Nederlandsche Volkskunde

Chapter 2

Chapter 23,357 wordsPublic domain

De volksbouwkunst. Stad en stadswoning. De privaatwoning. Het moderne stadsbeeld. De landelijke woning. De dekoratieve volkskunst. Vloer en haard. Spinnewiel en bedsteden. Verdere meubileering. Spreuken. Gevelspreuken. Uithangborden. Bidprentjes. Huiszegen. Processievaantjes. Volksprenten. Jan de Wasscher. Klein Duimpje. De volksprenten en het feestelijke jaar. Het volkstooneel. Het poppenspel.

Zesde Hoofdstuk. _De Volkswetenschap_

Inleiding

I. Volksetymologie

De term volksetymologie. Klank- en begripsassociaties. Etymologische natuurverklaring. Volksetymologie in plaatsnamen.

II. Volksgeneeskunde

Volksgeneeskunde en kultuurgeneeskunde. Het beginsel der sympathie. Bezwering. Bannen en overdragen. Sympathetische geneesmiddelen. Offersurrival? Geneeskrachtige kruiden.

III. Natuurverklaring en weerkunde

Natuurverklaring. Natuurverklarende sprookjes. In de dierenwereld. In de plantenwereld. De volksweerkunde. Dichterlijke uitdrukking. Faktor der sympathie. Planten en dieren in de volksweerkunde. Het beginsel der periodiciteit. Kritische dagen. De volksweerkalender.

IV. Plantlore

De bloem als zinnebeeld. Volksbenamingen der planten. Tooverkracht. Invloed van het Christendom. Volksheiligen in de plantlore. Onze flora het beeld van den Nederlandschen volksaard. Het volkswezen van Groot-Nederland. De volkskultuur de ziel der natie.

Bij de isethnen-kaart

ALGEMEENE BEGINSELEN EN MAATSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN.

I. Lagen en gebied onzer volkskultuur.

Hoe geheel ons land in den diluvialen tijd door ijs en water was overdekt; hoe het opdook uit de golven in het alluviale tijdperk, door steeds zwakker-stroomende rivieren doorploegd; hoe de bodem zich allengs vormde uit kompakte zand- en leemmassa's en meer regelmatige steen- en klei- en zandlagen,--dit alles is zonder twijfel van belang voor de verklaring van bewoonbaarheid, uitoefening van bedrijven, bronnen van bestaan, plaatselijke verordeningen en gebruiken enz., maar ligt toch te ver van ons onderwerp. Meer van belang zijn de verschillende kultuurlagen, die zich ten gevolge der stroomingen van volkeren en rassen en ideeën hebben afgezet en waarneembaar zijn ook in den ondergrond der hedendaagsche kuituur: het zijn de lagen onzer volkskultuur.

1. _Praehistorie_. Aangaande de oudste bewoners van ons land, de volksstammen, die in praehistorische tijden of ook in den schemerschijn der geschiedenis huisden op Nederlandschen bodem, moeten wij ons grootendeels tot gissingen bepalen. Waarschijnlijk dan woonde eertijds in Noord- en Zuid-Nederland, met name op de boorden van Maas en Lesse, een kortschedelig ras, dat Europa bevolkte vóor de komst, althans vóor de definitieve uitbreiding der Indogermanen. "Wanneer de verschijnselen in Zuid-Limburg niet bedriegelijk blijken", schrijft Dr. J. H. Holwerda Jr., in Nederland's vroegste Beschaving (Leiden 1907), "moet daar al zeer vroeg, mogelijk reeds 3000 voor Chr., een onbeschaafde stam hebben gewoond, maar zeker zien we in den maker van het hunnebedvaatwerk, den bouwer dier grafmonumenten, een verwante van dien voorhistorischen stam, die eenmaal een groot deel van Europa, ook van de klassieke wereld, bewoonde" (bl. 49).

Naar men weet, verstaat men door hunnebedden (of hunebedden) steenen grafkamers van verschillende afmetingen, gevormd door een kring van erratische gesteenten, die in het diluviale tijdperk rechtstreeks door landijs waren aangebracht. Enkele dier zwerfsteenen dienden als dekking dezer sober-majestueuze grafsteden--wij noemen de minder ingewikkelde vormen ook wel "grafkelders"--waarin de oerbewoners van ons land hunne lijken neerlegden; de urnen dagteekenen uit lateren tijd, want in Nederland evenals elders is de lijkverbranding jonger dan het begraven. Naast de lijken legde men wapenen of andere voorwerpen, welke den doode dierbaar geweest waren, of die hij, naar men meende, noodig kon hebben in zijn laatste woonstede. Op dit geloof aan het voortbestaan der ziel na den dood in zijn menigvuldige vormen en uitingen zullen wij nog verder in de gelegenheid zijn de aandacht der lezers te vestigen. Ook op de hunnebedden komen wij naderhand terug. Hier zij slechts opgemerkt, dat het voorkomen van brandurnen in hunnebedden niet pleit tegen de stelling der prioriteit van het begraven. Want vooreerst is het waarschijnlijk, dat ook de Kelten en Germanen, zij het dan ook in navolging hunner voorgangers, die zich met hen--vooral met de Kelten--vermengd en wier kultuur zij ten deele hebben overgenomen, dergelijke grafkamers hebben gemaakt. Verder kan men gereedelijk aannemen, dat wederom door later-levende menschen brandurnen in de ommanteling van reeds bestaande hunnebedden zijn neergezet, zoodat het daarin gevondene: steenen, bronzen, zelfs ijzeren voorwerpen, uit verschillende tijden en van verschillende volksstammen afkomstig kan wezen.

Tuschen 1500 en 1000 vinden wij deze kultuur in Drente, zuidelijk Friesland, Overijssel en het Gooi. De beschaving is een zuivere steenkultuur. Het bruinachtig vaatwerk, zonder draaischijf gevormd, vertoont typische gedaanten en versieringen. Wat de geestelijke kultuur betreft met betrekking tot het hedendaagsche folklore, hieromtrent is weinig met voldoende zekerheid vast te stellen. Menig Nederlandsch begrafenisgebruik stoelt zeer zeker op animistischen grondslag, maar ook het volksgeloof onzer Germaansche voorvaderen vertoont sterk-animistische trekken. Insgelijks is de matriarchale familie-inrichting--waarbij de vrouw alleszins de meerdere is, de afstammingslijn aangeeft, den naam verleent en het erfrecht bepaalt--, die bij de oorbewoners van ons land de heerschende zou geweest zijn, bij de oude Germanen in een zeer vroege periode bekend geweest: zie hierover mijne Essays en Studiën in vergelijkende godsdienstgeschiedenis, mythologie en folklore (Venloo, 1910), bl. 176 vlg. Trouwens hier behoeft niet alleen sprake te zijn van "overleefsels" of "bezinksel", zooals wij te gelegener plaatse zullen aantoonen.

2. Over begrip en omvang van den term _"Kelten"_ verkeert men in het onzekere. Zeker is aan sommige stammen ten onrechte die naam geschonken. Of wij met name den volksstam, die kort na 1000 v. Chr. van uit het zuiden ons land binnendrong, tot de Kelten kunnen rekenen, is hoogst onzeker. In alle geval behoort hij tot het Alpine ras. Hij vertegenwoordigt de zoogen. "Klokkebeker-kultuur", die over een groot deel van Europa is verspreid geweest: men ontmoet deze Alpinen in een gedeelte van de provincie Utrecht, in Drente, Twente en op de Veluwe. Den naam ontleent deze kultuur aan een eigenaardig vaatwerk, geelbruin van tint en uit de hand gevormd, terwijl het vaasprofiel klokkevormig gebogen en eigenaardig versierd is. Naast steenen vindt men ook bronzen werktuigen en voorwerpen ter versiering, b.v. bronzen ringen.

Deze urnen zijn slechts ten deele brandurnen. Want de dragers der klokkebekerkultuur hebben ook hun dooden begraven en wel onder vrij hooge opgeworpen heuvels. Bij het onderzoeken van zulke grafheuvels op de Veluwe bleek het, dat wat een aardheuvel leek, niets anders was dan een ineengestorte massa vergaan hout en zand, afkomstig van een koepelvormigen bouw uit houten balken, met zand of heideplaggen overdekt. Nu is het de verdienste van Dr. Holwerda, gewezen te hebben op de analogie van deze grafheuvels met de prachtige koepelgraven van Mykene; hiervoor verwijzen wij naar een Gids-artikel van zijn hand (1912 Jan.), waar hij o.m. deze overeenkomst op populaire en overzichtelijke wijze behandelt.

Een ander volk, ook behoorende tot het rondhoofdige Alpine ras, waren de Galliërs, die omstreeks 300 v. Chr. in onze zuidelijke provinciën de zoogen. "Hallstatt-kultuur" brachten. Op hen is de naam "Kelten" zeker meer toepasselijk. De eigenaardige urn dezer beschavingsperiode vertoont een min of meer bollen buik, terwijl de rand daarin zeer geleidelijk overgaat òf er scherp op staat en uitbuigt. De ornamentlijnen zijn meestal zigzagvormig. Zulke urnen vond men in Noord-België, in het zuiden van Brabant en in Noord-Limburg (b.v. te Wellerlooi, Oyen en Afferden). Enkele exemplaren vond men ook op de Veluwe. Zoo vormt dan b.v. Hoog Soeren de noordelijkste schakel van een keten, die wij door Nederland, België, Duitschland (Rijnland en Würtemberg) tot in Italië kunnen volgen. Naar men aanneemt heeft de vroeg-Italische bevolking omstreeks de VIIIe eeuw v. Chr. deze beschaving geformeerd; de vormen der Hallstatt-urn in gebakken aarde, zoo sterk herinnerend aan de metaaltechniek, hebben zij inderdaad van een metalen urnvorm afgeleid.

Nu blijkt echter uit de opgravingen, dat deze beschaving in ons land eerst in de laatste eeuwen vóór en in de eerste eeuwen na Christus valt te dateeren. Hieruit mag men het besluit trekken, dat de Hallstatt-kultuur, die in het Zuiden van Midden-Europa en in Frankrijk betrekkelijk spoedig door de zoogen. "La Tène-kultuur" is vervangen, in onze streken, hoewel in armelijker vorm, is blijven voortbestaan. Wij hebben hier te doen met late afstammelingen van het Alpine ras.

De vindplaatsen der urnen stemmen overeen met de geschiedkundige gegevens. De Grieksche geschiedschrijver Dio Cassius, die Rome's historie heeft te boek gesteld, verhaalt, dat de Kelten oudtijds de beide oevers van den Rijn bewoond hebben en zelfs ook daar gevestigd waren, waar de stroom, Gallië ter linker zijde latend, in den Oceaan valt; terwijl Julius Caesar meedeelt, dat de Keltische Menapiërs kort vóór zijn komst in deze streken den rechter Rijnoever bewoonden.

Ook de plaatsnamen kunnen ons eenigermate van dienst zijn, om het verbreidingsgebied der Kelten in ons land te bepalen. Te geschikter plaatse zal ik de Nederlandsche plaatsnamen uitvoeriger bespreken; hier volgen dus slechts enkele namen als criteria.

Evenals de Duitsche plaatsjes Remagen, Dormagen e.a. verraadt _Noviomagus_ zijn Keltische herkomst. Misschien is deze plaats identiek met _Batavodurion:_ "fort der Bataven", terwijl anderen deze plaats voor Wijk-bij-Duurstede, weer anderen voor Batenburg houden. _Arenacum_ is vermoedelijk Arnhem. De Bataafsche burcht van den Keltischen handelsgod Lug, n.l. _Lugdunum Batavorum_, draagt een Keltischen naam, die misschien nog in Loosduinen voortleeft. Zuidelijk hebben wij verder _Coriovallum_, op de heirbaan van Maastricht naar Keulen, thans de stad Heerlen; en wat veel zegt, de namen onzer drie groote rivieren: Rijn, Maas en Schelde zijn beslist Keltisch. Ten onrechte heeft men ook de Waal voor Keltisch willen verslijten; deze benaming vertoont Germaansch karakter, verwant als zij is met het Angelsaksische _wôh_ "krom" en het Gotische _wâhs_ in _unwâhs_ "onberispelijk". Zie de verhandeling van Prof. H. Kern in het Tijdschrift van het Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap, 2de serie XXI, bl. 773 vlg.

Verder heeft onze taal, of liever het Germaansch, een niet onbelangrijke hoeveelheid taalgoed van de Kelten overgenomen, die ik in het Vierde Hoofdstuk bij de behandeling van het taaleigen zal bespreken. Laat ik hier slechts wijzen op zeer gebruikelijke woorden als _volk, duin, rijk, ambacht_, misschien _havik_. Deze leenwoorden zijn daarom zoo van belang, dewijl zij min of meer als maatstaf kunnen gelden voor het overnemen van algemeene kultuur. Wij mogen dus besluiten, dat ook heel wat kultuurgoed of althans elementaire beschavingsbestanddeelen zijn overgenomen en uitgewisseld, waarvan de bouwtrant der boerenwoningen in bepaalde streken o.m. getuigt. Maar verder blijkt hieruit, dat de Keltische beschaving niet minderwaardig was vergeleken bij de Germaansche; integendeel! Waar een groote kultuurkloof gaapte, zijn de verhoudingen anders geweest. Zoo is het een feit, dat het Keltisch op Keltischen bodem door het Vulgairlatijn als het ware is opgezogen, en dat het slechts een niet noemenswaardig aantal woorden in het Fransch heeft achtergelaten. Teekenend is het ook, dat de Slaven, die in den loop der eeuwen in zoo grooten getale zich in Griekenland gevestigd, en vooral in den Peloponnesus zich zoo sterk met de Grieken vermengd hebben, wèl een grooten somatischen invloed op de Grieksche natie vermochten uit te oefenen, maar in het Nieuw-Grieksch nauwelijks enkele sporen van hun aanwezigheid konden achterlaten.

3. De volkeren, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, steeds door weer andere stamgenooten gevolgd, waren de _Germanen_, vertegenwoordigers van het Teutonische ras. Wij kunnen hun sporen volgen links van den Rijn in de zuidelijke gewesten, en verder in Gelderland, Overijssel, Drente, het Gooi, wanneer wij letten op de grove Germaansche cylinderurnen, die onder Romeinschen invloed steeds meer verwantschap beginnen te vertoonen met de La Tène-kultuur.

Wij kunnen hier drie stammen onderscheiden: de Friezen, Saksers (of Sassen) en Franken.

De Friezen wonen thans vrij onvermengd hoofdzakelijk nog slechts in Friesland met uitzondering van het Bilt, een bedijking in den mond der vroegere Middelzee, door Hollandsche kolonisten bevolkt, en verder van Ooststellingwerf en Weststellingwerf. Ook Schiermonnikoog en Terschelling wordt nog door Friezen bewoond. Maar eertijds reikte hun gebied van de Dollard tot het Zwin, een voormaligen zeeboezem in Zeeuwsch-Vlaanderen. Hun gebied vormde een lang uitgerekte, smalle kleistreek, een kustzoom, zonder geografisch middelpunt: en zoo verklaart men hunne spoedige vermenging en staatkundige versnippering. Friesch leven en Friesche volksaard heerschte dus in de provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijssel en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, waar de Kannenefaten woonden, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Sporen van Friesche zeden en taal vindt men nog in ruime mate in Holland, met name bij de landbouwers op de geestgronden. Vgl. Dr. H. Blink, Nederland en zijn bewoners (Amsterdam 1892) III, bl. 143 vlg.

Het begin van den inval der Saksers in ons land kan op grond van archaeologische gegevens gesteld worden op korten tijd na het begin onzer jaartelling: tal van resten van vaatwerk, die een Saksisch karakter vertoonen, zijn gevonden in Twente en Drente, en ook sporadisch verder westwaarts. Deze stammen nu, die na Caesar's tijd ons land van uit het Oosten zijn binnengedrongen, blond en kortschedelig, mogen wellicht niet als zuivere Teutonen (Germanen) worden beschouwd; maar door de Romeinen werden zij steeds bij de Germanen gerekend. Aan hun verwantschap met den beslist-Saksischen stam, die omstreeks de IVe of Ve eeuw binnendrong, is wel niet te twijfelen. Maar Dr. Holwerda noemt ze terecht "proto-Saksers". Zij vestigden zich in de oostelijke streken van Nederland, begrensd door den IJssel, doch drongen verder op.

Hoe sterk de Saksers--in hun geheel genomen--zich over Nederland verspreid hebben, toont o.a. het Saksische vaatwerk, dat men in Drente, Friesland, Overijssel, Gelderland en Limburg vindt. Het zuiverst wordt wel het Saksisch gesproken in de Graafschap, in Salland en Twente. In Twente vindt men ook het sterkst-uitgesproken Saksische karaktertype; en ook daar juist heeft de weefkunst, een Saksische huisindustrie, zich tot grootindustrie ontwikkeld. Saksische mengbevolking, mengkultuur en mengdialekten vindt men in Limburg, Gelderland, Holland, Overijssel en elders.

Overheerschte aan den IJssel het Saksische element, aan den Rijn had het Frankische de bovenhand. Raadselachtig is deze stam, in zoover wèl het bestaan van een Frankisch volk vaststaat, dat zich over een groot deel van West-Europa heeft uitgebreid; maar zijn herkomst ligt in het duister. Omstreeks 300 na Christus vielen zij in het land der Batavers, het eiland tusschen Maas en Rijn. Deze, de vertegenwoordigers van een ouderen Frankischen stam, immers volgens Tacitus verwant met de Chatten, waren het eerst met de Romeinen in aanraking gekomen: reden, waarom zij, hoezeer ook ten onrechte, als de oorspronkelijke bewoners van Nederland werden beschouwd.

De Franken woonden in het begin hoofdzakelijk in Salland. In de IVe eeuw nestelden zij zich in Toxandrië om naderhand verder door te dringen naar het zuiden. De Frankische grens in België vormt ook de zuidelijke grens van het Nederlandsche taalgebied. Zij is nauwkeurig vastgesteld door Prof. G. Kurth, La frontière linguistique en Belgique et dans le Nord de la France (Bruxelles 1898). Ongeveer volgt zij de groote Romeinsche heirbaan van Boulogne over _Castellum Menapiorum_ (Cassel, in Fransch-Vlaanderen), _Tornacum_ (Doornik) en _Aduatica Tungrorum_ (Tongeren) naar Keulen.

Nakomelingen van den Frankischen stam vindt men heden ten dage hoofdzakelijk in Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Zuid- en Noord- Brabant, Belgisch en Nederlandsch Limburg, in het zuidelijk gedeelte van Gelderland, Lijmers, Betuwe, Land van Maas en Waal, Tielerwaard, Bommelerwaard en het Rijk van Nijmegen, in de Alblasserwaard en de Vijf Heerenlanden (prov. Zuid-Holland) en in het grootste gedeelte van Utrecht. In Zuid-Limburg wonen de afstammelingen der Ripuarische Franken: de Usipeten, Tenkteren, Brukteren, Sunucers en Eburonen, die vanaf de IVe eeuw hun woonplaatsen aan de boorden van den Rijn (van waar hun naam) verlaten hadden, om zich op beide Maasoevers te vestigen.

Van de Noord-Nederlandsche steden zijn volgens Blink Deventer en Zutfen wel de meest Saksische, 's-Hertogenbosch de meest Frankische, Leeuwarden de meest Friesche.

Op de Veluwe stooten de drie stammen: Friezen, Saksers en Franken aan elkaar. In het Westen van het land heeft meestal vermenging van het Friesch met het Frankisch, in het Oosten van het Friesch met het Saksisch, en van het Saksisch met het Frankisch plaats gehad.

4. Machtige invloed op volkswezen en volkskultuur is uitgeoefend door de _Romeinen_. Toen deze veroverend ons land binnenrukten, vonden zij daar Germaansche, Kelto-Germaansche en Keltische volksgroepen. Ten noorden van den Rijn en op de eilanden aan de monding woonden de Bataven en Kannenefaten, noordelijker de Friezen, aan den Beneden-Rijn de Kelto-Germanen en Kelten. De groote stam der Menapiërs in Noord-Brabant en een gedeelte van Limburg, Antwerpen en Oost-Vlaanderen was wel overwegend Keltisch, maar toch met Germaansch bloed en Germaansche kultuur vermengd. Hetzelfde geldt voor de Toxandriërs in Noord-Brabant, de Moriners in West-Vlaanderen, de Nerviërs in Zuid-Brabant, Henegouwen en Vlaanderen, de Atrebaten om Atrecht, de Aduatikers in Luik en Belgisch Limburg. Daarentegen mag men de Eburonen bij het latere Maastricht als vrij zuiver Germaansch beschouwen. Zie hierover P. J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk (Leiden 1912) I, bl. 14 vlg.

Nog dient te worden opgemerkt, dat ten gevolge van den inval der Romeinen het nationale gevoel meer werd opgewekt, zoodat in de IIe en IIIe eeuw na Chr. de kleinere stammen zich tot groote volksgroepen aaneensloten.

De Romeinsche overheersching heeft tallooze offers gevergd en harden strijd. Vooral in het tegenwoordige België werden geheele stammen uitgemoord en de bodem gedrenkt met stroomen bloeds. Tevergeefs poogden ook de Friezen en Bataven het Romeinsche juk af te werpen. Maar toch moet men erkennen, dat in vele opzichten Rome's heerschappij onze landen ten zegen gestrekt heeft. Bij de komst der Romeinen waren onze voorvaderen nog zoo goed als natuurvolken, in schamele kleeding van ruw-bewerkte dierenhuiden gehuld. Spoedig zou dit anders worden. Overal vertoont de bodem, bij opgravingen, sporen van Romeinsche beschaving, al bepalen zich de kultuurvoorwerpen tot import: schalen, borden, kommetjes, potjes, urnen, flesschen enz. Het meest vermaard is wel de zoogen, _terra sigillata_, rood, met het fabrieksmerk gestempeld vaatwerk. Hiernaast wapenen, munten enz. Vooral de linker Rijnoever werd geromaniseerd. Weldra doorsneden tallooze grachten den bodem; dijken werden opgeworpen en bruggen geslagen, vaste kasteelen verrezen, heirbanen werden aangelegd. Dit waren hoofdzakelijk de volgende:

1. Van _Lugdunum Batavorum_ over _Traiectum_ en _Fectio_ (Vechten) naar _Noviomagus_. Uit dit _Traiectum_ met het voorzetsel _ût_ (uit) ontstond _Utrecht_. J. W. Muller vergelijkt _Ut-bremen_ en het Westvlaamsche _Uutkerke_. De naam _Ultraiectum_ voor _Ultratraiectum_ is een verlatijnsching, eerst na de renaissance opgekomen.

2. Van _Lugdunum Batavorum_ over _Forum Hadriani_ langs den linker Waaloever naar _Noviomagus_. Dit _Forum Hadriani_, het tegenwoordige Voorburg, werd door keizer Hadrianus gesticht niet ver van den Rijnmond. _Voor_- heeft hier dus met onze partikel _voor_ niets te maken en kan slechts volksetymologisch er mee verbonden worden.

3. Van _Noviomagus_ over _Cevelum_ (Kuik?) en _Blaricum_ (Blerik) naar _Pons Mosae_ (Maastricht), ook wel _Traiectum (Mosae_ of _ad Mosam_) geheeten.

4. Van _Noviomagus_ over _Castra Vetera_ (Fürstenberg, bij Xanten) naar _Colonia Agrippina_ (Keulen).

5. De reeds genoemde weg van Boulogne naar Keulen.

Uit de vaste kasteelen aan deze heirbanen, van zoo reusachtige beteekenis voor het handelsverkeer, ontwikkelden zich belangrijke plaatsen. Onnoodig te zeggen, in welke mate ook de ontwikkeling van landbouw, veeteelt en nijverheid hiermee gebaat was, men denke slechts aan de tegelbakkerij. Ook de zeevaart bleef niet achter. Aken en Spa waren bekende badplaatsen. Overblijfselen van Romeinsche _villa's_ worden telkens weer opgedolven; en een merkwaardige getuige van den invloed der Romeinsche kultuur is wellicht de nader te bespreken villabouw der boerenwoningen.

Sterker dan eenige andere taal heeft het Latijn op onze taal ingewerkt, ik noem slechts de leenwoorden: _keizer, kerker, wijn, pauw, venster, zegel, poort, tegel, kelk, brief_ enz.

Na enkele eeuwen ging de Romeinsche beschaving hier te niet. Maar van blijvenden aard zou wezen het door Rome's invloed hier verspreide en gevestigde Christendom.

6. Het _Christendom_ bracht inwendige beschaving en vernieuwing, en het heeft den drang der tijden doorstaan. Wellicht dagteekent het Christendom in onze landen sporadisch reeds van vóor het jaar 400: Christelijke oudheden te Nijmegen, Wijk bij Duurstede en elders gevonden wettigen eenigermate dit vermoeden. Maar in de Ve eeuw deed het in alle geval voor goed zijn intrede in deze gewesten. Het vestigde zich eerst in het Zuiden en heeft zich dan snel noordwaarts uitgebreid. Te Tongeren werd het Evangelie gepredikt door den heiligen Servatius, die zijn bisschopszetel verplaatste naar Maastricht. Daar zetelde in de VIe eeuw de h. bisschop Monulfus, in de VIIe eeuw Amandus, die het geloof predikte aan de Friezen. Terzelfder tijd predikten Eligius en Weranfridus onder de Franken en Friezen. Maar ook Vlaanderen werd door den h. Eligius bezocht, waar reeds door Victricius van Rouaan met vrucht aan de kerstening der bevolking was gearbeid. De hh. Lambertus en Hubertus waren de apostelen van Taxandrië en van de Ardennen.

Een kenmerkend feit voor de kerstening van Nederland is de stichting van het bisdom Utrecht door den h. Willebrordus in de VIIIe eeuw; onder hem was werkzaam de h. Bonifacius, aartsbisschop der Friezen. Blijvend vestigde zich het Christendom in deze streken onder de Karolingers.

II. Dorp en dorpsgebied.

De nederzettingen der bevolking van Nederland in dorpen (gehuchten, vlekken) en steden moeten in verband met de natuurlijke gesteldheid van den bodem en het karakter van den stam der nederzetting, zooveel mogelijk aan de hand der geschiedenis, worden verklaard. Deze verklaring is onontbeerlijk voor het goed begrip van vele folkloristische verschijnselen.