Nederlandsche Volkskunde

Chapter 17

Chapter 173,657 wordsPublic domain

Onze lieve Vrouw, die weerdige bruid, Zij liet haar vallen al op het kruid, Alle de bloemekens, die sproten daar uit: De dobbele pioene, Die staat er al zoo groene! Ai! wie heeft er de mei van doene? De vischkens in het watere, De vogelkens in de wei, Al die zingen te zamen de groene mei.

Van de Noordnederlandsche meiliedjes is stellig het meest bekende en meest verspreide, hetgeen wij thans nog slechts als parodie hebben behouden:

Daar ging een patertje langs den kant,

met het refrein:

Hei 't was in de Mei, Mei, Mei, Hei 't was in de Mei.

Een ander meiliedje heeft betrekking op het snijden van fluitjes uit wilgenhout, dat den eersten meidag begint. In Gelderland, Overijssel en Drente--ik noem hier b.v. Geesteren, Ootmarsum, Ochten, Avereest, Koekange, Elspeet, Oldemarkt, Druten--snijden de jongens een wilgentak af, maken dien nat, en kloppen dan met het hecht van het mes zacht in de rondte, waardoor de bast loslaat. Het kloppen geschiedt op maat van liedjes als dit:

Sap, sap, siêpe Wanneer zinst doe riêpe? In Mei, in Mei As alle veugelkens 'en eiken legt. Woar legt ze dan? In 't spinvat, doar kan ze nummes nich vinden As doe dan nich of wis Dan za'k diê met 't mesken den hals afsniêën

Aldus te Geesteren; en te Barneveld:

Sieppe, sappe, sieppe, Wanneer zuj-je pieppe? Te Mei, te Mei, Dan leggen alle voegeltjes een ei, Behalve de kwartel en de griet, Die leggen in de meimaand niet. Heel of, hallef of, Sniêt ten boer de kop mer of.

Met de bedreiging in den laatsten regel der beide rijmpjes vergelijke men den aanvang van het fluitjesliedje, dat de jongens in Holstein en Karinthië zingen. Het fluitjessnijden draagt den naam van _maien_:

Pfeifel, Pfeifel, ich mai' dich, Oder ich zerschneide dich.

Vele rijmpjes gewagen ook van "de booze hesse (hekse)", die met een scherp mes het katje den kop afsnijdt. Eenigszins afwijkend luidt een meifluitjes-deuntje te Horst (L.):

Rieke, tieke, taken, Ik wil een fluitje maken, Van wilgen of van esschen, Welke zijn de beste? Heel af, half af, Snijdt de koe den staart af, Maakt er zeven jongen van, Zeven jongen in eenen nest.

Zie Limburg's Jaarboek I, bl. 68; Dr. Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 84 vlg.; verder Driem. bladen I, bl. 17, 50, 87, 92; II, bl. 80; III, bl. 30, 35, 90; IV, bl. 48; VII, bl. 55.

Stroomend water is vooral heilzaam en geneeskrachtig op den eersten meidag. In sommige streken van ons land is het de gewoonte, alsdan in stroomend water te baden; dit beveiligt vooral tegen huidziekte. In Oldemarkt drijft men 's nachts de schapen door het water:

Meimaand trekt men de schapen door de vaart, Dan blijven ze van de schurft bewaard.

De kinderen loopen in den meiregen, die immers zoo groeizaam is: "Meiregen, Meizegen". Op Texel ontsteekt men den vooravond een lentevuur, de zoogenaamde _meierblits_; vergel. bl. 184 en Volkskunde XIX, bl. 123.

In Oost-Vlaanderen--vooral rond Aalst en Dendermonde--bestaan nog meigilden met hun graven of dekens, oorspronkelijk om den meiboom te planten. Deze Meigraaf kiest zijn bruid en maakt haar tot Meigravin. Iets dergelijks vinden wij in Limburg te Beek, Geleen, Oirsbeek, Klimmen, Merkelbeek, Schinnen, Epen, Wylre, Gulpen, Slenaken, Valkenburg, Mechelen, Vylen, Vaals, Simpelveld, Ubachsberg, Eis, Bingelrade, Heer, Berg en Terblijt enz. Daar wordt--of werd nog zeer kort geleden--de _meileeste_ (Meiliefste) uitgeroepen, en wel door den kapitein van de "jonkheid". Op den 1sten Mei, of wel op den eersten Zondag in Mei, worden de huwbare meisjes door de jongelieden onder elkaar verdeeld of, zooals te Berg en Terblijt, bij hoogste bod aan de jongens toegewezen. Het verdeelen hangt nog met den meiboom samen, in zoover als de lijst, waarop de paren voorkomen, veelal op den meiboom ter bekendmaking wordt geplakt, onverminderd het officieële uitroepen. De Meiliefste wordt natuurlijk in de herberg onthaald. Dit gebruik is vooral bekend door de novelle van Ecrivisse: Het Meilief van Geleen. In Hessen, Westfalen en Rijnland spreekt men van het _Mailehen_ (= Meiliefste); in de Romaansche landen en in Engeland heeft een overeenkomstig gebruik plaats op Valentijnsdag (14 Febr.), op welken dag het volk meent, dat de vogels paren; men spreekt daar van _Valentines_.

De Meigraaf is in wezen identiek met den _Laubkönig, Graskönig, Pfingstlümmel_ enz., en beeldt uit de groeikracht der natuur; zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 341, 355, 376.

Te Genemuiden (O.) gaan op den 1sten of 2den Mei de kinderen met een versierde ladder rond, waarop een jongen of meisje met een vlaggetje in de hand zit, al zingende:

Luie motte, luie zotte, Op gaan staan! Die moet naar bed toe gaan.

Zie Driem. Bladen VIII, bl. 33; men vergelijke de Luilakliedjes op bl. 194, 196 en 197, alwaar de verklaring.

_Hemelvaartsdag._ 's Morgens vroeg ging men voorheen in Holland _hemelvaren,_ d.i. naar buiten, in het vrije veld, om van den heerlijken meimorgen te genieten. Plaatselijk bestaan nog overblijfsels van dit gebruik, dat ook _dauwtrappen_ of _dauwtreden_ wordt genoemd en ook wel op pinkstermorgen plaats heeft. De eigenaardige viering van Hemelvaartsdag te Hengelo en Zutfen (Mulderskermis) behoort tot het verleden; men vindt ze beschreven in den Gelderschen Volksalmanak van 1844, bl. 54.

_Luilak_ is de Zaterdag vóor Pinksteren, maar oorspronkelijk degene, die dien Zaterdag, dien schoonen meidag, te lang slaapt. Te Amsterdam moesten alle laatkomers trakteeren: de ambachtsgezel, die 't laatst in de werkplaats, de groenteboer, die 't laatst aan de markt, de schooljongen, die 't laatst op school kwam. Thans nog zijn de Luilak-gebruiken te Amsterdam en elders niet uitgestorven; zij zijn in geheel Noord-Holland in zwang. Te Zaandam moet de laatkomer de overigen onthalen op warme bollen en stroop. Op Luilakmorgen gaan de kinderen voor dag en dauw met de _korrie_, een laag wagentje aan een lang touw, uit naar de naburige dorpen; zij hebben daarbij groene takken en brandnetels bij zich, en terwijl deze--ook _luilak_ of _looielak_ genoemd--worden rondgedragen, zingt men:

De looie lak, de slaperige zak, Vanmorgen niet vroeg op 'estaan, Je ken wel weer naar bed toe gaan.

Elders:

Luilak, Slaapzak, Beddejak, Kermispop, Staat om negen uren op.

Verveelt hun dit spel, dan wordt de looielak te water gegooid, onder het zingen van:

Van eenen, van tweeën, van drieën, van vieren, van vijven, Gooi dien looielak maar te drijven.

Men vergelijke de gebruiken op 1 April en op Sint-Thomasdag. De luilak is natuurlijk weer identiek met den Meigraaf, _Laubkönig_ enz., zie bl. 193; eveneens met de Pinksterbloem, waarover nader. Zeer merkwaardig is het te water gooien; ook de _groene George_ wordt bij de Slovenen in Krain en Karinthië te water geworpen. Bij ons heet hij de _groene man_ of ook, zooals te Haarlem, _klisseboer,_ omdat hij geheel met klissen overdekt is. Hier hebben wij in werkelijkheid den _Regenzauber:_ een sympathetischen vruchtbaarheids-ritus, om door indompeling den onontbeerlijken voorjaarsregen te erlangen. Zie hierover Mannhardt, Baumkultus, bl. 313, 327 vlg.; over het Luilakvieren Dr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal (Leiden 1897), bl. 590; Onze Rijmen, bl. 59; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 221.--Deze dag brengt ook de _luilakbollen_.

_Pinksteren._ Mei- en Pinkstergebruiken vallen vrijwel samen; aan het Meilief beantwoordt de _Pinksterbloem_ of _Pinksterbruid_. Ook zij is een verpersoonlijking van den genius der groeikracht, wat o.a. uit haar bloemkroon en loofversiering blijkt. Te Sittard heeft zij hoofd, leest en armen omwonden met kransen van roode kollen en blauwe korenbloemen.

Het schoonste meisje van het dorp werd eertijds met bloemen getooid en als koningin door haar speelgenootjes onder gezang en gejuich rondgeleid; maar naderhand ontaardde het gebruik in een bedelpartij. Te Schermerhorn, den Beemster, Purmerend en elders ging een weesmeisje in het wit gekleed, met bloemen getooid en met een bekransten beker in de hand rond, met een weesjongen als geleider, die een met bloemen omwonden stok in de hand droeg. Ook te Molkwerum fungeerden meisjes van 12 tot 15 jaar als Pinksterbloem; te Franeker, Bolsward en Makkum was het een kleine jongen, die in een zoogenaamden tempel liep, een soort bijenkorf, samengesteld uit hoepels en stokken en met groen behangen. Te Vriezenveen werden op 2en Pinksterdag de kleinste meisjes met groen behangen en onder een groot schort van huis tot huis geleid. Thans is dit gebruik, dat in de XVIIe eeuw nog te Amsterdam, Utrecht, Deventer, Arnhem, Enkhuizen en in het Kennemerland plaats had, zooals uit de verordeningen blijkt, vrijwel uitgestorven, en wel, als zoo vaak, in zuidelijke richting. Te Ubbergen hielden nog kort geleden drie meisjes uit de mindere volksklasse haar omgang, van wie de middelste de Pinksterbloem voorstelde; zie hierover Mr. W. V. D. Poll, in den Gelderschen Volksalm. 1897, bl. 185

In Limburg en Noord-Brabant bestaat de Pinksterbloem nog, eveneens in sommige plaatsen van Vlaanderen; ik noem Horn, Amby, waar zij insgelijks in een "huisje" met groen zit, Schinnen, Doenrade, Cuyk, Blitterswijk, Guttecoven, Afferden. Het lied, dat bij het rondgaan gezongen wordt, is hoofdzakelijk van tweeërlei aard.

Cuyk (N.-B.):

Vierge, vierge Pinksterbloem, Daar komt zij aangegangen, Met een krans al om haar hoofd En twee gebloemde wangen. Vrouwtje, als gij niet deugen wilt, Dan zullen wij u gaan verkoopen. Dan gaan wij naar het groene woud, Daar zingen de vogeltjes jong en oud, Keert u es om, Draait u es om, Vierge, vierge Pinksterblom.

Einighausen (L.):

Pinksterbroed, De wien is oet, Wie lengen weer de dagen, Eine mei, eine mei, eine liebesmei, Eine mei van groene blaren.

Wie doet nu eigenlijk dienst als Pinksterbloem? Wie verbeeldt den vruchtbaarheidsgenius? Welken eigenaardigen vorm neemt het vegetatiegebruik op Pinksterdag aan?

Het antwoord geeft ons o.a. een pinksterrijmpje uit Horn (L.):

Pinksterbloem, slechte roem, Gij hebt zoolang geslapen; Hadt gij vroeger opgestaan, Dan waart ge mijn kameraadje!

De Pinksterbruid of de Pinkstlummel is dus de langslaper; want de taak, als vegetatiegenius te fungeeren, was aanvankelijk allesbehalve een huldiging van den persoon, maar slechts van den genius; en daarom alleen zette men haar of hem de kroon op het hoofd. Het was een zekere tuchtiging van den telaatkomer, van den luiaard, die een heerlijken meimorgen versliep. Mannhardt daarentegen meent de verklaring van het feit, dat voor Pinksterbruid de laatst-ontwaakte genomen wordt, hierin te moeten zoeken, dat de Pinksterbloem de uit den slaap ontwaakte lentedaemon is. Deze verklaring komt mij te zeer gekunsteld voor en niet in overeenstemming met alle feiten. Veeleer moet de luiaard zich in loof laten steken, dienst doen als vegetatiegeest, zij het tegen wil en dank. Op vele plaatsen wordt hij dan ook met een kroon van stroo of brandnetels getooid, hij wordt met brandnetels gegeeseld (dit slaan heeft natuurlijk weer betrekking op de vruchtbaarheid, vgl. bl. 102), men _drijft_ hem of haar voor zich uit, en zingt in Westfalen:

Pinksterblome, fûle sûge (Sau)! harstu êr uppestaun, harr et di kîn leid edaun.

Van daar ook de benamingen _Pfingstlümmel, Pfingstschläfer, Wasservogel_ (dewijl men hem in het water werpt) enz.

Zeer nauw hiermee verwant is het Drentsche nustekook-gebruik. "_Nust_koek" hangt met "nusselen", d.i. talmen, samen.

Op Pinkstermaandag spoeden zich, volgens de mededeeling van Dr. Bergsma in den Nieuwen Drentschen Volksalm. 1900, bl. 104, de koejongens voor dag en dauw met de koeien naar de weiden. Die 't laatst met zijn koeien "op den diek" verschijnt, d.i. op den gemeenschappelijken weg, die naar de verschillende weiden voert, heet _nustekook_. Zijn terugkomst wordt door de andere koejongens vóor op den dijk afgewacht; zij zetten hem een van russchen gevlochten steek op, slaan hem met brandnetels om hoofd en handen en trekken daarna zingend door het dorp; het opgehaalde geld wordt gemeenschappelijk verteerd. Aldus te Zuidlaren, Gasselte enz. Tegenwoordig versieren zich te Zuidlaren bijna alle kinderen met een russchen hoed en vragen geld aan de deuren. Te Zeegze is het gebruik afgeschaft.--Een eigenaardigen vorm, ook in het buitenland bekend, vertoont het gebruik te Borger. Daar wordt de _nustekook_ geslagen, en een ander, een arme jongen, in bloeiende brem gestoken, wordt als _Pinksterbroed_ het middelpunt van den optocht. Waar een _Pinksterbroed_ is, is ook een _broedsleider_. Te Gees heet hij broedegom, te Zweeloo heeten ze broedhen en broedhaan. Te Gees is de Pinksterbruid het geheele jaar de versukkeling.

De kinderen verzamelen zich te Koevorden aan den ingang van de weide en letten op, welk beest het laatste van den stal gekomen is en de weide binnentreedt. Die koe is dan 't voorwerp van het feest der kinderen, 's Namiddags plukken zij bloeiende braamtwijgen of ander groen, omhangen de koe daarmee en leiden ze onder schaterend gejuich de stad binnen, al zingende:

Pinksterbloed (of Pinksterbroed) Oranjezoet, Hoe zit je zoo diep in de veeren? Had je _wat eerder opgestaan_, Dan had je geen nood gekregen.

In Neder-Duitschland heet deze koe of os, die met bloemen getooid en bekroond wordt: _Pingstkaue, Pingstosse_. Vandaar het spreekwoord: "opgedirkt als een pingstos." Men vergelijke met bovenstaand rijmpje het volgende, dat te Zuidlaren wordt gezongen van den _nustkoek_ of langslaper:

Nustkoek, nustkoek, Zits dou zoo diep in de vaerren, Kanst het geroup niet heurren, Hast dou geen oogies van kiekerdekiek, Komst ja te laat met de koe'n op den diek.

Het kind, dat de koeien het eerst in de weide dreef, heet _vroegrijp_, het tweede _dauwworm_, het derde _midden-in-de-ton._

En nu weer een schoolgebruik, treffend door zijn overeenkomst. Dr. R. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 beweert, dat men het meisje, dat op Pinksteravond te laat in school komt, _Sinksenbruid_ noemt en dat haar wordt toegezongen:

Sinksenbruid, De loegaard uit! Hadt je _eerder opgestaan_, Gij hadt ook eerder naar school gegaan!

Te Bergues, in Fransch-Vlaanderen, werd den leerling, die daags vóór de kermis te laat op school kwam, een biezenkroon op het hoofd gezet; zoo werd hij naar huis gejaagd en de schooljeugd achtervolgde hem zingende. Ik sprak reeds bl. 194 over de overeenkomst met de gebruiken op Sint Thomasdag. Ook plachten te Sint Truiden de kinderen op Sint Thomasdag papieren kronen op te zetten.--

Elders wordt de groeikracht gehuldigd in den vorm van bloemen, pinksterbloemen. Ik wensch hier echter nogmaals de opmerking te maken, dat wij in deze bloemen met een symbool te doen hebben, dat tot zuiver, niet-kultisch symbool geworden is. In Biekorf VI, bl. 366, leest men: "Den Vrijdag voor Cinxenhoogdag worden hoven, weiden en velden doorloopen van de kinders der vlaamsche bewaarschool der blauwe zusters binnen Veurne, die geheele panders blommen naar huis brengen. De hoogstgeschatte zijn de ""Cinxebruids"" (beuterblomme, _butterflower, jaunet_). 's Avonds, met moeders hulpe, maken de kinders eenen hoepel van wijdauw, daarrond vlechten zij hunne geluwe "Cinxenbruids." Zoo ook te Zutfen, waar de kinderen op de Pinksterdagen kronen uit hoepels maken (of kortelings nog maakten), die ze met groen en bloemen versieren en aan touwen ophangen. Te Hattem werd hierbij gezongen:

Rosa [rozen], Rosa, Rosa bloeien op mijn hoed. Alles geld is alles goed; Kies, wie gij wilt, En de schoonste, die gij vindt; enz.

Over de stroopop op Pinksternacht spreek ik in het volgende hoofdstuk, II: Liefde en Huwelijk.

_Tweede Pinksterdag_ is ten deele reeds besproken. Te Anderlecht (Z.-B.) hebben dan de bekende paarden-ommegangen plaats, evenals te Mechelen en te Werchter. De deelnemers rijden op hun getooide paarden eerst driemaal om de kerk, wonen daarna den dienst bij, en gaan dan nog driemaal om het hoogaltaar en het beeld van St. Gwijde (Guido). Men vergelijke dit gebruik met _Sunte Steffenjagen_ (bl. 134). In Duitschland spreekt men van den meirit, _das Maireiten,_ hetwelk Mannhardt behandelt in zijn Baumkultus, bl. 347 vlg. De Pinkstruiters, d.i. de _Pfingstl_ met zijn gevolg, rijden om de akkers ter bevordering der vruchtbaarheid. In Beneden-Beieren heeft dit op Pinkstermaandag, elders op Hemelvaartsdag of Paaschdag plaats. Ook b.v. in Zwaben heeft deze rit een kerkelijk karakter aangenomen: op de vier hoeken van den akker wordt daar het Evangelie gelezen, terwijl bij het _Königsreiten_ in Oostenrijksch Silezië, waar alle notabelen aan dezen akkerrit deelnemen, gedurenden den ommegang vrome liederen gezongen worden ter afwering van onweêr en hagelslag.

Op dezen dag worden veelal de schuttersfeesten der gilden gevierd, een aloud gebruik, dat den naam van _Pinxtergilden_ voor sommige schuttersgilden rechtvaardigt. De gilden, waarover reeds bl. 192 gesproken werd en nog verder sprake zal zijn, vertoonen, evenals de Germaansche gilden over het algemeen, een gekerstenden vorm van de Oudgermaansche bloedsbroederschappen. Plicht was het eertijds, den kultus der afgestorven leden te behartigen door een lijkmaal, plicht bleef het later, het gildemaal te houden op het feest van den patroonheilige. Het schieten is dan wel een erfstuk der Oudgermaansche volksweerbaarheid. Wat den term betreft, hangt het woord _gilde_ (vgl. _geld_), Middelnederl. _ghilde,_ met het Oudnoorsche _gildi_ samen, dat de beteekenissen van "inleg" en "gelag" in zich vereenigt; zie verder mijne Essays en Studiën, bl. 115.

De schuttersgilden, die men vindt in steden en dorpen, waren vroeger in Nederland volstrekt algemeen. Maar door het ijveren der predikanten werden vele gilden ontbonden, zoodat b.v. in Holland in de XVIIe eeuw de meeste te gronde gingen. Zij bloeien nog in Limburg, Gelderland, Noord-Brabant en België.

Bij deze gilden heeft het vogelschieten echter meestal plaats op den feestdag van den patroonheilige of op kermis-Maandag; hierover nader in het volgende hoofdstuk, III: Huiselijk Verkeer. Over het gildewezen zie Ter Gouw, De Gilden (Amsterdam 1866); De Volksvermaken, bl. 502; Volkskunde XVII, bl. 121; over de Pinksterviering J. H. Maronier, Het Pinksterfeest (Arnhem 1894), _passim_; De Cock, Volkskunde, bl. 247; Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 221 vlg.; V. Reinsberg-Düringsfeld, Das Festliche Jahr, bl. 191; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 183; De Navorscher II, bl. 186; Drentsche Volksalm. XLIV, bl. 120; Biekorf XIII, bl. 161 vlg., 177 vlg.

_Sint Jan de Dooper_ (24 Juni) is de groote dag van het Midzomerfeest met zijn offervuren en offermaaltijden, en speelt daarom in het Germaansche volksleven een voorname rol. Reeds vroeg trad het geboortefeest van dezen heilige in verband met het Midzomer-, of Zonnestilstandsfeest, en dit verband werd nauwer, naarmate men meer innerlijke betrekking tusschen beide feesten meende te kunnen waarnemen. Zoo schrijft de H. Augustinus (_Sermo_ 289): "Opdat de mensch mocht vernederd worden, is heden geboren Johannes, nu de dagen beginnen af te nemen; opdat God verheven worde, is Christus geboren op dien dag, waarop de dagen beginnen te groeien." Zoo werd dan ook b.v. het gebruik, dezen dag in stroomend water te baden (vgl. bl. 192), aldus gekerstend, dat men het gebruik bijhield ter eere van 's Heeren doopsel in den Jordaan. Zeer heilzaam is ook de Sint Jansdauw, het dauwtrappen op Sint Jansdag. Planten, dien dag geplukt, bezitten groote tooverkracht. Maar vooral de _Sint Janstak_ pleit voor de overeenkomst tusschen het Midzomerfeest en de Meiviering, hetgeen elders uit de oprichting van een meiboom op Sint Jansdag blijkt. Het is een krans van groen en bloemen, dien men buiten tegen den muur van het woonhuis hangt, waar hij blijft hangen, tot hij verdord is. Dit gebruik bestaat o.a. te Vortum, Beers, Afferden, Waalre. Hij beschermt tegen onweêr en moet bestaan uit korenbloemen, notenblaren en Sint Janskruid: de noteboom is een bekend vruchtbaarheidssymbool, en het Sint Janskruid (_sedum purpureum_), ook _Jaag den duivel_ genoemd, heeft het vermogen, booze geesten te verdrijven. Te Duiven worden de huizen met noten- en rozentwijgen versierd.

Op Sint Jansnacht drijven, evenals op de Walpurgisnacht, de geesten hun spel: het is een der geheimzinnige toovernachten. Dan snijdt men de wichelroede, dan plukt men Sint Janskruid, dan durft de schipper niet uitvaren op het Haringvliet. Dan legt men doeken buiten, om den Sint Jansdauw op te vangen, en deze dauw geneest voortreffelijk bij oogziekte (Vortum). Herhaaldelijk komt Sint Jan ook voor in de volksweêrkunde. Als de koekoek roept na Sint Jan, komt duurte.--Vóor Sint Jan bidt om regen, na Sint Jan komt hij ongelegen.--Regent het na Sint Jan, dan _kort_ (korrelt) het graan slecht, zegt men in Limburg.

Op enkele plaatsen bestaan nog de oude Sint Jansvuren, _survivals_ van het groote Zomeroffer; ook vertoonen zij vaak het karakter der noodvuren (bl. 104). Daags vóor Sint Jan gaan b.v. te Wichelen (O.-V.) de kinderen om brandhout rond, al zingende:

Hout, hout, timmerhout, Wij komen om Sint Janshout; Geeft een beetjen en houdt een beetjen, Tot op Sint Peetersavond.

Men vergelijke de uitdrukking in het Sint Maartenslied: "op Sint Jans manieren", bl. 111.

De meeste Sint Jansvuren zijn echter overgegaan op:

_Petrus en Paulusdag_ (29 Juni), die ten deele nog in Limburg, maar vooral in België gevierd wordt, waar men om het vuur danst, zingende:

Sinte Peeter, komt alhier, In ons ronde van plezier.

Op vele plaatsen, waar vroeger het geheele volk aan de feestviering deel nam, is deze thans beperkt tot de kinderen. Aldus te Herdersem, Eename, Aspelare (O.-V.) enz., alsmede in vele dorpen van West-Vlaanderen; zie ook Rond den Heerd IX, bl. 257; Loquela III, bl. 10.

Wat gebeurde met het Sint Maartensvuur, heeft ook met de Sint Pietersvuren plaats gehad: de feestviering werd veelal beperkt tot den rondedans om een kaarsje; aldus te Kruibeke, waar men zingt:

Sinte Pieter mee zijn bloote armen, Die zou hem gêren komen warmen.

Men vergelijke het Sint Maartenslied, bl. 109.

In geheel Oost-Vlaanderen en West-Brabant bestaat verder het gebruik van den _rozenhoed_. Het is een meigebruik, dat wij bl. 200 te Zutfen en elders op Pinksterdag vonden. Enkele met bloemen en groen omwonden hoepels vormen een kroon, en deze hangt men aan een over de straat gespannen koord op. 's Avonds wordt hieronder gedanst en gezongen; zoo b.v. te Lokeren:

Sinte Pieter, die is goed Al voor onzen (_bis_)

Sinte Pieter, die is goed Al voor onzen rozenhoed.

Te Wetteren plaatst men onder den rozenhoed een tafeltje met brandende kaarsjes, en daaromheen dansen de kinderen, zingende:

St. Pieter is onze Patroon! Wij zullen hem gaan vieren; Wij maken hem een kroon, Te midden van onz' plezieren! Bom la la, bom la la, bom la la sa sa! En daar heeft niemand iets aan, Troe la la, troe la la! En daar heeft niemand iets aan, Troe la la sa sa.

Wij herinneren er aan, met het oog op dit kaarsje-ronddansen onder de kroon, dat het oudtijds de gewoonte was, bloemen, kransen en kruiden in het zuiverend offervuur te werpen, waar men omheen danste en overheen sprong. Vooral notenblaren worden plaatselijk in de Sint Jansvuren geworpen; vgl. bl. 202 en de steeds fundamentale behandeling van het Sint Jansvuur bij Grimm, Deutsche Mythologie I, bl. 513. Dat het gebruik van den rozenhoed eertijds ook elders met vuurstoken gepaard ging, blijkt uit een liedje uit het land van Waas:

Stokvier, maakt stokvier! Sinte Pieter is alhier, Om zijn bloote armen Nog wat te warmen; enz.