Chapter 21
Uit de wijze van ontvangst kan de vrijer al spoedig bemerken, of zijn komst en aanzoek welkom is. Blijft het meisje zitten en laat ze het stoelzetten aan een der huisgenooten over; neemt de Friesche schoone haar oorijzer van het hoofd en klaagt over hoofdpijn, dan weet de vrijer, hoe laat het is en kan hij zijn matjes oprollen. Maar wordt hem op de vraag: "mag ik mijn pijp, mijn sigaar even aansteken", bescheid gedaan, biedt het meisje hem een lucifer, haalt ze hem een stoel, brengt ze hem een pijp, dan nemen de zaken een gunstigen keer. Nog beter staan de kansen, als hij door de vrijster bij zijn vertrek tot aan de buitendeur wordt gevolgd; dat heet rond Aalst _een voois krijgen_. Wordt de vrijer afgewezen, dan _loopt hij een blauwe scheen_, of _loopt hij een blauwtje_. Deze uitdrukking wordt door Dr. Stoett, Nederlandsche Spreekwoorden, n° 214, zeer zeker het eenvoudigst aldus verklaard: "zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar: niet slagen." Een andere uitdrukking is: _een korf krijgen, door de mand vallen_. Prof. Verdam beschouwt deze uitdrukking als eene herinnering aan de oude strafoefening, waarbij de schuldige in een schandkorf boven het water te pronk werd gesteld (Handel. v. d. Maatschappij d. Nederl. Letterk. te Leiden 1901).--M.i. hebben wij hier stellig met het overleefsel eener oude strafoefening te doen, maar niet met de boven bedoelde. Ter vergelijking diene het gebruik uit den Eifel, waar de minnaar, die een blauwtje geloopen heeft, door de meisjes gekorfd wordt: ze werpen hem een bodemloozen korf over het hoofd en trekken hem er door heen. In Brunswijk zet men den afgewezene een ouden korf op het dak. Oorspronkelijk wordt de _ontrouw_ bij wijze van volksrechtspraak aldus gestraft, dan ook de _onvruchtbaarheid_ bespot; ik spreek hier over aanstonds nader, bij de behandeling van den _dorhoed_.
Voorts dient nog vermeld een zonderling gebruik, dat op Texel en Vlieland is blijven voortleven, maar vroeger ook op Wieringen en Terschelling en in vele Noord-Hollandsche dorpen bestond: _het kweesten_ of nachtvrijen; eertijds bestond het in geheel Duitschland, ja men mag zeggen over geheel Europa. Dit is een vorm van vrijen, terwijl deuren of vensters openstaan, en de minnaar op de deken zit, waaronder zijn beminde rust. Mocht soms de vrijer het wagen, niet in eer en deugd te kweesten, dan volgde, voorheen althans, steeds de volksjustitie bij wijze van ketelmuziek. Laat ik hier tevens nog vermelden het _strunen_, het opzettelijk storen der vrijpartijtjes, dat, naar het schijnt, in Friesland aan de orde was. Zie Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 196 vlg.; De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk (Gent 1911), _passim_; Virginie Loveling, Volkskunde XV, bl. 152.
Te lange verkeering is over het algemeen niet gewild. "Lange vrijage is zelden mariage".
_Dorhoed_ is de Noordhollandsche naam, waarmee ik eenige algemeen verspreide liefde- en verkeeringsgebruiken wensch samen te vatten. Volgens den Gelderschen Volksalm. van 1837, bl. 106 plaatsten de jongelieden op Pinksterdag een strooman, potsierlijk uitgedost, op een kar en reden het dorp rond. 's Nachts krijgen de meisjes, "die zich zoo taai als leêr houden, of van vrijers veranderen als van handschoenen", dien strooman op het dak; soms wordt hij ook aan den hooiberg bevestigd. In Zuid-Limburg strooit men kaf op de stoep van meisjes, die meer dan éen vrijer hebben. Wij vinden hier het gebruik in zijn oorspronkelijken, justitiëelen vorm; de strooman is de tegenhanger van den groenen Pinksterman, den vruchtbaarheidsgenius; de dorhoed: pop, korf, mand, dorre tak, zelfs kaf alleen, symboliseert onvruchtbaarheid. De dorhoed vormt een tegenstelling met den liefdemei.
In Drente is de zoogenaamde _zoore paal_ (dorre paal) het geschenk voor een vrijer of vrijster, wiens (of wier) vroegere beminde in het huwelijk treedt: een dorre tak, zonder bladeren, gebonden aan de deur van het huis. Ook wordt op vele plaatsen de weg tusschen de huizen van de(n) ondertrouwde en de(n) verlaten beminde door het strooien van kaf, haksel van stroo, zaagmeel enz. gemerkt, of wordt de verlatene daarmee bestrooid. In sommige Vlaamsche dorpen worden dan lemen (vlasscheven) gestrooid; hetzelfde gebruik is in Zuid-Duitschland en in den Eifel bekend: het bespottingsbegrip, dat in de straf lag opgesloten, heeft zich zelfstandig ontwikkeld.
Het Noordhollandsch gebruik is nauwkeurig beschreven en toegelicht door Dr. Boekenoogen in Volkskunde XIII, bl. 65 vlg.; XVII, bl. 112 vlg. Het is een versierde stroopop, die men de verlaten vrijster of den verlaten vrijer vereert; dit is meestal het werk der naaste buurgezellen. Het gebruik schijnt voor het oogenblik echter alleen nog in Waterland en het aangrenzende deel van West-Friesland te bestaan. De dorhoed wordt vergezeld van een dorhoedsbrief, waarin verzen voorkomen als deze:
Wilt dit beeltenis aanschouwen, Want het zal uw wel berouwen, Dat zij nu zal trouwen gaan, En gij moet nu agter staan.
Evenals men nu een pinkst_kroon_ kent (bl. 199), kent men ook een strooien, dorre kroon, en aan deze soort van bruidskroon herinnert nog de benaming _dorhoed_, later op de stroopop overgebracht. Zoo werd in het Zutfensche den vrijer, wien zijn meisje ontvrijd was, een hoepel met stroo om den hals geworpen. Ook Berkhey spreekt van een "kroon van gekapt stroo". Het gebruik is insgelijks in Noord-Brabant bekend.
Zooals gezegd, is de dorhoed de oorspronkelijke vorm van bestraffing, door het volk den verleider of de verleidster toegediend. Ook wordt zij wel eens toegepast op het paar, dat al te veel in jaren verschilt; zie hierover Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 125.
Op een groot aantal plaatsen is de stroopop een onmisbaar element bij de _ketelmuziek_, een anderen zeer gewonen en gebruikelijken vorm van volksrechtspraak over al degenen, die openbare ergernis gegeven hebben. Hoofdzakelijk is het een serenade met ketel- en ketengerammel, belgerinkel, hoorngetoeter, zweepgeklets enz. voor de woning van de(n) schuldige of beschuldigde, waarbij een oorverdoovend geschreeuw wordt aangeheven.
In België zijn de meest gebruikelijke benamingen: _scherminkelen, de beest jagen_ en _den hond branden_. Hier beteekenen _scherminkel, beest_ en _hond_ de stroopop. In Noord-Brabant spreekt men van _tafelen_, in Noord-Limburg van _varen_, in Zuid-Limburg van _varen, toeten, rammelen_ of _huulen_, in Midden-Limburg en verder plaatselijk van _den ezel (aan)drijven_. Deze laatste uitdrukking heeft misschien betrekking op den Middeleeuwschen ezelrit, maar in alle geval wijst het meerendeel der uitdrukkingen op een rondrijden met de stroopop, de(n) schuldige voorstellend, onder geraas en getier. Het gebeurt bij alle laakbare handelingen, of ook handelingen, die het volk als zoodanig beschouwt, b.v. bij een huwelijk met groot verschil van leeftijd, of bij het hertrouwen van weduwnaar of weduwe; en eindelijk in Limburg ook wel bij andere huwelijken in verband met het _huulbeer_, waarover nader. De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 362 vlg., betoogt, dat de ketelmuziek oorspronkelijk bij gevallen van hertrouwen plaats heeft en wel om de booze geesten te weren, met name den geest van de(n) eerste(n) echtgenoot(e), die uit nijd de(n) hertrouwde zou komen kwellen; vgl. Weinhold, Zeitschrift des Vereins für Volkskunde X, bl. 206. Maar deze meening lijkt mij onhoudbaar: 1. dewijl bijna geregeld de ketelmuziek met het onvruchtbaarheidssymbool verbonden wordt; en 2, daar dan de ketelmuziek aanvankelijk een gunstige beteekenis zou gehad hebben, terwijl toch, zooals De Cock zelf op bl. 372 uitvoerig betoogt, sinds de oudste tijden het tweede huwelijk bij het volk in kwaden geur stond. Ik houd de ketelmuziek dus voor een vorm der _volksrechtspraak_, waarmee wij boven reeds kennis maakten, en die, zooals gezegd, op Middeleeuwsche rechtsvormen, maar in haar diepste wezen op voldoening van gekrenkte gemeenschapseer berust. In zuidoostelijk Noord-Brabant kent men nog andere wijzen om een weerspannig of slecht befaamd lid der gemeenschap te treffen: _de buurt_ oefent haar vernielzucht uit op een kar van den betrokkene. Typisch is ook het _voor den ploeg spannen_ van een lastigen echtgenoot, en wel krachtens een besluit van _de buurt_, somtijds alleen van de buurvrouwen. Deze brengen dan zelf ook het besluit ten uitvoer en drijven den voor den ploeg gespannen echtgenoot met haar zweepen en stokken voort. Aldus nog een dertig jaar geleden te Turnhout, Hoogstraaten, Bladel, Postel enz. Eenigen tijd geleden was dit gebruik ook in Noord-Brabant, o.a. te Reusel, nog heerschende. Het is dus meer recent, dan door V. D. Poll in den Gelderschen Volksalm. 1887, bl. 161 vlg. vermoed werd.
Van den liefdemei was reeds sprake (bl. 189, 245). Laat ik hier bijvoegen, dat te Contich en omstreken de schuchtere minnaar gaarne de gelegenheid te baat neemt, zijn liefde te verklaren, door heimelijk een mei te plaatsen vóor de slaapkamer zijner beminde. Antwerpsche huwbare dochters krijgen _Greefs_ van hun minnaar, d.i. ruiters van spekulatie of marsepein, die den Greef van Halfvasten voorstellen (bl. 169).
Met _verloving_ wordt bedoeld "vaste verkeering", daar de min of meer plechtige verloving bij de gewone volksklasse zoo goed als onbekend is. Men geve den beminde nooit een mesje of schaar ten geschenke, want dit breekt de verkeering af (sympathie). Wanneer in Vlaanderen een der partijen _beelt_, d.i. het gegeven woord breekt, dan heet het ontworpen huwelijk _uitgebrand_, in 't Westvlaamsch _een beel_.--Het geven van een ring is een gebruik, dat van de Romeinen tot ons gekomen is; en evenals de ring te Rome eertijds het koopkontrakt bevestigde, zoo verving in onze landen de ring het huwelijksgeld of handgeld, dat met den handslag de verloving voltrok. Over de trouwpenningen zie De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 113 vlg.; Aug. Sassen, Noordbrabantsche Volksalm. 1889, bl. 61. De ring behoort te worden gedragen aan den ringvinger, omdat, volgens het volksgeloof, van daaruit een zenuw loopt naar het hart. Op het land is de ring niet gebruikelijk; noodzakelijk was ook de trouwpenning niet, want deze kon zeer geschikt vervangen worden door een ander voorwerp: vingerhoed, zakdoek, een paar hazelnoten, ja zelfs een stuk koek. Eigenaardig was vroeger in Friesland de _knottedoek_, waarin de jonge man eenig geld knoopte, om een en ander het meisje aan te bieden, met wie hij zich wenschte te verloven. Trok zij den knoop toe, en nam zij dus het geschenk aan, dan was de verloving gesloten.
Op vele plaatsen zijn bruidsgeschenken, de zoogenaamde _bruidstukken_, gebruikelijk. De bruid vervaardigt, althans plaatselijk in Limburg--en eveneens in Zwaben, Westfalen enz.--de hemden, die beiden op den trouwdag zullen dragen, alsmede de slaaplakens voor het huwelijksbed. Het bruiloftshemd dient ook als doodshemd en de lakens als doodsmantel. Daarentegen wordt in Gelderland in de dagen vóor het huwlijk het doodshemd met muts en laken afzonderlijk vervaardigd en door de bruid met zwart lint gezoomd of met zwart garen gemerkt. In het Oosten van ons land maakt men hier en daar zelfs de planken voor de doodkist gereed: hier vloeien huwelijks- en begrafenisgebruiken ineen; vgl. bl. 241.
Te Stamproy (L.) en omliggende plaatsen moet de bruidegom enkel de schoenen aan zijn toekomstige echtgenoote verschaffen; bed met toebehoor komt ten laste der bruid. De schoen speelt in de huwelijksgebruiken van alle volken een groote rol, en volgens Ernst Samter, Geburt, Hochzeit und Tod (Leipzig und Berlin 1911), bl. 195, moet hier de schoen als een offer worden beschouwd; zie ook Zachariae, Zum altindischen Hochzeitsritual, in de Wiener Zeitschrift f.d. Kunde des Morgenlandes XVII, bl. 135. Maar ik geloof eerder, dat wij hier met een bepaalde gave te doen hebben, die voor den doode bestemd is, evenals het doodshemd. Het gebruik, den doode een paar schoenen in de kist mee te geven, is overoud en was eertijds bij alle Indogermaansche volken in zwang: de schoen heeft natuurlijk de bestemming, den tocht naar het verre land aan gene zijde van het graf te vergemakkelijken.
Straks hebben de kerkelijke afkondigingen of _roepen_ plaats, de verloofden "rollen van den preekstoel", zooals het in katholieke streken heet, of ook "zij worden van den preekstoel naar beneden geworpen"; en na den besloten tijd volgt dan meestal het huwelijk.
Bij den ondertrouw wordt in Noord-Brabant alreeds _de heug_ gevierd, en doet men zich te goed aan wittebrood met koffie; ook begint dan alreeds het schieten, waarover nader. _Heug_, verg. _heugelijk_, komt van het Middelnederl. _hôghe, höghe_ en beteekent "vroolijkheid".
_Huwelijksdag_. Het skelet der huwelijksgebruiken is nog steeds Oudgermaansch en vertoont niet zelden Indogermaansch karakter; maar meer en meer hebben Christelijke en ook moderne elementen er zich aan vastgehecht.
De huwelijksdag draagt in het Duitsch terecht den naam van _Hochzeit_, het eerst bij Wolfram v. Eschenbach, nog met de toevoeging: "der brûdloufte hochgezît". Immers deze dag is niet alleen het voornaamste familiefeest, als zijnde het kulminatiepunt van twee menschenlevens, maar hij is tevens een feest voor de gemeente. Naar men weet, was _hoogtijd_ eertijds de benaming van alle hooge kerkelijke en wereldlijke feesten (bl. 100). De namen _huwelijk_ en _bruiloft_ drukken een bepaald deel der plechtigheid uit: _huwelijk_, vergel. het Gotische _laiks_ "dans", wijst op den dans, waaronder bij onze Germaansche voorouders het huwelijk voltrokken werd; _bruiloft_, d.i. "bruidloop", beteekende oorspronkelijk den optocht, waarmee de jonggehuwden naar hunne woning werden begeleid; later werd deze benaming op het heele huwelijksfeest toegepast. Zie o.a. Dr. Boekenoogen, Tijdschrift v. Nederl. Taal en Letterk. XI, bl. 14; Dr. J. W. Muller, Woordenb. d. Nederl. Taal, _sub verbo_.
Daar is wellicht geen feest, waardoor èn de familie èn de gemeenschapszin in zoo hooge mate worden versterkt, als door de huwelijksviering. Men gedenkt zelfs de afgestorven leden der gemeenschap, vanwaar het treffende gebruik, de graven te bezoeken op den huwelijksdag.
Aan Bachofen komt de eer toe, het eerst gewezen te hebben op het belangrijke en vérstrekkende ethnologisch-folkloristische verschijnsel van het matriarchaat. In zijn opzienbarend boek: Das Mutterrecht (Stuttgart 1864), werd een rijk materiaal door hem bijeengebracht om te bewijzen, dat vóor den tijd der patriarchale familie-inrichting, krachtens welke de man in allen deele het hoofd is van het gezin, het menschdom een periode van vrouwenregeering doorleefd zou hebben, een tijdperk dus, waarin het "zwakkere geslacht" den schepter zwaaide en den man slechts een ondergeschikte rol was toegedacht: volgens hem gaat de matriarchale gezinsvorm den patriarchalen vooraf. Deze theorie steunt in hoofdzaak op het feit, dat tal van stammen met lage kultuur, over de geheele aarde verspreid, het matriarchaat huldigen, en dat de diepste folkloristische lagen van bijna alle volken overleefsels te over bieden, om een karakteriseeren der matriarchale familie-inrichting als de primitieve te rechtvaardigen.
Sommige ethnologen meenden zelfs, dat de folkloristische gegevens hun veroorloofden, nog veel omvangrijker konklusies te trekken. Men achtte zich in staat tot het ontwerpen eener _ontwikkelingsgeschiedenis van het huwelijk_. De verschillende, opeenvolgende stadia dezer geschiedenis zouden zijn: promiskuïteit, groepenhuwelijk, polyandrie in verscheidene nuancen, polygamie (monandrie), monogamie. Het instituut, dat, volgens de meest gangbare opvatting, van lieverlede den weg effende tot een geregelde familieverhouding, tot de monogamie en met deze tot het patriarchaat, is het roofhuwelijk. Op een hoogere sport van ontwikkeling trad voor de ruwe schaking de vrouwenkoop in de plaats: een losprijs, aan den beleedigden stam betaald, om weerwraak te voorkomen, een soort internationaal huwelijkskontrakt. Hier vertoont zich het oorspronkelijk karakter van den bruidschat. Meer en meer trad het begrip van beleediging op den achtergrond, terwijl de zoengave gaandeweg geheel en al de beteekenis kreeg van een koopsom der vrouw.
Verkocht werd echter alleen de vrouw, niet de kinderen. Deze behoorden en bleven behooren aan de moeder en hadden in den oom van moederszijde hun natuurlijken voogd en beschermer. Maar steeds sterker ontwaakt in de vaderborst de liefde tot _zijn_ kroost, _zijne_ kinderen, wier hulp hij trouwens bij het bebouwen van zijn akker niet langer meer kan ontberen, en deze sympathie is het, die een erfrecht te hunnen gunste tracht in het leven te roepen: motieven van ekonomisch-juridischen aard komen in het spel. Een hardnekkige strijd wordt aangebonden, waarvan de inzet is het eigendomsrecht over het kind, en het einde de volkomen zegepraal des vaders en van het agnatische systeem.
Nu is welhaast de familie gegrondvest, de huwelijksband gestrengeld. Om den vaderlijken haard staat het vereende gezin, de vader aan het hoofd; want hij is voortaan niet slechts de meerdere over zijn kinderen, maar door den losprijs acht hij zich op den duur ook gerechtigd, de vrouw, die hem als koopwaar werd overgeleverd, als zijn volle eigendom te beschouwen.
De fout van dit systeem, op het oog zoo onberispelijk-nauwsluitend, ligt in te oppervlakkige waarneming en te groote generaliseering in de gevolgtrekkingen. Men stelt zich niet tevreden met te beweren, dat het matriarchaat een ver verspreid ethnologisch verschijnsel is en was,--een feit, dat niet valt te loochenen; maar het moet en zal de volstrekt-primitieve familie-inrichting geweest zijn; het heet de eenig mogelijke: terwijl de huwelijkstheorie niet weergeeft het proces, dat zich bij verschillende volkeren ten deele heeft afgespeeld of nog voortduurt, maar aanspraak maakt op den titel van _de_ theorie van _het_ menschelijk huwelijk. Ik zeg "ten deele"; want een andere fout is deze, dat in dit systeem verschillende fragmenten, op verschillende punten van den aardbodem verzameld, met een vrij ruime dosis apriorisme tot een geheel worden aaneengevoegd.
Vooral bij het beoordeelen en benuttigen der folkloristische gegevens moet men uiterst voorzichtig zijn. Juist de huwelijksgebruiken en huwelijksvormen bij de verschillende volken heeft men herhaaldelijk als sterk-pleitende overleefsels beschouwd; maar gesteld, dat zij matriarchale trekken vertoonen, wijzen zij dan juist daarom op een primairen toestand? Kan hieraan geen meer volmaakter vorm zijn voorafgegaan? "Im Völkerleben gelten die selben Gesetze der Entwickelung wie im Leben der Individuen", zegt Paul de Lagarde, "und im Leben der Individuen ist ein Sinken überall da festzustellen, wo nicht ein Steigen stattfindet."
Wat betreft de beoordeeling der afzonderlijke gevallen, een enkel voorbeeld. Wellicht verwijst de Romeinsche huwelijksvorm der _coemptio_ naar een tijd, waarin de _manus_, d.i. het volle recht van den echtgenoot over de vrouw, niet in schijn, maar in volle werkelijkheid werd gekocht. Maar volgt hieruit logisch, dat de koopsom de losprijs was, _voor de geschaakte bruid betaald_? Tusschen het huwelijk als koopkontrakt en het roofhuwelijk gaapt toch nog een diepe kloof.--Verder behoort tot het bruiloftsritueel het bekende gebruik, dat de bruid uit de armen der moeder wordt ontvoerd, om dan in feeststoet geleid te worden naar het huis van den bruidegom. Hierbij komt op tal van plaatsen een schijnvlucht, en zoo goed als algemeen, dat de bruid zich verzet of uitbundig weent. Men noemt dit het _roofsymbool_, en het is zeer wel mogelijk, dat in enkele gevallen dergelijke gebruiken een voormaligen rooftoestand ten grondslag hebben. Maar zou hier een meer natuurlijke verklaring niet veelal te verkiezen zijn? Juist in de laatste jaren zijn dergelijke gebruiken herhaaldelijk als scheidingsgebruiken beschouwd, vooral in het reeds aangehaalde boek van A. Van Gennep, Les rites de passage, bl. 165 vlg. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 162 vlg.
Na deze, tot het goed begrip der gebruiken m.i. noodzakelijke voorafgaande bespreking, vat ik den draad mijner uiteenzetting weer op. Wat betreft de bruidsgaven, dient men nog op te merken, dat in alle geval niet als sporen van een alouden koopprijs die gaven kunnen beschouwd worden, welke de beteekenis eener nauwere vereeniging dragen, zoo b.v. linnen, halsdoek, wederzijds gegeven luxe-voorwerpen enz. Bruid en bruidegom treden hierdoor in een nauwere zedelijke betrekking, evenals de gast tot den gastheer--en omgekeerd--door het geven van het gastgeschenk: aldus in de Oudheid Glaukos en Diomedes door het wisselen hunner wapenen.
Wat betreft den huwelijksdag, houdt het volksgeloof er weer een eigenaardige zienswijze op na. Liefst trouwt men op Dinsdag en Donderdag, niet op Woensdag of Vrijdag; en vooral met wassende maan (sympathie). De meimaand is ook zeer ongeschikt: "Wat in de meimaand trouwt, daar is geen goed haar aan"; zie De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen enz., bl. 161. Een bruid mag zich niet _vóor_ den bruiloftsdag in het bruidskleed vertoonen. Om op den huwelijksdag goed weêr te hebben, dient men de kat goed te voeren (zie bl. 86, 90). Een droeve bruid maakt een blijde vrouw en omgekeerd een blijde bruid een droeve vrouw; want "een bruidsgewaad is wel eens met rouwgoed gevoerd". Weent de bruid op den trouwdag niet, dan vloeien de tranen in het huwelijk.
Het _noodigen ter bruiloft_ vindt men nog slechts op enkele plaatsen in het Oosten van ons land in zijn voormaligen plechtigen vorm; en ook in Drente hebben de _wasschupsneugers_ veel van hun vertoon en beteekenis verloren. _Wasschup_ is identiek met _waardschap_ en beteekent "gastmaal, feestmaal"; over deze _neugers_ zie H. Tiesing, in de Vragen van den Dag XVIII, bl. 155; vgl. Driem. Bladen IX, bl. 77. Het noodigen gaat van de buurt uit en wordt als _noaberplicht_ beschouwd. Te Borkulo doen twee jongezellen uit de buurt als _broedlachtneugers_ dienst; zij trekken er op uit met bontversierden hoed en stok en vangen aldus aan:
Goen dag! Hier stoa ik op mienen staf, En weet niet, wat ik zeggen mag ... Nou weet ik, wat ik zeggen mag; enz.
Meestal noodigt het bruidspaar zelf de gasten tot het feest, dat ook ten huize der bruid zal plaats hebben. Veelal wordt een voorbruiloft gehouden, in het Friesch _gearjift_, vergel. de Noord-Brabantsche _heug_ (bl. 249): het is een scheidingsgebruik zoowel voor de bruid als voor den bruidegom. Het Friesche woord wijst nog op de vroegere gewoonte, bij deze gelegenheid giften samen te brengen. Maar nog steeds wordt door de buren en buurmeisjes geld opgehaald om de onkosten te bestrijden van het sieren, schieten enz.
Zoo is dan de huwelijksdag aangebroken. De buurmeisjes hebben den _neuzik_ vastgespeld; ook de bruidskroon is klaar, eertijds door de vriendinnen gevlochten. Zij is, evenals de ring, van Romeinschen oorsprong en door de Kerk in onze zeden ingevoerd. Hetzelfde geldt van de bruidskaars, die een gekerstende vervorming is der Romeinsche huwelijksfakkel, welke dienst deed bij het heemgeleide. De buurt is feestelijk uitgedost en prijkt met festoenen en eerebogen met toepasselijke opschriften. Veelal wordt nog een huwelijksmei geplant vóor het huis: lotsboompje, waarmee het huwelijksgeluk van het jonge paar verbonden is, vergel. den _levensboom_ op bl. 214. Van alle huizen wappert de driekleur en in feeststoet keeren bruidegom en bruid met getuigen, bruidsmeisjes, familieleden, vrienden en bekenden uit de kerk huiswaarts. Het burgerlijk huwelijk heeft veelal reeds daags te voren plaats gehad.