Chapter 20
De ambachtspelen berusten hoofdzakelijk op den besproken socialen lust ter navolging of nabootsing. Ik vermeld het bakker-, kleermaker-, schoenmaker-, weverspelen; paardenbeslaan- en koetsierspelen; kruiwagen-rijen; huisjes en ovens bouwen in het zand; tuintjes-aanleggen; _zage-zage-menneke_, met bijbehoorend speelliedje; botermelk-verkoopen; winkeltje-spelen; schoolspelen; altaarprocessie- en kerkhofspelen; soldaatje-, muzikant-, rechtbank-spelen. Dikwijls zijn verscheidene bedrijven in éen spel verbonden en spreekt uit handeling en dialoog heel wat dramatische kracht. Meisjes spelen graag moedertje met de pop; over het bruidje-spelen zie 't Daghet in den Oosten XIX, bl. 42. Zeer typisch is ook de neiging om gebreken na te doen, vooral scheel-kijken en mankepoot-spelen.
Raadspelen. De eenvoudigste vorm is deze, dat een kind éen of meer knikkers (centen enz.) in de dichtgeknepen hand houdt, deze vooruit steekt en laat raden: _paar of onpaar?_ Raadt men juist, dan zijn knikkers of centen verbeurd; anders ontvangt het kind evenveel van zijn speelgenoot. In West-Vlaanderen vraagt men: _effen of ontjes_ (oneffentjes); in Friesland: _even of on_; Amstelland: _onkes of evekes_; Zaanstreek: _onk of eef_; Limburg: _paar of omp_; Gelderland en Overijssel_: paar of ompert_. Als algemeen Nederlandsch geldt: _even of oneven_. Het _omsteken_ is meer algemeen, n.l. door het vooruitsteken van de hand en het raden naar den inhoud bepalen, wie van de twee spelers iets hebben zal, wie met iets beginnen mag enz.
Van andere spelen vormt het raden een belangrijk bestanddeel, b.v. van _Hansje-mijn-knecht_ (Groningen, Deventer, Friesland), dat vrijwel met het Vlaamsche _goud-verkoopen_ en _koleuren-geven_ overeenkomt. Eén fungeert als heer, verkooper enz., éen of twee zijn dienstbaar (knecht, engel enz.), de andere kinderen krijgen een bepaalde kleur, of verbeelden een voorwerp, als: gouden halsband, zilveren kurk, juweelen ring. De dienaar moet kleur of voorwerp raden en mag het kind dan meenemen. Zijn er twee dienaren, dan vormen zich twee kampen, en het spel eindigt met _lijntrekken_, dat ook bij andere spelen als finale dient: de partij, die over de lijn getrokken wordt, verliest. Het Vlaamsche kleurenspel is typisch dramatisch; het beeldt uit den strijd om de ziel tusschen engel en duivel in het Laatste Oordeel.
Van de zoekspelen is het _slofje-onder_ wel het meest bekend. Hierbij wordt een slof onder de kniëen van de spelers doorgeschoven, die in een kring op den grond zitten. Te Zaandijk roept degene, die de slof heeft, terwijl hij daarmee op den grond klopt, om den zoeker (die "er aan" is) te waarschuwen:
Herrie, herrie, herrie! Slof-slof-slof.
Elders heet het _schoentje-schuiven_, te Antwerpen _schoentje-lap_; in het buitenland is dit spel eveneens zeer verspreid (_jeu de la savate. Pantoffel sunchen_).
Ook de orakelspelen kunnen bij deze groep gerangschikt worden. Zal ik trouwen en met wie? Dat wordt op een strengetje koralen afgeteld: edelman--bedelman--dokter--burgemeester--koning--generaal enz.--Hoe ben ik in het bezit van jas of vest gekomen? Dat wordt op de knoopen afgeteld: geholen--gestolen--gevonden-- gekocht (Limburg); gekocht--gevonden--gestolen--g'had (Vlaanderen); enz.--Waar zal ik na den dood belanden? Weer doen de knoopen dienst: hemel--hel--vagevuur.
Schommelspelen. De eenvoudigste schommel is een boomtak, bij voorkeur een buigzame wilgetak. De knaap tracht hem te grijpen, laat er zich aan hangen en een makker brengt hem in een schommelende beweging. Een andere natuurlijke schommel is de wipplank; het spel heet in de Kempen _kwikkwakken_, in het Geldersch-Overijsselsche _wibbelen_, op de Veluwe _wipperwappen_, algemeen _wippen_. Het eigenlijke schommelspel veronderstelt een koord, met of zonder zitplank. De Noord-Brabantsche benaming, die ten deele ook voor Antwerpen en Brabant geldt, is _sturen_; in Limburg heet het spel _schokken, schokkelen, sjokkelen, joekelen_ (Kessel), _varen_ (Venloo); elders _bijzen_ (Geeraardsbergen enz.), _rennen_ (Brugge), _rijtakken_ (Kempen), _roesjen_ (Ninove enz.), _ruilen_ (Deventer), _talteren_ en _tiltalteren_ (Noord-Nederland) enz. Maar hierover nader bij de speelliedjes.
Knikkerspelen behooren tot de meest geliefde jongensspelen. Men heeft drie soorten van knikkers: 1. De gewone zuiver-ronde, grijs-blauwe knikker, uit een soort kalksteen vervaardigd: _knikker, marbel_ (België), _estrik_ (Overijssel), _huuf_ (Zuid-Limburg), _kuls_ (Noord-Limburg), _knar_ (Zaanstreek). 2. De "knikker" (in Noord-Nederland maakt men geen verschil) uit gebakken potaarde en geelbruin van kleur; hiervoor is de gewone Belgische benaming _knikker_, verder: _klits_ (Zuid-Limburg), _gepotsiemelde_ (Venloo enz.), _pottebakker_ (Noord-Nederland). 3. De grootere, schoonere knikker, insgelijks gebakken en zeer hard: de _stuiter_ of _stuitknikker_; met tallooze plaatselijke benamingen, b.v. _bolket, bonket_ (Vlaanderen), _kalebas, alikas_ (Westzaan, Assendelft, Waterland, Vlaardingen), _lavoor_ (Aalst) enz.
Het knikkerspel is niet alleen in Europa, maar over de geheele wereld verspreid. In het Oosten is het algemeen. Men mag het ook als praehistorisch beschouwen, daar men de kleine, bontgeverfde steentjes, in de Oostfriesche urnen gevonden, gereedelijk als knikkers beschouwen kan; zie R. Andree, Ethnographische Paralellen und Vergleiche (N.F. Leipzig 1889), bl. 92 vlg.
Men heeft vooreerst knikkerspelen, waarin _geschoten_ wordt. Het schieten is niet iedermans werk. Een goed schieter klemt den knikker tusschen den top van den wijsvinger en het eerste lid van den duim, terwijl slechte schieters hem tusschen den nagel van den duim en het derde lid van den wijsvinger klemmen. Ook mag men de hand niet vooruitsteken op het oogenblik, dat men den knikker wil loslaten: een goed schieter houdt de hand onbeweeglijk, en alleen de duim ageert. In vele spelen moet de knikker van den speler den anderen raken; in andere niet: dan wint de speler, als hij den afstand tusschen de twee knikkers kan _overspannen_ of _overpalmen._ Het schieten gebeurt of wel achtereen, of men schiet ingezette knikkers uit een kring; of er wordt kuiltje-geschoten (_putje, poet_).--In een andere groep van spelen wordt geworpen: de speler werpt met éen knikker, meestal een stuiter; ook wordt deze wel eens langs den grond voortgerold.--In een derde soort wordt met de knikkers tegen een muur gestuit, _gebot_ of _gebotst_: de knikker van den tweeden speler moet, na den muur geraakt te hebben, den knikker van den eersten speler raken of zoo dicht bij hem liggen, dat hij hem kan spannen. Verder worden de knikkers soms gerold: het bekende _kuiltje-rollen._ Rolt de speler een paar getal in het kuiltje, dan zijn de knikkers zijn eigendom, anders zijn zij de winst van de tegenpartij. De knikkers worden ook veelal in het kuiltje _gestuikt_. Voor het overgroot aantal benamingen en alle verdere bijzonderheden verwijs ik nogmaals naar het werk van De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust; over dialektische uitdrukkingen in het Venloosche knikkerspel, zie Limburg's Jaarboekje XX, bl. 161.
Tolspelen. De meest gebruikelijk Hollandsche benaming is _tol_, België _top_, een woord, dat ook in Holland, Drente en Friesland gevonden wordt. Hiernaast komt voor: _priktol_ in Nederland, _pindop_ in België, _dop_ in Nederland en België. Het woord _drieftol_ vindt men in Nederland benoorden het Noordlimburgsche Afferden; de Zuidlimburgsche benaming voor den drijftol is _kokerel_, met talrijke varianten. De gewone wijze van tollen met den werptol is deze: de speler neemt den tol in de linkerhand, legt het dunnere uiteinde der koord eerst om de pin, draait dan de koord spiraalvormig om het hout, klemt het dikkere uiteinde tusschen pink en ringvinger, heft de hand boven het hoofd en trekt af. De tol komt op den grond terecht en draait om zijn as; men kan hem nu op de hand wippen en laten doordraaien. De drijftol wordt aan het draaien gebracht of gehouden door een zweep. Van de verschillende samengestelde tol-spelen vermeld ik het _potje-tollen,_ Friesch: _top-dikeljen,_ Belgisch: _oken-kappen._ Men trekt op de speelplaats een kring. Een der spelers zet uit, d.i. laat zijn tol binnen den kring ronddraaien. Nu tracht een ander dezen tol met den zijnen zoo te treffen, dat beide ver weg spatten. Gelukt dit, en geraakt daarbij de treffer van het gaan af, dan is de eigenaar verplicht, zijn tol binnen den kring te leggen. Deze wordt nu het mikpunt van alle anderen en alle tollen, die hierbij van het gaan af raken, moeten binnen den kring gelegd worden. Zie Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 234.
Hoepel- en vliegerspelen. De _hoepel_ is van hout of van ijzer en wordt door middel van een stok voortgedreven. Hij heet _bandel_ van af het Noordlimburgsche Afferden tot in Gelderland en Overijssel, _bendel_ in Noord-Brabant, _reep_ in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Oost-Vlaanderen, _reip_ in Hollandsch en Belgisch Limburg, _band_ in Oost- en West-Vlaanderen.
De _vlieger_ moet meer lang dan breed zijn, b.v. 70 centim. lengte op 40 centim. breedte; ook dienen de twee vleugels even zwaar te wegen. Eerst maakt men het geraamte: lat en stokje, met koord bespannen en met papier overtrokken. Dan bevestigt men het lange touw, waarmee de vlieger wordt opgelaten, en hecht aan het onderste deel van den vlieger den staart. Dan gaat het naar buiten, waar het waait, maar niet te hevig mag de wind zijn. Men ontrolt een deel van het touw en loopt terzelfder tijd tegen den wind in. Dan zweeft de _vlieger_ omhoog, als een _vogel_, zegt men in Hollandsch en Belgisch Limburg, als een _draak_, meent men in Friesland en Vlaanderen, als een _ballon_, heet het in Kempen. Men kan hem een brief nasturen, door op het koord doorboorde papierschijfjes te steken: deze worden dan door den wind omhoog gevoerd.
Sneeuw- en ijsspelen. Het _glijden_ is een geliefkoosd winterspel: _baantje-slieren,_ zegt men in het Land van Waas, _rijzen_ in Brabant, _slabrikken, slidderen, slibberen_ in Hollandsch en Belgisch Limburg en in Antwerpen. Hierbij kan men den eenen voet achter den anderen zetten, of beiden naast elkaar; ook kan men zich onder het glijden op de hurken zetten of andere kunststukjes vertoonen. Het _schaatsenrijden_ is veeleer mannen-, dan kinderspel. Het Vlaamsche woord voor schaats is _schaverdijne_, het Brabantsche (en ten deele Belgisch Limburgsche) _schrikschoen_, d.i. loopschoen, vlg. het Middelnederl. _scricken_ "met groote passen loopen", _schrikkeljaar_ "springjaar". Zooals bekend, onderscheidt men hard- en kunstrijders. Op éen been rijden en 't lichaam naar die zijde sterk doen overhellen, heet _de buitensnee trekken_ of _buitenbeens_ rijden; beurtelings de beenen overeen leggen, noemt men _overleggen_. Het voornaamste voertuig op het ijs is de _slede_. De gewone slee wordt voortgetrokken, terwijl de _prikslee_ met prikstokken wordt voortgestooten en beantwoordt aan den Belgischen _ijsstoel_. Tot de groep der baksleeën behoort de Venloosche _boonebak_.--Van de sneeuwspelen noem ik nog het met sneeuwballen werpen en het sneeuwmannen maken. Dit laatste werd eertijds zelfs door de kunstbroeders van St. Lukas beoefend.
Toevoegsel. 1. De laatst besproken spelen behooren tot die groep, welke een nadere betrekking aanduidt van het kind tot de natuur. Hiertoe behoort ook een eigenaardig vuurspelletje, waaraan ik ten slotte een enkel woord wil wijden. Weinig spelletjes zijn zoo algemeen verspreid als ons _Lutje (Jutje) leeft nog_: een glimmende lucifer of spaan gaat van hand tot hand; hij, in wiens hand de laatste vonk uitsterft, verliest, en moet pand geven of "op Lutjes welvaart drinken". In België heet het spel: _Djilleke leeft nog_, of _Gilleke leeft nog_, te Denderbelle _Zielke leeft langst_, in Limburg _Vonkje leeft nog_, vgl. het Duitsche _Der kleine lebt noch_ of _Stirbt der Fuchs, so gilt der Balg._ Het Brunswijksche _Lütche funke lêwet noch_ herinnert aan de Noordnederlandsche uitdrukking. In het Fransch luidt de spreuk: _Petit bonhomme vit encore_, in het Provençaalsch _Monnet-viou:_ zie Mélusine I, bl. 170; II, bl. 429. Het spel is ook in Spanje en in Engeland bekend, ja heeft een variant in Siberië: daar gaat een brandend hout van hand tot hand; wie het laat uitgaan, moet als boete voor de anderen een dans uitvoeren.
2. In hun spelen en spelend met elkaar omgaan bezigen de kinderen niet zelden formules en spreekwijzen, die herinneren aan oude, uitgestorven rechtsbegrippen en rechtshandelingen; Gaidoz en Rolland noemen dit: "le folklore juridique des enfants". Het vindingsrecht is bij hen nog volop in zwang. Te Hamme (Z.-B.) vraagt de vinder:
Wie is er iets verloren Van achter op den toren? Wie is er iets kwijt Van achter op den dijk?
En antwoordt een der kinderen "ik", dan dient hij het voorwerp wel degelijk nauwkeurig te beschrijven, om het verlorene terug te krijgen. Wordt het niet opgeëischt, dan grondt de vinder zijn recht op de spreuk:
Die vindt, die houdt.
Vinden twee kinderen een voorwerp te gelijk, dan is het zaak, het eerst de geijkte formule uit te spreken, om het eigendomsrecht te erlangen; ook dient de formule onder het oprapen te worden uitgesproken.--
Het schenkingsrecht heeft als hoofdbeginsel: "eens gegeven, blijft gegeven". Ook het ruilrecht doet zich gelden, in zoover elke ruilhandeling vergezeld gaat van een rijmpje of formulier, dat ze bekrachtigt en onherroepelijk maakt. De ruiler wordt met de hel bedreigd, als hij zijn woord breekt:
Kuutje-buutje [ruilen] snel, Dreimoal deur de hel; Op trap, trap neer, Elk zien ijgen goud [goed] weer.
Aldus in de Groningsche volkstaal: Molema, Wörterbuch der Groningschen Mundart (Norden u. Leipzig 1888), bl. 232. Zie verder De Cock, Volkskunde XV, bl. 193; XVI, 54, 151, waar nog uitvoerig de kindereed besproken wordt: "Mijn kop af"; enz.
De eerste _schooldag_ is een gewichtig moment in het leven van het kind. De kinderen verheugen zich op dezen dag, want in en buiten school wordt hun de eerste schrede op den weg der kennis en wetenschap niet zelden in den letterlijken zin des woords verzoet. Over de schoolfeesten, met name over den Gregoriusdag en het feest der Onnoozele Kinderen, werd reeds gesproken. Feestdag was voorheen, en wellicht nog hier of daar te platten lande, de verjaardag van "Mijnheer"; maar de dagen, waarop bij die gelegenheid een schoolklucht gegeven werd met menigen raken zet, behooren overal reeds lang tot het verleden.
Over het algemeen heeft het gemoedelijke der oude scholen, toen de meester meer vaderlijk met de kinderen omging, voor het meer saai-officieele de plaats geruimd; dit hangt natuurlijk met den vooruitgang der maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkeling, maar toch ook wel met begripswijziging over de vorming van het kind samen. Prijsuitdeelingen, waar ouders en kinderen zich in plechtgewaad heen begaven, zijn nog slechts uitzonderingen. De nieuwjaarsbrief wordt veelal nog op school opgesteld.
Aan het slot dezer periode (van 6-12) stond nog kort geleden de plechtige _eerste-Kommuniedag_ voor de katholieken; in het noordelijk volksgebied spreekt men meestal van het _aannemen_, overeenkomstig de uitdrukkingen, gebezigd in de protestantsche kerken. Het _aangenomen worden, lidmaat worden_ of _belijdenis doen_ bij de protestanten, een toelating tot het genot van het heilige avondmaal en besluit van het katechetisch onderwijs, heeft echter in den regel eerst op den leeftijd van om en bij de twintig jaar plaats. In katholieke streken was de Eerste-Kommuniedag een familiefeest in den goeden zin van het woord. Eenige dagen te voren ging in de Oostvlaamsche dorpen de "eerste-kommunikant" aan peter en meter een "kruisken vragen"; en algemeen was de gewoonte, onmiddellijk vóor de plechtigheid de ouders om hun zegen te vragen en om vergiffenis. In feeststoet togen dan de kinderen, de jongens in stemmig zwart, de meisjes als bruidjes in het wit en met een bloemkrans getooid, onder de begeleidende tonen der muziek kerkwaarts. Op enkele plaatsen in Limburg, b.v. te Venloo, droegen de kommuniekinderen _pelmkes_, d.i. oleander-, laurier- of hulsttakjes, met goud- of zilverblad belegd, al naar gelang de sekse. Meestal had ieder zijn _paar_. Een familiemaal, afzonderlijk of "paarsgewijze" gehouden, besloot dezen merkwaardigen dag, voor de meesten een blijde herinneringsdag.
Nu zijn jongens en meisjes kind-af; immers "zij hebben de kinderschoenen uitgetrokken en aan de kerkdeur laten staan".
II. Liefde en huwelijk.
_Minnen en werven_. Het woord _minnen_ is niet aan de volkstaal ontleend. Deze kent noch (_be_)_minnen,_ noch een stamverwant, woord van het Hoogduitsche _lieben_, maar slechts slappe omschrijvingen als: _goed mogen lijden, liefhebben_ of _hebben, gaarne sien_ enz. Daarentegen is aan woorden en wendingen, die het begrip "vrijen", of ook een ruweren vorm van minnen en liefkoozen uitdrukken, geen gebrek.
Bij verscheidene gelegenheden trachten de jonge meisjes door liefdesorakels den sluier der toekomst op te lichten, met name op Sint-Thomas-, Sylvester- en Paaschdag; over het _schoenwerpen_ is reeds gesproken (bl. 123); op Nieuwjaarsnacht ziet men den geliefde in den spiegel. Van de Middeleeuwsche minnedrankjes en sympathetische toovermiddelen zijn nog slechts zwakke overleefsels overgebleven, allereerst de zegswijze: "een minnedrankje ingenomen hebben". Van de thans nog bestaande liefdeverwekkende middelen vormen de haren, nagelknipsel, zweet en bloed de hoofdbestanddeelen. Naar men weet, vindt men overeenkomstige gebruiken bij de volken met lage kultuur. Ook bezigt men te dezen einde valeriaan en wilde alsem, in den zak of op het lijf gedragen; zie Volkskunde XI, bl. 242; XII, bl. 62, 136, 242; XXIV, bl. 51. Daarentegen dient het leggen van _nestelknoopen_, knoopen in een riem of veter, om andermans huwelijksgeluk te bederven. Het is een overoud sympathetisch toovermiddel, waaraan dezelfde volksvoorstelling ten grondslag ligt, als aan de voorzorg, gedurende de trouwplechtigheden geen knoopen in de kleederen te hebben.--Ook versmaadt men niet, bij waarzegsters en kaartlegsters te rade te gaan; en eindelijk, het bloemenorakel speelt nog steeds een voorname rol.
Droomt men van een huwelijk, van een bruiloft, dan heeft men een doode te wachten. Men kan dit volksgeloof door de algemeene "droomverklaring door omkeering" uitleggen en vergelijken met het droomen over geld, hetgeen armoede, over omhelzing, hetgeen verraad beduidt. Deze verklaring wordt ons aan de hand gedaan door Tylor, die bij de Zoeloe's zulke droomverklaringen waarnam, verwekt door een streven, zich tegen dwaling te beveiligen; want de Zoeloe's hadden vaak ondervonden, dat hun droomen zich niet verwezenlijkten. Nochtans geloof ik hier nog een anderen faktor te zien. Telkens en telkens weer openbaart zich in het volksgeloof de schrijnende tragiek van het leven met zijn gedurige wisseling van lief en leed. Een verdere overeenkomst tusschen de huwelijks- en begrafenisgebruiken is deze, dat beide in betrekking staan tot de zielen der afgestorvenen, vooral van de voorvaderen.
Men moet zijn dochters vroegtijdig uithuwelijken; "dochters en doode brasems moet men niet lang bewaren," meent het volk, en trouwens "wie dochters heeft, is altijd herder," en "een huis vol dochters is een kelder vol zuur bier." Heeft de jonge dochter drie kruisjes achter den rug, dan komt zij "op Sint-Anna's schapraai" (Limburg: _schaap_), of -bankske, of -kapelleke. In Vlaanderen kent men nog "het schipken van Sint-Annuit", wat waarschijnlijk op een verwarring berust. Dan zegt men, dat "Hein-van-pas maar niet wil komen," of "dat haar vent te Wachtebeke woont." Intusschen gebeurt dit op het land vrij zelden, immers "daar is geen potje zoo scheef, of er past wel een dekseltje op," en ook is "geen schip zoo oud, of 't doet nog wel eens een reisje." Algemeen wordt het gelaakt, wanneer slechts "het geld getrouwd wordt"; niet zelden trouwt men echter in de familie, "opdat het geld bij elkaar blijve."
Oudtijds kende men _vrijstermarkten_, en vooral die van Schermerhorn was bekend. Boerenzoons, die graag een meisje wilden kiezen, bestelden "koopdag" in _De Valk_, en lieten dit door den dorpsomroeper bekend maken. De trouwlustige meisjes togen dan naar de herberg, waar de koop gehouden werd. Een andere soort van vrijstermarkt was slechts voor 't kermishouden ingesteld, al had deze dan ook meermalen een huwelijk ten gevolge; en hiertoe behoorde de Schagermarkt. Veel overeenkomst hiermee vertoont het gebruik op eenige dorpen van Noord-Holland, dat de meisjes zich des Zondags na kerktijd neerzetten op het muurtje van het kerkhof, wachtende tot er een gezel komt, die haar zal uitnoodigen, om te zamen ter herberg te gaan; en eveneens de _Maartekeur_ te Lochem en te Borculo op een marktdag in Maart, met het oog op de aanstaande Meimarkt. Dan staan de boerinnetjes in een lange rij over de geheele lengte van het plein en worden met rood of wit krijt op den rug gemerkt. Zie hierover vooral J. H. Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen (Utrecht 1832), bl. 65 en Mr. N. de Roever, Van Vrijen en Trouwen (Haarlem 1891), bl. 81 vlg.
De gewone en betere wijze is echter een bezoek ten huize, immers "de beste koeien worden op stal verkocht". Hierbij is het verstandig, zich eerst van de genegenheid der moeder te vergewissen; want "wie eerst de dochter en dan de moeder vangt, vat het varken bij de ooren". Ook wordt het terrein wel eens verkend door een huwelijksmakelaar, soms _heiligmaker_, in West-Vlaanderen _handknecht_ genoemd. Dit _heiligmaker_ is een volksetymologische vervorming van _heilikmaker_, d.i. huwelijksmaker, van het Middelnederl. _hîlijc_. Aan de Zaan bestond zijn belooning in geld of in een pak nieuwe kleeren: Schotel, Zeden en Gebruiken aan de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 43. Ook de koek, voor het meisje meegebracht, heet _hijlikmaker_. De verouderde Zaansche benaming is _zelschappen_; de meer gebruikelijke benaming voor uit vrijen gaan is ten platten lande _uit meiden gaan_. Hiervoor is de Woensdag- en Zondagavond het meest geschikt; de Donderdag is meer voor weduwnaars; Zaterdagavond is ook niet ongeschikt, maar "Zaterdagavondloopers zijn koopers", zegt het spreekwoord. In de meeste streken moet de vrijer klokke acht bij het meisje aan huis zijn; in alle geval:
Vrijers, die 't meenen, Komen vóor tienen En gaan niet voor eenen.
Een uitzondering hierop maakt wel Hennaarderadeel (F.); daar zegt men: "Die na achten komen, kunnen vóor negenen weer gaan."