Nederlandsche Volkskunde

Chapter 18

Chapter 183,640 wordsPublic domain

Te Ter-Alfene vindt men nog het algemeen-Germaansche, sterksprekende vruchtbaarheidsgebruik, dat jongelieden dien dag met de zweepen klappend rondloopen. Zoo ook te Wambeek (Z.-B.); te Roesbrugge-Haringe (W.-V.) gebeurt dit op Sint Elooi.

Mettertijd heeft men den rozenhoed in verband gebracht met de pauselijke tiaar. Een ander Christianisme is de visschersprocessie te Rumpst.

_Sint Marten-in-den-Zomer (4 Juli),_ ook de "Warme Marten" genoemd, draagt in West-Vlaanderen den naam van _Schuddekorfdag_, ofschoon van geen schuddekorfgebruik sprake is. Hoogstwaarschijnlijk is deze benaming aan Sint Maarten-in-den-Winter ontleend.

_Maria Hemelvaart (15 Aug.)_, ook genoemd _Maria-Kruidwisch,_ of _O.L. Vrouw Kruidwijn_ (=wijding), wordt vooral in Limburg gevierd; hier is de feestviering uit Duitschland, waar zij algemeen is, ingevoerd. Weken te voren reeds worden door de kinderen allerhande kruiden en bloemen verzameld, en op den feestdag wordt een reusachtige ruiker ter kerke gebracht, waarin de geheele midzomerflora vertegenwoordigd is, maar toch vooral de koningskaars of hemelbrand prijkt, de Limburgsche kruidwisch bij uitnemendheid. Deze gewijde bloemen dienen--ongeveer als de palm--als behoedmiddel tegen onweszr, ziekten enz. Als het onweêrt, worden zij onder het bidden van den _huiszegen_ verbrand.

Aan den Rijn moeten deze kruiden Donderdags te voren (volksetymologisch verband met "donder"?) bij zonsopgang met de hand geplukt worden. Deze omstandigheid doet vermoeden, dat het gebruik wellicht van Oudgermaansche afkomst is en oorspronkelijk op natuurvereering berustte, of de een of andere Germaansche godheid gold. Wat hiervan zij, de treffende legende, waarvolgens de Apostelen in het graf van Maria in stede van haar lichaam een weelde van geurige bloemen en kruiden vonden, schenkt aan dit gebruik een onmiskenbaar christelijk karakter.--

De zomermaanden zijn ook het tijdperk der bedevaarten of processies naar befaamde bedevaartsplaatsen, uiteraard meerendeels in het Zuiden van het volksgebied. Voor Noord-Nederland noem ik Heiloo, den Briel, voor de zuidelijke provincies Kevelaer, Roermond, Scherpenheuvel (kaarsjesprocessie) en Brugge (H. Bloed). Van plaatselijke ommegangen dient de Boetprocessie te Veurne en de zevenjarige jubileum-processie te Hasselt (_Virga Jesse_) te worden vermeld. De straten der plaats, waar de processie gehouden wordt, zijn feestelijk getooid; bloemen, groen en papierknipsels zijn gestrooid over den te volgen weg. Het volksgeloof wil, dat dit processiestrooisel beschermende macht bezit tegen ratten en muizen, en tegen onweêr; ook legt men het tusschen het graan, want het waarborgt een overvloedigen oogst en weert "het zwart" uit de tarwe.

Sommige dezer processies zijn zeer oud en met het volksleven samengegroeid, zoodat zij als tijdsbepaling dienst doen, of in dagelijksche zegswijzen zijn binnengedrongen. Zoo hoort men b.v. te Venloo, dat de bramen rijpen, "als de processie naar Kevelaer gaat", en dat "als de processie van Kevelaer terugkomt, geen oud wijfje aan het spinnewiel blijft". Zijn de straten doodsch en verlaten, dan "lijkt het wel, of de processie naar Kevelaer is"; enz.

Te Blitterswijk zingt men:

Ik zeug zo gêr no Kêvele goan, Wen er mar gene grune wolf zaat, Joa, joa, do zit er ene, Nie der zit er gene.

Over de karakteristieke processievaantjes spreek ik nader in het Vijfde Hoofdstuk: Volkskunst. Bij gelegenheid der Hasseltsche processie bestaat het eigenaardig gebruik, aan het volk erwtensoep met stukjes spek uit te deelen; dit doen de leden van de Broederschap onder feestelijk beiaardspel. Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 92 vlg.; De Cock, Volkskunde, bl. 253; V. Reinsberg-Díringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 288, 297.

_Maria-Geboorte_ (8 Sept.) wordt ter onderscheiding van het feest op 15 Aug. de "Kleine Lieve Vrouw" genoemd. In sommige streken van Vlaanderen was het bekend onder den naam van _zwaluwen-afscheidsdag._ In den avond van den 7den September liet men in zekere Westvlaamsche dorpen nooit na, te drinken op de gelukkige afreis der zwaluwen van Onze Lieve Vrouw. Volgens een bekoorlijke legende vroeg Maria, in een arme vrouw verkleed, eens een voerman te drinken en reikte hem, om den drank op te vangen, den blanken kelk der haagwinde. Vandaar, zegt de Brugsche Zondagsbode, dat in eenige dorpen van Vlaanderen de meisjes op O.L. Vrouw-Geboorte "tikken" en drinken uit zulke bloembekertjes, in de rondte dansen en zingen:

Aan Ons Lieve Vrouwen geboort Gaan de lieve zwaluwen voort.

_Michielsdag_ (29 Sept.) kan worden beschouwd als het einde van den zomer en het begin van den voorwinter, of der herfstperiode: zooals gezegd, kenden onze voorouders, en ten deele het volk heden nog, slechts zomer en winter. Nu wordt de ploeg geborgen. Wij krijgen reeds een voorspel van de herfst- en wintergaven in de Vlaamsche _vollerte_, een bijzonder soort wittebrood, dat men 's nachts ter sluik de kinderen onder het hoofdkussen legt, om bij het ontwaken gevonden te worden. Voorheen dronk men dezen dag de _Michaëls-minne,_ zie mijne Essays en Studiën, bl. 234.

Deze dag is een kritische dag, van belang in de volksweêrkunde. Bekend is ook de _Sint Michielszomer_, waarop wel betrekking heeft het Vlaamsche paailiedje:

Draaie, draaie, wielke, t' Avond komt Machielke, Komt Machielke t' avond niet, Hij en komt van g'heel de weke niet.

En de kinderen op den Vlaamschen Steenweg te Brussel zingen:

Sinte-Michiel Draait zijn wiel Mee zijnen blooten erremen.

De verwantschap van Sint Michiels- met Sint Maartensdag blijkt ook nog uit de Drentsche _Sint Michielsjacht_.

_Allerheiligen_ (1 Nov.) brengt somwijlen den Allerheiligen-zomer, ook wel door het volk "Oudewijven-zomer" genoemd.--Reeds in den namiddag begint in de katholieke streken het bezoek der graven, immers het is de vooravond van

_Allerzielen_ (2 Nov.). Als de stormwind begon te huilen door de ontbladerde boomen, dan stormde het dooden-, het geestenheir door het luchtruim, en in den aanvang van dit tijdperk vierden de oude Germanen hun doodendag. Na de invoering van het Christendom werd deze private feestviering gekerstend en steunde voortaan op het geloof aan de "gemeenschap der heiligen", terwijl ook de min of meer animistische gebruiken, als het bezoeken der graven, het branden van kaarsen, het brengen van bloemen of spijsoffers, òf officieel werden afgeschaft, òf in christelijken zin werden hervormd; hetgeen natuurlijk niet belette, dat nog heel wat animistische voorstellingen en gebruiken bij het volk bleven voortbestaan. Als het stormt, spreekt men thans nog van den _zielewagen_, en rond Scherpenheuvel heet het: "dit zijn zielkes uit het vagevuur, die vragen verlost te worden". Op meerdere plaatsen heerscht het volksgeloof, dat de "geloovige zielen" gedurende de twee eerste Novemberdagen het vagevuur mogen verlaten en haar vroegere woonsteden bezoeken. Natuurlijk geeft dit rondwaren der zielen aanleiding tot menige bijgeloovige vrees. Kerkelijk werd de 2de November aan de nagedachtenis der geloovige zielen gewijd, het eerst door Odilo, abt van Cluny, in 998; later werd dit gebruik door verscheidene diocesen gevolgd, het eerst door Luik, waar bisschop Notker het in het begin der XIe eeuw invoerde. Zie H. Kellner, Heortologie3 (Freiburg i/B. 1911), bl. 242, 248.

Op tal van plaatsen in Vlaanderen bakt men _zielebroodjes_ of _zieltjeskoeken_, een bijzonderen vorm van koeken, en deze laat men 's nachts "voor de arme zielen" staan; hieruit spreekt duidelijk de animistische voorstelling van het stoffelijk voortbestaan der ziel in of nabij het graf. Of ook, de zieltjeskoek wordt in de asch geworpen of zelf genuttigd, waarbij dan de grondstelling geldt: "hoe meer men eet, hoe meer zieltjes men verlost." Ik herinner hier aan de zieltjesbroodjes van Dixmuiden, Nieuwpoort, Veurne, Aalst en Yperen. Ter vergelijking diene, dat in Karinthi, bij het toebereiden der spijzen "voor de arme zielen", iets in het vuur wordt geworpen, terwijl men in Tirol het overgeblevene van het avondeten op tafel laat staan met de woorden: "Das gehört den armen Seelen." Vgl. De Cock, Volkskunde XIV, bl. 140; H. Coninckx, Mechelsche gebruiken I, bl. 21.

Met deze zielebroodjes hangt allicht samen het gebruik, op _Sint Hubertusdag_ (3 Nov.) zoogenaamde _Hubertusbroodjes_ te laten wijden, zooals in Vlaanderen en Limburg geschiedt. Volgens de legende was de H. Hubertus, eerste bisschop van Luik, een hartstochtelijk jager. Vandaar, dat hij als patroon der jagers geldt en tegen de hondsdolheid wordt aangeroepen. In België zijn onder het volk bezweringsformules gangbaar als deze, om de dolle honden af te weren:

Ik kwam al over Sint-Huibrecht zijn graf, Zonder stok of zonder staf; Kwaden hond, sta stille: Het is Sint-Huibrechts wille.

HET PRIVAATLEVEN.

I. Geboorte, doop, kindsheid.

De _geboorte_ van het kind is met gulden sprookjesdraden omsponnen. De ooievaar brengt ze, de heilige vogel, die volgens zijn naam zelf "met geluk komt", de _heil-över,_ zooals hij in den Achterhoek heet. Hij haalt ze met zijn snavel uit den vijver, evenals op de weilanden de spartelende kikkertjes uit de slooten:

Eibert, eibert, langebeen, Waarom is je poot zoo kleen? Waarom is je bek zoo lang?-- Omdat 'k altied kikkers vang.

Daar bij zijn komst in het land de groei- en teelkracht in de natuur zich openbaren, verwacht men dan ook de geboorte van het jonge menschenleven:

Ooievaar, Lepelaar, Takkedief, Ooievaar heeft de kindertjes lief.

Te Kuilenburg zingt men:

Ooievare klep, Met je langen bek, Met je lange pooten Ga je over slooten, Ga je over 't huis: Breng me een broertje of een zusje thuis.

De ooievaar brengt heil en zegen. Waar hij op het huis zetelt, woont geluk; wie een ooievaarsnest op zijn dak heeft, wordt benijd en een misdaad is het, zulk een nest uit te halen. Niet alleen in Westfalen en de Rijnprovincie, ook in Nederland is hij populair, is hij haast een nationale vogel geworden, vooral in het waterrijke Noorden. Hij brengt voor broertjes en zusjes de "muisjes" mee. Vergel, bl. 85.

Maar de kinderen komen ook uit bronnen, putten, vijvers of uit den watermolen, en wel volgens een Oudgermaansche opvatting, dat nl. het leven uit de bronnen komt en na den dood ook weer tot bronnen en vijvers terugkeert. Wij ontmoeten hier den bronnenkultus, zoo populair bij de Franken, Saksen en Friezen; hij verklaart tevens de verhouding, waarin Holda als godin der geboorte en des doods tot de bronnen staat. In zijn diepste wezen berust hij op wijding en symboliseering der animale vruchtbaarheid en levenskracht. Te Deventer komen de kleinen uit den Hoenderput, te Almeloo uit den Kloosterput, in de stad Groningen uit de _Woalpudde_, de pomp in 't wijde van de Heerestraat; in de Zaansche dorpen uit de watermolens, in het Oldambt van Groningen uit den Dollard. Elders vinden wij sporen van het oude volksgeloof, dat de bewoners van het zielenrijk over water in een schip het land der levenden bereiken. Zoo komen in sommige deelen van Friesland de kinderen uit de Wouden, en de kraamvrouw doet een Woudreis om ze te halen in een scheepje met een wit zeiltje en een paar witte zwaantjes er voor. Te Amsterdam komen zij overgevaren uit de Volewijk, in de Beemster worden zij met een schuitje uit den rietschoot gehaald. Te Hekelgem (Z.B.) gaan de kinderen kijken in het Kluizeputteken van O.L. Vrouw-ter-kluis om te zien, of er geen kindje in ligt. Of wel ze leggen zich met het oor op den rand van den put en denken dan soms kindergeschrei te hooren.

Eindelijk, ook de vegetatie openbaart jeugdige levenskracht, en daarom komen de kinderen uit holle boomen, groeien in de boomen, komen uit de kool en andere planten. In de Friesche Wouden en vooral ook in Noord-Holland groeien zij in de boomen als appelen en roepen dan:

Pluk mijn! pluk mijn! 'k Zal alle dagen zoet zijn.

De holle boomen zijn kinderen-telend in sommige gedeelten van Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Groningen en Friesland. Te Utrecht werden de kinderen uit den Munnekenboom geschud, een zeer ouden lindenboom in den tuin van het vroegere Karthuizerklooster aan de Vecht buiten de Weerdpoort. In België laat het volksgeloof ze veelal groeien aan rosmarijnstruiken. Waarom juist aan rosmarijnstruiken? Zeker is het niet toevallig, dat het jeugdige echtpaar bij voorkeur met rosmarijn is getooid en dat "de slag met de levensroede", die, zooals wij zagen, vruchtbaarheid beoogt, veelal met rozemarijnstengels wordt toegediend.--Wellicht moeten de holle boomen echter anders beoordeeld worden dan de gewone boomen, en zag men in hen slechts een toegang tot de geheimzinnige onderaardsche wereld.

Laat ik hier ten slotte aan toevoegen, dat de kinderen ook door dokter of vroedvrouw gebracht worden, of door de ouders worden gekocht, b.v. in missielanden. Zie hierover vooral Boekenoogen, Volkskunde XXII, bl. 18, 143, 193; XXIII, bl. 29; Knappert, Folklore, bl. 188 vlg.; Utrechtsche Volksalmanak, 1853, bl. 2 vlg.

Vrouwen in gezegenden staat ondervinden een bijzondere oplettendheid van den kant der buurvrouwen en vriendinnen. Zij mogen geen leelijke of vreemde dingen zien en moeten den aanblik van kreupelen en roodharigen vermijden. Wordt het kind geboren met hazenlip of ander gebrek, dan is dit hoofdzakelijk te wijten aan de onvoorzichtigheid der moeder tijdens haar zwangerschap. Tot haar omgeving staat zij in sympathetisch verband: een boom, die voor het eerst vruchten draagt, zal overvloediger dragen, als een vrouw in den tijd der verwachting van de vruchten eet. Verder is het een algemeen verbreide meening, dat het zeer verkeerd is gedurende de zwangerschap waschgoed op te hangen, onder een drooglijn door te loopen, met de armen boven het hoofd te slapen. Over deze en dergelijke volksopvattingen zie vooral M. A. van Andel, Volksgeneeskunde in Nederland (Utrecht 1909), bl. 105 vlg.

De vertraging der geboorte en het verstrijken van den barenstijd, naar berekening, wordt veelal toegeschreven aan den invloed der maan: "Zij zal de nieuwe maan, het eerste kwartier afwachten", ineenen de buurvrouwen.

Wordt het kind met een stuk der vliezen over het hoofd geboren, met "den helm", dan is het _beeldwit_ (blijkbaar een verbastering van het Middelnederl. _belewitte_, zie bl. 67): zoo iemand kan voorspellingen doen omtrent sterfgevallen, branden en het vergaan van schepen. Sommigen, die met den helm geboren zijn, moeten 's nachts opstaan, om de hekken te openen voor een lijkwagen. De helm en navelstreng spelen ook als toovermiddel in onze landen zoowel als elders een niet onbeduidende rol in het volksgeloof; zie vooral M. Sabbe in Volkskunde XXIII, bl. 91 vlg.; en R. Meringer in Wörter und Sachen, V, bl. 43 vlg. Ook Zondags- en Kerstkinderen kunnen in de toekomst zien; het zijn gelukskinderen, evenals de Woensdagskinderen; Vrijdagskinderen sterven spoedig. Kinderen met een dubbele kruin worden knap of koppig. De roodharigen zijn "van God geteekend" en staan aan plagerij en bespotting bloot: "Rood haar en elzenhout groeien op slechten grond", meent het volk. Zie Prof. J. W. Muller, Volkskunde XIX, bl. 8; Prof. Verdam, Handel. en Mededeel. v. d. Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden 1897--98; H. Heuvel, Driem. Bladen II, bl. 8.

Terstond na de geboorte ontvangt in katholieke streken het kind den vaderlijken zegen. De baker geeft het eerste bad en met dit badwater worden in Duitschland jonge boompjes begoten: zóo, als het boompje groeit, zal ook het kind groeien en gedijen. Dit hangt samen met de opvatting, dat het leven van den mensch als het ware een dubbelganger heeft in het vegetatieve leven van een boom, die al zijn lotsbeschikkingen deelt of zelfs bepaalt: een opvatting, die stoelt op de animistische voorstelling eener wezenlijke overeenkomst tusschen de plant en den mensch. Vandaar het planten van den levensboom bij de geboorte, een gebruik, vooral bij de Zuid-Slaven in zwang en door Fr. Krauss in zijn Volksglaube und religiöser Brauch der Südslaven (Munster 1890), bl. 32 vlg. zoo treffend geschetst. Ook bij de huwelijksgebruiken speelt deze levensboom een rol. In het Limburgsche is dit veelal een eik, beuk of vruchtboom, al dreigt het gebruik thans uit te sterven; en ook in menig Vlaamsch dorp kent men nog het geboorteboompje, doorgaans door den vader in den tuin geplant, als zijn vrouw hem een telg schenkt: dit boompje zal mèt het kind, als zijn evenbeeld, opgroeien en bloeien, om eenmaal te verdorren. Voor jongens kiest men een noten- of appelboom, voor meisjes een pereboom. Is het een goed noten- of appeljaar, dan worden veel jongens geboren; zijn de peren overvloedig, dan komen veel meisjes ter wereld. Ik herinner nog aan de treffende spreekwijze: "zijn levensboom verdort." Zie Is. Teirlinck, De Plant--een levend, bezield, handelend wezen (Gent 1892); Bloeiende Reuzen (Rousselare 1886). De vroedvrouw (_wiezemoêr, wiesvrouiv_), die den geneesheer vervangt, is ook meestal zeer bedreven in de lotsvoorspelling van den pas geborene. De baker laat het kind kijken en strijkt daarvoor de gebruikelijke fooien op.--En nu, voorzichtig! De kleine mag niet op de linker zij worden gelegd, anders wordt hij linksch; men mag niet over de wieg heen reiken, waar hij slaapt; men mag niet met een ledige wieg wiegen, dat verijdelt de nachtrust, òf het kind sterft. Het mag niet gemeten worden, anders meet men zijn doodkistje. Houdt het zijn vuistjes gesloten, dan wordt het gierig; houdt het ze open, dan wordt het vrijgevig. Van een stuurschen, onwilligen jongen zegt men in Limburg; "hij is overkops gewiegd". Ook moet de moeder de nagels van den jonggeborene afbijten, anders leert hij stelen. Het afknippen der nagels en der haren, het baden, enz., hetgeen bij de natuurvolken dikwijls als ritueele handeling beschouwd wordt, behoort tot de zoogenaamde scheidingsgebruiken, die ten doel hebben, ook een inwendige scheiding te bewerkstelligen; zie hierover vooral A. Van Gennep, Les rites de passage (Paris 1909), _passim_; Paul Sartori, Sitte und Brauch 1 (Leipzig 1910), bl. 18. De scheidingsgebruiken vormen mèt de opname-gebruiken in hoofdzaak de groep der overgangsgebruiken, die den overgang van den eenen toestand tot den anderen, van de eene sociale groep tot de andere, plegen te kenmerken; bij de volken met lagere kultuur zijn zij meestal in magisch-religieuze vormen gehuld.

Wanneer ik nu zeg, dat tot onze opname-gebruiken in de allereerste plaats _het doopsel_ en de naamgeving behooren, bedoel ik allerminst, hierin een criterium voor lagere kultuur te ontdekken. Integendeel! Immers het lagere ligt niet in het religieuze, maar in het magico-religieuze,--het _lagere_, zonder dat hierdoor iets ten gunste van de prioriteit dezer kultuurlaag wordt beslist. Peter en meter worden doorgaans genomen uit de naaste bloedverwanten. Veelal geeft de peter aan het kind zijn naam en beschouwt dit als zijn recht; geeft men het kind den naam der ouders, dan sterft het vóor de ouders. Het erft de hoedanigheden van peter en meter; ook neemt de doodstrijd van iemand, wiens meter nog leeft, geen einde, zoolang deze niet aan het ziekbed verschijnt. Bij den doop van den eersten zoon is gewoonlijk de mansvader peter, bij den doop van het eerste meisje de vrouwsmoeder meter.

Ongedoopte kinderen zwerven na hun dood als dwaaltochten rond boven de moerassen of vormen een deel van de Wilde Jacht. Kinderen, die, gedoopt zijnde, sterven, worden engeltjes: in Duitschland kent men den _Engelgarten_, de begraafplaats van gedoopte kinderen.

Kinderzegen beschouwt men in Groot-Nederland, althans op het platte land, grootendeels nog als geluk en als eere, al is het treffende Boheemsche spreekwoord onbekend: "Zooveel kinderen de vrouw heeft, zooveel sporten komt zij den hemel nader".

Het doopkleed wordt in vele families zorgvuldig bewaard. Nog bestaan kanten doopkleeden van groote waarde in sommige families, waarin vijf geslachten ten doop gedragen werden. Peter en meter plachten eertijds aan hun petekind een _pillegift_ te schenken, een woord, dat nog voortleeft in het Westvlaamsche _villegift_: een gouden penning, zilveren lepel, of iets dergelijks.

Natuurlijk gaan geboorte en doopsel ook met de noodige feestelijkheden gepaard, "'t Kind verdrinken", noemde men voorheen het feest voor de buurvrouwen. Ook het _doopmaal_ was vast gebruik. In België wordt na den doop de noodige _kindersuiker_ gekocht, om deze aan de buurtjeugd uit te deelen; en ook in Noord-Nederland worden buren, vrienden, magen, die "het kindje komen kijken", plaatselijk nog op _suikerdebol_ onthaald. Te Weert eet men een soort wittebroodsbollen, _lommerten_ genaamd. "Het kindje gaan zien" is op menig Limburgsch dorp synomien geworden van: een glaasje gaan drinken in een herberg zonder vergunning. Het gewoon onthaal bestaat echter in koffie, wittebrood en beschuit, bestrooid met suikerkorrels: _sòkerkörkes_ of _muisjes_, wit en rood, wat nog met de sekse in verband wordt gebracht. De Friesche term is _poppebak_, en men vertelt, dat de _lytse pop_ (het kraamkind) zulke _bakken_ heeft meegebracht. Of wij hierin een overleefsel van offergaven moeten zien, durf ik niet uitmaken.

Een ander gebruik is dit, dat gedurende negen dagen, die de bevalling volgen en waarin de kraamvrouw het bed moet houden, de buurvrouwen en vriendinnen, veelal gezamenlijk, haar komen bezoeken en het een of ander ten geschenke meebrengen; dit heet in Limburg: _met den eierschoot gaan_, in Noord-Brabant: _met den krommen arm_ of _de kromme slip gaan_. Ook in het noordelijk gebied kent men _kraamschudden_; het geschenk bestaat gewoonlijk in krentebrood. Te Brugge heet dit gebruik _prijken_, elders _paanderen_, ook _te paanderinge_ of _te pronkinge gaan_.

Na een bepaalden dag houdt dan de moeder den kerkgang, en wel in navolging van Maria, die het voorschrift der Joodsche wet nakwam, waarvolgens de vrouwen, veertig dagen na de geboorte van een zoon, zich tempelwaarts moesten begeven ter reiniging en om het kind aan den Heer op te dragen. De kraamvrouw wordt op dezen gang door de buurvrouwen vergezeld; na afloop van de plechtigheid heeft in katholieke streken dan voorgoed de traktatie op koffie en stoete, en brandewijn met rozijnen of kraamanijs plaats, die den naam van _kindjeskermis_ of _kindjeskoffie_ draagt, en beantwoordt aan het Drentsche _wievemoal_ en de Friesche _wievedei_. De Westvlamingen heeten dit de _koffiebale_. Met jonge vrouwen, nog niet moeder, wordt bij die gelegenheid wel eens wat gesold; men geeft ze schijnbaar een eereplaats en zij krijgt den kleine op den schoot. In Friesland nam dit gekscheren enkele malen een ruwen vorm aan; zie Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 222. Deze traktatie wordt ook wel _kinderbier_ genoemd; hierin heeft _bier_ natuurlijk een algemeene beteekenis, die wij nog herhaaldelijk zullen ontmoeten.

De ziekten van het kind gedurende de eerste levensjaren worden vaak aan beheksen toegeschreven: stuipen, mazelen, kinkhoest, Oude Man (_rachitis_) enz. Maar het volk weet raad en heeft voor al die kwalen geneesmiddelen, waarop ik bij de behandeling der Volksgeneeskunde terug kom. Over het algemeen maakt men een veelvuldig gebruik van amuletten, b.v. een snoer pioenzaden, een rozenkoortje (rood katoenen koordje), een kettinkje van lijsterbessen enz. tegen stuipen en moeilijke doorbraak der tanden. Eigenaardig is in België de vereering van _Sint Jan den Grijzer_ of _Krijter_ (Sint Jan in den Olie) en van _O.L. Vrouwe ter Ruste_ tegen het schreien en woelen der kinderen (sympathie).

Een heuglijke gebeurtenis is het doorbreken van den eersten tand. Op meer gevorderden leeftijd werpt het kind doorbrekende melktanden of ook andere tanden over het hoofd en zingt daarbij:

Zuid-Holland:

Onze Lieve Heertje, Daar hebt U een oude tand, Geef me weer een nieuwe tand, Die er vaster in staat, En er niet meer uit gaat.

Sluis: