengeregen, _het zilver,_ het hoofdinsigne van het koningschap. Geflankeerd door zijn adjudanten, keert hij triomfeerend huiswaarts, 's Avonds wordt gedanst; vooral de carré-dans staat in eere.

Bij het uittrekken der schuttersgilden wordt een bijzondere vaardigheid vereischt van den vaandrig bij het _vaandel_- of _vendeldraaien,_ dat vóor de kerkdeur en vóor het huis der plaatselijke autoriteiten geschiedt. Vandaar de Vlaamsche uitdrukking "kwalijk het vendel met iemand kunnen draaien", d.i. het met iemand niet goed kunnen vinden. Ook wordt bij de intrede in het gilde het nieuwe lid _ingevendeld_, d.i. het vaandel hem om het hoofd gezwaaid. Elders heeft een soort van doopsel voor de nieuwe leden plaats. Een groote oneer is het, als lid geschrapt te worden. Te Waalre (N.-B.) wordt een onwaardig lid uit het gild (of _guld_) "getrommeld": een geldstukje wordt op het trommelvel gelegd, en dan wordt zoo lang getrommeld, tot het er van afspringt.

Vroeger werd te Heer (L.) bij gelegenheid der kermis het zoogenaamde _vreisjpeel_ gehouden. Na de hoogmis brachten de jongelui de meisjes van 't kerkplein naar een herberg, waar gedanst en gedronken werd. Te midden van den carré-dans maakte men halt, en onder muziek werd een rondgang gehouden door een jongen man met twee schotels, geflankeerd door twee jongelui, elk met een brandende kaars. Gedroeg iemand zich niet ordelijk, dan werd hij door den kapitein gestraft. Deze gaf namelijk order, den schuldige midden in het vertrek neergehurkt en met de handen op den vloer, te _britsen_, d.i. met een vierkante lat, in dunne latjes gespleten, te tuchtigen. Nog dient vermeld het draaksteken te Heel en te Beesel (L.). Vroeger was de ridder met den draak in de optochten en processies een onmisbaar element. Albrecht Dürer zag hem te Antwerpen, terwijl de draak door een dame, die Sint Margriet voorstelde, aan een rood lint voortgetrokken werd. Vooral op de dorpen vermaakten de schutters zich met het spel van Sint Joris-met-den-draak. De vertooningen in genoemde Limburgsche dorpen zijn hiervan, voor zoover mij bekend, de eenige overblijfselen,--afgezien van de spreekwijze "met iemand den draak steken".

Het monster is gemaakt van gevlochten teenen, met linnen overtrokken, en van geschubde huid en groote vleugels voorzien. Het trekt met de schutterij mee en wordt door een lid van het gilde voortbewogen. De koning van het gilde stelt Sint Joris voor; drie maal rijdt hij op den draak los, en den derden keer treft hij het monster, dat vuur en water braakt. Dan voert een meisje in het wit het bedwongen ondier in triomf weg.

Op Kermisdinsdag wordt te Aalst, bij Eindhoven, _Machielke begraven:_ een strooien pop wordt op de baar gelegd en op het marktveld onder den grond gestopt. Ook aan een lijkrede laat men het niet ontbreken. In Zuid-Limburg (b.v. te Schinnen) wordt het _kermiskiendje_ begraven. Men vergelijke "den winter begraven" enz., en den Blitterswijkschen _doodendans_ (bl. 166). In Vlaanderen "begraaft" men den laatsten kermisdag, _kermis-kaluit_ geheeten, "het hespebeen"; ook houdt men wel een verkoop van ledige beurzen.

Een huiselijk instituut, dat echter tot vele misbruiken aanleiding gaf, is ook de _spinning_, spinnerij, spinnejacht enz. Gedurende de lange wintermaanden--die in huiselijke gezinnen meestal door gezelschapsspelen als ganzebord, domino-, kien-, dam- en kaartspel worden gekort--kwamen sinds overoude tijden de jonge meisjes en soms ook de vrouwen uit de buurt met vlas en spinnewiel in het een of ander ruime vertrek te zamen. Deze spinningen waren het gevolg van het sterkontwikkelde gemeenschaps- en buurtwezen. De jonge dochters werden verzocht, een handje te komen helpen, om door gemeenschappelijken arbeid in éen dag zooveel vlas als mogelijk tot fijne draden te kunnen verwerken. Later trad het liedjes-zingen en sprookjes-vertellen meer op den voorgrond. Naderhand werd eigenlijk weinig meer gesponnen--want het hoog-voorname spinnen raakte in oneere, en een spinnewiel, in de salons te pronk gesteld, kan dit niet verhelpen,--maar des te meer gezongen en--gevrijd: want de spinmalen waren de vrijpartijtjes bij uitstek. Zie Drentsche Volksalm. 1839; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 407 vlg.

Zij bestaan nog, en plaatselijk zelfs in vrij oorspronkelijken vorm, in het Oosten van het land, Brabant, Limburg en Vlaanderen. Gesponnen wordt meestal in den nawinter, van Kerstmis tot Vastenavond. De meisjes spinnen of breien doorgaans van zes tot negen; dan komen de jongens uit de buurt allerlei dwaze streken uithalen, en er wordt gekoosd, gevrijd, gezongen en gesprongen. Ook kort men den tijd wel met gezelschapsspelletjes, maar van geheel anderen aard dan de bovengenoemde; het is _pandverbeuren, bezemjagen_ in den Achterhoek, _buurt of slage_ in Drente, _zökskes liggen_ of _den rooden hoan jagen_ in zuidoostelijk Noordbrabant: te Beers, Schayk, Haps enz. Bij _buurt of slage_ moeten de jongelui het meisje, waar zij mee koozen, aan een ander afstaan, op straffe van met de plak geslagen te worden. De beide Brabantsche spelletjes zijn zoekspelen, en slachten het beschreven _slofje onder_.

IV. Landbouw en veeteelt.

De _buurtschap_ is van landelijken oorsprong. Boven is uiteengezet, hoe vooral in de eschdorpen gemeenschap van herkomst en van belangen den gemeenschapszin kweekte, die tal van gemeenschappelijke bepalingen in het leven riep en gemeenschappelijke hulp waarborgde. Aldus vormden de dorpelingen een zekeren clan, met een buurtschap als nauwere kern, die bleef voortbestaan, ook waar de dorpen tot steden zijn uitgegroeid. De arbeidsgemeenschap was ook een strijd-, weer- en feestgemeenschap, en als feestgemeenschap vooral openbaart zij zich naderhand in de steden. Daar ook ontwikkelden zich de buurten tot buurgilden, met bepaalde reglementen en met een president aan het hoofd, "den Heer van de buurt", zooals hij in de Hollandsche steden genoemd werd. Dat de buurdiensten hoog gewaardeerd werden, blijkt uit ons goed Nederlandsch spreekwoord: "Een goede buur is beter dan een verre vriend".

De buurt omvat doorgaans een zeker getal straten met een bepaald centrum, zoo b.v. te Roermond, waar de _put_--zoo heet daar de buurtgemeenschap--een pomp, waarop het beeld van den putheilige, als middelpunt heeft. Op het land is de grens veelal een weg of een pad.

Eertijds had jaarlijks een gemeenschappelijk buurmaal plaats, waarvan de onkosten uit de buurtkas betaald werden; toen dit afgeschaft was, trad het jaarlijksch potverteren in de plaats. Er heerschte ook een zekere hiërarchische rangorde: eerste buur, tweede buur enz. De _noodnoabers_ zijn de buren, tot wie men zich in geval van nood het allereerst wendt; en mèt de benaming is het instituut blijven voortleven. Als buur geschrapt, "uitgedaan" worden, is een ontzettende schande. Nog steeds bewijst de buurt haar goede diensten in de belangrijkste, zwaarste, heuglijkste en pijnlijkste oogenblikken van het leven. Bij geboorte, huwelijk en sterfgeval geschiedt de aankondiging vaak door de buren; bij huwelijk worden buurt en huis versierd, alsmede de weg, dien het bruidspaar nemen moet; bij het bouwen van een nieuw huis, het graven van een put, bij onderscheidingen, een lid der buurtgemeenschap te beurt gevallen, bij oogsten, dorschen, rooien, bij brand of hagelslag,--steeds is het de buurt, die hare hulpvaardigheid en deelneming betoont. Daar zijn andere minder gewichtige, maar toch ook sprekende momenten in het buurtleven. Heeft iemand geslacht, dan noodigt hij niet zelden de buren, om te komen zien, als 't varken op de ladder hangt. Ieder zegt dan, zonder dat de keel droog wordt, zijn meening over het gewicht: men noemt dit in Noord-Brabant "het varken prijzen".

Vaste gebruiken kent men ook bij het verhuizen. Op den bepaalden dag trekken de mannen en de meisjes uit de buurt met de noodige karren naar het dorp, dat de nieuwe buurman metterwoon gaat verlaten. Een kar, waarop het nieuwe gezin plaats neemt, is feestelijk versierd: de huif is met kleurige papieren bloemen getooid, en voorin hangt een bloemenkroon. Nu zet de vroolijke, joelende stoet zich in beweging, en in Noord-Brabant wordt hierbij gezongen:

Te N. willen wij niet wonen, Daar zijn de wijven te kwaad, Maar te N. willen wij wonen, Daar zijn ze beter van aard.

Of wel:

Te N. willen wij niet wonen, Daar is 't een arrem land, Maar te N. willen wij wonen, Daar zijn rozen geplant.

Of wel:

Dat gaat naar Den Bosch toe, Zoete lieve Gerritje, Dat gaat naar Den Bosch toe, Zoete lieve meid.

Wat zullen wij daar drinken enz. Brandewijn met suiker enz. Wie zal dat betalen enz. De boer, dien wij gaan halen enz. Waar zal hij dat halen enz. Al uit zijn linnen beursje enz. Wat zullen wij daar eten enz. Rijstepap met suiker enz.

Deze rijmpjes worden doorgaans gevolgd door een langgerekt "kjoeuw".

Intusschen is de nieuwe woning in orde gemaakt,--trouwens _elke_ nieuwe woning wordt door de buurt in staat van bewoonbaarheid gebracht. Het heele huis is schoongemaakt: de vloeren geschrobd, de muren gewit, alles gepoetst, gewasschen, gesierd; daarna is de mei of een kroon op het dak gezet en, ten teeken van volbrachten arbeid, de bezem uit het dak gestoken; van daar de uitdrukking: "den bezem uitsteken." Plaatselijk dansen de buurmeisjes dan in de feestelijk uitgedoste woning. Zij hebben nu recht op een onthaal, in het Oosten van het land het _intrekkingsmoal_ genoemd. In het zuidelijk gebied heeft dit onthaal geen afzonderlijken naam. Natuurlijk wordt koffie gedronken, waarbij krentenmik gegeten wordt "en andere"; elders nuttigt men de onafscheidelijke stoete. De kroon, die de huifkar tooide, wordt in het nieuwe heem opgehangen en blijft daar, tot ze verdord of versleten is.

Een oud gebruik, en waarschijnlijk oorspronkelijk wel bedoeld als een offer aan de huisgeesten, is het oostelijke _vuurbeuten_, d.i. het vuur aanleggen in de nieuwe woning door de buurvrouwen, plaatselijk--maar jonger--ook door de buurmeisjes; men vergelijke hiermee het huisoffer bij het huwelijk, bl. 261. Ook in het Bentheimsche bestaat dit gebruik. In Oost-Vlaanderen loopt 's avonds de heele buurt samen, elk met een bosje stroo, dat ter eere van den nieuwen buurman wordt gebrand; men noemt dit, de nieuwe buren _inbranden_. Het onthaal draagt den naam van de _overhaalfeeste_; zie Loquela XII, bl. 69.

Overeenkomstig dit gebruik wordt een nieuwe herberg met meitakken gesierd; ook plant men vóor de deur wel eens een meiboompje. Te Kessel (L.) brengen de buurtjongens den kastelein het uithangbord; het hierop volgend onthaal heet dan _schildverteren_.

Bij ziekte wordt door de buurt geneesheer en geestelijke gehaald, gewaakt, gebeden. Vooral na de berechting onderneemt in katholieke streken de buurt een bidgang naar een nabijgelegen kapel. Treedt de dood in, dan zijn het weer de buren, die den doode afleggen, overluiden, bewaken. Zij belasten zich met de toebereidselen tot de ter aarde bestelling, dragen het lijk, delven den kuil, verrichten de begrafenis. Hoe treffend is niet de Limburgsche gewoonte, waarvolgens de buurmeisjes kransjes vlechten voor de overleden kinderen en ongehuwden, en in den lijkstoet palmtakken dragen, die dan gestoken worden op het graf.

De gezellige bijeenkomsten dragen den naam van _buurting_ of _buuravond_; het onthaal, dat billijkerwijs de bewezen diensten volgt, heet _bier_ of _maal_, terwijl het plaatselijk een specifieke benaming mist. Dit _bier_ is een echt Nederduitsch instituut; zie ook Winkler, Oud Nederland, bl. 816. De naam van den drank, die het hoofdbestanddeel vormde, is op de feestelijke bijeenkomst zelf overgegaan en bleef, ook toen deze drank geheel op den achtergrond raakte. Zoo kent men het _geboorte_- of _kinderbier_, Friesch _bernebjiar_, het _meibier, gildebier, vastelavondbier, schuttebier_, bij begrafenissen het _doodbier, leedbier, troostbier, droefheidbier, groevebier_, Friesch _leedbjiar_ en _treastelbjiar_, ook wel _loofbier_ genoemd, wanneer de doode geloofd wordt; bij verloving het _verlovingsbier_. Was men bij het bouwen van een huis in Friesland zoover gevorderd, dat men de daksparren met pannen dekte, dan gaf men het _pannenbjiar_, vergel. de Zeeuwsche uitdrukking _te biere gaeë_, zie ook De Bo, West-Vlaamsche Idioticon, bl. 127. Over het Limburgsche _huulbeer_ is gesproken, zie bl. 263. Elders spreekt men van een _intrekkingsmaal_ (bij verhuizen), een _steendermaal_ (bij het aanbrengen van bouwmateriaal), een _richtemaal_ (als de gebinten gericht zijn), een _mestmaal_ enz.

Bij den landbouw en het akkermansleven openbaart zich een nauw betrekkingsgevoel tusschen den landbewoner en de omringende natuur, en een gevoel van wisselwerking tevens. Verkondigt een dorre twijg den dood aan dengene, die hem het eerst waarnam, omgekeerd kan men, door een stroopop in het water te werpen, de natuur tot regen dwingen (vergel. bl. 195). Dit is meer dan poëzie en symboliek, dit is, hoewel onbewuste, sympathetische magie, die op een zekere animistische natuurbeschouwing en ten deele op natuurvereering berust, in zoover hier althans van fetissisme spraak kan zijn. Maar naast en boven dit animisme of dynamisme is in de akkergebruiken nog een andere faktor werkzaam: het religieuze bewustzijn van de voorzienigheid Gods en Zijn heerschappij over de natuur.--

Reeds is voor het _zaaien_ gezorgd door palmblaadjes tusschen het zaadkoren te leggen; dit bevordert de vruchtbaarheid. Maar deze maatregel is niet voldoende; want het is lang niet onverschillig, wanneer gezaaid wordt. Vrijdag en Maandag zijn daartoe niet geschikt. Verder meent de landbouwer, als vroorogge op Sint Pieter vóor den middag gezaaid wordt, dan schieten er aren in; niet aldus, wanneer in den namiddag gezaaid wordt. De laatste volle week van September mag niet gezaaid worden; dit is de _springweek_, dan springt het zaad uit den grond op. Rogge moet ook gezaaid worden met wassende maan (sympathie), maar niet tusschen twaalf en éen, en evenmin op Quatertemperdagen. Zoo mag men ook in de Kruisdagen geen boonen poten. In Vlaanderen en in den Achterhoek acht men het verkeerd "bij twee lichten" te zaaien, d.i. als zon en maan aan den hemel staan; daarentegen zaait men in het Rijnland juist bij twee lichten gaarne tarwe, dan wordt zij mooi wit (sympathie).