Chapter 22
Nu wordt het paar feestelijk ingehaald. De meeste hierbij gebruikelijke vormen zijn ontleend aan den alouden feeststoet, waarbij de bruidswagen een hoofdrol speelt, en dien men nog betrekkelijk zuiver in Drente en in den Achterhoek weervindt. Wij bedoelen het _heemgeleide_, dat nu eens in afzonderlijke bedrijven, dan weer op verschillende dagen plaats vindt. Doorgaans werd deze stoet gehouden vóor den bruiloftsdag.
De bruidegom komt dan met een groot aantal open boerenwagens vol jongens en meisjes aanrijden. Deuren en vensters van het huis der bruid zijn dicht. Maar éen der jongelui treedt vooruit en verklaart in gebonden of ongebonden taal, dat hij de bruid komt opeischen, waarna de banderdeur zich opent en de geheele schare binnenlaat. Nu gaat op de deel de kom met brandewijn rond, er wordt gefeest, gegeten, gedronken en gedanst, en eindelijk rijdt de bruidegom met de bruid op den versierden bruidswagen huiswaarts. Deze wagen, of de volgende, zijn bepakt met beddegoed, stoelen, melkstel, spinnewiel enz. Soms staat ook de bezem op den wagen, in Westfalen bindt men er een haan boven op. Bezem en haan moeten de booze geesten verjagen (bl. 96). Ook het schieten, dat thans nog zoo goed als over de geheele uitgestrektheid van ons volksgebied gebruikelijk is, en nu uitsluitend het karakter van vreugde en huldebetoon aanneemt, moest eertijds de geesten verdrijven, om aldus zegen en vruchtbaarheid voor het huwelijk te verwerven (vgl. bl. 102, 128). Hier of daar komt wellicht, ouder gewoonte, nog de bruidskoe achteraan. Te Rijssen (O.) werd of wordt (?) die koe gesierd en op stal gezet onder een deel van de zoldering, dat uit geschaafde eikenplanken bestond; zie Driem. Bladen III, bl. 11.
Herhaaldelijk op weg naar de nieuwe woning wordt de bruid geschut. Een rest hiervan is zelfs het Vlaamsche gebruik, dat arme vrouwen en kinderen de bruid bij het verlaten van het kerkportaal _de schoenen vegen_, natuurlijk om een fooitje te krijgen. Verderop wordt de weg door een koord versperd, en ook hier dient de doortocht te worden gekocht: in Vlaanderen heet dit, rond Aalst, _afspannen_, en westwaarts _stroppen_. In Nederland vindt het paar den weg door een balk of versierde lijn versperd; in Baden en Tirol hakt men het koord tegen losgeld met een sabel door. Aldus wordt de bruid uit hare gemeenschap, vooral uit de buurtgemeenschap, afgekocht en in de nieuwe ingekocht: het is een scheidings- en opname-ritus. Volgens Samter, Geburt, Hochzeit, Tod, bl. 162 vlg., wordt eigenlijk niet aan het bruidspaar, maar aan de kwade geesten de weg versperd. Bij deze verklaring steunt hij vooral op het Indisch gebruik, fijne blauwe en roode draden over den bruidsweg te spannen. Hiervoor zou ook pleiten de vroeger in ons land heerschende gewoonte, door een bezem den weg te versperren; immers volgens een wijd en zijd verspreid volksgeloof kan men zich juist door het keren zeer doeltreffend van de geesten ontdoen; vergel. den bezem op den bruidswagen en het keren in het sterfhuis.
Onderweg strooit de bruid geldstukjes, appelen, noten en andere versnaperingen.
De woning der bruid is versierd, de zetels van het jonge paar zijn omkranst, kinderen strooien bloemen, buurmeisjes bieden den eerewijn aan en zeggen gedichtjes op, den bruidegom wordt een versierde pijp aangeboden enz. Ook wordt wel eens de geheele stoet in alle bevriende huizen, waar hij voorbij trekt, _beschonken_, d.i. op brandewijn met suiker, wijn en knapkoek onthaald. Maar dit zijn alle moderne vormen van weinig waarde. Belangrijker zijn enkele gebruiken, die ten platten lande nog hebben stand gehouden, wanneer bruid en bruidegom de woning betreden. Zij zijn overoud en behooren tot het Indogermaansche bruiloftsritueel, vormen een gedeelte van den oorspronkelijken _bruidloop_ naar de echtelijke woning.
Op enkele plaatsen moet de bruid over den drempel worden gedragen (Driem. Bladen IV, bl. 4), een overgangsgebruik, maar dat met een afweergebruik samenhangt; het is zoo goed als over de geheele wereld verspreid, in China zoowel, als eertijds in het oud Rome. Te Hooge Mierse (N.-B.) legt men op den drempel een stok met een _rood_ doek. Te Reusel (N.-B.) wordt het paar onder een krans naar de nieuwe woning geleid. De krans wordt tegen de deurstijlen gevlijd en het paar _springt_ naar binnen. Dat wij hier met een overleefsel van den vrouwenroof te doen zouden hebben (Rossbach, V. Schröder, Lubbock, Jevons), lijkt mij onaannemelijk; immers de bruid wordt niet door den bruidegom, maar door een ander willekeurig persoon gedragen, of ook springt over den drempel, en trouwens in beide hoogst vertrouwbare mededeelingen uit Noord-Brabant wordt van bruid èn bruidegom gesproken. Ook komt men niet verder met de verklaring, dat het stooten tegen den drempel een slecht voorteeken zijn zou; waarom juist tegen den drempel? De verklaring is wel deze, dat de drempel de verblijfplaats der zielen is, wat uit tal van volksgebruiken blijkt; wellicht werden zij bij voorkeur vóor den drempel begraven. Het roode doek--rood is de tooverkleur en heeft in geheel het Indogermaansche folklore geestenwerende kracht--heeft dan ten doel, kwaadwillige geesten den toegang te beletten, terwijl het paar zich over den drempel laat heen dragen of er overheen springt, om de geesten niet te storen en te vertoornen.
Dan volgt, veelal op den avond van den huwelijksdag, het _haalleiden_ of _halen_, een Indogermaansch gebruik, dat men bij de Osseten weervindt. De bruidegom geleidt de bruid driemaal om den haard en om het haardvuur, waarna zij in de gemeenschap van het water en vuur wordt opgenomen. Ook wordt de bruid op verscheidene plaatsen om den ketelhaak of _haal_ gevoerd (zie bl. 35), vanwaar de benamingen _haalleiden, hieëlen, hölen, heelen_ enz. De haal wordt altijd blinkend geschuurd, dit is het laatste werk, waaraan de meeste zorg wordt besteed; vandaar de spreekwijze: "Op den haal na, is alles gepoetst."
Natuurlijk wordt voor het oorspronkelijke om-den-haard-leiden een geheel vrijliggende haard verondersteld. Toen nu de haard tegen den zijwand gelegd werd, moest men voor den haard een ekwivalent zoeken, en als zoodanig nam men de haal of ketelhaak. Deze werd naar voren getrokken of midden in het vertrek aan een balk gehangen, en de bruid werd om haal en ketel geleid, ofwel de ketting werd haar omgeslagen. Naarmate de haard vervangen werd door de kachel, of aan beteekenis verloor door het plaatsen van een kachel in een der bij vertrekken, is ook het haalgebruik op den achtergrond geraakt. Verder werd het veralgemeend en ook op den man en op de meid, ja zelfs bij verhuizing toegepast: uit den gedachtengang "de bruid betreedt de nieuwe woning" heeft zich het laatste begrip losgemaakt en zelfstandig ontwikkeld.
In Nederduitschland is dit gebruik nog op vele plaatsen in zwang; van onze grensplaatsen noem ik Heinsberg, waar men de bruid _hielt, haalt_ of _helt_. In Midden- en Opper-Duitschland vindt men geen spoor. Het gebruik schijnt alleen in de Saksische landen behouden te zijn gebleven, zoozeer, dat b.v. de bewoners van het Saterland, een Friesch taal- en volkseiland, dit gebruik mèt den bouwtrant--natuurlijk ten gevolge van klimaat en grondgesteldheid--van de omwonende Saksen hebben overgenomen. Waar Siebs echter meent, dat het overreiken van den kooklepel of _sleef_ een specifiek Saterlandsch gebruik is, vergist hij zich. Ook in Hollandsch Limburg bestaat dit gebruik, b.v. te Grubbenvorst.
Want, vreemd inderdaad, terwijl men dit gebruik het eerst in de zône der hoeven van zuiver-Saksischen bouwtrant zou zoeken, is het juist daar uitgestorven en leeft nog slechts in de streek der uitgestorven Saksische hoeven en in die der Nederfrankische (dus ook lang niet uitsluitend in 't Schependom van Nijmegen). Het Nijmeegsche _hoalleien_ staat beschreven in den Gelderschen Volksalm. van 1840, bl. 9 vlg.; maar het gebruik blijkt reeds verbasterd en dient nog slechts om een nieuwen buurman te installeeren.
Daarentegen voert dit gebruik een krachtiger leven zuidelijk en zuidwestelijk van Nijmegen. Men kan zeggen, dat het _halen_ nog in zwang is, of althans voor enkele jaren nog in zwang was, in geheel Limburg tot aan de grens van den villabouw en in een groot deel van Noord-Brabant. Het best bleef het bewaard in de omstreken van Venray. Met name heb ik kunnen konstateeren, dat het in vrij oorspronkelijken, of ook in meer gewijzigden vorm, optreedt of kortelings nog optrad te: Venray, Swolgen, Meerlo, Oirloo, Leunen, Merselo, Afferden, Maashees, Deurne, Wellerlooi, Beugen, Horst, Oploo, Wanroy, Mill, Heeze, Mierde, Velp (N.-B.), Zeeland (N.-B.), Stiphout, Escharen, Reek, Reusel, Aalst, Maasbree, Arcen, Belfeld; de benamingen zijn hier _hölen, hoalen, hoalleien_.-- Verder rond Roermond, Sittard en Weert, nl. te Melik, Beegden, Asenray, Guttecoven, Limbricht, Buchten, Dieteren, Einighausen, Posterholt, Weert, Neeritter, Helden, Panningen, Heel, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Kessel: _heelen, hieëlen._ Het zuidelijkste spoor vond ik te Schinnen (zuidoostelijk van Sittard). Het zal den lezer niet moeilijk vallen, aan de hand van deze opsomming zelf de is-ethne te trekken (bl. 32).
Somtijds is vrijwel alleen nog de naam overgebleven en verdwijnt het ceremoniëel in een kleurloos trakteeren. Elders, en dit is zelfs zeer vaak het geval, wordt de bruid door de meid vervangen, of is het gebruik op den knecht overgebracht. Dikwijls worden bruid of meid onder den schoorsteen geplaatst. Terwijl men haar nu om de haal leidt, of den haalketting, die thans doorgaans de haal vervangt, om de schouders slaat of driemaal boven het hoofd zwaait, luidt de spreuk:
Ik haal u in den naam des Heeren, Wat ge niet kent, zullen wij [voor de bruid] u wel leeren.
of: [op dezelfde regels als vervolg speuk]
Wat ge niet kent,--zal de vrouw [voor de meid] u wel leeren. Wat ge niet kent,--zal de baas [voor den knecht] u wel leeren. Dat is voor u [eerste maal], dat is voor ons [tweede maal], dat is voor de gansche kompanij [derde maal], Voor een liter foezel zijt ge vrij.
Of:
Ik haal u als meid en niet als knecht, Een liter foezel is uw recht.
Of ook:
Ik haal u in den naam des Heeren, In dit huis zult ge verkeeren Niet als meid, maar als vrouw, En wees uw man getrouw.
Haard en haal zijn plaatselijk door verschillende andere voorwerpen vervangen: de tafel, de karn, de melkkan, den koffiemolen, den koffiepot, den ketel, den melkstoel, voor den boer door schop op zaaikorf. Gebeurt dit, met den haalketting om de schouders geslagen, dan mag het nog tot het haalleiden gerekend worden. Anders behoort het tot de groep van inhuldigingsgebruiken, waarbij de vrouw door omleiding of bloote aanwijzing in het bezit of gebruik van het een of ander voorwerp gesteld wordt, b.v. "dit is het bed";--"dit is de kast";--"dit is de klok"; ook leidt men haar door de keuken, de schuur, de stallen, naar het vee, de bijenkorven enz. Wel wordt de haalketting somtijds nog vervangen door den ketelwisch, d.i. een gedraaide strooien ring, aldus b.v. te Heeze, Aalst en Stiphout. Ook te Veldhoven wordt de meid aan een stroowisch in alle vertrekken, op den stal en door de schuur rondgeleid. Bij den knecht bezigt men aldus het haam. Te Mill worden emmer, bezem enz. in _den hêrd_ gelegd, de meid gaat er bij staan, en nu danst men er om heen. Elders gaat de jonge vrouw, of ook de meid, op den melkstoel zitten, en zingend trekt de schare rond.
Nog dien ik een zeer eigenaardigen vorm van het haalgebruik te vermelden, zooals die in eenige dorpen noordwestelijk van Sittard, nl. te Guttecoven, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Limbricht en Dieteren gevonden wordt. Daar moet de bruid, of ook bruidegom en bruid, met een versierde bijl in een versierd blok kappen. Gewoonlijk verbergt zich de bruidegom, maar het baat niet; hij wordt door de buurvrouwen achtervolgd en moet er aan gelooven.--Dit gebruik doet mij veronderstellen, dat wij bij het haalleiden niet alleen met een symbool, met een zuiveren opname-ritus te doen hebben, zooals dit met het gewone rondleiden en omleiden om de huiselijke voorwerpen het geval is. Zeer zeker, de bruid wordt ingeleid in het huiswezen, en hierop wijst o.m. het Duitsche gebruik, dat de jonge vrouw in den schoorsteen moet zien, om er mee vertrouwd te raken. Maar het kappen in het blok wijst op een oorspronkelijk-religieuze handeling, op een houtoffer aan de schutsgeesten des huizes: naar men weet, was de haard de heiligste plaats van het huis, omdat het de oude offerplaats was (bl. 35). En dat dit offer tevens een reinigings- of afweer-ritus omsluit, blijkt uit het gebruik, dat de bruid _over het blok moet heen springen_: dit was natuurlijk oorspronkelijk een springen over den vrijliggenden haard. Zoo herinnert men zich te Reusel dan ook nog, dat de bruid moest _springen over een kooltje vuur_, dat in een vooraf geteekenden kring gelegd werd. Springen over vuur beduidt zuivering en vruchtbaarheid (bl. 105). Het vruchtbaarheidsidee treedt dan ook bij het Dietersche blokhouwen op den voorgrond. Blijft de bijl stevig in het blok zitten, dan beduidt dit een _krolköpke_; anders blijft het huwelijk onvruchtbaar.
Een anderen vorm van inhuldiging van het nieuwe personeel, in Twente in zwang op Natte Paschen (Natten Zondag), vindt men bl. 187 beschreven. Ook hierbij speelt de haard en het haal een rol: door het vast te grijpen, stellen de dienstboden zich als het ware onder de bescherming van de heilige haardstede, beveiligen zij zich tegen geweldpleging. Te Brunswijk nam eertijds de kooper een huis in bezit door het aanraken van den ketelhaak.
Een belangrijk _survival_ vindt men te Oldenzaal, Ootmarsum en omstreken. Daar heerscht of heerschte nog kortelings het gebruik, dat na afloop der bruiloft de bruid weer naar haar ouderlijk huis terugkeerde. Den volgenden dag ging de jonge man naar het ouderlijk huis der getrouwde bruid en vroeg: "Is hier soms een vrouwspersoon aangekomen, die gisteren mijn vrouw geworden is?" Dan kwam de bruid aangeloopen en antwoordde: "Hier ben ik al", en nu ging zij voorgoed mèt het huisraad naar de nieuwe woonsteê.
Wij hebben hier een vorm van het zich verbergen der bruid, zij laat zich zoeken en geeft zich ten slotte gevangen. R. Reichhardt, Geburt, Hochzeit und Tod (Jena 1913), zegt dus te onrechte, dat dit "heute wohl nirgends mehr nachweisbar" is (bl. 92). De bruid trachtte nl. vroeger, volgens vrij algemeen gebruik, na het huwelijk te ontvluchten en zich te verbergen, waarop de bruidegom haar moest zoeken. Men zou hier een overleefsel van het roofhuwelijk kunnen zien; klaarblijkelijk is het echter slechts een overoud scheidingsgebruik.
Van het oude Groningsche _brüdegamslah_en, het slaan van den bruidegom ter bevordering der vruchtbaarheid (zie Dr. Knappert, Groningsche Volksalm. 1902) is, voor zoo ver mij bekend, niets overgebleven. Het was een "slag met de levensroede", vgl. bl. 116. Bij de Slavische volken vindt men het nog herhaaldelijk.
Het _bruiloftsmaal_ heeft weinig karakteristieks meer behouden: eten, drinken en dansen is de boodschap. Den eeredans heeft het jonge paar, of wel de bruid met den bruidsknecht, of de bruidegom met het bruidsmeisje. Te Grubbenvorst, Helden enz. (L.) beginnen de gasten midden onder het maal met de messen en vorken op de glazen te tikken, totdat de bruid opstaat en zich door een zwager het huis laat rondleiden, onder het geroep van: "de broed mot droet". Glazen worden voor de deur stuk gegooid, en na afloop trekken de buurvrouwen onder groot lawaai met pannen en deksels rondom het huis. Het zal wel onnoodig zijn op te merken, dat wij hier met een geestenwerend lawaai te doen hebben; vruchtbaarheid werd hiervan voorheen het onrechtstreeksche, maar hoofdzakelijk bedoelde gevolg geacht. Zoo werden nog voor eenigen tijd in Friesland op den avond der bruiloft de glazen in den voorgevel stuk geschoten, en de vader der bruid achtte zich hierdoor vereerd. Van iemand, die knappe dochters had, zei men: "Die zullen hem wat glazen kosten!"
's Avonds brengen de jongelieden te Helden, Nunhem, Swalmen, Beesel enz. aan het bruidspaar een eigenaardige serenade. Zij huilen en kermen over de slechte tijden. Op de vraag, wat ze dan eigenlijk willen, antwoordt de persoon, die Aartje voorstelt, dat zijn talrijk kroost toch òok gaarne iets van de bruiloft had. Hierna worden zij onthaald.
Men dient deze vertooning als een scheidingsgebruik op te vatten, evenals het _huilbier_ (_huulbeer_), Hoogduitsch _Heulbier_. De gedachte is wel deze, dat de bruid tot het tijdstip van haar huwelijk aan de geheele gemeente behoort, en dus de jonge man ze moet afkoopen door geschenken. Ook verbeeldt het wel een afscheid van den jongen man aan zijn gezellen. Dit gelag heeft plaats vóor of na het huwelijk, en komt dus vrij wel overeen met het Achterhoeksche _boksenbier_, waarop de bruid haar _bruidstranen_ (brandewijn met suiker) schenkt. Komt deze naam van het schieten met de _bokse_? Of van de gewoonte, dat de bruidegom door zijn vrienden schertsenderwijze van de broek ontdaan werd, hetzij om hem daarna in het bed te stoppen, hetzij om hem in de gelegenheid te stellen, het echtelijk gezag, aldus symbolisch hem ontnomen, weer te koopen? Meer hierover vindt men bij Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 270, Driem. Bladen II, bl. 25, 27; 93 vlg.
Volgens Reichhardt is de naam eigenlijk _heilbier_, en hij vergelijkt het Middelhoogduitsche _heilwîn_. Ik meen echter, zooals gezegd (bl. 246), aan de benaming van _huilbier_ te moeten vasthouden, en vind het gebruik in zijn _oorspronkelijken_ toestand in die plaatsen (b.v. Sittard, Beegden, Epen), waar het huilbier gegeven wordt door den weduwnaar, die met een jong meisje huwt, of door den jongen man, die met een weduwe trouwt: zij kunnen zich van het _huulen_ afkoopen door een vrijgelag. Is deze opvatting juist, dan heeft zich het gebruik eerst naderhand tot scheidingsgebruik ontwikkeld.
In Drente kende men eertijds het _hanenbier_. Door de buren werd aan de jonggehuwden een hanenmaal aangeboden. Men kocht een haan en deze werd gebraden en in zijn natuurlijke houding, op drie pennen, in een grooten schotel op tafel gezet. Uit de ontvangen fooien werden de onkosten van het hanenbier bestreden; zie Drentsche Volksalm. 1842, bl. 125.
Na de bruiloft beginnen voor het paar de _wittebroodsweken_, of ook de _zoetemelksweken_. Dan komt het jonge paar nog pas "van Zoetendaal"; het slijt den zaligen tijd der eerste, jonge liefde; "de korstjes kraken nog."
III. Huiselijk Verkeer.
Maar de liefde rijpt, en een nieuw, rijk en vruchtbaar leven: het huiselijk verkeersleven, neemt een aanvang. Zijn de jonge lieden bij de oude lui ingetrouwd, dan worden door deze voorwaarden gesteld; vooral de Drentsche boer staat niet graag zijn hoeve af, gedachtig aan het spreekwoord: "Men moet zich niet uitkleeden, voor men naar bed gaat." Dat dit _introuwen_ niet altijd in peis en vree verloopt, getuigt het Limburgsche spreekwoord, dat "de bliksem en de introuw nog niet beschreven zijn."
Wordt de echt gezegend en moeten vader en moeder zich reppen om hongerige mondjes te vullen, dan ontplooit zich het bedrijvige huiselijke leven in zijn vollen omvang. Het vrome echtpaar stelt prijs op Gods zegen, die het huis moge schutten, het onheil afwere en den arbeid doe gedijen. In katholieke streken wordt het huis ingezegend, het kruisbeeld prijkt boven den schoorsteenmantel, en daarop of op de kast staan enkele heiligen-beeldjes. Naast de deur--meestal van de slaapkamer--hangt een wijwatervaatje met gewijde palm; en in den kersttijd vindt men veelal nog een Stalletje van Bethlehem en in de meimaand een versierd Mariabeeld, waarbij gebeden en gezongen wordt. Aan den wand hangen ingelijste woorden, als "God ziet mij" en "Hier vloekt men niet"; en tegen de binnenzijde van de kastdeur is veelal een gekleurde plaat bevestigd, de _Huiszegen_, waarop een gebed bij tijden van onweêr: dan wordt ook de gewijde kaars ontstoken, die tevens als doodenkaars dienst doet. De wandkaarten bij de protestanten bevatten meestal korte teksten uit den Bijbel. Op de scheurkalenders vindt men een tekst uit de H. Schrift met een korte verklaring ervan op de voorzijde, tegelijk met een opgave van het gedeelte der H. Schrift en een psalm- of gezangvers, dat 's morgens of 's avonds gelezen kan worden. Aan de achterzijde vindt men meestal korte verhaaltjes, aan het Christelijk leven, of geschiedenissen, aan de Zending ontleend; terwijl op roomsche scheurkalenders naast Schriftuurteksten veelal citaten uit kerkelijke schrijvers of korte verhalen uit de levens der heiligen voorkomen.
Het Christelijk gezin begint en eindigt den dag met _gebed_; en hier wordt "gezin" genomen in ruimsten omvang, want, zitten nog slechts op het platte land veelal de knechts en meiden mee aan den disch, bij de gebedsstonden pleegt ook elders de vrome huisvader de onderhoorigen met de andere huisgenooten te vergaderen. Des avonds wordt in vele katholieke gezinnen gezamenlijk de Rozenkrans gebeden, onverminderd het gewone avondgebed; ook laat men zelden na, des avonds te bidden voor de "geloovige zielen", met name van de afgestorven bloedverwanten. Bij de vrome protestanten is het regel, dat dagelijks de Bijbel gelezen wordt. In sommige families geschiedt dit eenmaal daags, vóor of na het ontbijt, in andere tweemaal, nl. ook des avonds vóor het naar bed gaan, in weer andere driemaal, nl. ook na het middageten. Bij velen wordt, nadat een kapittel uit de H. Schrift of een gedeelte daarvan gelezen is, ook nog een stuk uit een Christelijk dagboek gelezen. Soms, als men een huisorgel bezit, wordt er een psalmvers of een gezangvers bij gezongen.
Vóor elken maaltijd wordt gebeden, na elken maaltijd gedankt, waarbij allen de handen vouwen en de oogen sluiten. Treffend heeft Karel de Groux het familiale gebed vóor het eten afgebeeld in zijn _Bénédicité._ In katholieke gezinnen bidt men na het kruisteeken een Onze Vader en een Wees Gegroet: de vader of het jongste kind bidt voor, en allen antwoorden met luider stem. Waar in protestantsche gezinnen de huisvader hard op bidt en dankt, is het gebed een zoogenaamd vrij gebed, dat in sommige gezinnen zelfs zeer lang kan zijn, of er wordt een formuliergebed gebruikt. Meestal spreken de jonge kinderen dan nog een klein gebed, b.v. "Heere, zegen deze spijs en drank, Amen", of "Heere, wij danken U voor deze spijs en drank, Amen".--
Van zulk een hoofdmaaltijd--tegen het middaguur--vormt de brij of pap op het land een voornaam bestanddeel. Des avonds is brood met pap en aardappels zelfs het eenige _voedsel_. Verdere gerechten zijn appelenpap, weggenmelk (van gedroogd wittebrood), spek, pannekoek enz. De middagpot bestaat veelal uit boonen- of erwtensoep, aardappelen met groenten, of ook met kool, boonen enz. vermengd tot _stamp_ of _potage_, en vaak een stukje spek of vleesch. Uit een gemeenschappelijken schotel wordt nog veelal gegeten, als het aardappelen geldt met saus. Dan plaatst men midden op tafel de kom met aardappelen en een bakje saus. Met stalen vorken worden nu de aardappelen geprikt en in de saus gedompeld. Ook pap wordt veelal uit éen schotel gegeten; een tafellaken is ten platten lande onbekend.--Van ouds het voornaamste voedsel is het brood, en wel het bruine roggebrood, zoozeer, dat b.v. in Limburg slechts dit "brood" genoemd wordt, terwijl het wittebrood "mik" heet. Het brood wordt door het volk dankbaar geëerd als de goede gave Gods. Daarom drukt de boerin met den vinger een kruisje in het deeg; daarom maakt zij met het mes een kruis op de onderzijde van het brood, vóor zij het aansnijdt; daarom leert zij de kinderen, nooit een kruimel te laten verloren gaan. Want, gaat de vader zijn kroost voor in noeste werkzaamheid en voedt hij het op tot karaktervastheid en plichtsbetrachting, de moeder vooral kweekt vroomheid en godsdienstzin, en tempert de strengheid van het vaderlijk gezag met zacht beleid en trouwhartige, zorgzame liefde.