Chapter 19
Vleremuis Kom 't avond t'huis, Breng mijn nieuwen tand t'huis. Mijn oude is versleten, Mijn moeder mag 't niet weten, Mijn vader heeft geen geld, Heeft het al op hoopen gesteld.
Tiel:
Muis, muis, gimme een tand, Die der noot meer uit kan.
Vlaanderen:
Muize--muize--manneken, Geef mij een ander tanneken, Liever 'nen tand van been, Als eenen van steen.
Dat de muis, het knaagdier, hier als sympathetisch tooverdier geldt, is duidelijk. Als merkwaardigheid zij vermeld, dat soortgelijke formules, waarin de muis voorkomt, in gebruik zijn in Brandenburg, de Rijnprovincie, Tirol, Würtemberg, Hessen, Baden, Pruisen, Bohemen, Galicië, Bukowina en Rusland. Zie Van Andel, Volksgeneeskunst, bl. 142 vlg.
Nu meene men echter niet, dat alleen tooverij en bijgeloof hun schepter zwaaien over de prille dagen der kindsheid. Het is waar, geen tijdperk wellicht in het menschelijk leven wordt zóo door traditioneele vormen en leefregels beheerscht, die wortelen in het meest primitieve volksgeloof. Maar den boventoon voert toch koesterende moederliefde en blijde vadertrots, aldoor geprikkeld en gevoed door de hulpbehoevendheid van den kleinen lieveling. Wie in deze eerste dagen de gezellige huiskamer met haar gulden innigheid, haar guitig wiegje, welhaast haar drukken kinderstoel, van zonneglans en zonnewarmte doet tintelen,--het is de kleine dwingeland in het hagelwitte linnen, waarin hij reeds zoo lang werd verbeid en dat de Hollandsche en de Vlaamsche moeder in de blijde dagen harer verwachting met moederweelde en vreugde-kloppend hart heeft toebereid. Hoe teekenend en hoe innig, hoe berekend voor de luistergrage oortjes, die naïeve _wiegeliedjes_, met hun beperkte notenbeweging en hun rijkdom aan klankgehalte, waarin de rythmische wiegbeweging, maar ook moederlijke bezorgdheid en liefde zoo duidelijk hoorbaar doorklinken:
Slaap, kindje, slaap! Daar buiten loopt een schaap, Het heeft vier witte voetjes, Het drinkt zijn melk zoo zoetjes, Slaap, kindje slaap!
Of:
Het heeft zoo'n witte wol En 't drinkt zijn buikje vol.
Dit ver verspreid wiegeliedje vinden wij met talrijke varianten in de verschillende dialekten; zoo b.v. in het Limburgsch:
Sloap, kieneke, sloap! Die vader heuit et schoap, Dien moder heuit de bonte koe, Kieneke, maak dien eugskes toe, Sloap, kieneke, sloap!
Een enkel maal behelst het een ontboezeming:
Suja, poppedeine, 't Kindje is nog kleine, 'k Wou, dat 't kindje grooter was, Dat kwam moeder wel te pas.
Een in Twente en op de Veluwe zeer bekend deuntje luidt:
Suja, suja, kindje, 't Papje steet in 't spintjen, Melkje van de bonte koe, Kindje, doe je oogjes toe.
Hoeveel naïeve moederzorg ligt niet in 't Twentsche:
Suja, suja, lutke wicht, Sloape zeute, eugskes dicht. Hunnewiêve, 'k zal diê sloan, Kumst du biê de huja stoan.
Tot de meest gewone Vlaamsche wiegeliedjes behoort wel:
Do, do, kinneken, do, Slaap en doet uw oogskes toe, Hebde geen vaak, ge moet nie slapen, Hebde geen honger, ge moet nie gapen, Do, do, kinneken, do.
Maar de wiegeliedjes zullen spoedig verdwijnen, nu de bovenkultuur het wiegen onhygiënisch verklaart. En zal het met de groeiende beschaving ook niet spoedig verdwijnen, het heerlijk-innige, over geheel West-Europa verspreide, kindergebed?
's Avonds als ik slapen ga, Volgen mij veertien engeltjes na: Twee aan mijn hoofdeind, Twee aan mijn voeteneind, Twee aan mijn linkerzij, Twee aan mijn rechterzij, Twee die mij dekken, Twee die mij wekken, Twee die mij wijzen Naar 's hemels paradijzen.
In een spreukenverzameling uit de XVe eeuw wordt het reeds als oud gebed betiteld; zie hierover o.a. Karl Wehrhan, Kinderlied und Kinderspiel (Leipzig 1907), bl. 72.
De moeder leert aldra het kind loopen en spreken. De leiband is, evenals de loopwagen of loopkorf, in de laatste jaren in onbruik geraakt. Wat het leeren spreken betreft, dient opgemerkt, dat dit voor een groot deel onbewust geschiedt, maar ten deele toch ook opzettelijk en volgens bepaalde beginselen: het vaak laten herhalen van dezelfde klanken of lettergrepen, het vermijden van moeilijke woorden of klankgroepen, het opzettelijk vervormen van woorden, het zich aanpassen aan den lettervoorraad van het kind, enz. Zoo kan men spreken van een voedstertaal, die de volwassenen vormen in navolging der stamelwoorden van de kinderen. De eigenlijke kindertaal is psychologisch hoogst belangrijk en heeft het tijdstip van de ontplooiing der verstandelijke vermogens als grens. Reeds de taal der kinderkamer is zeer merkwaardig en vormt een opmerkelijke groeptaal, al is de sociale groep der kinderen op dien leeftijd nog betrekkelijk onvast. Van bijzonder belang zijn de stamelwoorden, oorspronkelijk zonder beteekenis, maar waaraan door de volwassenen uit de omgeving een beteekenis wordt gehecht, als _ada_, _tata, toetoe_ enz., meestal geredupliceerde vormen, alsmede de bestanddeelen der algemeene taal, die in den kindermond een eigenaardige verandering ondergaan: _opoe, botam_, (boterham), _mek_ (melk). Buitenmate rijk is deze periode tot het maken van opmerkingen van psychologisch-maatschappelijke aard. Het meest treffend is wel, dat de kinderen het best en het vlugst van elkander leeren. Zie mijn rede over de Sociale klassieke Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 14, 15. De kinderrijmpjes bespreek ik afzonderlijk in het Vijfde Hoofdstuk.
Wordt het kindje grooter, dan neemt moeder het op haar schoot, en nu mag de kleine huppelen en hossen op de maat van het schootliedje:
Hop, Marianneke Pop, Marianneke [of: Stroop in het kanneke] Laat de poppekes dansen, Een goeie man, Een brave man, Een man van complaisance. Hij roert de pap, hij wiegt het kind En laat zijn vrouwke [hondje] dansen.
En dan, welk verrukkelijk genot, paardje te mogen rijden op vaders of grootvaders knie; in het vlugge rythme hoort men het galoppeeren van het paard:
Húp páardje óp een dráf Mórgen ís het Zóndág. Dán kómen de héerén, Mét de bónte kléerén, Dán kómen de vróuwén, Mét de bónte móuwén, Dán kómt de ákkermán Mét zijn páardje áchterán.
Elders luidt het:
Hup, paardje, meulen, De koster zit op 't veulen, Pastoor zit op de bonte koe, Die rijden naar de meulen toe, Om een zakje haver, Wat zal dat paardje draven, Om een zakje mikken, Wat zal dat paardje slikken, Ja, ja, paardje, draf, Morgen is het Zondag.
Vaak ook bezoekt men te paard de plaatsen in den omtrek; men lette op de afwisseling van drie en vier heffingen:
Jóe, jóe, jóe, Naar Hóorn óm een kóe, Naar Álkmaar óm een várkén. Zoo ríjden wíj naar Márkén, Naar Márken óm een wágén. Zoo ríjden wíj naar Schágén, Naar Schágen óm een sjées. Zoo ríjden wij náar de Bée(t)s, Ván de Bée(t)s naar Ákkerslóot, Óm een schóotje wíttebróod.
Nu vergelijke hiermee het Vlaamsche:
Juite, ko, mijn peerdje, Naar Iper om e steertje, Wilt da peerdje nie zee'der loopen, 'k Zal 't e vatje met haver koopen; Is er t' Iper geene, 'k Ga van da na Meene; Is ze te Meene goeie koop, 'k Koope der tien of twaalf stoop.
Rupelmonde:
Juttekave ronde! Van Gent noar Derremonde, Van Derremonde noar Bevere, Om e vat jenevere; Van Bevere noar Kalloo, Doar eten de pêrekens hoo(i).
Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 229 (Wiegeliedjes), 250 (Paai- en Koozeliedjes), 291 (Kniedeuntjes); Dr. Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 35 vlg., Dr. J. Van Vloten, Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen (Leiden 1894), bl. 12 vlg.
Thans begint het eerste onderricht: voorwerpen der naaste omgeving, personen, lichaamsdeelen vooral krijgen de beurt, en schertsend heet het:
Kinnetje knap, Mondje hap, Neusje snuit.
Maar vooral wordt aanschouwelijk en verhalend gewezen op het onderscheid der verschillende vingers:
_Duimeling_ heeft een koe gekocht, _Fikflak_ heeft hem thuis gebracht, _Langeman_ heeft hem geslacht, _Ringeling_ heeft de worst gemaakt, En _Klein Schelmpje_ [met tallooze varianten] heeft alles opgegeten!
Te Ieperen kent men den korteren vorm:
Dumeloot, Kattepoot, Langerake, Korteknape, Klein petietje.
Soms wordt de volgorde omgekeerd; aldus in het Hollandsche:
Pinkie, Goûrinkie, Langeliereboom, Potteschrapper, Ketellapper.
Zie hierover Volkskunde XVII, bl. 88 vlg.
Het kindje wordt grooter, de gezichtskring verruimt zich, het verstand ontluikt, naar alle richtingen steekt het zijn voelhoorns uit, de sociale groep wordt omvangrijker en bestendiger, en uit den dreumes groeit een jongen of een meisje. Het onderwijs op school wordt voortgezet,--machtige, nu eens voortstuwende, dan weer stremmende faktor in de volksontwikkeling van het kind. De taal is in hooge mate aan de inwerking van dien faktor bloot gesteld, zij worden tweetalig, terwijl hun kaste-geest zich treffend in de vele geheime taaltjes en alfabetten openbaart. Ook de speeldrift komt in haar algeheele volheid tot uiting in _kinderspel_ en kinderlust.
Een enkel woord over het kinderspeeltuig der eerste periode. Natuurlijk verandert dit volgens de landstreek en zijn b.v. molentjes, scheepjes en boeiers in het noordelijk volksgebied heel wat veelvuldiger. Maar meer nog houdt het speelgoed gelijken tred met sociale en ekonomische ontwikkeling, met dit gevolg, dat het goedkoope, eenvoudige speelgoed van vroeger door steeds duurder--maar niet duurzamer!--en ingewikkelder speelgoed vervangen wordt, waarbij dan tevens de gedachte voorzit, vooral leerzaam speelgoed te bieden. Men zou haast kunnen zeggen, dat de kinderen vroeger meer speelden om te spelen, thans meer spelen om te leeren. Poppen en bouwdoozen hebben zich doorgaans weten te handhaven, maar vertoonen toch meer raffinement; poppen in nationale kleederdracht worden zeldzamer. Den boventoon voeren, althans in de steden, miniatuurspoortreinen, stoommachines, auto's, luchtschepen enz. Tollen, ballen en hoepels behooren tot de kinderspelen der tweede periode, tot de jongens- en meisjesspelen. De 183 nummers speelgoed in het Museum van Folklore te Antwerpen (Catalogus, bl. 23 vlg.) zijn in dit opzicht zeer belangrijk en leerzaam.
Het heeft den schijn, alsof in de eerste periode meer met het kind gespeeld wordt, dan dat het zelf speelt. Deze opvatting is onjuist: het kind speelt intensief lang vóor het niet alleen hoepel en tol, maar zelfs pop en hobbelpaard heeft leeren kennen. Daar bestaat een periode van het _hoorspel_, waarin de kleine in de wieg luistergraag let op den rammelaar, op het kloppen, tikken, spreken, fluiten, zingen, rammelen van sleutels enz. Spoedig begint dan het kakelen en schreeuwen, een schreeuwen zonder smartgevoel, alleen om den speellust te bevredigen. Ook brengt het kind geluiden voort met papier, sleutels, klapt in de handjes, werpt alle voorwerpen op den grond om het speelgenot, ze te hooren rollen. Later maakt dit pleizier in geraas en getier voor welbehagen aan welluidendheid, voor een fijner hoorspel plaats. Daarnaast het _gezichtspel_. Behalve het "licht"--en laat de moeder haar kind niet allereerst naar de "lichtjes" zien?--neemt het slechts bewegingen waar. Daarna speelt het met den slinger van de klok, met den damp, die opwalmt uit den ketel, met den kronkelenden rook der sigaar, met de hoekige arm- en beenbewegingen van den hansworst; en al spoedig wordt dit passieve spel in een aktief omgezet. Eindelijk het _gevoelspel_, dat men ook bewegingsspel zou kunnen noemen. Lachen, schreeuwen, kakelen schenkt den kleine een behaaglijk gevoel, terwijl de organen worden geoefend en in het bijzonder de spraakwerktuigen smijdig worden gemaakt. Allerlei voorwerpen worden betast en beknabbeld, als pennehouders, gummi, rammelaars. Hiertoe behoort ook het trappen op- en afklimmen, kruipen, glijden enz.
Aldus uit en ontwikkelt zich de vroeg ontwaakte, spoedig werkzame, zich-zelf vormende en leidende speeldrift. Zij verwekt gevoelens van lust en welbehagen, die de volwassene met zijn nuchter verstand niet meer koesteren, zelfs veelal niet meer bevatten kan. Het kind leeft als in een droomwereld, in een tooverland van fantasie, waarin ook het stugste en meest bekrompen kind een rijkdom van begrippen, van spraakvormen, van mimiek en pantomimiek vertoont, die vaak verwondering wekken. Een groote faktor is de navolgingslust, die de geheele maatschappij, in het klein, in miniatuurvorm, tracht weer te geven: soldaatjespelen, schoolspelen, moedertjespelen--waarbij dikwijls zulke fijnzinnige verschuiving der voorstellingen plaats vindt--ja zelfs begrafenisspelen behoort tot de geliefkoosde thema's (zie beneden). De voornaamste spelen zijn van socialen aard en worden door de gemeenschap uitgevoerd, die al vrij dikwijls òf de jongens, òf de meisjes afscheidt: zoo vindt ook reeds in het spel de neiging tot differentiatie haar uiting, en met name de tegenstelling der beide geslachten wordt met het jaar scherper.
De grootste tijdsruimte der jeugd wordt ingenomen door het spel. Het is veelsoortig, omdat ook de latere menschelijke werkzaamheid zoo veelsoortig is. Het spelen van het kind is reeds berekend op het handelen van den man: het is een voorschool van het leven.
Over den oorsprong van de spelen kan ik kort zijn. Men heeft dien in Indië, in Griekenland, te Rome en waar al niet gezocht. Het bikkelspel vindt men vermeld bij Homerus (Ilias XXIII, 88); het kiskassen,--waarbij gladde, platte steentjes, tusschen duim en voorsten vinger gevat, beurtelings strijkend en opspringend over een watervlakte vliegen--wordt merkwaardig overeenstemmend beschreven in het _Onomasticon_ van Julius Pollux en in den _Octavius_ van Minucius Felix. Maar hier is geen sprake van navolging of gemeenschap van oorsprong, tenzij men als zoodanig de algemeene kinderlijke speeldrift wenscht te beschouwen. Dit neemt niet weg, dat enkele kinderspelen van elders komen, of op eigen bodem, gedurende eeuwen, van geslacht op geslacht zijn overgegaan, zoodat zij nog maatschappelijke vormen bewaren, welke de maatschappij der volwassenen reeds lang heeft afgelegd. Ook in de bijbehoorende rijmpjes kan menig overleefsel besloten liggen. Zoo is in vele aftelrijmen sprake van "Engelland", "naar Engelland varen": hiermee wordt bedoeld het zielenrijk, het Oudgermaansche hemelsche lichtland.
Niemand heeft grondiger en vollediger, en tevens met meer toewijding de kinderspelen onderzocht dan De Cock en Teirtinck in hun standaardwerk: Kinderspel en Kinderlust, 8 dl. (Gent 1902-1908); zie verder Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 28 vlg.; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 412 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 225 vlg. Kinderspelen, die met speelliedjes gepaard gaan, bespreek ik in het Vijfde Hoofdstuk.
Men heeft dikwijls de meening geuit, dat de verschillende spelen geregeld en op gezette tijden in de verschillende jaargetijden terugkeeren. Dit blijkt slechts ten deele juist. Een groot aantal spelen is noch aan maanden, noch aan jaargetijden gebonden. Met de auteurs van Kinderspel en Kinderlust nemen wij bij de rangschikking als grondslag den aard van het spel zelf. En zoo onderscheiden wij, vrijwel in overeenstemming met hun indeeling: loopspelen, springspelen, dansspelen, werpspelen, ambachtspelen, raadspelen, schommelspelen, knikkerspelen, tolspelen, hoepel- en vliegerspelen, sneeuw- en ijsspelen.
Loopspelen. Het _steltloopen_ was reeds bij de Grieken en Romeinen bekend. Vroeger hadden op verscheidene plaatsen gevechten op stelten plaats; thans verbindt men hier of daar nog het soldaatjespelen met het stelten loopen. In Vlaanderen spreekt men van _schaatsen_ en _krikken_.--Zeer algemeen is het _krijgertje-spelen_, op de eilanden van Zuid-Holland ook wel _Jaagje-spelen_, elders _haarvaartje-spelen_, Limb. _naloopertje-spelen_, België meestal _katje-jagen_ geheeten.--Overoud is het _boompje-verwisselen_ of _stuivertje-wisselen_, in België meestal _vierhoeken_ genoemd. Van de vijf spelers houden vier een hoek, een boom, een paal b.v. bezet, terwijl bij het wisselen de vijfde moet trachten, een der vrij komende plaatsen in te nemen. Te Zaandijk roept men, als men met een ander van plaats wil verwisselen: "Wip hem, soldaatje." In Limburg: "Eeder van zien alt-alt iêzer aaf." Vergelijk hiermee het Brunswijksche: "_Iser_männeken, hat kein stänneken, kann kein stänneken finnen." Laat ik verder noemen het _haasje_- en _blindemannetje-spelen_, wat dikwijls met rijmpjes gepaard gaat. Overal bekend, en een echt jongensspel is het _baarspel_; de speelplaats is door twee lijnen of _baren_ in twee kampen, met een gevechtsterrein daartusschen in, verdeeld. Wie geraakt (_getakt_) wordt, is krijgsgevangene; hij moet op de baar staan, maar kan door zijn partijgenooten verlost worden. Het _verstoppertje-spelen_ heeft tallooze varianten; ik vermeld slechts het Limburgsch _bergermuuske-speulen_, het Zaansche _honk-uit_, het Geldersche _piepverstoppen_. De _honk_ is de vrijplaats, die bij deze spelen gewoonlijk wordt afgebakend of aangewezen. Een mythologischen ondergrond meent Dr. Boekenoogen (Navorscher 1891, bl. 107 vlg.) te kunnen waarnemen bij het spel van _den wolf en liet schaaf_, in Friesland _de zwarte leider_ of _de ruige wolven_ genoemd. Aan de Zaan luidt de tweespraak tusschen den leider en den wolf als volgt:
Wolf.--Herder, laat je schaapjes gaan!
Herder.--Ik durf niet.
Wolf.--Waarom niet?
Herder.--Van den ruigen wolf niet.
Wolf.--De ruige wolf is gevangen Tusschen twee ijzeren tangen, Tusschen zon en maan, Herder laat je schaapjes gaan!
De dikke, ruige wolf, gevangen tusschen zon en maan, zou Fenrir, de zoon van Loki zijn, die in wolfsgestalte de Asen vervolgde en eindelijk gevangen en tusschen twee rotsen werd vastgeklemd. Waarschijnlijker gaat dit spel rechtstreeks op een sprookje terug; maar heeft dit sprookje zelf geen mythologischen grondslag?
Springspelen. Bij het _haasje-over_ springen tracht elk speler op beurt over al de andere, die voorovergebogen staan met de handen op de knie, heen te springen; bij het _bok-sta-vast_ staat een jongen met den rug tegen een muur, een tweede legt het hoofd in diens gevouwen handen in gebogen houding en een derde, een vierde enz. staan, den rug biedend, tegen hem aan. De beste springer wipt nu over hem heen, zoo ver hij kan, dan volgen de anderen. Het _hinkspel_ wordt meer door meisjes dan door jongens gespeeld. Op den grond trekt men een bepaalde figuur met verscheidene vakken en de speler moeten nu het hinkhout van het eene vak naar het andere voortschoppen. Het voorlaatste vak heet in België meestal _helle_ of _halve hemel_, het laatste _hemel_; in Baden heet het voorlaatste _Ruhe,_ het laatste _Himmel_.
Dansspelen. Zoowel bij het eenvoudige dansen, als bij het _ronde-dansen_, het _reidansen_ en het _touwtjespringen_ wordt een groote verscheidenheid van speelliedjes gezongen, te behandelen in het Vijfde Hoofdstuk.
Werpspelen. Het kiskassen kwam reeds ter sprake; andere benamingen zijn: _stipstappen, botjes-schieten, briezelen, dopperen, keilen, kietelen, schiffelen (schievelen_) enz. Insgelijk zeer oud schijnt het _boeren (boer-pas-op_), waarbij een kleine steen, de _boer_, volgens bepaalde regels, van een grooteren moet afgeworpen worden. Het Friesche _tipelen_ geschiedt niet een kort stokje, dat aldus op een steen wordt gelegd, dat men het kan doen opspringen, door er met een langer stok op te slaan. Of wel, het korte stokje wordt over een kuiltje gelegd en met den langen weggeslingerd; de tegenpartij tracht dan het vliegend stokje op te vangen. Ook in Groningen kent men dit spel, zie Driem. Bladen IX, bl. 63. Aan de Zaan heet het _puntelen_ of _priegelen_, in Hollandsch en Belgisch Limburg _pinkelen_, terwijl de algemeene Belgische benaming _anjelus-spelen_ is. Veel varianten biedt ook het _op-de-streep-gooien_ met centen of knoopen, van de _meet_ af naar een andere lijn, de _schreef_; België: _overschieten_, Limburg: _steken_, Zaan: _botten_, Friesland: _opsmijten_, Gelderland: _pleien_. Maar merkwaardiger is het overal bekende _kruis-of-munt-spelen_, vooral wegens de verschillende benamingen der beide zijden van het muntstuk; zoo b.v. Zuid-Limburg: _haan_ of _plaat_; Antwerpen en Vlaanderen: _kop_ of _letter_; Leeuwarden: _kop_ of _luw_; Gelderland: _menneken_ of _letterken_; Vriezenveen: _meunte_ of _misse_; enz. Het Vlaamsche _teppeke-schieten_ heet in Limburg _stöpke-schieten,_ en aan de Zaan _tukkelen_.
Balspelen. De _kaatsbal_ is in Noord-Brabant onder den naam van _kwatsbal_, in Hollandsch Limburg onder dien van _prikkebal_, in de Kempen als _pakkebal_ bekend. Bij het gewone kaatsspel staan gemeenlijk vijf spelers in elk kamp; de bal wordt opgeslagen en de tegenpartij tracht hem te keeren.--Ook maakt men vaak zooveel kuiltjes als er spelers zijn. Elk speler tracht een bal in een der kuiltjes te werpen; en nu is het de taak van den speler, in wiens putje de bal terecht komt, den bal te grijpen en een der wegvluchtende spelers te treffen. Hij, die geraakt wordt, krijgt een steentje in zijn kuiltje, en eveneens als de achtervolgende speler met werpen mist. In plaats van kuiltjes bezigt men dikwijls een hoed of pet, hetgeen invloed heeft op de benaming. De gewone straf is, dat men door de _roffel_ (de _brits_, de _spitsroe_, de _kordons_, de _stommeling_) loopen moet.--Een zeer aangenaam spel, met veel afwisseling, maar dat zelden meer gespeeld wordt, is het _beerhoeden,_ waarbij een der spelers een grooten bal in het grootste kuiltje tracht te drijven, hetgeen de andere spelers, die hun kleiner kuiltjes hoeden, met hun stok trachten te beletten. In Noord-Brabant noemt men dit balspel _killen_, in België doorgaans _zogdrijven_ of _zogspelen_, zoo ook plaatselijk in het Oosten van ons land en in Limburg, b.v. te Doenrade, waar evenals in België de _zogput_ bekend is. _Raket-_ en _kolfspel_ zijn voldoende bekend.
In het _bikkel_- of _pikkelspel_ kan men twee spelen onderscheiden: een meisjesspel, het eigenlijke _bikkelen_, en een jongensspel, ook wel _kooten_ geheeten. Het speeltuig verschilt insgelijks: dat der meisjes is de schaapskoot, terwijl de jongens bij hun spel de kooten der koeien gebruiken. Er bestaat een groot aantal benamingen, en wel voor den bikkel zelf, alsmede voor de vier verschillende zijden. Terwijl nu bij het meisjesspel tijdens het opspringen van den stuiter of bal de bikkels moeten omgekeerd of opgenomen worden, wordt bij het kooten--een specifiek Noord-Hollandsch spel--door de spelers met een koot (of _klauw_) naar een rij knikkers gegooid; zie Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, _sub verbo_; Terwey, Taal en Letteren III, bl. 47.
Al deze spelen dreigen verdrongen te worden door het uitheemsche _voetbal-, korfbal-, lawn-tennis-, cricket_- en _croquet_spel.
Balspelen. Het bekende _kegelen_ noemt Ter Gouw "den aanval op een _bataillon carré_, met den bevelhebber in 't midden, wien men voorkeur poogt te treffen." Vroeger was het ook in Holland vrij algemeen; thans wordt het meestal in Vlaanderen, Noord- en Zuid-Brabant en Zuid-Limburg gespeeld. De _koning_ heet te Brussel _de dame_, elders _de paap, de pee, de zot_ enz. Het _beugelspel_ is in Noord-Brabant en Noord-Limburg inheemsch, een zeer hygiënische oefening, die bij goede spelers heel wat vaardigheid en kombinatiegave vereischt. Soms dagen enkele beugelbazen de spelers van een ander dorp uit. Na bepaald te hebben, wie de strijders zijn, en hoeveel partijen zullen gespeeld worden, begint de wedstrijd. Winnen de uitdagers, dan worden de _slagers_ der tegenpartij meegenomen en men spreekt af, wanneer de verliezers revanche zullen nemen.